← België

Arrest 206843 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:A

van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (verder Vreemdelingenwet) ingediend. 1.

  1. Op 6 februari 2009 neemt de gemachtigde van de Minister van Migratie- en asielbeleid een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Hij neemt tevens een bevel om het grondgebied te verlaten. 1.
  2. XXX dient op 6 april 2009 tegen deze beslissingen een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  3. Bij arrest nr. 28.763 van 16 juni 2009 heeft de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen de beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 6 februari 2009 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvan- kelijk wordt verklaard vernietigd. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen in zoverre het gericht is tegen het bevel om het grondgebied te verlaten. XIV-31.263-2/26 Dit is het bestreden arrest. Dit arrest berust op volgende overwegingen: “
  4. Nuttige feiten ter beoordeling van de zaak Verzoekster van Marokkaanse nationaliteit dient op 21 november 2002 een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: Vreemdelingenwet). Op 10 oktober 2008 dient verzoekster een aanvraag in om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet. Op 6 februari 2009 neemt de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid de beslissing waarbij verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “in toepassing van artikel

van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingesteld door artikel 5 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980, deel ik u mee dat dit verzoek onontvankelijk is in toepassing van genoemd artikel

, § 3, en in toepassing van artikel 7, § 1 en 2 van het Koninklijk Besluit van 17/05/2007 (B.S. 31/05/2007). Reden(en): De aanvraag ging niet vergezeld van volgende documenten en inlichtingen: Een medisch getuigschrift aangaande de ziekte bedoeld in artikel

, § 1, van de wet en enig andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot de ziekte (K.B. van 17/05/2007 artikel 7, § 1, tweede en derde lid), m.n.: Artikel 7, § 1, (2 en 3 ) van het Koninklijk Besluit van 17 mei 2007 verduidelijkt dat de aanvraag moet vergezeld gaan van "een medisch getuigschrift aangaande de ziekte bedoeld in artikel

, § 1, van de wet" en van "enig andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk" met betrekking tot deze ziekte. Hetzelfde Artikel 7, § 2, zegt dat de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk verklaart "indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd". Deze drie inlichtingen zijn niet alleen nuttig, maar onontbeerlijk voor een correcte beoordeling van de aanvraag in de zin der wet en dat de afwezigheid van een ervan in de inleidende aanvraag bijgevolg neerkomt op slechts gedeeltelijke mededeling van alle medische dienstige informatie, leidend tot onontvankelijkheid in toepassing van Art 7, § 2, van het KB van 17/05/

  1. De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is. Bijgevolg is de aanvraag onontvank- elijk. Het staat de betrokkene vrij een nieuwe aanvraag in te dienen, ditmaal vergezeld van de onontbeerlijke medische informatie.” Tevens neemt de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid op 6 februari 2009 de beslissing waarbij verzoeksters aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. Op 12 maart 2009 neemt de gemachtigde van de minister ten aanzien van verzoekster het bevel om het grondgebied te verlaten.
  2. Over de rechtspleging 2.
  3. Ambtshalve wordt vastgesteld dat de Raad geen gerechtskosten kan opleggen. Het verzoek daartoe van de verzoekende partij om de kosten van het geding ten laste te leggen van de verwerende partij, wordt om die reden verworpen. 2.
  4. De verwerende partij is niet ter terechtzitting verschenen. Artikel 39/59, §2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet) bepaalt als volgt: “Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. XIV-31.263-3/26 Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf.” Ten aanzien van de verzoekende partij is dit een onweerlegbaar vermoeden. Naar analogie met de (vaste) rechtspraak van de Raad van State inzake artikel 4, vierde lid van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State (RvS 16 juni 1998, nr. 74.288) mag ten aanzien van de niet verschijnende noch vertegenwoordigde verwerende partij worden aangenomen dat er het vermoeden geldt dat deze partij instemt met de vordering, maar dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er evenwel niet in alle omstandigheden toe gehouden is op dat vermoeden in te gaan. Dit zal met name niet het geval zijn wanneer hij tot de vaststelling komt dat de vordering duidelijk niet voldoet aan de ontvankelijkheids- of gegrondheidsvoorwaarden (zie G. DEBERSAQUES en F. DE BOCK, “Rechtsbescher- ming tegenover de overheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen”, Brussel, Vrije Universiteit Brussel, 2007, nr. 49). In casu blijkt echter uit de bespreking van het enig middel hieronder dat aan de grondvoorwaarden waaronder de beslissing kan worden vernietigd, wordt voldaan. In casu neemt de Raad het vermoeden aan dat verwerende partij instemt met de vordering.
  5. Onderzoek van het beroep 3.
  6. In een enig middel voert verzoekster het volgende aan: “Schending van de motiveringsplicht, schending van artikel 9 ter van de Vreemdeling- enwet; Verweerder besluit tot de onontvankelijkheid van de verblijfsaanvraag van verzoekster om de reden dat "... De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzake- lijk is" (stuk 1); Dat nochtans de aanvraag uitdrukkelijk vermeld (stuk 2): "Uit het medisch getuigschrift blijkt dat vertoogster lijdt aan: Een lumbosacrale hyperlordose; Een buiging ter hoogte van de wervelzuil niveau L5-S1; Oesophagitis graad A; Hypercholesterolemie; Depressie (cf. stuk 5) Uit het medisch attest blijkt ook dat vertoogster lijdt aan een acute aandoening die verbeterbaar, niet geneesbaar is, maar wel een goede levensverwachting biedt in geval van medische behandeling; Steeds blijkt uit het medisch getuigschrift van dokter R.A. dat een niet correcte opvolging kan leiden tot dramatische gevolgen. Uit het medisch attest blijkt eveneens dat er, steeds volgens de behandelende arts, geen adequate behandeling zou zijn in het land van herkomst... ". De aanvraag ging vergezeld van volgende stukken (stuk 2) : "Lijst van overtuigings- stukken Kopij Marokkaans paspoort Kopij Marokkaanse identiteitskaart Kopij regularisatieverzoek de dato 21 november 2002 Ontvangstbevestiging stad Brussel de dato 2 7 januari 2003 Medisch attest onder gesloten omslag "; Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag voldoende blijk geeft van medische gronden, die een adequate medische behandeling vereisen, dewelke in Marokko niet kan geboden worden. De aanvraag werd gestaafd met een medisch attest van dokter R.; Uit een lezing van de bestreden beslissing en haar motivering kan niet vastgesteld worden dat verweerder het medisch attest in overweging heeft genomen; De bestreden beslissing is dan ook niet afdoende gemotiveerd; XIV-31.263-4/26 De bestreden beslissing schendt de artikelen 2 en 3 van de wet dd. 29.07.1991 op de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, alsook artikel

van de Vreemdelingenwet.” 3.2. In de nota repliceert verwerende partij, na een theoretische uiteenzetting over de formele motiveringsplicht, dat verzoekster niet duidelijk maakt op welk punt de motivering van de bestreden beslissing haar niet in staat stelt te begrijpen op basis van welke juridische en feitelijke gegevens de bestreden beslissing is genomen zodat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht. Verwerende partij merkt op dat uit de bestreden beslissing blijkt dat er wel degelijk rekening werd gehouden met het door verzoekster voorgelegd medisch attest, omdat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat uit de aanvraag niet blijkt dat er sprake is van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is. Verwerende partij duidt erop dat verzoekster er niet in slaagt deze vaststelling te weerleggen. Verwerende partij wijst erop dat overigens in de bestreden beslissing werd bepaald dat het verzoekster vrij staat om een nieuwe aanvraag in te dienen die vergezeld is van de onontbeerlijke medische informatie. Verwerende partij is van mening dat de aanvraag op correcte wijze onontvankelijk werd verklaard, rekening houdende met alle gegevens van het administratief dossier en conform artikel

van de Vreemdelingenwet en artikel 7, §1 en §2 van het Koninklijk Besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 (hierna: KB 17 mei 2007). 3.3. In de repliekmemorie repliceert verzoekster het volgende: “Verzoekster wenst in haar memorie van wederantwoord hierop te antwoorden dat het niet noodzakelijk is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van een medische verblijfsaanvraag op grond van artikel

Vreemdelingenwet dat de medische behandeling al opgestart is. Het medisch attest moet wel de gezondheidsproblematiek en het risico bij terugkeer vermelden (RvV, nr. 22.756, 5 februari 2009). In casu somt de verblijfsaanvraag duidelijk de medische aandoening van verzoekster op (lumbosacrale hyperlordose, buiging ter hoogte van de wervelzuil niveau L5-S1, oesophagitis graad A, hypercholesterolemie, depressie) gestaafd door een medisch attest. De attesterende arts wijst op de nadelige gevolgen van terugkeer naar het herkomstland, zijnde Marokko. Ook aan de ontvankelijkheidsvoorwaarde om een identiteitsdocument voor te leggen, is voldaan. Verweerster schendt daarom haar motiveringsplicht en schendt artikel

van de Vreemdelingenwet door te stellen dat de medische verblijfsaanvraag onontvankelijk is omdat “de aanvraag niet vergezeld ging van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is. Bijgevolg is de aanvraag onontvankelijk.” Verzoekster vecht verder in de repliekmemorie ook het bevel om het grondgebied te verlaten dat haar werd gegeven aan en verzoekt dat ook dit bevel wordt vernietigd wordt. Hiervoor wordt verwezen naar punt 3.

  1. van dit arrest. 3.
  2. De in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de burger, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze. Het begrip "afdoende" impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. In de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de juridische grondslag, met name artikel

van de Vreemdelingenwet, artikel 7 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 en naar het feit dat er in de aanvraag geen sprake is van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is. Dienvolgens moet worden vastgesteld dat verzoekster niet duidelijk maakt op welk punt deze XIV-31.263-5/26 motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht. Uit het verzoekschrift blijkt tevens dat verzoekster kritiek uit op de motivering van de bestreden beslissing en bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. Bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht behoort het niet tot de bevoegdheid van de Raad om zich bij de beoordeling van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel

van de Vreemdelingenwet, in de plaats te stellen van de administratieve overheid. De Raad is in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Artikel

, §1, eerste lid van de Vreemdelingenwet bepaalt: “§

  1. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde. De vreemdeling dient alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte over te maken. De appreciatie van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar- geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen. De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op : - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet het voorwerp van een definitieve beslissing heeft uitgemaakt of die een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar verklaard administratief cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont." Artikel 7 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoerings- modaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: het koninklijk besluit van 17 mei 2007) bepaalt: “§
  2. De aanvraag van de machtiging tot verblijf, bedoeld in artikel

, § 1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen : 1 hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel

, § 1, derde lid, van de wet; 2 een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, § 1, van de wet; 3 enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; 4 het adres van zijn feitelijke verblijfplaats in België. §2. Onverminderd artikel

, §3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in §1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven. XIV-31.263-6/26 In het tegenovergestelde geval geeft de gemachtigde van de minister de instructie aan de gemeente om de betrokkene in te schrijven in het vreemdelingenregister, en hem in het bezit te stellen van een attest van immatriculatie model A. Dit attest wordt ingehouden indien de betrokkene zonder geldige reden geen gevolg geeft aan een uitnodiging van de behandelende ambtenaar-geneesheer of deskundige.” Het hoofdmotief van de bestreden beslissing bestaat erin dat de aanvraag van verzoekster niet vergezeld is van inlichtingen waaruit blijkt dat een specifieke medische behandeling gegeven wordt of noodzakelijk is. Verzoekster voert aan dat verwerende partij het artikel

van de Vreemdelingenwet en de motiveringsplicht schendt. Verzoekster benadrukt dat haar aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet, gestaafd door een medisch attest, voldoende blijk geeft van haar gezondheidstoestand, van haar medische aandoening, die een adequate medische behandeling vereist dewelke niet in Marokko kan worden geboden, en van de nadelige gevolgen bij een terugkeer naar haar land van herkomst. Verzoekster stelt in hoofdzaak dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd, daar uit lezing van de bestreden beslissing niet kan worden vastgesteld dat verwerende partij het medisch attest in overweging heeft genomen. Er dient opgemerkt te worden dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdeling- enwet van verzoekster van 10 oktober 2008, zoals vereist, vergezeld ging van een medisch attest, waarin de arts volgende gegevens vaststelt: “Ik verklaar dat deze dame momenteel aan de volgende aandoeningen lijdt: (…) Voor haar (…) bestaat er mijn inziens geen adequate opvolging voor in Marokko. Bij een niet correcte opvolging kan dit eventueel tot dramatische gevolgen lijden. De (…)klachten zijn momenteel niet onder controle ondanks maximale behandeling. Indien de (…)klachten niet verbeteren zal deze patiënte multipele infiltraties moeten krijgen ter hoogte van de wervelzuil.” Dienvolgens stelt de Raad vast dat in het medische getuigschrift, waarvan de aanvraag van verzoekster vergezeld ging, wordt gewezen op de gezondheidsproblematiek, op de risico’s en zelfs op de nodige medische behandeling om de (gezondheids)toestand van verzoekster te verbeteren. De gemachtigde van de minister kan niet voorhouden dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoekster niet vergezeld ging van medische inlichtingen, namelijk of er een specifieke medische behandeling wordt gegeven of noodzakelijk is. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid heeft het voorgelegde medische attest bijgevolg incorrect beoordeeld en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is. Ten overvloede wijst de Raad erop dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel

, § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet, exclusief toekomt aan een ambtenaargeneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Parl.St. Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing evenwel genomen zonder dat het advies van de ambtenaargeneesheer werd ingewonnen. De vaststelling dat in een medisch attest geen verdere toelichting verschaft wordt over de eventuele noodzaak van een toekomstige medische behandeling laat in casu niet toe de aanvraag onontvankelijk te verklaren. Uit wat hieraan voorafgaat, kan afgeleid worden dat de gemachtigde van de minister bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van een niet-correcte feitenvin- ding om te oordelen dat de aanvraag onontvankelijk is. Nu verwerende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaard heeft omdat niet voldaan is aan artikel 7, §§1 en 2 van het KB van 17 mei 2007, schendt zij het voornoemde artikel. Eveneens kan vastgesteld worden dat verwerende partij, gelet op het voorgaande, XIV-31.263-7/26 onterecht motiveerde dat verzoeksters aanvraag onontvankelijk was omdat “de aanvraag niet vergezeld ging van de nodige inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is”. Verzoekster voert terecht de schending van artikel

van de Vreemdelingenwet en van de materiële motiveringsplicht aan. In die mate is het middel gegrond. Aangezien een aangevoerd onderdeel van het middel tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leidt, bestaat er geen noodzaak om de schending van de overige aangehaalde bepalingen of beginselen, gericht tegen de bestreden beslissing, te onderzoeken. 3.5. Er dient opgemerkt te worden dat verzoekster in haar repliekmemorie ook het bevel om het grondgebied te verlaten dat haar werd gegeven aanvecht. Verzoekster voert hieromtrent in de repliekmemorie het volgende aan: “Bovendien is het bevel om grondgebied te verlaten niet afdoende gemotiveerd, aangezien niet blijkt dat de medische verblijfsaanvraag getoetst werd aan artikel 3 EVRM: “Wanneer niet blijkt uit de motivering van de verwijderingsmaatregel dat de overheid onderzocht heeft of de ziekte, ingeroepen door de aanvrager, een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, schendt die maatregel artikel 3 EVRM. De RvV verwijst in zijn arrest naar situaties waarin een aanvraag

Vw onontvankelijk wordt verklaard om redenen die niets te maken hebben met de medische elementen die de aanvrager inroept. Bijvoorbeeld een onontvankelijke aanvraag omdat geen identiteitsdocument werd overgemaakt - wat in casu het geval was” (RvV, nr. 14.397, 25 juli 2008).” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de Raad) stelt vast dat verzoekster aldus een nieuw middel inroept. Een nieuw middel kan enkel voor het eerst ontvank- elijk worden opgeworpen in de repliekmemorie wanneer het niet kon worden aangevoerd in het verzoekschrift omdat de nodige gegevens daartoe niet bekend waren of wanneer het een middel betreft dat de openbare orde raakt. Het door verzoekster ingeroepen middel raakt de openbare orde niet en verzoekster toont niet aan waarom zij dit middel niet in haar verzoekschrift tot nietigverklaring heeft uiteengezet. Het nieuwe middel opgeworpen in de repliekmemorie is derhalve niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De beslissing van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid van 6 februari 2009 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel

van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard, wordt vernietigd. Artikel 2 Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen in zoverre het gericht is tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 12 maart 2009.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert: “3.1. Eerste middel Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - art.

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - art. 7 §§1 en 2 van het Koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van XIV-31.263-8/26 de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest het volgende wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "2. Onderzoek van het beroep" vooreerst uiteen wat de grieven van huidig verweerster en verzoeker zijn. - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van onder meer de bepalingen van art.

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken luidt verder als volgt: - "Het hoofdmotief van de bestreden beslissing bestaat erin dat de aanvraag van verzoekster niet vergezeld is van inlichtingen waaruit blijkt dat een specifieke medische behandeling gegeven wordt of noodzakelijk is. - Verzoekster voert aan dat verwerende partij het artikel Ster van de Vreemdeling- enwet en de motiveringsplicht schendt. Verzoekster benadrukt dat haar aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel Ster van de Vreemdelingenwet, gestaafd door een medisch attest, voldoende blijk geeft van haar gezondheidstoe- stand, van haar medische aandoening, die een adequate medische behandeling vereist dewelke niet in Marokko kan worden geboden, en van de nadelige gevolgen bij een terugkeer naar haar land van herkomst. Verzoekster stelt in hoofdzaak dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd, daar uit lezing van de bestreden beslissing niet kan worden vastgesteld dat verwerende partij het medisch attest in overweging heeft genomen. - Er dient opgemerkt te worden dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet van verzoekster van 10 oktober 2008, zoals vereist, vergezeld ging van een medisch attest, waarin de arts volgende gegevens vatstelt: "Ik verklaar dat deze dame momenteel aan de volgende aandoeningen lijdt: (..) Voor haar (..) bestaat er mijn inziens geen adequate opvolging voor in Marokko. Bij een niet correcte opvolging kan dit eventueel tot dramatische gevolgen lijden, De (.. )klachten zijn momenteel niet onder controle ondanks maximale behandeling. Indien de (...) klachten niet verbeteren zal deze patiënte multiple infiltraties moeten krijgen ter hoogte van de wervelzuil." - Dienvolgens stelt de Raad vast dat in het medische getuigschrift, waarvan de aanvraag van verzoekster vergezeld ging, wordt gewezen op de gezondheidspro- blematiek, op de risico's en zelfs op de nodige medische behandeling om de gezondheidstoestand van verzoekster te verbeteren. - De gemachtigde van de minister kan niet voorhouden dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoekster niet vergezeld ging van medische inlichtingen, namelijk of er een specifieke medische behandeling wordt gegeven of noodzakelijk is. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid heeft het voorgelegde medische attest bijgevolg incorrect beoordeeld en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is. - Ten overvloede wijst de Raad erop dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel

, § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet, exclusief toekomt aan een ambtenaar-geneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Parl .St. Kamer 2005-2006, nr. 24781001, 35). In casu werd de bestreden beslissing evenwel genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer werd ingewonnen. De vaststelling dat in een medisch attest geen verdere toelichting vershaft wordt over de eventuele noodzaak van XIV-31.263-9/26 een toekomstige medische behandeling laat in casu niet toe de aanvraag onontvankelijk te veklaren. - Uit wat hieraan voorafgaat, kan afgeleid worden dat de gemachtigde van de minister bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van een niet-correcte feitenvinding om te oordelen dat de aanvraag onontvankelijk is. Nu de verwerende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaard heeft omdat niet voldaan is aan artikel 7. § l en 2 van het K.B. van 17 mei 2007, schendt zij het voornoemde artikel. Eveneens kan vastgesteld worden dat verwerende partij, gelet op het voorgaande, onterecht motiveerde dat verzoeksters aanvraag onontvankelijk was omdat "de aanvraag niet vergezeld ging van de nodige inlichtingen: in de aanvraag is er een sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is". Verzoekster voert terecht de schending van artikel Ster van de Vreemdelingenwet en van de materiële motiveringsplicht aan. In die mate is het middel gegrond. " De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst aldus naar de inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen die terzake van toepassing zijn, en naar de inhoud van het medisch getuigschrift en bijgaand medisch verslag dat huidig verweerster bij zijn aanvraag o.g.v. art.

heeft overgemaakt, en besluit op basis hiervan: "Uit wat hieraan voorafgaat, kan afgeleid worden dat de gemachtigde van de minister bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van een niet-correcte feitenvinding om te oordelen dat de aanvraag onontvankelijk is.. " In casu dient evenwel te worden vastgesteld dat uit de initieel bestreden administratieve beslissing duidelijk blijkt dat deze genomen werd op grond van volgend determinerend motief: "De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is." De rechter in vreemdelingenzaken gaat hierop niet in doch uit de diverse passages van het arrest, zoals onder meer: - "Ten overvloede wijst de Raad erop dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel

, sr 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet, exclusief toekomt aan een ambtenaar-geneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Pari .St. Kamer 2005-2006, nr. 24781001, 35). In casu werd de bestreden beslissing evenwel genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer werd ingewonnen. De vaststelling dat in een medisch attest geen verdere toelichting vershaft wordt over de eventuele noodzaak van een toekomstige medische behandeling laat in casu niet toe de aanvraag onontvankelijk te veklaren.” blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken kennelijk de mening is toegedaan dat in de bestreden beslissing de inhoud van het medisch getuigschrift wordt beoordeeld, terwijl de beoordeling van zulke inhoud niet toekomt aan de gemachtigde, doch wel aan de ambtenaar- geneesheer. Verzoeker betwist geenszins dat de beoordeling en de appreciatie van de inhoud van het medische getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer toekomt. Verzoeker merkt evenwel op dat de gemachtigde op geen enkel ogenblik een inhoudelijke beoordeling van het medisch getuigschrift heeft gemaakt. Hoger werd reeds verwezen naar het duidelijke determinerende motief van de initieel bestreden administratieve beslissing, met name dat de aanvraag niet ontvankelijk is conform art. 7 §2 van het K.B. dd. 17.05.2007 gezien de in §1 van dit artikel vermelde XIV-31.263-10/26 documenten en inlichtingen slechts gedeeltelijk werden gevoegd, meer bepaald is er geen sprake van een specifieke medische behandeling. Dit motief is in rechte onderbouwd, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hier op geen enkel ogenblik nader op in. Het determinerende motief van de bestreden beslissing vindt nochtans duidelijk steun in de wet en in het K.B., terwijl de rechter in vreemdelingenzaken een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals hierna ook zal blijken. Artikel

van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 stipuleert dat: "§

  1. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocu- ment en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde." (vetschrift en onderlijning toegevoegd) Artikel 7 van het K.B. van 17.05.2007 voormeld bepaalt vervolgens: "§
  2. De aanvraag van de machtiging tot verblijf bedoeld in artikel

, §1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen : 1 hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel

, § 1, derde lid, van de wet; 2 een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, § 1, van de wet. 3 enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; § 2. Onverminderd artikel

, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven." De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Gezien de concrete inhoud van art.

§ 1

, noopt de gezamenlijke lezing van art.

§1van de Wet voormeld en art.

7 §1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. De `ziekte bedoeld in art.

§1

van de Wet' is niet alleen de ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een XIV-31.263-11/26 onmenselijke of vernederende behandeling, maar is tevens de ziekte waarvoor geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft. Zowel de wet als het K.B. zijn ter zake zeer duidelijk en laten geen appreciatiemarge. Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene volgt of dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad voor de betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wél van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen `aangaande de ziekte bedoeld in artikel Ster §1 ' voorliggen. Vanzelfsprekend hoeft men geen arts te zijn om vast te stellen dat de noodzakelijke informatie over de ziekte en de behandeling in het medisch getuigschrift ontbeert. Zulks maakt vanzelfsprekend niet de beoordeling van de inhoud van het medisch getuigschrift uit. Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen/mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift - ook al staat er niets in - wordt voorgelegd. Dit is duidelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest en strookt ook niet met de interpretatie en de toepassing die verzoeker sedert het in voege treden van artikel

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft gemaakt van het ontvankelijk- heidsvereiste van een aanvraag o.g.v. artikel

voormeld, in deze interpretatie en toepassing ook gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Ook dat impliceert immers de toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel - waarop huidig verweerster zich beriep in de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen - met name dat de Dienst Vreemdelingenzaken niet plots een andere toepassing zou geven aan de bepalingen van de artikelen

en 7 § § 1 en 2 voormeld. Uit het bijgevoegde medisch verslag blijkt nopens het onderdeel van de behandeling van betrokkene enkel dat: - " Voor haar bestaat er mijn inziens geen adequate opvolging voor in Marokko. Bij een niet correcte opvolging kan dit eventueel tot dramatische gevolgen lijden. De (.)klachten zijn momenteel niet onder controle ondanks maximale behande- ling. Indien de (..) klachten niet verbeteren zal deze patiënte multiple infiltraties moeten krijgen ter hoogte van de wervelzuil. Voor zover mijn ervaring reikt, is deze toestand alleen te verbeteren door de zekerheid aan veilige omstandigheden en pas dan, en alleen dan, door medicatie en therapie." Uit dit verslag blijkt derhalve geenszins op duidelijke wijze welke concrete behandeling betrokkene dient te volgen, zodat de ambtenaar-geneesheer dan ook onmogelijk kan vaststellen of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Besluitend dient dan ook te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen in het bestreden arrest met miskenning van de nochtans expliciete inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake heeft geoordeeld dat het gegeven dat geen enkele medische behandeling wordt vermeld niet van aard is om een aanvraag om machtiging tot verblijf o.g.v. art.

van de Wet dd. 15.12.1980 onontvankelijk te verklaren. XIV-31.263-12/26 Verzoeker wenst er volledigheidshalve tevens op te wijzen dat hij geenszins voorhoudt dat een medische behandeling aan de gang moet zijn op het ogenblik van het indienen van de aanvraag o.g.v. art.

opdat deze aanvraag ontvankelijk zou kunnen zijn. Enkel, het weze herhaald, dient melding gemaakt te worden van een behandeling teneinde aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten te onderzoeken of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Aldus miskende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 door te oordelen dat de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard, ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer niet toe na te gaan of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt als volgt: “Eerste middel: In een eerste middel beroept verzoekende partij zich op een schending van artikel 9 ter van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; alsook op een schending van artikel 7 §§1 en 2 van het KB dd. 17.05.2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijzing van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoekende partij houdt voor dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorbijgegaan is aan "het determinerend motief van de bestreden beslissing, m.n. dat de aanvraag niet ontvankelijk is conform art. 7 § 2 van het KB dd 17.05.2007 gezien de in § 1 van dit artikel vermelde documenten en inlichtingen slechts gedeeltelijk werden gevoegd, meer bepaald is er geen sprake van een specifieke medische behandeling, en als zodanig artikel 7 §§1 en 2 van het KB dd. 17.05.2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijzing van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en artikel 9 ter van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen schendt; Verwerende partij heeft de eer hierop te antwoorden dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen het motief van de beslissing van verzoekende partij duidelijk onderzocht heeft en haar beslissing desbetreffend uitgebreid motiveert; De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat een beslissing tot onontvank- elijkheid met dergelijk motief, nl. "dat er geen sprake is van een specifieke medische behandeling" geen steun vindt in de wet; De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt desbetreffend: "Er dient opgemerkt te wonden dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemde- lingenwet van verzoekster van 10 oktober 2008, zoals vereist, vergezeld ging van een medisch attest, waarin de arts volgende gegevens vaststelt: "Ik verklaar dat deze dame momenteel aan de volgende aandoeningen lijdt: (...). Voor haar (...) bestaat er mijn inziens geen adequate opvolging in Marokko. Bij een niet correcte opvolging kan dit eventueel tot dramatische gevolgen lijden. De (...) klachten zijn momenteel niet onder controle ondanks maximale behandeling. Indien de (...) klachten niet verbeteren zal deze patiënte multiple infiltraties moeten krijgen ter hoogte van de wervelzuil". Dienvolgens stelt de Raad vast dat in het medisch getuigschrift, waarvan de aanvraag van verzoekster vergezeld ging, wordt gewezen op de gezondheidsproblematiek, op de XIV-31.263-13/26 risico's en zelfs op de nodige medische behandeling om de (gezondheids)toestand van verzoekster te verbeteren. De gemachtigde van de minister kan niet voorhouden dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoekster niet vergezeld ging van medische inlichtingen, namelijk of er een specifieke medische behandeling wordt gegeven of noodzakelijk is. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid heeft het voorgelegde medische attest bijgevolg incorrect beoordeeld en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is". Ten overvloede wijst de Raad erop dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel 9 ter § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet, exclusief toekomt aan een ambtenaar-geneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en -indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Parl. St. Kamer 2005 - 2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing evenwel genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer werd ingewonnen. De vaststelling dat in een medisch attest geen verdere toelichting verschaft wordt over de eventuele noodzaak van een toekomstige medische behandeling laat in casu niet toe de aanvraag onontvankelijk te verklaren". De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt m.a.w. dat de tekst van artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet en artikel 7 §§1 en 2 van het KB dd. 17.05.2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijzing van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 niet voorschrijft dat er een specifieke behandeling moet vermeld worden in het medisch attest; Bovendien wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat de wetgever de bevoegdheid van gemachtigde duidelijk begrensd heeft door te voorzien in een beoordeling ten gegronde in dossiers gesteund op artikel 9 ter van de Vreemdelingen- wet door een ambtenaar-geneesheer; Verzoekende partij beklaagt zich ten onrechte over haar beperkte bevoegdheid: "Zodoende zou de gemachtigde alsdan niet kunnen / mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar- geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift - ook al staat er niets in - wordt voorgelegd" ; Ten eerste merkt verwerende partij op dat verzoekende partij het medisch attest in casu miskent door voor te houden dat er nagenoeg niets instaat; Ten tweede merkt verwerende partij op dat de beoordeling of er iets of niets in een medisch attest staat noodzakelijkerwijze een inhoudelijke beoordeling impliceert en verzoekende partij zich zodoende een bevoegdheid wil toe-eigenen die de wetgever duidelijk heeft toegekend aan een ambtenaar-geneesheer; Door voor te houden dat er in een medisch attest op straffe van onontvankelijkheid sprake moet zijn van een specifieke medische behandeling, voegt verzoekende partij voorwaarden toe aan artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet en door in casu te beoordelen dat er in het medisch attest niets of althans te weinig staat, meet verzoeken- de partij zichzelf een grotere bevoegdheid toe dan te lezen in artikel 7 §§1 en 2 van het KB dd. 17.05.2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijzing van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980; Het eerste middel is ongegrond. De vordering van de verzoekende partij dient verworpen;”; XIV-31.263-14/26 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het volgende repliceert: “3.1. Eerste middel Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - art.

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - art. 7 §§1 en 2 van het Koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest het volgende wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "3. Onderzoek van het beroep" vooreerst uiteen wat de grieven van huidig verweerder en verzoeker zijn. - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van onder meer de bepalingen van art.

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken luidt verder als volgt: - "Het hoofdmotief van de bestreden beslissing bestaat erin dat de aanvraag van verzoekster niet vergezeld is van inlichtingen waaruit blijkt dat een specifieke medische behandeling gegeven wordt of noodzakelijk is. - Verzoekster voert aan dat verwerende partij het artikel

van de Vreemdeling- enwet en de motiveringsplicht schendt. Verzoekster benadrukt dat haar aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel Ster van de Vreemdelingenwet, gestaafd door een medisch attest, voldoende blijk geeft van haar gezondheidstoe- stand, van haar medische aandoening, die een adequate medische behandeling vereist dewelke niet in Marokko kan worden geboden, en van de nadelige gevolgen bij een terugkeer naar haar land van herkomst. Verzoekster stelt in hoofdzaak dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd, daar uit lezing van de bestreden beslissing niet kan worden vastgesteld dat verwerende partij het medisch attest in overweging heeft genomen. - Er dient opgemerkt te worden dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel Ster van de Vreemdelingenwet van verzoekster van 10 oktober 2008, zoals vereist, vergezeld ging van een medisch attest, waarin de arts volgende gegevens vatstelt: "Ik verklaar dat deze dame momenteel aan de volgende aandoeningen lijdt: (..) Voor haar (..) bestaat er mijn inziens geen adequate opvolging voor in Marokko. Bij een niet correcte opvolging kan dit eventueel tot dramatische gevolgen lijden, De (..)klachten zijn momenteel niet onder controle ondanks maximale behande- ling. Indien de (...) klachten niet verbeteren zal deze patiënte multiple infiltraties moeten krijgen ter hoogte van de wervelzuil." - Dienvolgens stelt de Raad vast dat in het medische getuigschrift, waarvan de aanvraag van verzoekster vergezeld ging, wordt gewezen op de gezondheidspro- blematiek, op de risico's en zelfs op de nodige medische behandeling om de gezondheidstoestand van verzoekster te verbeteren. - De gemachtigde van de minister kan niet voorhouden dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoekster niet vergezeld ging van medische inlichtingen, namelijk of er een specifieke medische behandeling wordt gegeven of noodzakelijk is. De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid heeft het voorgelegde medische attest bijgevolg incorrect beoordeeld en heeft op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld dat de aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen onontvankelijk is. - Ten overvloede wijst de Raad erop dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de XIV-31.263-15/26 noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel

, 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet, exclusief toekomt aan een ambtenaar-geneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Pari .St. Kamer 2005-2006, nr. 24781001, 35). In casu werd de bestreden beslissing evenwel genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer werd ingewonnen. De vaststelling dat in een medisch attest geen verdere toelichting vershaft wordt over de eventuele noodzaak van een toekomstige medische behandeling laat in casu niet toe de aanvraag onontvankelijk te veklaren. - Uit wat hieraan voorafgaat, kan afgeleid worden dat de gemachtigde van de minister bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van een niet-correcte feitenvinding om te oordelen dat de aanvraag onontvankelijk is. - Nu de verwerende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel

van de Vreemdelingenwet onontvankelijk verklaard heeft omdat niet voldaan is aan artikel 7. §1 en 2 van het K.B. van 17 mei 2007, schendt zij het voornoemde artikel. Eveneens kan vastgesteld worden dat verwerende partij, gelet op het voorgaande, onterecht motiveerde dat verzoeksters aanvraag onontvankelijk was omdat "de aanvraag niet vergezeld ging van de nodige inlichtingen: in de aanvraag is er een sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is". Verzoekster voert terecht de schending van artikel

van de Vreemdelingenwet en van de materiële motiveringsplicht aan. In die mate is het middel gegrond. " De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst aldus naar de inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, en naar de inhoud van het medisch getuigschrift en bijgaand medisch verslag dat huidig verweerder bij zijn aanvraag o.g.v. art.

heeft overgemaakt, en besluit op basis hiervan: "Uit wat hieraan voorafgaat, kan afgeleid worden dat de gemachtigde van de minister bij het nemen van de bestreden beslissing is uitgegaan van een niet-correcte feitenvinding om te oordelen dat de aanvraag onontvankelijk is." In casu dient evenwel te worden vastgesteld dat uit de initieel bestreden administratieve beslissing duidelijk blijkt dat deze genomen werd op grond van volgend determinerend motief: "De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag is er geen sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is." De rechter in vreemdelingenzaken gaat hierop niet in doch uit de diverse passages van het arrest, zoals onder meer: - "Ten overvloede wijst de Raad erop dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek, inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel

, § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet, exclusief toekomt aan een ambtenaar-geneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Pari .St. Kamer 2005-2006, nr. 24781001, 35). In casu werd de bestreden beslissing evenwel genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer werd ingewonnen. De vaststelling dat in een medisch attest geen verdere toelichting vershaft wordt over de eventuele noodzaak van een toekomstige medische behandeling laat in casu niet toe de aanvraag onontvankelijk te verklaren." blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken kennelijk de mening is toegedaan dat in de bestreden beslissing de inhoud van het medisch getuigschrift wordt beoordeeld, terwijl XIV-31.263-16/26 de beoordeling van zulke inhoud niet toekomt aan de gemachtigde, doch wel aan de ambtenaar- geneesheer. Verzoeker betwist geenszins dat de beoordeling en de appreciatie van de inhoud van het medische getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer toekomt. Verzoeker merkt evenwel op dat de gemachtigde op geen enkel ogenblik een inhoudelijke beoordeling van het medisch getuigschrift heeft gemaakt. Hoger werd reeds verwezen naar het duidelijke determinerende motief van de initieel bestreden administratieve beslissing, met name dat de aanvraag niet ontvankelijk is conform art. 7 §2 van het K.B. dd. 17.05.2007 gezien de in §1 van dit artikel vermelde documenten en inlichtingen slechts gedeeltelijk werden gevoegd, meer bepaald is er geen sprake van een specifieke medische behandeling. Dit motief is in rechte onderbouwd, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hier op geen enkel ogenblik nader op in. Het determinerende motief van de bestreden beslissing vindt nochtans duidelijk steun in de wet en in het K.B., terwijl de rechter in vreemdelingenzaken een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals hierna ook zal blijken. Artikel

van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 stipuleert dat: " §

  1. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocu- ment en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde." (vetschrift en onderlijning toegevoegd) Artikel 7 van het K.B. van 17.05.2007 voormeld bepaalt vervolgens: "§
  2. De aanvraag van de machtiging tot verblijf bedoeld in artikel

, §1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen 1 hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel

, § 1, derde lid, van de wet; 2 een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, 41, van de wet. 3 enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; § 2. Onverminderd artikel

, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven." De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Gezien de concrete inhoud van art.

§ 1

, noopt de gezamenlijke lezing van art.

§1van de Wet voormeld en art.

7 §1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. XIV-31.263-17/26 De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. De 'ziekte bedoeld in art.

§1

van de Wet' is niet alleen de ziekte die een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling, maar is tevens de ziekte waarvoor geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de vreemdeling verblijft. Zowel de wet als het K.B. zijn ter zake zeer duidelijk en laten geen appreciatiemarge. Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad voor de betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wél van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen `aangaande de ziekte bedoeld in artikel

§1' voorliggen.

Vanzelfsprekend hoeft men geen arts te zijn om vast te stellen dat de noodzakelijke informatie over de ziekte en de behandeling in het medisch getuigschrift ontbeert. Zulks maakt vanzelfsprekend niet de beoordeling van de inhoud van het medisch getuigschrift uit. Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel

§1

'. Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen/mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift - ook al staat er niets in - wordt voorgelegd. Dit is duidelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest en strookt ook niet met de interpretatie en de toepassing die verzoeker sedert het in voege treden van artikel

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft gemaakt van het ontvankelijk- heidsvereiste van een aanvraag o.g.v. artikel

voormeld, in deze interpretatie en toepassing ook gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uit het bijgevoegde medisch verslag blijkt nopens het onderdeel van de behandeling van betrokkene enkel dat: - " Voor haar bestaat er mijn inziens geen adequate opvolging voor in Marokko. Bij een niet correcte opvolging kan dit eventueel tot dramatische gevolgen lijden. De (..)klachten zijn momenteel niet onder controle ondanks maximale behande- ling. Indien de (...) klachten niet verbeteren zal deze patiënte multiple infiltraties moeten krijgen ter hoogte van de wervelzuil. Voor zover mijn ervaring reikt, is deze toestand alleen te verbeteren door de zekerheid aan veilige omstandigheden en pas dan, en alleen dan, door medicatie en therapie." Uit dit verslag blijkt derhalve geenszins op duidelijke wijze welke concrete behandeling betrokkene dient te volgen, zodat de ambtenaar-geneesheer dan ook onmogelijk kan vaststellen of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. XIV-31.263-18/26 Verzoeker voegt hiermee geenszins een voorwaarde toe, zoals door de verwerende partij ten onrechte in haar memorie van antwoord wordt voorgehouden. Integendeel, verzoeker gaat na of aan de voorwaarden van artikel 9 ter juncto artikel 7 van het K.B. van 17.5.2007 is voldaan. Verder houdt de verwerende partij voor in de memorie van antwoord dat verzoeker het medisch attest miskent door te stellen dat er niets zou instaan. Verweerder verdraait de woorden van de verzoekende partij. Verzoeker stelt dat op geen enkele wijze wordt vermeld welke behandeling de betrokkene dient te volgen, zodat de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid is om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad voor de betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Indien de redenering van verweerder en de rechter in vreemdelingenzaken wordt doorgetrokken, kan men om het even welk document voorleggen en dit benoemen als medisch attest aangaande de ziekte. Dit betekent daarom niet dat verweerder in casu een document heeft voorgelegd waarin niets staat. Zoals reeds aangehaald dient uit het voorgelegde attest te blijken dat : - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Verzoeker wil enkel duidelijk maken dat de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, geen deel uitmaakt van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wél van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen 'aangaande de ziekte bedoeld in artikel

§1' voorliggen.

Besluitend dient dan ook te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen in het bestreden arrest met miskenning van de nochtans expliciete inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake heeft geoordeeld dat het gegeven dat geen enkele medische behandeling wordt vermeld niet van aard is om een aanvraag om machtiging tot verblijf o.g.v. art.

van de Wet dd. 15.12.1980 onontvankelijk te verklaren. Verzoeker wenst er volledigheidshalve tevens op te wijzen dat hij geenszins voorhoudt dat een medische behandeling aan de gang moet zijn op het ogenblik van het indienen van de aanvraag o.g.v. art.

opdat deze aanvraag ontvankelijk zou kunnen zijn. Enkel, het weze herhaald, dient melding gemaakt te worden van een behandeling teneinde aan de ambtenaar- geneesheer toe te laten te onderzoeken of deze behandeling voorhanden is in het land van oorsprong. Aldus miskende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen

van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 door te oordelen dat de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard, ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer niet toe na te gaan of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; XIV-31.263-19/26 2.1.3. Overwegende dat artikel

, §1 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “§ 1 De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocu- ment en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde. De vreemdeling dient alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte over te maken. De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambte- naar-geneesheer 3[of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde]3 die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen. De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op: - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont”; dat artikel 7, § 1 en §2 van het koninklijk besluit tot vaststelling van de uitvoeringsmodalitei- ten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “§ 1 De aanvraag van de machtiging tot verblijf, bedoeld in artikel

, § 1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen: 1 hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel

, § 1, derde lid, van de wet; 2 een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, § 1, van de wet; 3 enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; 4 het adres van zijn feitelijke verblijfplaats in België. § 2 Onverminderd artikel

, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven. In het tegenovergestelde geval geeft de gemachtigde van de minister de instructie aan de gemeente om de betrokkene in te schrijven in het vreemdelingenregister, en hem in het bezit te stellen van een attest van immatriculatie model A. Dit attest wordt ingehouden indien de betrokkene zonder geldige reden geen gevolg geeft aan een uitnodiging van de behandelende ambtenaar-geneesheer of deskundige”; XIV-31.263-20/26 dat de verzoekende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk verklaart overeenkomstig artikel 7 § 1, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007, indien bij de aanvraag van de vreemdeling geen “medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel

, §1, van de wet”, is gevoegd; dat de vraag rijst wat onder medisch getuigschrift omtrent de ziekte bedoeld in artikel

, §1, dient te worden verstaan, en meer in het bijzonder of dit attest reeds de medische behandeling dient te vermelden; dat artikel

§1

, eerste lid, van de Vreemdelingenwet melding maakt van een in België verblijvende vreemdeling die op zodanige wijze lijdt aan “een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of zijn fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft”; dat hieruit blijkt dat het moet gaan om een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit van de aanvrager of een ziekte die een reëel risico inhoudt voor een onmenselijke of vernederende behandeling én dat er geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar hij verblijft; dat artikel

§1

, tweede lid, van de Vreemdelingenwet stelt dat de vreemdeling alle nuttige inlichtingen omtrent zijn ziekte dient over te maken; dat deze bepaling enkel spreekt over “alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte”, maar dat zij niet preciseert over welke inlichtingen het gaat; dat artikel 7, §1, 2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 evenmin voorwaarden oplegt waaraan het medische getuigschrift dient te voldoen; dat bijgevolg noch uit de wet, noch uit het koninklijk besluit van 17 mei 2007 volgt dat uit het door de aanvrager neergelegde medische getuigschrift moet blijken welke behandeling wordt gevolgd of moet worden gevolgd; dat de verzoekende partij derhalve ten onrechte meent dat haar stelling dat het medisch getuigschrift reeds dient te vermelden welke behandeling de betrokkene volgt of dient te volgen, steun vindt in zowel de wet als het koninklijk besluit; dat in de memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp tot wijziging van de Vreemdelingenwet, waarbij artikel

wordt ingevoegd, wordt uiteengezet dat “het onderzoek van de vraag of er een gepaste en voldoende toegankelijke behandeling bestaat in het land van oorsprong of verblijf (...) geval per geval (gebeurt), rekening houdend met de individuele situatie van de aanvrager, en wordt geëvalueerd binnen de limieten van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens” en dat “de appreciatie van de bovenvermelde elementen wordt overgelaten aan een ambtenaar-geneesheer die een advies verstrekt aan de ambtenaar die de beslissingsbevoegdheid heeft over de verblijfsaan- vraag”; dat het bijgevolg de ambtenaar-geneesheer is die, naast de ernst van de ziekte, zal onderzoeken of er een adequate behandeling voor deze ziekte bestaat in het land van oorsprong of verblijf, desnoods na advies te hebben ingewonnen bij deskundigen; dat hij in dit kader zelf zal nagaan welke de gepaste behandeling is; dat het geenszins noodzakelijk is dat deze informatie reeds is vermeld in het medische getuigschrift; dat, indien de behandeling XIV-31.263-21/26 reeds zou moeten worden aangegeven in het medische attest, de ambtenaar-geneesheer zou zijn gebonden door de door de behandelende arts van de vreemdeling aangegeven behandeling, hetgeen onverenigbaar is met zijn ruime appreciatiebevoegdheid; dat, aangezien de ambtenaar-geneesheer niet gebonden kan worden geacht door deze behande- ling, het evenmin noodzakelijk is dat deze behandeling, hoewel het nuttige informatie kan zijn, reeds wordt vermeld; dat een bepaalde medische toestand bovendien in de loop van de behandeling van de aanvraag kan evolueren en dat zeker niet alleen de toestand en de eventuele behandeling of behandelingsplan op het ogenblik van de aanvraag in beschouwing moeten worden genomen; dat uit artikel

, §1, tweede lid van de Vreemdelingenwet blijkt dat de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een medische behandeling alleen toekomt aan de ambtenaar-geneesheer; dat het ontbreken van informatie omtrent de medische behandeling bijgevolg geen aanleiding kan geven tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag overeenkomstig artikel 7,§2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.

  1. Overwegende dat de verzoekende partij als tweede middel aanvoert: “3.
  2. Tweede middel Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoördineerde Grondwet; o art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "
  3. Gegrondheid van het beroep" vooreerst uiteen dat de door huidig verweerster in een eerste middel aangevoerde schending van de formele motiveringsverplichting niet aannemelijk is. Vervolgens wordt vastgesteld dat huidig verweerster in een tweede middel een schending aanvoert van de materiële motiveringsverplichting. - De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zet op bijzonder summiere wijze uiteen wat de grieven van huidig verweerster zijn en welke de repliek van huidig verzoeker is. - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van de bepalingen van art.

§1van de Wet dd.

15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Verder verwijst de rechter in vreemdelingenzaken naar de inhoud van het medisch attest, en besluit hij hieruit: "De gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid kan niet voorhouden dat de aanvraag om machtiging tot verblijf van verzoekster niet vergezeld ging van medische inlichtingen, namelijk of er een specifieke medische behandeling wordt gegeven of noodzakelijk is." XIV-31.263-22/26 - De rechter in vreemdelingenzaken vervolgt: "De Raad wijst er voorts op dat de appreciatie van de aangevoerde medische problematiek inclusief de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een behandeling, overeenkomstig artikel Ster, 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, alleen toekomt, aan een ambtenaar-geneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Parl. Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing echter genomen zonder dat het advies van de ambtenaar-geneesheer werd ingewonnen." Over de opmerkingen en repliek van de oorspronkelijk verwerende partij (huidig verzoeker) in de nota met opmerkingen wordt met geen woord gerept. Op geen enkel ogenblik blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken het door verzoeker desbetreffend in zijn nota met opmerkingen gevoerde betoog heeft onderzocht, laat staan beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege echter te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondge- bied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Als administratief rechtscollege heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele motiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te worden onderzocht en beantwoord. Als administratief rechtscollege dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te voldoen aan de strenge motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.; ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de gewone hoven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd".) De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst of de rechter in vreemdelingenzaken al dan niet het verweer van verzoeker, zoals uiteengezet in de nota met opmerkingen van 13 februari 2009, in overweging heeft genomen, laat staan beoordeeld. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt niet eens op dit verweer, zelfs niet summier. Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. Cfr. overigens specifiek art. 57/22 Wet van 15 december

  1. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door Uw Raad als cassatierechter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. (R.v.S. XIV-20.981-3/6) Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., op cit. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen XIV-31.263-23/26 mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermiddelen van de partijen te beantwoorden." (Cfr. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebreken", T. P.R. 1971, 1-26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis : "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. Administratieve jurisdicties moeten de in de debatten naar voor gebrachte argumentatie ontmoeten. (VANDE LANOTTE, J. en CEREXHE, E., De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Brugge, Die Keure, 1992, 11-12). De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aangehoord en onderzocht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest evenwel niet afleiden of de rechter in vreemdelingenzaken de uiteenzetting dienaangaande van de oorspronkelijk verwerende partij mee in overweging heeft genomen bij haar beoordeling. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt alleszins niet op de uiteenzetting van de oorspronk- elijk verwerende partij. De rechter in vreemdelingenzaken gaat voorbij aan de uiteenzetting van verzoeker in de nota met opmerkingen, en laat deze buiten beschouwing. Het gebrek aan vermelding op afdoende en gedegen wijze van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, in acht genomen het verweer van de (toenmalige) verwerende partij, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om tot administratieve cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Er werd niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld noch blijkt het impliciet uit de bewoordingen van het bestreden arrest dat de rechter in vreemdelingenzaken het verweer van de oorspronkelijk verwerende partij, huidig verzoeker, in overweging heeft genomen, heeft onderzocht en tot slot heeft beoordeeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt dan ook de rechtsregels die zijn motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het tweede middel is gegrond.”; 2.2.
  2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt als volgt: “Tweede middel: In een tweede middel beroept verzoeker zich op een schending van de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten artikel 149 GW, artikel 39/65, eerste lid van de Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze grondwetsbepalingen uitdrukking geven en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Verzoekende partij houdt voor dat uit het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen niet blijkt dat de opmerkingen en repliek van huidig verzoekende partij XIV-31.263-24/26 (verwerende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen) in overweging werden genomen; Verwerende partij heeft de eer hierop te antwoorden dat de verzoekende partij zich tot een algemene en theoretische uiteenzetting beperkt, doch niet aangeeft welke concrete pertinente opmerking onbeantwoord zou gebleven zijn; Verzoeker geeft onvoldoende blijk van concreet belang bij het inroepen van haar tweede middel; Wanneer de replieknota voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van huidig verzoekende partij (verweerder voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen) erop nagegaan wordt, blijkt huidige verzoekende partij ook daar zich te beperken tot een zeer algemene kritiek; Bovendien dient vastgesteld te worden dat huidig verzoekende partij (verweerder voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen) niet ter zitting van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen is verschenen; Niettemin de algemene bewoordingen van de repliek en niettemin het verstek van huidig verzoekende partij (verweerder voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen) ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, blijkt uit het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de replieknota onmiskenbaar in overweging is genomen: "3.
  3. In de nota repliceert verwerende partij (huidige verzoekende partij), na een theoretische uiteenzetting over de formele motiveringsplicht, dat verzoekster (huidige verwerende partij) niet duidelijk maakt op welk punt de motivering van de bestreden beslissing haar niet in staat stelt te begrijpen op basis van welke juridische en feitelijk gegevens de bestreden beslissing is genomen zodat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht. Verwerende partij (huidige verzoekende partij) merkt op dat uit de bestreden beslissing blijkt dat er wel degelijk rekening werd gehouden met het door verzoekster (huidige verwerende partij) voorgelegd medisch attest, omdat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat uit de aanvraag niet blijkt dat er sprake is van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzake- lijk is. Verwerende partij (huidige verzoekende partij) duidt erop dat verzoekster (huidige verwerende partij) er niet in slaagt deze vaststelling te weerleggen. Verweerder (huidige verzoekende partij) wijst erop dat overigens in de bestreden beslissing werd bepaald dat het verzoekster vrij staat om een nieuwe aanvraag in te dienen die vergezeld ging van de onontbeerlijke medische informatie. Verwerende partij (huidige verzoekende partij) is van mening dat de aanvraag op correcte wijze onontvankelijk werd verklaard, rekening houdende met alle gegevens van het administratief dossier en conform artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet en artikel 7, § 1 en § 2 van het Koninklijk Besluit dd. 17.05.2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijzing van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980; " Daarna zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op uitvoerig gemotiveerde wijze uiteen dat de beslissing van de afgevaardigde van de Minister niet de formele motiveringsplicht schendt, dan wel de materiële motiveringsplicht en artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet schendt; De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt verder dat aangezien een aangevoerd onderdeel van het middel tot nietigverklaring van de bestreden beslissing leidt, er geen noodzaak bestaat om de schending van de overige aangehaalde bepalingen of beginselen te onderzoeken; Het arrest beantwoordt dan ook aan de jurisdictionele motiveringsplicht en het algemeen beginsel van het recht van verdediging; Het tweede middel van verzoekende partij is dan ook ongegrond. De vordering van verzoekende partij dient te worden verworpen;”; XIV-31.263-25/26 2.2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederant- woord het middel herhaalt; 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot de algemene bewering dat haar betoog, uiteengezet in haar nota met opmerkingen, niet is onderzocht, laat staan beoordeeld, zonder in concreto aan te geven welke argumenten niet zijn onderzocht; dat zij verder een aantal algemene theoretische beschouwingen omtrent de jurisdictionele motiveringsplicht geeft; dat de verzoekende partij aldus evenwel geen schending van de aangehaalde bepalingen of beginselen aannemelijk maakt; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenen- twintig juli tweeduizend en tien, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. A. BEIRLAEN. XIV-31.263-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.843 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.