id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.924 Rolnummer: A. 197356/IX-6903 Zaak: Arrest 206924 - Penitentiair recht - 20/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-23 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:04 Fiche Arrest nr 206.924 van 20 augustus 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 206.924 van 20 augustus 2010 in de zaak A. 197.356/IX-
- In zake: Mezian BOUHAJRA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te Hoeselt Tongersesteenweg 4 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 11 augustus 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing van de gevangenisdirecteur van Hasselt van 5 augustus 2010 waarin aan verzoeker een tuchtsanctie van een maand individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten, geen gemeenschappelijke eredienst) werd opgelegd”. II. Verloop van de rechtspleging
- De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 augustus
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Schelstraete, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor de verzoeker, en attaché Xaveer Laureyns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. IX-6903-1/9 Adjunct-auditeur Ines Martens, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing gedetineerd in de gevangenis te Hasselt. 3.
- Op 4 augustus 2010 stelt een penitentiair beambte een “rapport aan de directeur” op, waarin melding wordt gemaakt van een incident dat zich diezelfde dag met de verzoeker heeft voorgedaan. De penitentiair beambte vermeldt in dit rapport: “Tijdens het fouilleren van Bouhajra Mezian, bij het lossen voor werkhuis 3, heb ik twee pakketjes met geld gevonden. Hij wou deze pakketjes niet afgeven en liep uit zijn cel waarna pba [A.S.] hem tegenhield. Op dat moment drukte ik, pba [M.J.], op de alarmknop. Bouhajra stak de pakketjes in zijn mond maar kon ze niet inslikken waarna hij ze weggooide. Toen ik ze opgeraapt had, arriveerden de collega’s om bijstand te verlenen en hebben we Bouhajra op de veiligheidscel geplaatst”. Na onderzoek van dit rapport beslist de directeur van de gevangenis te Hasselt, eveneens op 4 augustus 2010, om tegen de verzoeker een tuchtprocedure in te leiden. 3.
- Op 5 augustus 2010 wordt de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, over de vastgestelde feiten gehoord. 3.
- Eveneens op 5 augustus 2010 beslist de directeur van de gevangenis te Hasselt om aan de verzoeker de tuchtsanctie van één maand individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten, geen gemeenschappelijke erediensten) op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IX-6903-2/9 Ze is als volgt gemotiveerd: “— Gelet op : artikel 81 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen : artikel 82 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen : artikel 83 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen — Gelet op de feiten die als volgt worden omschreven: zie rapport dd. 04/08/2010 — Gelet op de argumenten van de gedetineerde (en/of zijn advocaat) die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 5/08/10 werd gehoord: Betr. : Ik ben een heel wantrouwig iemand. Ik hou mijn geld altijd zelf bij. Ik had dit al een tijdje op cel, en wou het nu buitengeven met het bezoek. In de vroegere gevangenis waar ik vertoefde, de Begijnenstraat, was dit normaal. Ik wil met dit geld helemaal niets kopen. Heroïne of pillen interesseren me helemaal niet. Adv. : Ik zie het drama hier helemaal niet. Mijn cliënt is niet betrapt op bezit van drugs of wapens. Dat hij geld bij zich heeft, is helemaal geen bedreiging voor enig iemand hier in de gevangenis. — Gelet op het feit dat volgende getuigen werden gehoord (vermelden van de volledige identiteit van de getuigen): niet van toepassing — Gelet op de volgende tuchtrechtelijke antecedenten: niet van toepassing De volgende tuchtsanctie wordt ten aanzien van de gedetineerde uitgesproken: - 1 maand individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten, geen gemeenschappelijke erediensten) Motivering van de sanctie: - Aangezien betrokkene in het bezit is gevonden van cash geld. Cash geld is niet toegelaten in de gevangenis; - Aangezien ervaring ons leert dat cash geld in de gevangenis gebruikt wordt voor ongeoorloofde zaken: drughandel, handel in pillen, aanschaffen juwelen, aanschaffen verboden voorwerpen, ... Cash geld bezitten is dus een reëel veiligheidsrisico; - Aangezien betrokkene over een eigen rekening in de gevangenis kan beschikken om zijn geld te beheren. [...]”. De verzoeker ondertekent deze beslissing diezelfde dag nog. IV. Onderzoek van de vordering IX-6903-3/9
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. Ernst van de middelen
- Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van artikel 108, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Hij betoogt dat deze wetsbepaling voor een fouillering uitdrukkelijk de toestemming van de gevangenisdirecteur vereist. Die toestemming moet worden voorafgegaan door individuele aanwijzingen dat een onderzoek van de kledij niet volstaat. Voorts is voorgeschreven dat de fouillering dient te gebeuren door minimum twee gemandateerde personeelsleden van hetzelfde geslacht. De verzoeker laat gelden dat uit het tuchtrapport waarop de bestreden beslissing is gesteund, blijkt dat de penitentiaire beambten hem aan een fouillering hebben onderworpen zonder voorafgaande toestemming van de gevangenisdirecteur, zodat deze fouillering is gebeurd in strijd met de voormelde wetsbepaling. Beoordeling
- Artikel 108, §§ 1 en 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden luidt als volgt: “§
- De gedetineerde mag wanneer dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid noodzakelijk is, aan zijn kledij onderzocht IX-6903-4/9 worden door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen. Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. §
- Indien er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij van de gedetineerde niet volstaat om het doel, zoals omschreven in § 1, tweede lid te bereiken, kan de directeur, bij afzonderlijke beslissing, een fouillering op het lichaam bevelen, zo nodig met ontkleding en het uitwendig schouwen van de openingen en de holten van het lichaam. De fouillering op het lichaam mag enkel plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden en moet uitgevoerd worden door minimum twee daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden van hetzelfde geslacht als de gedetineerde”.
- In tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, kan uit het “rapport aan de directeur” van de penitentiair beambte van 4 augustus 2010 niet worden afgeleid dat de “fouillering” waarvan in dat rapport melding wordt gemaakt, moet worden beschouwd als een “fouillering op het lichaam” zoals bedoeld in artikel 108, § 2, van de genoemde wet van 12 januari
- Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker slechts een onderzoek van de kledij ondergaan waarvoor krachtens artikel 108, § 1, van de genoemde wet geen voorafgaande, afzonderlijke beslissing van de directeur vereist is. In dat geval volstaat het dat het onderzoek wordt uitgevoerd door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door de directeur gegeven richtlijnen. De verzoeker brengt geen enkel gegeven aan dat aannemelijk maakt dat wel degelijk een fouillering op het lichaam heeft plaatsgehad. Hij laat ook niet gelden dat het geld bij hem werd teruggevonden op een plaats die met een louter onderzoek van de kledij niet zou kunnen worden gecontroleerd. In de huidige stand van de rechtspleging moet derhalve worden besloten dat het middel feitelijke grondslag lijkt te missen.
- Het eerste middel is dan ook niet ernstig.
- Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoeker voert in het middel de schending aan van “de uitdrukkelijke motiveringsplicht in hoofde van de gevangenisdirecteur”. IX-6903-5/9 Hij betoogt dat de bestreden beslissing om tegemoet te komen aan de vereisten van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient te berusten op een geldige motivering die de gedetineerde in de mogelijkheid stelt de precieze draagwijdte van de beslissing te begrijpen. Hij voegt eraan toe dat de ministeriële omzendbrief nr. 1777 in dat verband vereist dat de motivering in rechte en in feite gebeurt, alsook nauwkeurig, concreet, juist, pertinent en toelaatbaar is. Volgens de verzoeker voldoet de bestreden beslissing niet aan de voormelde vereisten. Hij laat vooreerst gelden dat de gevangenisdirecteur niet aanduidt op grond van welke regel het bezit van cash geld verboden zou zijn. Voorts argumenteert hij dat de gevangenisdirecteur zich op zijn ervaring beroept om de bestemming van het cash geld te voorspellen, terwijl er nochtans geen aanwijzing is, laat staan een bewijs voorligt, dat de verzoeker met het geld verkeerde bedoelingen zou hebben. Ten slotte stelt de verzoeker dat niet wordt verantwoord waarom de tuchtsanctie van één maand individueel regime wordt opgelegd, dewelke niet in verhouding kan staan tot de inbreuk. Beoordeling
- De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplicht de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de formele motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. IX-6903-6/9
- Daargelaten of een gedetineerde zich op een schending van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde vermag te beroepen ter staving van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de verzoeker niet aanvoert dat deze omzendbrief aan de verwerende partij een strengere verplichting tot formele motivering van haar beslissingen oplegt dan de genoemde wet van 29 juli
- De bestreden beslissing vermeldt vooreerst op grond van welke feiten ze werd genomen, namelijk op grond van de feiten vermeld in het tuchtrapport van 4 augustus 2010 waarvan de verzoeker kennis had. De bedoelde feiten betreffen het houden van cash geld door de verzoeker en diens gedrag naar aanleiding van het aantreffen en in beslag nemen van dat geld. De bestreden beslissing laat er voorts geen twijfel over bestaan dat het houden van cash geld voor gedetineerden niet is toegelaten in de gevangenis en dat de verzoeker deze verbodsregel heeft overtreden. Uit de stukken van het neergelegde administratief dossier blijkt dat de desbetreffende regel kan worden afgeleid uit het huishoudelijk reglement (“leefregels mannen”) van de gevangenis te Hasselt. Vanuit het oogpunt van de formele motivering lijkt het te volstaan dat de bestreden beslissing melding maakt van deze regel en is niet vereist dat de gevangenisdirecteur uitdrukkelijk verwijst naar het huishoudelijk reglement. De bestreden beslissing lijkt in rechte overigens genoegzaam gemotiveerd door verwijzing naar de artikelen 81 tot 83 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen, die onder meer de overtredingen van de reglementen tuchtrechtelijk strafbaar stellen. De directeur verduidelijkt in de bestreden beslissing tevens welke de ratio legis is van de voormelde verbodsregel. Het houden van cash geld wordt namelijk beschouwd als een veiligheidsrisico, omdat de ervaring leert dat cash geld in de gevangenis wordt gebruikt voor een aantal ongeoorloofde praktijken. Dit motief, dat op het eerste gezicht een overtollig motief is, lijkt niet te impliceren dat de niet-naleving van de voormelde verbodsregel in hoofde van de verzoeker slechts tuchtrechtelijk kan worden gesanctioneerd indien werd vastgesteld dat hij het geld effectief aanwendde of dreigde aan te wenden voor ongeoorloofde praktijken. De verbodsregel lijkt immers gesteund op een louter risico van dergelijke praktijken. IX-6903-7/9 In tegenstelling tot wat de verzoeker aanvoert, blijkt uit de bestreden beslissing ten slotte genoegzaam op grond van welke motieven de tuchtsanctie van één maand individueel regime wordt opgelegd. De formele motiveringsplicht vereist niet dat uitdrukkelijk wordt verantwoord waarom geen andere sanctie werd opgelegd. Geen van de door de verzoeker in het middel aangevoerde grieven met betrekking tot de formele motivering van de bestreden beslissing kan derhalve worden bijgevallen. De in de bestreden beslissing opgenomen motivering lijkt wel degelijk voldoende pertinent en draagkrachtig om de opgelegde tuchtsanctie in feite en in rechte te onderbouwen.
- Voor zover de verzoeker in het middel ook beoogt aan te voeren dat de opgelegde tuchtsanctie niet evenredig is met de vastgestelde feiten, moet worden opgemerkt dat de Raad van State te dezen slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt. Gelet op de ernst van de vastgestelde feiten enerzijds en de aard en de duur van de opgelegde straf anderzijds, komt deze laatste op het eerste gezicht niet als kennelijk onevenredig voor.
- Het tweede middel is derhalve evenmin ernstig.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de verzoeker geen ernstige middelen aanvoert die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. IX-6903-8/9
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig augustus 2010, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Bert Thys IX-6903-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.