← België

Arrest 206912 - Overheidsopdrachten - 13/08/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.912 Rolnummer: A. 197220/XII-6287 Zaak: Arrest 206912 - Overheidsopdrachten - 13/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-17 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:04 Fiche Arrest nr 206.912 van 13 augustus 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 206.912 van 13 augustus 2010 in de zaak A. 197.220/XII-6287. In zake: 1. de bvba GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR VERGAUWEN en AVONTROODT 2. de bvba HELDERWEIRT 3. de bvba DELIE EN VEYS GERECHTSDEURWAARDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Leen De Vuyst kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de stad GENT Tussenkomende partijen: 1. Geert DE LOMBAERT 2. de bvba GDW-GENT 3. Caroline HELDERWEIRT 4. de bvba CAROLINE HELDERWEIRT 5. Marc MONBAILLIU 6. Luc SANTY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rika Heijse kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 867 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 28 juli 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 9 juli 2010 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent waarbij de opdracht van diensten voor het aanstellen van een gerechtsdeurwaarder met betrekking tot de gedwongen invordering middels dwangbevel van parkeerretributies van het parkeerbedrijf van de stad Gent wordt toegewezen aan het samenwerkingsverband De Lombaert, Helderweirt, Monbailliu en Santy. XII-6287-1/12 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2010. Staatsraad Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Judo, die loco advocaten David D’Hooghe en Leen De Vuyst verschijnt voor verzoeksters, Peter Hobin, adjunct van directie, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Rika Heijse, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. Aangezien Geert De Lombaert, de bvba GDW-Gent, Caroline Helderweirt, de bvba Caroline Helderweirt, Marc Monbailliu en Luc Santy, samen vormend het samenwerkingsverband De Lombaert, Helderweirt, Monbailliu en Santy, de begunstigde zijn van de bestreden beslissing, is er grond hun verzoek tot tussenkomst in te willigen. IV. Feiten 4. Door de stad Gent wordt een opdracht van diensten uitgeschreven, toe te wijzen volgens een onderhandelingsprocedure met bekendmaking, voor het aanstellen van een gerechtsdeurwaarder met betrekking tot de gedwongen invordering middels dwangbevel van parkeerretributies van het parkeerbedrijf van de stad. Het bestek voorziet in de volgende gunningscriteria: XII-6287-2/12 “- Plan van aanpak voor uitvoering van de opdracht, met simulatie begroting van de minimale kosten per dossier, waaruit blijkt hoe aan kostenbeheersing wordt gedaan en hoe nutteloze kosten zullen worden vermeden (zowel voor opdrachten binnen als buiten het arrondissement waar het kantoor van de inschrijver gevestigd

  1. is)(op 40 punten) - Voorstel van uitwisseling van data/inofrmatie, voorstel van periodieke rapportering en consultatie status van een dossier door het aanbestedend bestuur (bijvoorbeeld in real time) (op 25 punten) - Tijdsbestek binnen het welk de inningsprocedure zal verlopen (op 15 punten) - Plan van aanpak voor controle op de solvabiliteit + kostprijs hiervan (op 10 punten) - Voorstel voor opvolging van buitenlandse debiteuren (op 5 punten) - Bijkomend voorgestelde maatregelen om de kwaliteit te waarborgen van de dienstverlening en de service te optimaliseren (op 5 punten)”. Zeven inschrijvers dienen een offerte in, onder wie verzoeksters. De inschrijvers geven begin juni 2010 een demonstratie van hun software. Het gunningsverslag van 30 juni 2010 loopt in de volgende eindrangschikking uit: Inschrijver 1ste 2de 3de 4de 5de 6de Totaal guncrit. guncrit. guncrit. guncrit. guncrit. guncrit. Op 40 Op 25 Op 15 Op 10 Op 5 Op 5 Op 100 punten punten punten punten punten punten punten Geltmeyer- 38 20 11,33 8 2 3 82,33 Scheir Vanquatem 28 15 10,85 8 4 1 66,85 Leroy & 30 19 8,22 6 2 3 68,22 Partners G² 38 19 9,44 10 2 3 81,44 Gerhanko 32 18 14,16 7 3 0 74,16 De Wilde & 36 17 9,80 10 4 3 79,80 Baele Lombaert, 32 22 15,00 10 4 3 86,00 Helderweirt, Monbailliu en Santy Op 9 juli 2010 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent om de opdracht overeenkomstig het gunningsverslag toe te wijzen aan het samenwerkingsverband De Lombaert, Helderweirt, Monbailliu en Santy “die de meest voordelige regelmatige of laagste regelmatige offerte heeft ingediend”. XII-6287-3/12 V. Ontvankelijkheid van de vordering 5. Tussenkomende partijen werpen de onontvankelijkheid van de vordering op bij gebrek aan belang. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is. VI. Grondvoorwaarden voor een schorsing 6. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. VII. Grondvoorwaarde van de ernstige middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeksters 7. Verzoeksters leiden een eerste middel af uit “de schending van het gelijkheids- en transparantiebeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, en van het beginsel luidens welk overheidsbeslissingen op in feite juiste en in rechte pertinente motieven moeten gesteund zijn (motiveringsbeginsel)”. Aangevoerd wordt dat de aanbestedende overheid onvoldoende duidelijk de omvang en de voorwaarden van de opdracht heeft vastgesteld, zodat de inschrijvers voor sommige aspecten hebben moeten werken op basis van eigen assumpties. Dit maakt dat de offertes onvoldoende vergelijkbaar zijn om een gunningsbeslissing te kunnen verantwoorden. Inzonderheid bekritiseren verzoeksters dat geen duidelijk beeld is gegeven van de werklast van de gerechtsdeurwaarders in het kader van de opdracht, van het aantal betrokken nummerplaten, van de historische “achterstand”, van de wijze van toelevering van de onbetaalde retributies (“in bulk al dan niet”). XII-6287-4/12 Tevens is met betrekking tot het derde gunningscriterium niet meegedeeld “of het werkdagen of kalenderdagen betreft”. Beoordeling 8. Blijkens het verzoekschrift hadden verzoeksters uit het bestek willen vernemen: het “aantal dwangbevelen dat zal moeten betekend worden” en het “aantal gedwongen uitvoeringen voor de komende jaren”. Terecht, zo lijkt, antwoordt verwerende partij in de nota dat zij “uiteraard niet [kan] voorspellen hoeveel retributies in de toekomst zullen ingevorderd moeten worden, laat staan met hoeveel gedwongen uitvoeringen dit gepaard zal moeten gaan”. Wel werd bij het bestek een overzicht gevoegd, wat de jaren 2006, 2007 en 2008 betreft, van het aantal uitgeschreven parkeerretributies en hoeveel er daarvan door de burgers betaald zijn geworden. Deze indicatieve cijfers werden expliciet gegeven “[t]eneinde een overzicht te hebben over het aantal te verwerken dossiers”. Daarnaast werd, wat die jaren betreft, ook nog een overzicht verschaft van het aantal uitgeschreven retributies per gemeente in Oost-Vlaanderen “teneinde aan de inschrijver een beeld te geven over de hoegrootheid van de opdracht binnen zijn eigen arrondissement”. Met tussenkomende partijen wordt vooralsnog aangenomen dat zodoende niet minder gegevens zijn verstrekt dan in andere bestekken voor gelijkaardige invorderingsopdrachten. 9. Wat de vraag van verzoeksters betreft “om hoeveel nummerplaten het gaat”, werpen tussenkomende partijen pertinent tegen dat de grief van verzoeksters er eigenlijk op neerkomt “dat het bijzonder bestek niet geschreven is naar hun interne verwerkingsmethode van de aangeleverde dwangbevelen: nl. de koppeling van dossiers op basis van nummerplaat”. Alleszins lijkt het bestek als zodanig geen onderscheid te maken tussen debiteuren met meerdere retributies voor hun voertuig (nummerplaat) en deze met slechts één verschuldigde retributie. De keuze om aldus “één retributie per nummerplaat” aan te nemen is volgens de nota van verwerende partij doelbewust. Hierover zouden verzoeksters overigens in een antwoord op hun e-mail van 19 januari 2010 telefonisch uitdrukkelijk ingelicht zijn geworden - iets wat ter terechtzitting niet betwist is geworden. XII-6287-5/12 10. Met verwerende en tussenkomende partijen moet de Raad van State vaststellen dat van een weg te werken historische “achterstand” in het bestek geen sprake is. Er hoefde dan ook geen rekening mee te worden gehouden. 11. Wat de toelevering van de retributies betreft, wijzen tussenkomende partijen erop dat verzoeksters verkeerdelijk voorbijgaan aan de bestekbepaling in verband met de “Inningsratio’s”, waaruit volgt dat “bestuur en gerechtsdeurwaarder in overleg [treden] wat het ritme en aantallen van aangeleverde dwangbevelen betreft en het ritme en aantal dwangbevelen dat binnen een bepaald tijdsbestek moet worden afgehandeld”. Verwerende partij bevestigt zulks, meer bepaald waar zij in de nota schrijft dat de frequentie waarmee het aanbestedend bestuur de dossiers zal overmaken bewust niet in het bestek werd opgenomen, “maar tijdens de uitvoering in samenspraak met de gekozen kandidaat bepaald [zal] worden in functie van de noodwendigheden”. 12. De gewraakte verwarring tussen werkdagen en kalenderdagen, ten slotte, houdt verband met het derde gunningscriterium. Het luidt: “Tijdsbestek binnen het welk de inningsprocedure zal verlopen”. Terzake schrijft verwerende partij in de nota: “Het gunningscriterium 3 betreft een louter theoretisch criterium, met name de doorlooptijd van de inningsprocedure van een dossier. Om de theoretische doorlooptijd van een dossier te bepalen heeft het bestuur abstractie gemaakt van het onderscheid tussen kalenderdagen en werkdagen. Om die reden is - voor het bepalen van de theoretische doorlooptijd - de overweging dat artikel 47 van het Gerechtelijk Wetboek geen betekeningen in het weekeinde toelaat, niet relevant. Ook het feit dat heel veel handelingen binnen het gerechtsdeurwaarderkantoor en een groot deel van de communicatie tussen het bestuur en het gerechtsdeurwaarderkantoor en tussen de gerechtsdeurwaarders onderling geautomatiseerd verloopt, is bepalend om het onderscheid tussen klassieke werkdagen en kalenderdagen niet in rekening te brengen, en de opgegeven doorlooptijden waar nodig om te zetten in een zuiver theoretische doorlooptijd (uitgedrukt in dagen)”. Deze uitleg, tezamen met de vaststelling dat verzoeksters noch enige andere inschrijver over de beweerde onduidelijkheid enige vraag hebben gesteld dan wel in hun offerte of begeleidend schrijven enige opmerking hebben gemaakt, volstaat tenminste in de huidige stand van zaken om aan te nemen dat het derde criterium afdoende gespecificeerd is. XII-6287-6/12 13. Samenvattend lijkt het gebrek aan duidelijkheid en toelichting waarvan het eerste middel uitgaat, feitelijke grond te missen. Het is derhalve niet ernstig. B. Tweede middel Standpunt van verzoeksters 14. Ook een tweede middel is genomen uit “de schending van het gelijkheids- en transparantiebeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, en van het beginsel luidens welk overheidsbeslissingen op in feite juiste en in rechte pertinente motieven moeten gesteund zijn (motiveringsbeginsel)”. Verzoeksters lichten toe dat de aanbestedende overheid in gebreke is gebleven controle uit te oefenen op de juistheid en de haalbaarheid van de in de offertes gedane voorstellen, terwijl er volgens hen ernstige vragen hadden moeten rijzen bij het realistisch karakter van bepaalde voorstellen. Een beoordeling die zonder meer voortgaat op onrealistische offertes mist in elk geval de rechtens vereiste feitelijke grondslag. Aldus zijn wat het derde criterium betreft sommige termijnen niet realistisch. Ook bij de beoordeling inzake het vijfde gunningscriterium heeft verwerende partij zonder meer de voorstellen van elk van de inschrijvers voor waar aangenomen ofschoon het opzoeken van de identiteit en coördinaten van buitenlandse debiteuren in de praktijk quasi onhaalbaar is. Wat het vierde criterium aangaat wordt bij de beoordeling rekening gehouden met opzoekingen in een zogenaamd centraal bestand van de arrondissementskamer, wijl er geen dergelijke centrale databank bestaat. Beoordeling 15. Het eerste van de drie in het middel aangevoerde punten waarop de offertes door verwerende partij beweerdelijk onvoldoende gecontroleerd zijn, betreft de opgegeven termijnen voor het derde gunningscriterium. Meer bepaald is het volgens verzoeksters onmogelijk om, zoals in de offerte van tussenkomende partijen wordt voorgesteld, in drie dagen een dossier aan te maken, de solvabiliteit en het adres te controleren en een dwangbevel te betekenen. Dit kan vooralsnog niet overtuigen. Ook andere inschrijvers blijken een vergelijkbaar korte termijn te hebben opgegeven (twee dagen voor Leroy & Partners, vijf dagen voor Gerhanko). Naar verwerende en tussenkomende partijen XII-6287-7/12 niet onterecht betogen, hangt de doorlooptijd onder meer af van het aantal medewerkers waarop beroep zal worden gedaan, de onderlinge werkafspraken tussen hen, en de efficiëntie en gebruikssnelheid van de ter beschikking staande software. Dat “moet worden uitgegaan van een toevoer in bulk”, zoals verzoeksters beweren, lijkt onjuist. Hiervoor is sub 11 gezien dat de frequentie met betrekking tot de toevoer in samenspraak met de gekozen kandidaat bepaald wordt. Bovendien blijkt verwerende partij wel degelijk een onderzoek te hebben uitgevoerd naar het realistisch karakter van de door tussenkomende partijen voorgestelde termijn. Verzoeksters lichtten op de vraag van 3 juni 2010 van verwerende partij hun voorstel van theoretisch, maar “perfect realiseerbaar” traject toe. Terecht vermoeden verzoeksters dat tussenkomende partijen in “werkdagen” rekenden. Dat verzoeksters zelf in hun offerte van “kalenderdagen” zouden zijn uitgegaan en de betrokken inschrijvingen bijgevolg niet vergelijkbaar zijn, is voorlopig niet meer dan een loutere bewering. Op het eerste gezicht komt de term “kalenderdagen” in hun offerte niet voor. 16. Voor het vijfde gunningscriterium, “Voorstel voor opvolging van buitenlandse debiteuren”, scoren verzoeksters 2 en tussenkomende partijen 4 punten op 5: in tegenstelling tot verzoeksters, die de identiteit van de houder van een buitenlandse nummerplaat niet kunnen achterhalen, kunnen tussenkomende partijen een oplossing aanbieden voor Nederland, Duitsland en Polen. Tussenkomende partijen betwijfelen dat dit wettig kan voor Nederland. Nochtans meldden ook inschrijvers Johan Vanquatem, Gerhanko en De Wilde & Baele dat zij de identiteit van de houder van een buitenlandse nummerplaat in Nederland konden achterhalen. Hoe dan ook moet voorlopig uit stuk 13 van tussenkomende partijen worden opgemaakt dat zij onder voorwaarden vanwege de Nederlandse Rijksdienst voor het Wegverkeer effectief de identiteitsgegevens kunnen verkrijgen van de Nederlandse kentekenhouders ten behoeve van de invorderingsopdracht van verwerende partij. 17. In verband met het vierde gunningscriterium, “Plan van aanpak voor controle op de solvabiliteit + kostprijs hiervan”, brachten, volgens het gunningsverslag, vier inschrijvers, onder wie tussenkomende partijen, ter sprake dat zij voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel zouden overgaan tot consultatie van het bestand van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van het arrondissement Gent. Met betrekking tot verzoeksters stelt het gunningsverslag vast: “Nergens wordt vermeld dat gekeken wordt naar de informatie zoals die blijkt uit het bestand van de Arrondissementskamer van XII-6287-8/12 Gerechtsdeurwaarders van het arrondissement Gent”. Het heeft niet belet dat verzoeksters voor het criterium net als tussenkomende partijen het maximum der punten (10 op 10) hebben gekregen. De grief gaat ervan uit dat met “bestand” een centrale databank bedoeld zou zijn. Echter “handelt [het] over periodieke berichtgeving aan de gerechtsdeurwaarders binnen het arrondissement van faillissementen, collectieve schuldenregelingen... enz.”, aldus verwerende partij. Het bestaan van die berichtgeving wordt door verzoeksters niet betwist. Ook de opwerping van verzoeksters dat verwerende partij naliet nadere verduidelijking te vragen over de solvabiliteitsdatabanken die de inschrijvers opgaven, wordt in de huidige stand van de procedure niet gevolgd, al was het maar omdat verzoeksters niet eens bewéren dat hun offerte op dat stuk meer garanties inzake relevantie van de beschikbare gegevens zou bieden dan die van de anderen. 18. Vooralsnog wordt niet aangenomen dat de finale rangschikking van de inschrijvers op onmogelijke en onrealistische, minstens onvoldoende onderzochte voorstellen is gesteund. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Standpunt van verzoeksters 19. Een derde middel voert de schending aan “van de beginselen inzake transparantie en gelijke behandeling van de inschrijvers, van het beginsel luidens welk overheidsbeslissingen op in feite juiste en in rechte pertinente motieven moeten gesteund zijn (motiveringsbeginsel), van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel alsook van de verplichting om de opdracht toe te wijzen aan de meest voordelige inschrijving in het licht van de vooraf opgegeven gunningscriteria (zoals onder meer opgenomen in art. 58, §4, 5/ en 122 bis van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken)”. Verzoeksters klagen aan dat het bij gebrek aan informatie over de methodiek op grond waarvan verwerende partij, op transparante wijze, scores heeft gekoppeld aan een inhoudelijke beoordeling van de offertes, niet mogelijk is te achterhalen waarom hun offerte relatief ongunstig scoorde op bepaalde criteria of waarom de offerte van andere inschrijvers wel veel punten scoorde op bepaalde XII-6287-9/12 criteria. “Ter illustratie” verwijzen zij naar de beoordeling van het eerste en het tweede gunningscriterium. Beoordeling 20. Volgens de nota van verwerende partij is er, behoudens voor wat het derde criterium betreft, gequoteerd “op basis van een zeer grondige afweging van alle plus- en minpunten van betreffende offertes”. Die methodiek komt op het eerste gezicht toelaatbaar voor, op voorwaarde dat de puntenspreiding waartoe aldus gekomen wordt voldoende in verhouding staat tot de verschillen tussen de offertes. 21. Een eerste bewijs van het feit dat verwerende partij “op een eerder lukrake wijze” scores zou hebben toebedeeld, zien verzoeksters in de beoordeling met betrekking tot het eerste gunningscriterium, “Plan van aanpak voor uitvoering van de opdracht, met simulatie begroting van de minimale kosten per dossier, waaruit blijkt hoe aan kostenbeheersing wordt gedaan en hoe nutteloze kosten zullen worden vermeden (zowel voor opdrachten binnen als buiten het arrondissement waar het kantoor van de inschrijver gevestigd is)”. Verzoeksters kregen voor het criterium 38 op 40, terwijl uit de motivering geen minpunten gebleken zouden zijn; tussenkomende partijen scoorden 32 op 40, “enkele belangrijke tekortkomingen” ten spijt. Anders dan verzoeksters menen, vermeldt het gunningsverslag met betrekking tot hun offerte wel degelijk een minpunt voor het eerste criterium, namelijk de afwezigheid van een begeleidende, begrijpelijke en verklarende brief bij het exploot van dwangbevel. Dit kwam verzoeksters op twee punten te staan, net als Geltmeyer-Scheir die om deze reden ook “maar” 38 op 40 behaalden. Tussenkomende partijen boden wél aan een begeleidend schrijven te voegen bij elke akte die aan de debiteur betekend wordt. Niettemin scoorden zij zes punten minder dan verzoeksters en zulks niet voor drie maar twee tekortkomingen. Wat verzoeksters een eerste tekortkoming noemen, komt er op neer dat tussenkomende partijen meer deden dan gevraagd. Verwerende partij heeft dat vermeld, maar ogenschijnlijk niet afgekeurd, hetgeen zich laat begrijpen en niet de grenzen van een redelijke beoordeling te buiten lijkt te gaan. De aan tussenkomende partijen toegekende score is derhalve geenszins “prima facie disproportioneel gunstig in het voordeel van de offerte van De Lombaert e.a.”. XII-6287-10/12 22. Ook de beoordeling van verwerende partij van het tweede gunningscriterium, “Voorstel van uitwisseling van data/informatie, voorstel van periodieke rapportering en consultatie status van een dossier door het aanbestedend bestuur (bijvoorbeeld in real time)”, toont geenszins de juistheid van de in het middel geformuleerde kritiek aan. Inderdaad kregen verzoeksters voor het criterium, met 19 op 25 punten, een lagere score dan tussenkomende partijen, aan wie 22 punten toegekend werden. Dat dit slechts om reden van twee “mineure” overwegingen was, doet de waarheid evenwel danig tekort. Volgens het gunningsverslag zorgt in het geval van tussenkomende partijen een doorgedreven centralisatie en synchronisatie ervoor dat al de bestanden van de centraliserende gerechtsdeurwaarder automatisch en in real- time worden aangepast, zonder dat er een manuele handeling vereist is, wat de samenwerking optimaliseert. Dat wordt door verwerende partij “een absolute meerwaarde” genoemd. Bij verzoeksters daarentegen zitten de instrumenterende gerechtsdeurwaarders niet op hetzelfde platform als de centraliserende gerechtsdeurwaarder. Dat is volgens het gunningsverslag “minder positief”. Er wordt uitdrukkelijk “gevreesd” voor vertraging “daar waar een volautomatische verwerking van elkaars gegevens optimaler had geweest”. Ook wat de rapportering betreft, gewaagt het gunningsverslag in verband met de offerte van tussenkomende partijen van “een absoluut positief gegeven”, doordat een webapplicatie wordt aangeboden die het mogelijk maakt, zonder de tussenkomst van de gerechtsdeurwaarder, op elk ogenblik rapporten op te vragen met betrekking tot de behaalde invorderingsresultaten en de status van de toevertrouwde dossiers. Voor verzoeksters evenwel heet het, zuinig, dat weliswaar blijkt dat het aangeboden programma “effectief wat potentieel heeft”, maar dan wel “op voorwaarde dat de aanbestedende overheid op voorhand de gevraagde gegevens opgeeft”, wat “van de aanbestedende overheid dus toch wel enige alertheid [vergt]”. 23. Verzoeksters lijken niet aannemelijk te maken dat verwerende partij zich bij de toekenning van de punten niet van een consistente, redelijke en proportionele methodiek heeft bediend. Ook het derde en laatste middel is niet ernstig. XII-6287-11/12 24. Bij gebreke aan ernstige middelen is niet voldaan aan ten minste één van de cumulatieve grondvoorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING 1. Het verzoek van Geert De Lombaert, de bvba GDW-Gent, Caroline Helderweirt, de bvba Caroline Helderweirt, Marc Monbailliu en Luc Santy tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 3. Verzoeksters worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 525 euro, elk voor een derde. 4. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst in het administratief kort geding, begroot op 750 euro, elk voor een zesde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien augustus 2010, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Johan Lust, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Johan Lust XII-6287-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.912 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2014:ARR.226.180 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.