id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.909 Rolnummer: A. 197326/XIV-32414 Zaak: Arrest 206909 - Varia (justitie) - 13/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-13 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-30 05:04 Fiche Arrest nr 206.909 van 13 augustus 2010 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 206.909 van 13 augustus 2010 in de zaak A. 197.326/XIV-32.414 In zake : Lefter YZEIRAJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Mary kantoor houdend te Sint-Gillis Afrikastraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te Kortenberg Veldstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 augustus 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Minister van Justitie van 23 juli 2010 tot uitlevering van Lefter Yzeiraj, hem ter kennis gebracht op 30 juli
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2010, om 14.00 uur. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. XIV-32.414-1/10 Advocaat Mieke Thijssen, die loco advocaat Sven Mary verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Dominique Derveaux, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Robert Vander Elstraeten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoeker is in 1971 geboren in Albanië en komt in 1997 naar België. In 2006 huwt hij met een Belgische vrouw, waarna hij in 2008 kennis krijgt met een andere vrouw, R.M., waarmee hij ook een kind heeft. De verzoeker heeft in België tevens een horecazaak uitgebouwd, gelegen aan de Vorstlaan 99/a te 1060 Sint-Gillis. Blijkens een bericht, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 mei 2010, heeft de verzoeker al zijn aandelen in de BVBA L.Y.R.M., door dewelke de voormelde horecazaak wordt uitgebaat, verkocht aan R.M. en nam hij ook ontslag als zaakvoerder van de vennootschap.
- Bij vonnis van 21 oktober 2008 van de rechtbank te Kurbin, Albanië, nadien bevestigd bij arrest van 7 oktober 2009 van het Hof van Beroep te Tirana, werd de verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaar wegens mensenhandel, exploitatie van prostitutie en wederrechtelijke vrijheidsberoving (deelneming). Tegen het voormelde arrest heeft de verzoeker cassatieberoep aangetekend.
- Op 8 oktober 2009 vaardigt de procureur van het district Kurbin een aanhoudingsbevel uit tegen de verzoeker, met het oog op de uitvoering van de voormelde straf. XIV-32.414-2/10
- Op 17 maart 2010 wordt de verzoeker aangehouden in Brussel en op 18 maart 2010 wordt hij door de onderzoeksrechter onder aanhoudingsmandaat geplaatst, op grond van een internationaal aanhoudingsbevel, gestoeld op de voormelde veroordeling. Naar aanleiding van zijn verhoor voor de onderzoeksrechter kiest de verzoeker voor het gebruik van de Franse taal.
- De Albanese autoriteiten verzoeken vervolgens, op 6 april 2010, om de uitlevering van de verzoeker. Vermits dat verzoek onvolledig is en niet de originele stukken bevat, verzoekt de verwerende partij, in het Nederlands, het voormelde verzoek aan te vullen met een origineel en volledig dossier. Dit dossier wordt haar op 13 april 2010 toegezonden.
- Een door de verzoeker in het Frans gesteld verzoek tot voorlopige invrijheidstelling gericht aan de Raadkamer wordt afgewezen. Zijn in het Frans gestelde beroep tegen de voormelde beslissing bij de Kamer van Inbeschuldiging- stelling te Brussel wordt eveneens afgewezen.
- Na een gunstig advies van 10 juni 2002 van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Brussel, gegeven in het Frans, en waarbij de door de verzoeker in het Frans aangevoerde argumenten ook in deze taal worden weerlegd, beslist de Minister van Justitie op 23 juli 2010 tot de uitlevering van de verzoeker. Dit is het bestreden besluit, waarin het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de feiten zowel naar Belgisch als naar Albanees recht strafbaar zijn gesteld en dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.1 van voornoemd Uitleveringsverdrag; Overwegende dat de verjaring van de straf(vordering) noch naar Belgisch, noch naar Albanees recht is bereikt; Overwegende dat de feiten geen politiek misdrijf of een daarmee samen- hangend misdrijf uitmaken. Overwegende dat de verdediging de volgende argumenten inriep. Deze argumenten werden weerlegd in het advies van de K.I. Brussel dd. 10 juni
- Het niet-definitieve karakter van de veroordeling wegens het nog hangende cassatieberoep (conclusies p. 12-14). De veroordeling in graad van hoger beroep van Tirana dd. 07.10.2009 (nr. 878) bevestigde het vonnis van de rechtbank van Kubin dd. 18.10.2008 (nr. 133), waardoor de veroordeling wel degelijk uitvoerbaar is. Hoewel de opgeëiste XIV-32.414-3/10 persoon tegen dit arrest inderdaad cassatieberoep heeft aangetekend bij het hoogste gerechtshof (cassatieberoep) heeft dit rechtsmiddel geen schorsende werking, tenzij de voorzitter van dat Hof tot de schorsing van de uitvoering van de bestreden beslissing beveelt. Dat is in dit geval niet gebeurd.
- Betrokkene vreest in Albanië aan ‘rechtsweigering’ (schending artikel 6 E.V.R.M.) en aan onmenselijke en vernederende behandelingen (schending artikel 3 E.V.R.M.) te zullen onderworpen worden (conclusies p. 17-27). A. Rechtsweigering - artikel 6 EVRM (conclusies p. 16-22) De opgeëiste persoon heeft zich [in] Albanië op adequate wijze kunnen verdedigen. In alle fasen van het strafproces, zowel in eerste aanleg als in graad van beroep werden alle drie beklaagden, waaronder de opgeëiste persoon verdedigd door door hen zelf gekozen en geïnstrueerde advocaten. Dit proces loopt nog door aangezien betrokkene een (niet-schorsend) cassatieberoep heeft aangetekend. In alle fase van het strafproces, tot en met de definitieve uitspraak, heeft de opgeëiste persoon in overeenstemming met het Albanese strafproces- recht en in overeenstemming met artikel 6 E.V.R.M. zijn verdediging kunnen voeren. Betrokkene heeft dit argument voor de Albanese rechtbank en het Hof van Beroep opgeworpen. Dit argument werd op beide niveaus op afdoende wijze verworpen. Uit de Albanese stukken komt echter ook naar voor dat in de procedures in eerste aanleg de verdediging blijkbaar niet adequaat is opgetreden. De advocaat van de opgeëiste persoon was gedurende minstens 20 zittingen niet aanwezig. Op het eerste gezicht lijkt daarmee het recht op verdediging geschonden te zijn geweest. Bij nader toezien is deze objectief nadelige toestand echter rechtgezet geworden. Het Hof van beroep van Tirana merkt ten eerste op dat de afwezig- heid van de raadsman tot doel had de procedure te rekken. Ten tweede heeft het Hof deze toestand geremedieerd door een andere advocaat aan te stellen die wel degelijk op zeer grondige wijze een verdediging heeft gevoerd. De uitgebreide argumenten van de raadsman Mtr. Idejet Beqiri zijn in het arrest dd. 07.10.2009 weergegeven en werden ook in de conclusies van Mtr. Mary aangehaald (zie p. 18-19 en de integrale Albanese conclusies die als bijlage 3 bij de conclusies van Mtr. Mary, stuk 34, 9 pp. ook in Franse vertaling werden gevoegd). Deze verdediging loopt daarenboven nog verder aangezien een (niet-schorsend) cassatieberoep werd ingediend (zie supra 1). Aangezien de eerste advocaat gedurende meer dan 20 zittingen niet aanwezig was, blijkt overduidelijk dat ook de rechtbank van eerste aanleg zeker niet over één nacht ijs is gegaan. Deze afwezigheid slaat kennelijk op het eerste en / of tweede proces in eerste aanleg. Tot tweemaal toe is het vonnis in eerste aanleg immers verbroken geweest. Het uiteindelijke vonnis van 18 oktober 2008 (nr. 133) dat stand hield voor het Hof van Beroep, vermeld op pagina 1 echter zeer duidelijk ‘(...) défendu par l'avocat Idajet Beqiri choisi par les gens de la famille par procuration speciale.’ Op de eerste pagina van het arrest dd. 07.10.2009 (nr. 878) is een gelijkluidende vermelding opgenomen. Precies deze advocaat heeft op grondige wijze de hieronder aangehaalde verdediging gevoerd. In de Franse vertaling van het door Mtr. Idejet Beqiri voor de opgeëiste persoon ingediende conclusies - stuk 34 (9 pp.) - wordt gewag gemaakt van manipula- ties, met name van bepaalde getuigenverklaringen à décharge. Het slachtoffer, Marjeta Rushani zou door de ‘corrupte’ Albanese politie zodanig zijn ‘bewerkt’ om zich als slachtoffer van de opgeëiste persoon voor te stellen. Zij zou gedurende 6 dagen door de politie zijn afgezonderd om de nodige belastende XIV-32.414-4/10 verklaringen los te weken. Deze dame zou ook nooit enige klacht tegen de opgeëiste persoon en mededader Mond Malçi hebben ingediend. Integendeel: na het afleggen van haar verklaringen onder druk van de politie, is zij gedurende 7 jaar naar Italië vertrokken alwaar zij gedurende een periode van 6 jaar met mededader Mond Malçi als echtgenoten zou hebben samen geleefd. Kroon-getuige-slachtoffer was met andere woorden gehuwd met één van haar exploitanten. Kroongetuige-slachtoffer was zelfs zwanger van hem. Deze zwangerschap werd echter vroegtijdig beëindigd. Marjeta Rushani zou meermaals door de politie zijn gebruikt als een soort van agent-provocateur. Zij zou daarenboven als analfabete niet in staat geweest zijn haar getuigenverkla- ringen te ondertekenen, terwijl deze telkens wel ondertekend waren. De verdediging werpt gesteund door een grafologisch onderzoek ook de vervalsing van de getuigenverklaringen op. De zaak wordt als 'cette affaire montée' afgedaan. De opgeëiste persoon zou niet eens betrokken zijn bij de strafbare feiten waarvoor hij veroordeeld werd. Uit de Franse vertaling van het vonnis dd. 21.10.2008 van de rechtbank van Kurbin en de Franse vertaling van het arrest van het Hof van Beroep te Tirana dd. 07.10.2009 komt echter zeer duidelijk naar voren dat het onderzoek door de politie en de vervolging door het openbaar ministerie op grondige wijze werd gevoerd. Het Hof wijst er ook duidelijk op dat er vanuit de verdediging doelbewuste pogingen werden ondernomen om de politiediensten in diskrediet te brengen. Op omstandige wijze geven de rechtbank en het Hof aan dat alle getuigenverklaringen op gedetailleerde wijze en in behoorlijke omstandigheden werden afgenomen en met elkaar geconfronteerd. Een zeer duidelijk bewijs van de zorgvuldigheid waarmee bv. de rechtbank van eerste aanleg al is omge- sprongen met de toelaatbaarheid van het bewijs en de rechten van de verdedi- ging blijkt uit pag. 5 onderaan van het vonnis. Daar stipuleert de rechtbank dat ‘(...) le tribunal a refusé la demande du parquet pour la lecture des déclarations faites devant la Police Judiciaire de la part des prévenus Mond Malçi et Ylli Llusha dates justes après l'événement avec le raisonnement que ses déclarations prise en qualité de la personne sous enquête doivent êtres prises en présence du défendeur.’ Het slachtoffer werd bovendien ruim 6 jaar na de feiten meermaals ter zitting gehoord. Uit de stukken blijkt daarenboven dat tot tweemaal toe een eerder vonnis in deze zaak werd ‘verbroken’ door het Hof van Beroep van Tirana. En dit telkens om procedurele redenen (p. 2). Daarmee werden tot tweemaal toe door de verdediging opgeworpen procedurevoorschriften in rekening gebracht en verholpen. Het hoger aangehaalde vonnis van 18.10.2008 is dus de derde beoordeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de beklaagden. Dit vonnis is daarenboven niet verbroken geweest, zodat mag worden aangenomen dat de rechten van verdediging werden nageleefd. Vaste rechtspraak en rechtsleer geeft daarenboven aan dat het aan de Belgische autoriteiten - waaronder tevens te begrijpen de gerechtelijke autoriteiten - in het kader van een uitleveringsprocedure niet toekomt om eventuele in de verzoe- kende staat begane onregelmatigheden te beoordelen (Cass., 16 maart 1971, Pas., I, 658; Cass., 22 april 1974, Pas., I, 853, alsook K.I. Mons, 15 januari 1991, J.L.M.B., 1992, 70; Cass., 8 september 1992, Arr.Cass., 1991-92,
- vgl. Cass., 29 augustus 1995, Arr. Cass., 1995,
- Zie ook H. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 4de druk, Brugge, La Charte, 2005, 1041). De uitleveringsprocedure is evenmin bedoeld om een toetsing door te voeren van de buitenlandse strafvordering. De uitlevering is uitdrukkelijk geen externe evaluatie van de zaak ten gronde. De schuld of de onschuld kan of kon enkel door de bevoegde gerechtelijke autoriteiten van de verzoekende staat beoordeeld worden. XIV-32.414-5/10 Onder artikel 2bis uitleveringswet volstaat een marginale toetsing met als maatstaf de algemeen geldende fundamentele mensenrechten. Al het boven- staande in acht genomen is er in dit dossier geen aanwijzing voor de misken- ning van het recht op een eerlijk proces en het corrolarium daarvan, het recht op verdediging in Albanië. B. Artikel 3 EVRM (pag. 23-27 conclusies) Op grond van rapportage van Amnesty International gaf de verdediging aan dat in Albanië problemen bestaan op het vlak van de mensenrechten, inzonderheid de wijze waarop sommige verdachten door de politie worden behandeld en de detentieomstandigheden in sommige gevangenissen. Uit deze rapporten worden relevante delen aangehaald. De argumentatie op dit punt blijft evenwel uitsluitend in zeer algemene termen. Er ontbreekt een verwijzing naar de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Aanwijzingen die zouden kunnen wijzen op een ernstig risico op een onmenselijke behandeling of straf na de uitlevering blijven uit. De rechtbank van Kurbion noch het Hof van Beroep van Tirana gaan in hun omstandige motiveringen in op enige onmenselijke behandelingen. Ook de Albanese verdediging haalde (en haalt in zijn cassatieconclusies) nergens een verwijzing naar een mogelijke schending van artikel 3 E.V.R.M. aan. Bij gebrek aan enige ernstige en concrete (geïndividualiseerde) en actuele aanwijzing dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering aan een behandeling of straf die in strijd is met artikel 3 E.V.R.M. kan onderworpen worden, kan dit middel niet worden aangenomen. Overwegende dat bijgevolg niet blijkt dat er ernstige risico's bestaan dat de opgeëiste persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling; Overwegende dat niet is gebleken dat het verzoek tot uitlevering dat op een misdrijf van gemeen recht berust, is ingegeven om de opgeëiste persoon wegens zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit of zijn politieke gezindheid te vervolgen of te straffen, noch dat zijn positie om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed; Overwegende bijgevolg dat aan de voorwaarden en de formaliteiten inzake de uitlevering is voldaan”.
- Op 30 juli 2010 wordt het bestreden besluit aan de verzoeker betekend. IV. Onderzoek van de vordering
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen XIV-32.414-6/10 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. De uiterst dringende noodzakelijkheid
- De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijk- heid niet. Zoals deze laatste partij zelf aangeeft, werd het bestreden besluit op 30 juli 2010 aan de verzoeker betekend, werd het verzoekschrift door hem ingediend op 6 augustus 2010 en was zijn uitlevering gepland op 18 augustus 2010, zodat de uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. B. Ernst van de middelen Eerste middel Het aangevoerde eerste middel
- De verzoeker neemt een eerste middel uit de schending van “artikel 41 van de Wet op het gebruik der talen in bestuurszaken” : “De beslissing tot uitlevering wordt genomen door de regering, de facto de Minister van Justitie die optreedt als vertegenwoordiger van de regering. De beslissing die door de minister wordt genomen is een eenzijdige administratieve handeling en neemt de vorm aan van een ministerieel besluit. De Federale Overheidsdienst Justitie is een gecentraliseerde openbare dienst in de zin van artikel 1 van de Wet op het gebruik der talen in bestuurszaken. De werkkring van de Federale Overheidsdienst Justitie strekt zich uit over het gehele land. Deze dienst heeft haar zetel in Brussel. Overeenkomstig artikel 44bis van de Wet op het gebruik der talen in bestuurszaken zijn de artikelen 39 tot 43ter van diezelfde wet met uitzondering van artikel 43 van toepassing op de centrale diensten met zetel in Brussel. Overeenkomstig artikel 41 van de Wet op het gebruik der talen in bestuurszaken maken de centrale diensten voor de betrekkingen met particulieren gebruik van ‘die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend’. Wat de persoonlijke officiële documenten betreft, moet de taal gebruikt worden die de burger kiest. De officiële stukken werden uit Albanië, vergezeld van een Franse vertaling, overgemaakt aan de Belgische autoriteiten. Het verhoor voor de politiediensten naar aanleiding van zijn arrestatie, het verhoor voor de onderzoeksrechter, het verhoor voor de procureur aangaande de instemming met de uitlevering, de procedure van uitvoerbaarverklaring van het aanhou- dingsbevel voor de Raadkamer, de adviesprocedure en de procedures voor de Raadkamer en de Kamer van Inbeschuldigingstelling in het kader van een verzoek tot voorlopige invrijheidsstelling gebeurden in het Frans. XIV-32.414-7/10 Verzoeker koos uitdrukkelijk voor het Frans als voertaal. Niettemin werd de beslissing door de Minister van Justitie in het Nederlands genomen. Er kan dan ook een schending van de hierboven vermelde wetgeving worden vastgesteld.” Beoordeling
- De uitleveringsprocedure is een administratieve -en geen jurisdictionele- procedure, waarop de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, op het eerste gezicht toepassing vinden. Overeenkomstig artikel 41, § 1, van deze wetten, maken de centrale diensten voor hun betrekkingen met de particulieren gebruik van die van de drie talen waarvan de betrokkenen zich hebben bediend.
- Er wordt niet betwist dat de verwerende partij deel uitmaakt van de “centrale diensten” zoals bedoeld in voormeld artikel 41, §
- Door het voeren van de kwestieuze uitleveringsprocedure moet de verwerende partij voorts, op het eerste gezicht, geacht worden een betrekking met de verzoeker te zijn aangegaan, in de zin van het meer vermelde artikel 41, § 1, temeer gelet op de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling bezwaren tegen zijn uitlevering aan te voeren, dewelke in wezen gericht zijn tot de verwerende partij, die ze in het licht van het gemotiveerd advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling moet onderzoeken. Het betoog van de verwerende partij dat het bestreden besluit “een antwoord (vormt) op een verzoek van een buitenlandse autoriteit aan België”, dat “uitleveringszaken (...) de internationale samenwerking van Staten in strafzaken (betreffen)” en dat “(de uitlevering) aldus het resultaat (vormt) van een samenwerking tussen autoriteiten”, doet op het eerste gezicht niet anders besluiten. Hetzelfde geldt voor het betoog van de verwerende partij dat de uitlevering “niet het resultaat is van (enig) verzoek of actie van een particulier”, aangezien artikel 41, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken deze voorwaarde niet stelt.
- Gelet op wat voorafgaat, moet artikel 41, § 1, van de gecoördi- neerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, op het eerste gezicht, geacht worden op het bestreden besluit toepassing te vinden. XIV-32.414-8/10
- Tijdens de adviesprocedure over zijn uitlevering voor de Kamer van Inbeschuldigingstelling te Brussel, die als een onderdeel van de uitleveringspro- cedure moet worden beschouwd, heeft de verzoeker zich in het Frans tegen zijn uitlevering verweerd. Dit laatste volstaat, op het eerste gezicht, om het Frans aan te merken als de taal waarvan de verzoeker zich overeenkomstig artikel 41, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, tijdens de door de verwerende partij gevoerde uitleveringsprocedure, heeft bediend en waarin het bestreden besluit diende te worden gesteld. Het betoog van de verwerende partij dat de taalkeuze van de verzoeker “in het kader van zijn gerechtszaken” wordt beheerst door een andere wetgeving, doet niet anders besluiten, aangezien het advies van de Kamer van Inbeschuldigingstelling te dezen niet als een rechterlijke beslissing kan worden beschouwd, maar louter als een adviserende beslissing, genomen in het kader van de administratieve uitleveringsprocedure. Het middel is ernstig. C. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel Het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel
- De verzoeker voert het volgende moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan : “De tenuitvoerlegging van de beslissing tot uitlevering veroorzaakt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat bestaat in de uitlevering aan Albanië waar hij een gevangenisstraf van 18 jaar, zoals opgelegd door het Albanese gerecht, moet uitzitten. Verzoeker woont reeds enkele jaren in België en heeft er een sociaal en familiaal leven uitgebouwd. De tenuitvoerlegging van de beslissing tot uitlevering heeft voor gevolg dat verzoeker in Albanië zou worden gedetineerd. Hierdoor wordt hem de mogelijkheid ontzegd regelmatige contacten te onderhouden met zijn partner, [R.M.], en zijn jonge kind, [E.M.]. Verzoeker heeft samen met zijn partner ook een Horecazaak uit de grond gestampt in België. Zijn detentie in Albanië zou hem eveneens beletten zijn professionele belangen in België waar te nemen. Dit alles maakt het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Een eventuele latere nietigverklaring van de uitleveringsbeslissing kan de nadelen, die hem worden berokkend door de uitvoering ervan, niet herstellen.” XIV-32.414-9/10 Beoordeling
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt door de verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt door de onmogelijkheid die door de uitlevering zal ontstaan om zijn gezinsleden, te weten R.M., zijn levenspartner sedert 2008, en hun jonge kind, waarover zijn vaderschap blijkens de stukken van het dossier door de verwerende partij ten onrechte wordt betwist, nog langer op regelmatige wijze te zien.
- Gelet op wat voorafgaat, is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde cumulatieve voorwaarden. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Minister van Justitie van 23 juli 2010 tot uitlevering van Lefter Yzeiraj, hem ter kennis gebracht op 30 juli
- Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 augustus 2010, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Stephan De Taeye XIV-32.414-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.909 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div