id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juli 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.846 Rolnummer: A. 197154/XII-6276 Zaak: Arrest 206846 - Bewakingsondernemingen - 28/07/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-07-28 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:03 Fiche Arrest nr 206.846 van 28 juli 2010 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 206.846 van 28 juli 2010 in de zaak A. 197.154/XII-6276 In zake :
(3)S09/0125 ME.69.L1.005779 /2009 16/03/2009 tussen zwartwerk in 01/01/2008 en onder- 01/12/2008 zoek zie S08/0516 S09/0403 AN.69LB.102641/2009 12/08/2009 09/08/2009 zwartwerk in te Antwerpen onder- zoek S09/0404 AN.69.LB.102634/2009 12/08/2009 09/08/2009 zwartwerk in te Antwerpen onder- zoek Advies Uit het voorgaande blijkt dat de heer Joeri VIJT en zijn firma BVBA STALLION Security het niet zo nauw nemen met de toepassing van de sociale wetten. Sinds de tweede helft van 2008 zijn er vijf veroordelingen lastens de BVBA STALLION Security uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Mechelen wegens niet betaling van sociale bijdragen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. XII-6276-4/22 Op strafrechtelijk vlak zijn er acht zaken hangende bij mijn parket tegen de heer Joeri VIJT. Mijn advies omtrent betrokken persoon en zijn BVBA luidt ook: ONGUNSTIG. 4. Brief Arbeidsauditeur te Brussel d.d. 11/03/2010: - geen strafdossier bij het arbeidsauditoraat Brussel gekend ten laste van de BVBA STALLION Security, noch van de heer Joeri VIJT, zaakvoerder; - een zaak Fonds voor Bestaanszekerheid van de Bewaking t/ STALLION Security BVBA werd bij dagvaarding van 16/01/2010 naar de arbeids- rechtbank te Mechelen wegens territoriale onbevoegdheid verzonden. 5. Brief BVBA STALLION Security aan Directie Private Veiligheid d.d. 25/03/2010 (i.v.m. niet betaalde boetes) ‘Betreffende de openstaande retributies: deze hebben wij ondertussen via de gerechtsdeurwaarder ontvangen en zullen wij via een afbetalingsplan voldoen aan laatstgenoemde.’ Mail gerechtsdeurwaarder Johan VAN LIERDE d.d. 21/04/2010 aan Directie Private Veiligheid: ‘Er is ons in deze zaken geen afbetalingsvoorstel gekend.’ Mail gerechtsdeurwaarder Etienne COLON (voor Philippe Schepkens) d.d. 07/05/2010: ‘Op uitdrukkelijk verzoek van mijn opdrachtgever werd er tot beslag onder derden overgegaan op de bankrekeningnummers waarvan hij kennis had. Deze maatregel was logisch vermits STALLION SECURITY geen stap heeft ondernomen voor de regeling van haar schulden en zelfs geen aanvaardbaar afbetalingsplan heeft aangevraagd noch voorgelegd.’ 6. Inbreuken op de bewakingsreglementen Er werd ten laste van Stallion Security BVBA onder andere volgende processen-verbaal opgesteld: - BT041/2009 d.d. 24/11/2009: het niet indienen van een aanvraag voor een identificatiekaart voorafgaand aan het uitvoeren van bewakingsactiviteiten door de betrokken persoon; - VC001/2009 d.d. 29/08/2009: het niet overmaken van het jaarlijks activiteitenverslag; - DE.35.LF.001384/2009 d.d. 22/02/2009: het niet indienen van een aanvraag voor een identificatiekaart voorafgaand aan het uitvoeren van bewakingsactiviteiten door de betrokken persoon; - ME.35.LI .014512/2008 d.d. 07/07/2008 en ME35.LI.005876/2009 d.d. 17/03/2009 (samengevoegd tot één dossier): nagelaten hebben de korpschef van de lokale politie waartoe de betrokken gemeente behoort, in te lichten, met betrekking tot het uitvoeren van bewakingsactiviteiten op het grondgebied van de gemeente; - ME35.LI.004253/2008 d.d. 28/02/2008: het niet indienen van een aanvraag voor een identificatiekaart voorafgaand aan het uitvoeren van bewakingsactiviteiten door de betrokken personen én nagelaten hebben de korpschef van de lokale politie waartoe de betrokken gemeente behoort, in te lichten, met betrekking tot het uitvoeren van bewakingsactiviteiten op het grondgebied van de gemeente; XII-6276-5/22 - SdH004/2009 d.d. 13/01/2009: het niet indienen van een aanvraag voor een identificatiekaart voorafgaand aan het uitvoeren van bewakingsactivi- teiten door de betrokken personen; - ME35.LI.019329/2008 d.d. 15/09/2008: het niet indienen van een aanvraag voor een identificatiekaart voorafgaand aan het uitvoeren van bewakingsactiviteiten door de betrokken personen; - BG36.L9.001326/2008 d.d. 21/02/2008: het niet indienen van een aanvraag voor een identificatiekaart voorafgaand aan het uitvoeren van bewakingsactiviteiten door de betrokken personen. 7. Niet betalen van administratieve geldboetes voor dewelke de beroepster- mijn verstreken is: Alle onder 6. genoemde processen-verbaal hebben geleid tot opgelegde administratiefrechtelijke geldboetes ten bedrage van respectievelijk i 2150, i 1000, i 2000, i 1150, i 1000, i 1150, i 2300 en i 1000 die niet werden betaald. Voor de laatste 7 dossiers werden er op 20 oktober 2009, 16 december 2009, 08 januari 2010 en 01 april 2010 dwangbevelen uitgevaardigd ten aanzien van Stallion Security BVBA en werd er tot beslag onder derden overgegaan (zie aangehaalde e-mail van Etienne Colon van 07 mei 2010 hierboven). Overwegende dat de vermelde strafdossiers inzake zwartwerk in Dimona - gelet op het gegeven dat er geen uitspraak werd gedaan - niet worden weerhouden in onderstaande motivering, noch de zaken van opzettelijke slagen en verwondingen die in het advies van het parket te Mechelen werden aangehaald. Overwegende dat artikel 2, § 1, eerste lid van de wet voorschrijft dat de procureur des Konings van de vestigingsplaats van de bewakingsonderneming een advies verleent voor het verlenen van een vergunning; Overwegende dat artikel 5, eerste lid, 8/ stelt dat het leidinggevend personeel van een bewakingsonderneming dient te voldoen aan de veiligheids- voorwaarden, noodzakelijk voor het leidinggevende en uitvoerende functie, en geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene doordat hij zijn maatschappelijke verplichtingen als ondernemer of als leidinggevende in een onderneming niet nakomt, of omdat deze feiten een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1 bis, uitmaken; Overwegende dat artikel 7 van de wet bepaalt dat de Minister van Binnenlandse Zaken, teneinde haar appreciatiebevoegdheid in het kader van de beoordeling van de naleving van de veiligheidsvoorwaarden uit te oefenen, kan beschikken over inlichtingen van gerechtelijke en bestuurlijke aard, alsook beroepsdeontologische gegevens, die haar toelaten te beoordelen of de betrokkene, benevens de minimale objectieve wettelijk voorwaarden, ook voldoet aan de veiligheidsvereiste, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 8/ van de wet; Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken de actieve plicht heeft om de nodige kennis te verwerven over alle relevante feitelijke gegevens die haar beslissing kunnen beïnvloeden. Van de Minister wordt immers verwacht dat zij haar beslissing afweegt aan de hand van feiten waarvan zij zich XII-6276-6/22 een duidelijke voorstelling heeft kunnen vormen, die zij op hun overeenstem- ming met de werkelijkheid heeft kunnen onderzoeken en die zij aan een waardering onderworpen heeft. In geval de Minister van Binnenlandse Zaken gebruik maakt van haar discretionaire macht om de betrokkene de toegang tot de bewakingssector te ontzeggen, moet de beslissing bijzonder goed gestaafd zijn. Dit betekent dat de feiten en de rol van de betrokken erin afdoende moeten vaststaan en dat de feiten dermate zwaarwichtig moeten zijn dat zij - naar recht en redelijkheid - een weigering van de toegang tot de private veiligheidssector verantwoorden; Het is dan ook uitermate essentieel dat alle gekende feiten en gegevens die een negatief licht kunnen werpen op de betrokkene, nauwkeurig en gedetail- leerd ter kennis van de Minister worden gebracht. Meer nog, bij gebrek aan nauwkeurige en gedetailleerde informatie, kan de Minister ertoe gebracht worden vergunningen af te leveren of te laten behouden aan personen die een ernstig veiligheidsrisico inhouden. Overwegende dat de Procureur des Konings, die door de wetgever het best geplaatst geacht wordt om de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene te beoordelen in het licht van de letter en de doelstellingen van de bewakingswet, d.d. 11 mei 2010 gemeld heeft dat de arbeidsauditeur van Mechelen op 19 november 2009 een ongunstig advies heeft uitgebracht lastens Stallion Security BVBA en haar zaakvoerder Joeri Vijt, dat er uit de info van de arbeidsauditeur blijkt dat er 8 strafdossiers hangende zijn wegens o.a. zwartwerk en dimona, dat er een dertigtal dossiers op het parket werden aangelegd wegens inbreuken op de bewakingsreglementering en dat er lastens de heer Joeri Vijt in persoon nog een vijftal strafdossiers gekend zijn wegens opzettelijke slagen en verwondingen en inbreuken op de bewakingsreglemente- ring. Dat de procureur des Konings te Mechelen zich bijgevolg genoodzaakt voelde om een ongunstig advies uit te brengen. Dat de zaken van opzettelijke slagen en verwondingen en de lopende strafdossiers inzake o.a. zwartwerk en Dimona evenwel niet worden weerhouden voor onderhavige beslissing; Dat deze adviezen weliswaar niet bindend zijn, maar toch genieten van een groot moreel gezag en bijgevolg ook bij voorkeur gevolgd dienen te worden. Dat dan ook slechts in een zeer beperkt aantal gevallen het advies van de procureur des Konings terzijde geschoven wordt. Dat, in antwoord op het verweerschrift d.d. 03 juni 2010 hieromtrent, het bovendien niet aan de administratie is om te oordelen of de procureur des Konings op een deugdelijke wijze tot zijn advies gekomen is. Deze laatste vormt zijn advies immers op een geheel autonome wijze; Dat, zoals hierboven blijkt, de procureur des Konings zich voor zijn advies dus ten dele gebaseerd heeft op het schrijven d.d. 19 november 2009 vanwege de arbeidsauditeur te Mechelen die zelf een ongunstig advies verleende. Dat in dit schrijven diverse vonnissen worden opgesomd waarbij Stallion Security BVBA werd veroordeeld tot het betalen van achterstallige RSZ-bijdragen; Dat uit het schrijven van de arbeidsauditeur van 19 november 2009 blijkt dat de onderneming Stallion Security BVBA achtereenvolgens op 01 oktober 2008, 05 november 2008, 04 februari 2009, 03 juni 2009 en 07 oktober 2009 veroordeeld werd door de arbeidsrechtbank te Mechelen wegens het niet nakomen van de geldelijke verplichtingen ten aanzien van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Dat Stallion Security tevens op 05 november 2009 gedagvaard werd wegens het niet betalen van RSZ-bijdragen, doch dat er op XII-6276-7/22 (het) ogenblik van het schrijven van de arbeidsauditeur hierin nog geen uitspraak was; Overwegende dat in het verweerschrift (en audit verslag) van 03 juni 2010 het volgende wordt gesteld: - dat er geen enkel element is om te besluiten dat Joeri Vijt zijn maatschap- pelijke verplichtingen niet zou zijn nagekomen en zich schuldig zou hebben gemaakt aan een inbreuk op of tekortkoming aan de vereisten bedoeld in artikel 7, § 1 van de bewakingswet, noch dat de heer Vijt als leidinggevend persoon ten persoonlijke titel een ernstige tekortkoming zou hebben begaan op de beroepsdeontologie; - dat eventuele tekortkomingen op vennootschapsrechtelijke verplichtingen - die verschoonbaar zouden zijn - niet gelijkgesteld mogen worden met maatschappelijke verplichtingen in de zin van artikel 5, eerste lid, 8/ van de bewakingswet; - dat de omzet van de onderneming op één jaar is verdubbeld en daardoor ook de administratieve en vennootschapsrechtelijke verplichtingen. Dat de heer Vijt zich hierbij de (
- te)weinig geconcentreerd heeft op het vervullen van de administratieve verplichtingen en niet beschikte over enige bijstand van een back office, maar dat de heer Vijt tijdig zou hebben ingezien dat het niet zo verder kon en externe bijstand heeft gevraagd met het oog op een herstructurering; - dat door het inzetten van deze externe bijstand, het treffen van betaalak- koorden met bepaalde schuldeisers en het aanstellen van twee medewer- kers voor het op orde stellen van interne en externe administratie en het verlenen van bijstand inzake de organisatie van de operationele verplich- tingen, maatregelen getroffen zijn waardoor de tekortkomingen op vennootschapsrechtelijk vlak verschoonbaar zouden zijn. Echter, overwegende dat artikel 5, eerste lid, 8/ van de wet bepaalt dat een leidinggevend persoon geen feiten mag gepleegd hebben die raken aan het vertrouwen in betrokkene doordat hij zijn maatschappelijke verplichtingen als ondernemer of leidinggevende in een onderneming niet nakomt, of omdat deze feiten een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindica- tie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1 bis, uitmaken; Dat het herhaaldelijk niet betalen van de RSZ-bijdragen ontegensprekelijk wijst op het niet-nakomen van de maatschappelijke verplichtingen als ondernemer en dat dit gegeven dus zeker raakt aan het vertrouwen in betrokke- ne als enige zaakvoerder en tevens als leidinggevend persoon van een bewakingsonderneming. Dat van een ondernemer immers verwacht mag worden dat deze alle nodige voorzorgen neemt om onder meer zijn verplich- tingen jegens de RSZ-instanties na te komen; Overwegende dat bovendien in het verweer zelf wordt toegegeven dat er zes vonnissen werden uitgesproken door de arbeidsrechtbank voor betaling van achterstallige RSZ-bijdragen. Dat dit gegeven niet betwist kan worden. Dat het systematisch karakter van deze wanbetalingen ontegensprekelijk wijst op een wanbeheer van de heer Vijt met betrekking tot de bewakingsonderneming waarbinnen hij als zaakvoerder optreedt; Dat het verweer, noch het audit verslag in deze afbreuk kunnen doen aan de vastgestelde nalatigheid van de heer Joeri Vijt om zijn verplichtingen als ondernemer na te komen. Integendeel, het overgemaakte audit verslag is in casu nog een verzwarend element, daar Stallion Security BVBA blijkbaar niet enkel XII-6276-8/22 schuldenaar was van de diensten van de RSZ maar tevens d.d. 49 mei 2010 openstaande schulden heeft: - met betrekking tot de vennootschapsbelasting 2007 en 2008; - met betrekking tot de BTW 2009; - met betrekking tot acht onbetaalde administratieve boetes opgelegd door de FOD Binnenlandse Zaken; - bij FLEXPOINT BVBA, Group 5, Paul van de Dries, Dexia verzekerin- gen, het Rode Kruis, Webmind, de Registratierechten, het Fonds voor Bestaandszekerheid, Blade BVBA, Group 4, Europrotection Guard, Pulse Hosting, EasyFairs, Addicted-2-Click, Assurop en Octopus; Dat bijgevolg onmogelijk nog kan worden geoordeeld dat de heer Joeri Vijt als leidinggevend personeelslid en zaakvoerder van de onderneming zijn maatschappelijke verplichtingen heeft nagekomen of geen tekortkomingen zou hebben begaan op de beroepsdeontologie van een leidinggevend persoon; Dat de wetgever onder meer als voorbeeld van een tekortkoming van een ondernemer aan zijn maatschappelijke verplichtingen stelt: het herhaaldelijk zijn veroordeeld wegens inbreuken op de sociale wetgeving (M.v.T. bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I), Parl.St, Kamer 2008-2009, nr 1608/001, 150). Dat de heer Joeri Vijt dus zijn vennootschapsrechtelijke, maar tevens ook zijn maatschappelijke verplichtingen niet heeft nagekomen en dus niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, 8/ van de bewakingswet; Dat van de zaakvoerder van een bewakingsonderneming verwacht wordt dat deze alle geldelijke verplichtingen waarmee de onderneming geconfronteerd wordt, ook effectief nakomt. Dat, gelet op de wanbetalingen m.b.t. de vennootschapsbelasting, de BTW én de RSZ - die nochtans wettelijk bepaald en bijgevolg verplicht moeten worden betaald - en gelet op de veelvuldige schulden die de onderneming heeft opgebouwd bij andere ondernemin- gen/instanties, blijkt dat de heer Joeri Vijt net het tegenovergestelde heeft bewezen door een schuldenberg op te bouwen bij een aanzienlijk aantal schuldeisers; Dat het inderdaad juist is dat er door toedoen van externe bijstand maatregelen genomen zijn om het voortbestaan van de onderneming te garanderen - wat ook niet anders kon, gezien de uitvoeringsmaatregelen die reeds bevolen werden - doch dat de gepleegde tekortkomingen vaststaan. Dat het wel degelijk om tekortkomingen gaat, blijkt zelfs uit het verweer zelf waarin gesteld wordt: - ‘Het moge dan al juist zijn dat de heer Joeri Vijt zijn vennootschapsrech- telijke verplichtingen niet is nagekomen zoals het hoort [...]’; - ‘De heer Joeri Vijt heeft zich teveel geconcentreerd op klantenwerving en het genereren van inkomsten en te weinig op de vervulling van zijn administratieve verplichtingen, die hij tegen beter weten in allemaal alleen vervulde zonder back office. Eerder dan in te grijpen, heeft hij de zaken op hun beloop gelaten wat zich uiteindelijk vertaald heeft in diverse dagvaardingen en uitvoeringsmaatregelen tegen de vennootschap.’ Dat ook in het audit verslag wordt gewezen op ‘een gebrekkig administra- tief beleid over een (
- te)lange periode’, ‘geen opvolging van klanten en/of openstaande facturen’, ‘te weinig toeleggen op de opvolging van interne en externe administratie die periodiek zelfs totaal verwaarloosd werd’,... Dat het niet betalen van RSZ-bijdragen, vennootschapsbelastingen en BTW-bijdragen én het opstapelen van andere schulden bij tal van schuldeisers, XII-6276-9/22 ondanks maatregelen achteraf genomen - door externe bijstand - raken (
- in)het vertrouwen dat de overheid zou moeten hebben in de heer Joeri Vijt en regelrecht in strijd is met de beroepsdeontologie en de correcte en zorgvuldige houding die verwacht wordt van de (in casu enige) zaakvoerder van een bewakingsonderneming; Overwegende voorts dat, zoals uit het verweer d.d. 03 juni 2010 blijkt, er inderdaad nog geen eindoordeel bestaat omtrent de lopende strafzaken inzake zwartwerk en dergelijke. Dat echter wel wordt toegegeven dat Stallion Security BVBA werknemers in dienst heeft genomen zonder dat zij tijdig werden ingeschreven bij DIMONA. Dat dit wederom een tekortkoming uitmaakt van de zaakvoerder, de heer Joeri Vijt. Dat een inschrijving bij DIMONA achteraf wel zou gebeurd zijn, niet afdoet van het feit dat het in deze om een inbreuk gaat van (
- op)de geldende regelgeving. Bovendien wordt in het audit verslag nog het volgende vermeld: ‘Daarnaast is de vennootschap ook het voorwerp geweest van een sociale inspectie ter gelegenheid waarvan werd vastgesteld dat de onderneming ook niet in orde is met haar sociale verplichtingen’. Dit betekent wederom een tekortkoming op de maatschappelijke verplichtingen die rusten op de heer Joeri Vijt als zaakvoerder van Stallion Security BVBA; Overwegende verder dat in het verhoor d.d. 09 juni 2010 door de heer Joeri Vijt gesteld wordt dat er ook met de FOD Binnenlandse Zaken een betaalak- koord is. Dat er inderdaad (pas) op 21 mei 2010 sprake was van een betaalak- koord en dus niet eerder - in tegenstelling tot wat het schrijven van de heer Vijt d.d. 23 maart 2010 hieromtrent laat uitschijnen. Dat een betaalakkoord ook logisch is, gezien een eventueel beslag in opdracht van de FOD Binnenlandse Zaken en desgevallend andere schuldeisers zou kunnen leiden tot een onvermogen van STALLION SECURITY BVBA om alle schulden te delgen en dus de kans reëel was dat de FOD Binnenlandse Zaken geen of slechts ten dele haar gerechtigde bedragen zou mogen ontvangen; Overwegende dat in het schrijven van 12 mei 2010 vanwege de administra- tie tevens gewag wordt gemaakt van een aantal processen-verbaal, opgesteld door politieambtenaren en beëdigde ambtenaren van de FOD Binnenlandse Zaken die allemaal hebben geleid tot het opleggen van een administratieve geldboete. Dat er tegen deze beslissing geen beroep werd ingediend; Dat uit de PV's BT041/2009 d.d. 24/11/2009, DE35.LE.001384/2009/2 d.d. 22/02/2009, ME.35.LI.004253/2008 d.d. 28/02/2008, SdH004/2009 d.d. 13/01/2009, ME.35.LI.019329/2008 d.d. 15/09/2008 en ME.BG.36.L9.001325/2008 d.d. 21/02/2008 telkenmale blijkt dat Stallion Security één of meerdere personen heeft tewerkgesteld zonder de wettelijk verplichte identificatiekaart aan te vragen bij de FOD Binnenlandse Zaken. Dat dit gegeven dus inhoudt dat de heer Joeri Vijt als enige zaakvoerder en dus verantwoordelijke van de onderneming, bewakingsactiviteiten heeft laten uitoefenen door personen waarvan de overheid nog niet heeft kunnen oordelen of zij wel voldoen aan de uitoefeningsvoorwaarden van de bewakingswet; Dat het gegeven dat de heer Vijt deze mensen toch moedwillig heeft tewerkgesteld, getuigt van weinig respect ten aanzien van de bewakingswet, die nochtans van openbare orde is. Dat het herhaaldelijk karakter van deze inbreuken aantonen dat de heer Joeri Vijt het niet zo nauw neemt met de regels die gelden voor de bewakingssector; Dat het opdracht geven aan personen om bewakingsactiviteiten uit te oefenen zonder dat er enige garantie bestaat dat deze personen voldoen aan de XII-6276-10/22 wettelijke voorwaarden een ernstige tekortkoming uitmaakt in hoofde van de onderneming Stallion Security BVBA die niet de nodige voorzorgsmaatregelen neemt dat de personen die zij tewerkstelt de bewakingswet naleven. Dat deze handelingswijze bovendien een ernstige tekortkoming vormt in hoofde van de heer Vijt als leidinggevend personeelslid, vermits hij er onvoldoende op toeziet opdat bovengenoemde personen de bewakingswet zouden naleven. Meer nog, de heer Joeri Vijt heeft zelfs moedwillig deze personen de bewakingswet doen overtreden. Dergelijke feiten zijn onmiskenbaar van aard om te twijfelen dat de onderneming Stallion Security BVBA en de heer Joeri Vijt de nodige waarborgen verstrekken opdat de bewakingsopdrachten uitgevoerd worden in overeenstemming met de geldende regelgeving; Dat de werkwijze van de heer Joeri Vijt een ernstig veiligheidsprobleem uitmaakt voor de klanten waar Stallion Security BVBA bewakingsagenten zonder identificatiekaart heeft tewerkgesteld, gezien er in deze geen onderzoek door de overheid heeft plaatsgevonden - in het kader van een aanvraag van een identificatiekaart - naar betrokken bewakingsagenten, ten einde te oordelen of zij geen feiten zouden gepleegd hebben die van aard zijn om te besluiten dat deze personen niet geschikt zijn om een functie in de bewakingssector waar te nemen en dan ook een potentieel veiligheidsrisico vormen voor betrokken klanten; Overwegende dat de heer Joeri Vijt leidinggevend persoon is binnen Stallion Security BVBA en in die hoedanigheid verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van de bewakingswet en haar uitvoeringsbesluiten door de personeelsleden van Stallion Security BVBA. Dat artikel 15, § 1 van de bewakingswet immers het volgende bepaalt: ‘De personen die door de onderneming, dienst of instelling worden ingezet, verrichten de activiteiten, bedoeld in artikel 1, onder het uitsluitend gezag van het personeel belast met de werkelijke leiding van de onderneming, dienst of instelling. De onderneming, dienst of instelling neemt alle voorzorgsmaatregelen en de personen belast met de werkelijke leiding verrichten de nodige controles opdat hun personeelsleden of de personen die voor hun rekening werken de wetten in het algemeen en deze wet en haar uitvoeringsbesluiten in het bijzonder zouden naleven.’ Dat hogergenoemde feiten wijzen op geen - of minstens een gebrekkige - controle van de bewakingsonderneming en in het bijzonder van de heer Joeri Vijt omdat de bewakingswet zou worden nageleefd door de onderneming. Dat hiermee artikel 15, § 1 van de bewakingswet is geschonden in hoofde van Stallion Security BVBA en de heer Joeri Vijt, als verantwoordelijke van de bewakingsonderneming. Laatstgenoemde heeft immers tot taak, zoals het een zorgvuldige zaakvoerder betaamt, om de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen en controles uit te oefenen opdat vernoemde inbreuken niet zouden gebeuren; Dat dit gebrek aan controle zelfs van aard is om een verleende vergunning in te trekken conform de bepalingen van artikel 17, 1/ van de bewakingswet, dat immers het volgende voorschrijft ‘Onverminderd de artikelen 18 en 19 kan de minister van Binnenlandse Zaken [...] 1/ de verleende vergunning [...] intrekken of voor een termijn van ten hoogste zes maanden schorsen wanneer een in artikel 1 bedoelde onderneming, dienst of instelling de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of niet meer aan de voorwaarden ervan voldoet of activiteiten uitoefent die onverenigbaar zijn met de openbare orde of de inwendige of de uitwendige veiligheid van de staat of wanneer gebreken werden vastgesteld in de controle die door dergelijke ondernemingen, XII-6276-11/22 diensten of instellingen wordt uitgeoefend op de naleving van de bepalingen van deze wet door hun personeelsleden of de personen die voor hun rekening werken.’; Dat op basis van het voorgaande de heer Joeri Vijt als leidinggevend personeelslid duidelijk tekort schiet in enerzijds zijn controleverplichting voorzien in artikel 15, § 1, tweede lid van de bewakingswet en anderzijds in het vertrouwen dat de overheid hem heeft verleend bij afgifte van een identificatie- kaart op zijn naam en er bijgevolg besloten kan worden dat de heer Joeri Vijt wederom niet voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 8/ van de bewakingswet. Dat in dit kader opnieuw verwezen kan worden naar de memorie van toelichting bij artikel 5, eerste lid, 8/die als voorbeeld stelt voor een tekortkoming van een leidinggevend personeelslid aan zijn maatschappelijke verplichtingen: het onvoldoende toezien dat de wetten worden nageleefd door het personeel waarover ze toezicht uitoefent (M.v.T. bij het wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I), Parl.St., Kamer 2008-2009, nr 1608/001, 150); Overwegende dat uit de hierboven vermelde onregelmatigheden blijkt dat de heer Vijt bepaalde wettelijke verplichtingen niet zo nauw neemt. Dat voornoemde feiten wijzen op nalatig en laakbaar gedrag ten aanzien van de naleving van bepaalde wettelijke verplichtingen, dat ernstig geacht wordt uit hoofde van een persoon die de functie van bewakingsagent alsook van leidinggevend personeelslid en zaakvoerder waarneemt in een bewakingsonder- neming. Dat van dergelijke persoon immers verwacht mag worden dat hij instaat voor de uitoefening van delicate taken waaronder het er op toezien dat anderen reglementen en regelgevingen respecteren, en dat dit niet voor de hand ligt wanneer betrokkene zelf de bestaande regelgeving met de voeten treedt. Dat bovengenoemde feiten dan ook van aard zijn te raken aan het vertrouwen in de betrokkene zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, 8/ van de bewakingswet; Overwegende dat het verweerschrift d.d. 03 juni 2010 stelt dat de heer Vijt wel alle mogelijke controles op zijn personeel zou uitoefenen en dat men hem niet aansprakelijk kan stellen voor inbreuken begaan door bewakingsagenten. Dat de heer Vijt slechts na de begane inbreuken op de hoogte zou zijn van deze feiten. Volgens het verweerschrift nog zou de heer Vijt alles in het werk stellen om zijn personeel de bestaande regelgeving te doen naleven en zou er nog een intern reglement opgesteld worden. Tot slot wordt gesteld dat het onmogelijk is om elke bewakingsagent op elke locatie permanent te controleren; Echter, dat de hierboven opgesomde inbreuken - die bovendien niet worden betwist - niet lastens de bewakingsagenten zijn, maar ten laste van de onderneming zelf. Dat het immers de plicht is van de onderneming om een identificatiekaart aan te vragen en te bekomen voor de bewakingsagenten die zij beoogt tewerk te stellen en dit vooraleer zij effectief worden ingezet. Dat de stelling alsof de heer Vijt alles onderneemt om zijn personeel de bestaande regelgeving te doen naleven, ongeloofwaardig is, daar hijzelf kennelijk de regelgeving niet naleeft door zijn personeel zonder wettelijk verplichte identificatiekaart in te zetten. Dat een intern reglement voor de bewakingsagen- ten niet nuttig kan zijn, indien de zaakvoerder zelf de opdracht geeft aan die bewakingsagenten om - geheel tegen de vigerende regelgeving in- zonder identificatiekaart bewakingsopdrachten te vervullen; Dat het verweerschrift verder stelt dat er geen kwade trouw, noch opzette- lijkheid aanwezig was bij het begaan van de inbreuken. Dat het inzetten van bewakingsagenten zonder identificatiekaart toch onmogelijk als 'accidenteel' XII-6276-12/22 kan worden aangenomen, gezien de heer Vijt als leidinggevend persoon op de hoogte moet zijn van het gegeven dat bewakingsagenten zonder geldige identificatiekaart in geen enkel geval bewakingsactiviteiten mogen uitoefenen. Daarbij blijkt nog uit een verhoor d.d. 25/02/2008, gevoegd bij PV ME.35.LI.003991/2008, van de heer Joeri Vijt zelf, dat hij wetens en willens personen heeft tewerkgesteld zonder verplichte identificatiekaart: ‘U stelt mij in kennis dat beide werknemers enkel een badge hadden op naam van Group 4 securicor. Ik geef dit toe [...]. Aangezien het die avond zeer druk was en ik geen andere werknemers meer vrij had, had ik beide ingezet [...]. Op dat ogenblik hadden zij nog geen badge op naam van Stallion Security.’ Dat dit met andere woorden betekent dat Stallion Security BVBA wetens en willens een bewakingsagent zonder de verplichte identificatiekaart op haar naam bewakingsactiviteiten heeft doen verrichten. Bijgevolg werd door de onderneming - en door de heer Vijt als leidinggevend persoon van de bewakingsonderneming - moedwillig en dus opzettelijk inbreuken begaan tegen de bewakingswet; Dat deze feiten zich inderdaad afspeelden in het verleden, doch dat moeilijk kan beweerd worden dat de periode 2008-2009 tot een ver verleden behoren. Dat deze feiten bijgevolg zeer zeker recent genoeg zijn om er rekening mee te houden; Dat ik, gelet op bovenstaande overwegingen, bijgevolg van oordeel ben dan de heer Joeri Vijt niet voldoet aan artikel 5, eerste lid, 8/ van de bewakingswet gezien hij zijn maatschappelijke verplichtingen als ondernemer en leidingge- vend personeelslid niet heeft nagekomen, ernstige tekortkomingen op de beroepsdeontologie heeft begaan en hij zijn verplichtingen als leidinggevend persoon, bedoeld in artikel 15, § 1, tweede lid, niet heeft nageleefd door zelf de bewakingswet herhaaldelijk te (doen) overtreden; Dat de heer Joeri Vijt de enige zaakvoerder betreft van de onderneming Stallion Security BVBA en deze dus niet beantwoordt aan de voorwaarden voor het uitoefenen van een leidinggevende functie binnen een onderneming. Dat bij gebrek aan een zaakvoerder dewelke voldoet aan de wettelijke uitoefenings- voorwaarden er bijgevolg niet voldaan wordt aan de objectieve minimumvoor- waarden om een vergunning toe te kennen; Dat zelfs indien de heer Joeri Vijt zou vervangen zijn door een andere zaakvoerder, de vernieuwing van de vergunning nog steeds geweigerd dient te worden, daar de veroordelingen wegens niet- betalen van RSZ-bijdragen gericht werden aan de vennootschap en dat het negatief advies vanwege de arbeidsau- diteur te Mechelen zich zowel uitstrekt ten aanzien van de heer Vijt in persoon als ten aanzien van de onderneming. Dat de procureur des Konings bovendien een ongunstig advies heeft verleend naar aanleiding van de vernieuwingsaan- vraag van de vergunning. Dat daarnaast de genoemde inbreuken op de bewakingsreglementering ten laste waren van de vennootschap; Overwegende dat de overheid traditioneel de eindverantwoordelijkheid draagt voor het waarborgen van de openbare orde en de veiligheid van de burgers. Wanneer private ondernemingen activiteiten gaan uitoefenen die in het algemeen belang aan de publieke sector toegeschreven worden, dan kan dit slechts onder voorwaarden en mits een grondige controle gedoogd worden. De bewakingswet beoogt dan ook de activiteiten van de private veiligheidssector te reglementeren. XII-6276-13/22 Zo dient de Minister van Binnenlandse Zaken er over te waken dat enkel professionele en betrouwbare personen en ondernemingen bewakingsactivitei- ten kunnen uitoefenen aangezien deze activiteiten de openbare orde raken; Het nadeel dat betrokkene dreigt te lijden bij een weigering van zijn aanvraag tot vernieuwing van de vergunning als bewakingsonderneming is dan ook ondergeschikt aan het nadeel en het risico dat de burger en de maatschappij in het algemeen dreigt te ondergaan indien betrokkene gelegitimeerd wordt om (opnieuw) bewakingsactiviteiten uit te oefenen; Overwegende dat de bevolking van de Minister van Binnenlandse Zaken mag verwachten dat hij [zij] bij de afgifte van de vergunning de nodige voorzorgen aan de dag legt en blijk geeft van behoorlijk bestuur. Dit houdt in dat de Minister zijn [haar] discretionaire bevoegdheid mag aanwenden en de afgifte van de vergunning kan weigeren; Overwegende dat de wetgever het voorbehouden van de toegang tot de private veiligheidssector aan professioneel betrouwbare personen als hoofd- doelstelling voorop stelde; dat de wetgever beoogde zeker te stellen dat private ondernemingen die bewakingsactiviteiten uitvoeren - activiteiten die traditio- neel aan de overheid toevertrouwd werden - hun activiteiten uitvoeren met inachtneming van de vigerende rechtsregels en normen; Overwegende dat de burger van de Minister van Binnenlandse Zaken mag verwachten dat hij [zij] de nodige voorzorgen aan de dag legt bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag. Dit houdt in dat hij [zij] in het kader van deze aanvraag ook nagaat of het leidinggevend personeel over de vereiste ingesteld- heid en bekwaamheid beschikt om de bewakingsonderneming in overeenstem- ming met de letter en de geest van de wet te leiden. Dat dit net getuigt van behoorlijk bestuur. Dat dit inhoudt dat de Minister zijn discretionaire bevoegd- heid mag aanwenden en van mening kan zijn dat het niet verantwoord is om personen toe te laten een leidinggevende functie op te nemen wanneer zij in het verleden hun maatschappelijke verplichtingen niet hebben nagekomen en niet beantwoorden aan de beroepsdeontologie; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, de voormelde feiten niet verenigbaar zijn met de ingesteldheid die verwacht wordt van personen die een leidinggevende functie waarnemen binnen een bewakingsonderneming; Overwegende dat uit het voorgaande ook de ernst van de tekortkomingen en gepleegde inbreuken blijkt en dat de weigering van de vergunning de enige gepaste maatregel betreft; Dat ten slotte de heer Vijt de mogelijkheid werd geboden om het dossier te consulteren en er een afschrift van te krijgen; dat hij de kans heeft verkregen om een verweerschrift in te dienen; dat hij tevens de mogelijkheid heeft verkregen om gehoord te worden bij mijn administratie en daarbij bijkomende stukken heeft mogen neerleggen. Dat hij bijgevolg voldoende mogelijkheden heeft verkregen - en er gebruik van heeft gemaakt - om zich te verweren tegen een eventuele negatieve beslissing. Dat ik bijgevolg van oordeel ben dat een bijkomend verhoor door mij persoonlijk geen meerwaarde biedt, temeer de heer Vijt al gehoord werd door mijn administratie.” IV. Onderzoek van de vordering XII-6276-14/22 4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. Wat de eerste voorwaarde betreft, voeren de verzoekende partijen in het eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel. “Doordat de bestreden beslissing weliswaar een overvloed aan motieven bevat, doch niet toelaat met zekerheid uit te maken welke elementen hebben meegespeeld in haar totstandkoming, laat staan welke elementen doorslagge- vend zijn geweest, Terwijl het normdoel van de formele motiveringsplicht slechts dan geacht kan worden bereikt te zijn, wanneer de motivering de beslissing effectief verantwoordt en de geadresseerde inzicht verschaft in de redenering van het bestuur, En doordat de bestreden beslissing klakkeloos terugvalt op [externe adviezen] Terwijl een beslissing enkel dan externe adviezen als een draagkrachtig motief kan beschouwen, wanneer deze adviezen zelf beantwoorden aan de vereisten die voortvloeien uit de in het middel aangehaalde rechtsnormen.” In de toelichting bij dit middel voegen de verzoekende partijen daar in essentie het volgende aan toe: - het bestreden besluit is kwalitatief zwak gemotiveerd; - het bestreden besluit bevat tegenstrijdigheden; - het besluit van het advies van de procureur des Konings te Mechelen wordt opgenomen in het bestreden besluit als draagkrachtig motief, maar “twee derden XII-6276-15/22 van de motieven van dit advies worden in het bestreden besluit ter zijde gescho- ven”. Aldus is de motivering volgens de verzoekende partijen contradictorisch; - het ongunstig advies van de procureur des Konings te Mechelen maakt een schending uit van het vermoeden van onschuld; - de verwerende partij heeft door haar handelwijze het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Beoordeling 6. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan het besluit ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met het besluit te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om het besluit te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de formele motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkenen in het hen aanbelangend besluit zelf de motieven moeten kunnen aantreffen op grond waarvan het werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, opdat de betrokkenen met kennis van zaken zouden kunnen uitmaken of het aangewezen is het besluit met een annulatieberoep te bestrijden. 7. Uit de inhoud (randnummer 3.7.) van het bestreden besluit blijkt op het eerste gezicht dat de motivering bijzonder uitvoerig is en refereert aan alle pertinente feiten en dienstige adviezen die doen inzien waarom en hoe het bestuur is gekomen tot de weigering van de vernieuwing van de aangevraagde vergunning. Er is van enige contradictie in het bestreden besluit geen sprake. De verwerende partij mag verwijzen naar het bestaan van strafdossiers, zonder desbetreffend een standpunt in te nemen. XII-6276-16/22 Uit de lezing van het bestreden besluit blijkt op het eerste gezicht duidelijk met welke elementen het bestuur rekening hield om het bestreden besluit te nemen. Het verschaft een duidelijk inzicht in de situatie waarin de verzoekende partijen zich bevinden en wijst expliciet op de inbreuken die op het eerste gezicht door elk van de verzoekende partijen werden gepleegd. Er mag op het eerste gezicht worden vanuit gegaan dat de motivering van het bestreden besluit pertinent, afdoend en draagkrachtig is, omdat zij wijst op inbreuken gepleegd door de verzoekende partijen op de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid van 10 april 1990, zoals gewijzigd, de arbeidswetgeving, op de wetgeving inzake de sociale zekerheid, op bepalingen van het algemeen strafrecht en van het bijzonder strafrecht, met name op het sociaal- economisch strafrecht, waarbij de gedragingen van de verzoekende partijen precies en nauwkeurig worden omschreven. Op het eerste gezicht is de motivering van het bestreden besluit zowel kwantitatief als kwalitatief draagkrachtig en bevat zij voldoende feitelijke en juridische gegevens om het bestreden besluit te onderbouwen, (besluit) dat bovendien doet blijken van een correcte en volledige feitenvinding die zorgvuldig werd uitgewerkt. De externe adviezen waaraan het bestreden besluit refereert zijn op het eerste gezicht pertinent en draagkrachtig. 8. Het eerste middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 9. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (eerste onderdeel), van de artikelen 4bis en 17 van de Bewakingswet van 10 april 1990 (tweede onderdeel) en van het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel (derde onderdeel). “Doordat het bestreden besluit de vernieuwing van de vergunning de plano weigert, XII-6276-17/22 Terwijl, zelfs indien de verwijten aan het adres van verzoekende partijen gegrond zouden zijn, quod non, een tijdelijke schorsing van hetzij de vergun- ning van eerste verzoekende partij, hetzij van de vergunning als leidinggevende van tweede verzoekende partij, hetzij beide, meer in verhouding zou staan tot de feiten dan de volledige beëindiging van elke vergunning.” Voor wat de drie onderdelen van het tweede middel betreft, gaan de verzoekende partijen er in hun toelichting bij dit middel bij hypothese vanuit dat de “feiten die hun verweten worden aan de realiteit beantwoorden - quod non”. Aldus kunnen zij de onwettigheid van het bestreden besluit opnieuw aantonen, aldus de verzoekende partijen. Beoordeling 10. Het middel komt er in essentie op neer dat de verzoekende partijen de aard en de draagwijdte van het bestreden besluit betwisten. Zij voeren aan dat een maatregel die minder streng is had kunnen worden opgelegd, zoals bijvoorbeeld een schorsing, bij wijze van waarschuwing. Zij voegen daaraan toe dat het bestreden besluit, “duidelijk dient te maken waarom het geen oplossing zou zijn een nieuwe zaakvoerder aan te stellen”. Op het eerste gezicht leveren de verzoekende partijen kritiek op de opportuniteitsredenen die aan het bestreden besluit ten gronde liggen en op de aard, daaronder begrepen het streng karakter van dit besluit. In dit verband wordt opgemerkt dat wanneer, zoals in onderhavige zaak, bepaalde feiten door de verzoekende partijen worden betwist, die aan de basis liggen van het bestreden besluit, de Raad van State niet als rechter in hoger beroep de ware toedracht van de feiten moet vaststellen. Hij dient enkel na te gaan of de overheid naar recht - inbegrepen: naar redelijkheid - tot haar voorstelling van de feiten is gekomen. De Raad beoordeelt aldus de wettigheid van het bestreden besluit en de wijze waarop het aan feitengaring deed. In dit verband stelt de Raad op het eerste gezicht vast dat de verwerende partij naar recht - inbegrepen: naar redelijk- heid - tot haar voorstelling van de feiten is gekomen. De Raad van State is evenwel niet bevoegd om een ander besluit met minder stringente gevolgen in de plaats te stellen van het bestreden besluit, wat de verzoekende partijen lijken te suggereren. Evenmin komt het aan de Raad toe om de strengheid van het weigeringsbesluit te milderen. XII-6276-18/22 Uit het geheel van het bestreden besluit blijkt waarom wordt geweigerd om de vergunning van de verzoekende partijen te hernieuwen. Daarbij werd op het eerste gezicht rekening gehouden met alle dienstige elementen die bij de beoordeling van de aanvraag kunnen worden betrokken op het tijdstip waarop het bestreden besluit werd genomen, zodat de verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de in de drie onderdelen geviseerde bepalingen en beginselen werden geschonden. 11. Het tweede middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 12. In een derde middel voert de tweede verzoekende partij de schending aan van artikel 5, eerste lid, 8/, van de Bewakingswet van 10 april 1990, zoals gewijzigd: “Doordat de bestreden beslissing besluit tot de ongeschiktheid van tweede verzoekende partij om een leidende functie uit te oefenen binnen een bewa- kingsonderneming, op grond van het bestaan van een aantal sociaalrechtelijke, vennootschapsrechtelijke en contractuele overwegingen, Terwijl genoemde bepaling enkel een toetsing aan veiligheidsvoorwaarden toelaat.” In de toelichting bij dit middel voert de tweede verzoekende partij in essentie aan dat de verwerende partij aan het begrip “veiligheidsvoorwaarden” een al te ruime interpretatie geeft, die haaks staat op de bedoelingen van de wetgever. Beoordeling 13. Artikel 5, eerste lid, 8/, van voornoemde wet luidt als volgt: “De personen die de werkelijke leiding hebben van een onderneming, dienst of instelling, als bedoeld in artikel 1, en de personen die zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming of een instelling moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: [...] 8/ voldoen aan de veiligheidsvoorwaarden noodzakelijk voor een leidingge- vende functie, en geen feiten gepleegd hebben die, zelfs als ze niet het XII-6276-19/22 voorwerp hebben uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling, raken aan het vertrouwen in de betrokkene doordat hij zijn maatschappelijke verplichting- en als ondernemer of als leidinggevende in een onderneming niet nakomt, of omdat deze feiten een ernstige tekortkoming van de beroepsdeontologie of een tegenindicatie van het gewenste profiel, zoals bedoeld in artikel 7, § 1 bis, uitmaken.” Artikel 7, § 1bis, waarnaar in de bovenstaande bepaling wordt verwezen, luidt als volgt: “Het gewenste profiel van het personeel, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 8/ en 6, eerste lid, 8/, is gekenmerkt door: 1/ respect voor de grondrechten van de medeburgers; 2/ integriteit; 3/ een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4/ afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu. [...].” 14. Uit het bestreden besluit blijkt op het eerste gezicht dat er ernstige aanwijzingen van schuld kunnen zijn lastens de tweede verzoekende partij betreffende het niet naleven van de sociale wetgeving (zwartwerk), overtredingen begaan op de wet betreffende de bewakingsfirma’s (dertig strafdossiers zijn hangende bij het parket te Mechelen), een vijftal strafdossiers betreffen feiten van opzettelijke slagen en verwondingen. Verschillende feiten worden weerhouden lastens de tweede verzoekende partij, in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA Stallion Security, omdat hij verschillende bewakingsagenten heeft tewerkgesteld, zonder aangifte te doen bij de diensten van de sociale zekerheid (het gaat om acht strafdossiers hangende bij het parket te Mechelen en om twee processen-verbaal voor identieke feiten, vermeld door de arbeidsauditeur te Mechelen in haar brief van 26 februari 2010). Bovendien voldoet de eerste verzoekende partij niet aan haar verplichtingen op het gebied van de sociale zekerheid. Dit is te wijten aan de nalatigheid van de tweede verzoekende partij. Desbetreffend werden reeds zes vonnissen uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Mechelen voor het niet betalen van achterstallige bijdragen. XII-6276-20/22 In het bestreden besluit worden de inbreuken gepleegd op de beveiligingsreglementen vermeld, waarvoor naast de eerste verzoekende partij, de tweede verzoekende partij als zaakvoerder verantwoordelijk is. Het gaat om zes feiten die omschreven worden in het bestreden besluit en die betrekking hebben op het niet indienen van een aanvraag voor een identificatiekaart, door de tweede verzoekende partij, voorafgaand aan het uitvoeren van bewakingsopdrachten door de veiligheidsagenten die bij de eerste verzoekende partij tewerkgesteld zijn. De andere feiten hebben betrekking op het niet overmaken aan de verwerende partij van het jaarlijks activiteitenverslag (één feit), op het nalaten om de lokale politie in te lichten, wanneer bewakingsopdrachten worden uitgevoerd op het grondgebied van een gemeente (twee feiten). Het staat bovendien vast dat de verzoekende partijen nalaten de opgelegde administratieve geldboeten te betalen, waartegen geen beroep meer openstaat. Het gaat om acht dossiers. Voor zeven dossiers werden op verschillende data dwangbevelen uitgebracht en werd derdenbeslag gelegd. Het bestreden besluit steunt bovendien op het gemotiveerde negatief advies van de procureur des Konings te Mechelen om te besluiten dat de tweede verzoekende partij niet langer voldoet aan de veiligheidsvoorwaarden, noodzakelijk voor de leidinggevende en uitvoerende functie die zij in het kader van de eerste verzoekende partij uitoefent. Waarom hierop mag worden gesteund, wordt omstandig uiteengezet in het bestreden besluit. Bijgevolg is de verwerende partij op het eerste gezicht tot deze conclusie in redelijkheid kunnen komen, gelet op het geheel van de negatieve informatie die, betreffende de tweede verzoekende partij, op zorgvuldige wijze werd verzameld. 15. Het derde middel is niet ernstig. 16. Bijgevolg is niet voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2. XII-6276-21/22 Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 350 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 juli 2010, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Daniël Moons, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Daniël Moons XII-6276-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.846 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div