← België

Arrest 206946 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 25/08/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.946 Rolnummer: A. 197430/XII-6309 Zaak: Arrest 206946 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 25/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-26 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:04 Fiche Arrest nr 206.946 van 25 augustus 2010 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 206.946 van 25 augustus 2010 in de zaak A. 197.430/XII-

  1. In zake: Emmanuel PEETERS, vertegenwoordigd door Paul Peeters en Ann Moriau bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW LEUVENSE KATHOLIEKE SCHOLEN AAN DE DIJLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Jochen Honnay kantoor houdend te Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 18 augustus 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “het advies van 3 augustus 2010 van de interne beroepscommissie van het Heilige-Drievuldigheidscollege om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen” en van “de beslissing van onbekende datum […] van de inrichtende macht van verweerster teneinde de klassenraad niet opnieuw samen te roepen”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 augustus
  4. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. XII-6309-1/13 Advocaat Valéry Schalenbourg, die loco advocaat Steven Van Geeteruyen verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Jochen Honnay, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoeker is tijdens het schooljaar 2009-2010 leerling van het eerste leerjaar van de tweede graad aan het Heilige-Drievuldigheidscollege te Leuven. Hij volgt de studierichting Latijn, met vijf uren wiskunde, dit is een studierichting van het algemeen secundair onderwijs (hierna: ASO). 3.
  7. Eind juni 2010 kent de delibererende klassenraad aan de verzoeker een oriënteringsattest B toe, met clausulering voor alle studierichtingen van het ASO. Het individueel syntheseblad vermeldt als motivering: “Vakken waarvoor onvoldoende of zeer zwak gepresteerd werd: Algemeen 56 % Vak: fysica Eindresultaat: 38 % Evolutie: Vak: Latijn Eindresultaat: 46,5 % Evolutie: Vak: wiskunde Eindresultaat: 43,5 % Evolutie: Vak: aardr. Eindresultaat: 51 % Evolutie: Vak: gesch. Eindresultaat: 53,5 % Evolutie: Vak: Ned. Eindresultaat: 51,5 % Evolutie: Emmanuel heeft de basisdoelstellingen van dit leerjaar onvoldoende bereikt en maakt geen kans om in een volgend leerjaar in een richting met ASO-profiel te slagen. Bovendien is Emmanuel onvoldoende gemotiveerd en XII-6309-2/13 heeft hij door gebrek aan inzet de basisdoelstellingen van een aantal vakken niet bereikt”. 3.
  8. De vader van de verzoeker heeft daarover overleg met de studieprefect. Hij dient tevens een bezwaarschrift in. Daarin voert hij aan dat de beslissing van de delibererende klassenraad onvoldoende gemotiveerd is en dat de beperking tot het technisch secundair onderwijs (hierna: TSO) niét gemotiveerd is. Hij noemt de beslissing van de delibererende klassenraad “niet logisch en consequent”, aangezien zijn zoon wel zou worden toegelaten tot de zware wiskundige studierichtingen van het TSO, die dezelfde handboeken gebruiken als vergelijkbare studierichtingen van het ASO. Hij laat tevens gelden dat de klassenraad zich onvoldoende heeft afgevraagd of geen andere ASO-richtingen, bijvoorbeeld met vier uren wiskunde, mogelijk zouden zijn. Hij stelt dat er tot het tweede jaar van de eerste graad geen noemenswaardige problemen zijn geweest en dat na dat jaar niet werd gewezen op het feit dat het wiskundeprogramma gevoelig zwaarder zou worden en dat de mogelijkheid bestond om Latijn met vier uren wiskunde te volgen. Volgens verzoekers vader zijn er voldoende studierichtingen binnen het ASO die aansluiten bij het wiskundig profiel van zijn zoon. Hij wijst er ook op dat zijn zoon zijn studies heeft gecombineerd met zijn passie voor viool. Ten slotte merkt hij op dat tijdens het examen Latijn van het derde trimester een tekst van het tweede trimester werd geschrapt en nieuwe vragen werden gesteld, en dat zulks “vragen [doet] rijzen”. Hij verzoekt om het toegekende attest te vervangen door een B-attest met uitsluiting van de studierichtingen met vijf uren wiskunde in het ASO. 3.
  9. De studieprefect antwoordt in een niet-gedateerde brief dat hij geen reden ziet om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Hij stelt dat de klassenraad een beslissing heeft genomen die consequent is en dat in het bezwaarschrift geen nieuwe relevante informatie wordt aangereikt. 3.
  10. Met een brief van 13 juli 2010 stelt de vader van de verzoeker beroep in bij de interne beroepscommissie. Hij laat onder meer gelden: “Er is mij geen enkel argument gegeven dat de beperking van het B-attest tot TSO verduide- lijkt. De klassenraad is gehouden zijn beslissing te kunnen motiveren”. XII-6309-3/13 3.
  11. Op 3 augustus 2010 adviseert de interne beroepscommissie om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Ze is van oordeel dat de leerkrachten hun beslissing op voldoende feitenmateriaal hebben gebaseerd en dat de ouders wel hun waardevolle visie, maar geen relevante nieuwe feiten aan het licht hebben gebracht. Met betrekking tot de motivering van “de beperking tot TSO” stelt de interne beroepscommissie: “Vooreerst merken wij op dat het zwaartepunt voor wiskundige richtingen in TSO vooral ligt in de derde graad, net zoals in het ASO trouwens. Inderdaad de tweede graad is daarop voorbereidend en het programma wi in de 2e graad is zwaar, zeker bij 5u wi zoals in HDC (en in de meeste scholen, want aanbevolen door het Secretariaat Katholiek Secundair Onderwijs) terwijl sommige scholen daarnaast ook 4 uur wi aanbieden maar dan niet in het perspectief van zware wiskundige studierichtingen maar eerder Moderne Talen. Volgens de ouders had dit het verschil kunnen maken en HDC heeft dit niet gezegd! Iedere school redeneert natuurlijk op de eerste plaats vanuit het eigen aanbod, zeker als er geen vraag is om van school te veranderen. Bij een vraag aan de school zou dit zeker niet verzwegen zijn. Vervolgens is het niet juist om scholen zomaar te vergelijken. In het algemeen omschrijft men studierich- tingen in ASO als meer abstract-theoretisch, deze van het TSO als meer op toepassingen gericht. En binnen een zelfde studiegebied kunnen scholen van elkaar verschillen, niet in hun wettelijk aanbod maar in de praktijk van uitvoering. Ook binnen de overgebleven mogelijkheden van een studiegebied (het TSO omvat vele studierichtingen met andere klemtonen) moeten de ouders zorgvuldig kiezen en rekening houden met de vorige schoolresultaten. Een studiegebied niet afsluiten betekent niet automatisch dat alle richtingen haalbaar zijn”. Het advies van de interne beroepscommissie maakt het eerste voorwerp van de voorliggende vordering uit. 3.
  12. Met een aangetekende brief van 6 augustus 2010 deelt de voorzitter van de inrichtende macht van het Heilige-Drievuldigheidscollege aan de vader van de verzoeker mede: “[...] Na ernstige studie van het dossier kan de inrichtende macht ook niet anders dan bevestigen dat de beslissing van de klassenraad voldoende gebaseerd is op feitenmateriaal. Daarenboven is er geen relevante nieuwe informatie opgedoken. Om die reden is er dan ook geen reden om de klassenraad opnieuw samen te roepen. Bijgevolg neemt de inrichtende macht het advies en de motivering van de interne beroepscommissie integraal over. [...]”. XII-6309-4/13 Deze beslissing van de inrichtende macht maakt het tweede voorwerp van de voorliggende vordering uit. IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie van de verwerende partij
  13. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering op voor zover ze gericht is tegen het advies van de interne beroepscommissie van het Heilige-Drievuldigheidscollege van 3 augustus
  14. Zij laat gelden dat het advies van de interne beroepscommissie niet bindend is en derhalve voor de verzoeker geen definitieve rechtsgevolgen teweegbrengt, zodat het niet het voorwerp kan uitmaken van een beroep bij de Raad van State. Beoordeling
  15. De Raad van State bevestigt ook voor deze zaak de redengeving die hij heeft ontwikkeld, onder meer in de arresten nr. 103.155, Labaere, van 5 februari 2002, en nr. 126.481, Verlende, van 16 december 2003, dat de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatie- besluit) een beroep binnen de school organiseren tegen beslissingen van de delibererende klassenraad, dat de beslissing waarmee de desbetreffende procedure wordt afgesloten, de eindbeslissing is, vatbaar voor beroep voor de Raad van State en dat die eindbeslissing kan zijn, ofwel de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” van de delibererende klassenraad (artikel 74 van het organisatiebesluit), ofwel de beslissing van de inrichtende macht dat de delibereren- de klassenraad niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit). De voorliggende vordering lijkt derhalve ontvankelijk te zijn gericht tegen de beslissing die door de inrichtende macht van het Heilige-Drievul- digheidscollege op 6 augustus 2010 is genomen om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. XII-6309-5/13 Het advies van de interne beroepscommissie daarentegen lijkt een louter voorbereidende handeling die dienvolgens niet ontvankelijk met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden bestreden. De exceptie is gegrond. V. Onderzoek van de vordering
  16. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. A. Ernst van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
  17. De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de artikelen 5, §§ 5 en 8, 37, 38, 1/, en 39 van het organisatiebesluit, alsook de schending van de verplichting tot motivering van bestuurshandelingen en van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de beslissing van de delibererende klassenraad en de daaropvolgende, bestreden beslissingen van de interne beroepscommissie en van de inrichtende macht niet de rechtens vereiste motieven bevatten voor de toekenning van een oriënteringsattest B met uitsluiting van alle studierichtingen van het ASO, en doordat de bestreden beslissingen de door de verzoeker in dat verband aangevoerde bezwaren geheel niet beantwoorden. De verzoeker licht toe dat de bestreden beslissing van de inrichtende macht verwijst naar het advies van de interne beroepscommissie en zich aldus dit advies eigen maakt, maar dat de motivering van dit advies ontoereikend is om een uitsluiting van alle studierichtingen van het ASO te verantwoorden. Volgens de verzoeker geeft die motivering geen afdoende antwoord op de aangevoerde bezwaren, beperkt ze zich tot vage, algemene bespiegelingen in verband met het XII-6309-6/13 onderscheid tussen ASO en TSO en blijkt eruit dat de opgelegde uitsluiting is ingegeven door het eigen aanbod van studierichtingen. Bovendien, zo stelt de verzoeker, zelfs indien die motivering wel afdoende zou worden geacht, zijn de aangevoerde bezwaren van dergelijke aard dat het niet aan de inrichtende macht toekwam om ze te beoordelen, maar diende de inrichtende macht deze bezwaren voor te leggen aan de delibererende klassenraad, die derhalve terug moest worden samengeroepen.
  18. De verwerende partij werpt in haar nota vooreerst op dat het middel niet ontvankelijk is voor zover het de schending aanvoert van het zorgvul- digheidsbeginsel, omdat niet wordt uiteengezet hoe die schending zich zou voordoen, zodat zij zich dienaangaande niet kan verweren. Voorts laat zij gelden dat zowel de delibererende klassenraad als de inrichtende macht zich vooreerst hebben gebaseerd op een cijfermatige beoordeling van de prestaties van de verzoeker. De kwestieuze cijfers zijn samengevat weergegeven in de beslissing van de klassenraad en in extenso in het advies van de interne beroepscommissie dat door de inrichtende macht is overgeno- men. Uit die cijfers blijkt volgens de verwerende partij dat de verzoeker zowel bij het dagelijks werk als bij de examens nagenoeg systematisch zwak tot zeer zwak presteerde voor bijna alle vakken. Naast deze cijfermatige beoordeling heeft de klassenraad, zo stelt de verwerende partij, ook rekening gehouden met de studiehouding van de verzoeker, waarbij werd vastgesteld dat de verzoeker blijk gaf van een gebrek aan motivatie en inzet. De vermelding dat zowel de studieresultaten als de studiehouding van de verzoeker hebben geleid tot het besluit dat de verzoeker geen kans zou maken in een ASO-richting, volstaat volgens de verwerende partij als motivering om de beslissing van de klassenraad in rechte te verantwoorden. De verwerende partij betwist voorts dat zij onvoldoende zou hebben geantwoord op de specifieke bezwaren die door de verzoeker in de loop van het georganiseerd administratief beroep werden aangevoerd. Zij wijst erop dat de interne beroepscommissie met betrekking tot het argument van de verzoeker dat er ook binnen het TSO studierichtingen zijn met een zwaar wiskundepakket, heeft gesteld dat ook binnen de overgebleven mogelijkheden een zorgvuldige keuze moet worden gemaakt. Wat het standpunt van de verzoeker betreft dat er binnen het ASO studierichtingen zijn die aansluiten bij zijn wiskundig profiel, heeft de interne beroepscommissie vermeld dat de ASO-richtingen abstract-theoretisch zijn en de TSO-richtingen meer toepassingsgericht. Mede in acht genomen de in het advies XII-6309-7/13 negatief geëvalueerde studieresultaten van de verzoeker voor wiskunde en andere algemene vakken, is aldus voldoende verantwoord dat de verzoeker weinig of geen kans op slagen heeft in om het even welke ASO-richting. Het bezwaar van de verzoeker dat hij onvoldoende is geïnformeerd over de zwaarte van de studierichting Latijn met vijf uren wiskunde, betreft volgens de verwerende partij een schuldvraag en niet de kennis of kunde van de verzoeker. Het antwoord van de interne beroepscommissie op het bezwaar van de verzoeker met betrekking tot het examen Latijn behoeft, zo stelt de verwerende partij, omwille van zijn duidelijkheid geen nadere toelichting. Het standpunt van de verzoeker dat hij een ASO-profiel zou hebben, wordt volgens de verwerende partij tegengesproken door de studieprestaties en -houding van de verzoeker tijdens de voorafgaande studiejaren. Ten slotte antwoordt de verwerende partij op het argument van de verzoeker dat alleen de delibererende klassenraad zich heeft uit te spreken over een verantwoording van de opgelegde uitsluiting van alle studierichtingen van het ASO, dat de motivering op grond waarvan de verzoeker alleen in aanmerking komt voor het TSO reeds in de oorspronkelijke beslissing van de delibererende klassenraad besloten is. Beoordeling
  19. Uit de uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift blijkt dat de verzoeker de door hem aangewezen bepalingen van het organisatiebesluit, alsook de verplichting tot motivering van bestuurshandelingen en het zorgvuldigheidsbe- ginsel onder meer geschonden ziet, doordat de beslissing van de delibererende klassenraad en de daaropvolgende beslissingen van de interne beroepscommissie en van de inrichtende macht niet de rechtens vereiste motieven bevatten voor de toekenning van een oriënteringsattest B met uitsluiting van alle studierichtingen van het ASO, en doordat de bestreden beslissingen de door de verzoeker in dat verband aangevoerde bezwaren geheel niet beantwoorden. De verzoeker lijkt aldus genoegzaam te vermelden op welke wijze volgens hem ook het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie betreffende de onontvankelijkheid van het middel voor zover het de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert, lijkt niet gegrond. XII-6309-8/13
  20. De verzoeker heeft een oriënteringsattest B gekregen. Een dergelijk B-attest betekent luidens artikel 39 van het organisatiebesluit “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken onderwijsinstelling en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen en/of onderverdelingen”, waarbij artikel 38, 1/, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling met vrucht het eerste leerjaar van de tweede graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. Die definitie van een B-attest doet de Raad van State vooralsnog aannemen dat de motivering van een dergelijk attest de redenen moet kenbaar maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de delibererende klassenraad toch de toegang tot welbepaalde richtingen moet worden ontzegd.
  21. Te dezen vermeldt de delibererende klassenraad ter motivering van het aan de verzoeker toegekende B-attest “[de] vakken waarvoor onvoldoende of zeer zwak gepresteerd werd” en voegt hij daaraan toe dat de verzoeker “de basisdoelstellingen van dit leerjaar onvoldoende bereikt en [...] geen kans [maakt] om in een volgend leerjaar in een richting met ASO-profiel te slagen”. Voorts stelt de klassenraad dat de verzoeker “onvoldoende gemotiveerd” is en “door gebrek aan inzet de basisdoelstellingen van een aantal vakken niet bereikt”. Deze motivering, die vaag en algemeen lijkt, geeft op het eerste gezicht geen blijk van de grote omzichtigheid waartoe een prospectieve deliberatie noopt. Een algemene clausulering als deze die de delibererende klassenraad aan de verzoeker oplegt, lijkt een grotere zorg te vergen bij de motivering waarom precies álle studierichtingen in een bepaalde onderwijsvorm worden uitgesloten. Zo blijkt op het eerste gezicht niet welke concrete gegevens van het dossier van de verzoeker de klassenraad tot het besluit brengen dat hij “geen kans [maakt] om in een volgend leerjaar in een richting met ASO-profiel te slagen”, noch waaruit wordt afgeleid dat de verzoeker onvoldoende gemotiveerd is en een gebrek aan inzet toont. De gegevens die de verwerende partij in haar nota daartoe aanreikt, kunnen niet in aanmerking worden genomen, aangezien ze een motivering a posteriori vormen waarvan niet blijkt dat ze aan de grondslag ligt van de beslissing van de klassenraad. XII-6309-9/13 In zoverre de verzoeker in het middel aanvoert dat de beslissing van de delibererende klassenraad geen blijk geeft van de rechtens vereiste motivering, is het middel dan ook ernstig.
  22. De verzoeker heeft bovendien, bij monde van zijn ouders, zowel ten aanzien van de schooldirectie als van de interne beroepscommissie uitdrukkelijk geklaagd over een gebrek aan motieven voor de algemene clausulering voor het ASO en hij heeft argumenten aangevoerd voor een minder ingrijpende clausulering, namelijk voor de studierichtingen met vijf uren wiskunde in het ASO. Een leerling die gebruik maakt van zijn recht om een deliberatie- beslissing aan te vechten, mag verwachten dat in de loop van de administratieve beroepsprocedure een antwoord komt dat ervan doet blijken dat zijn bezwaren ernstig in overweging zijn genomen. Daarbij moet evenwel elk orgaan dat in het kader van deze procedure een opdracht krijgt toevertrouwd, erop letten zich aan de grenzen van die opdracht te houden, zoals die zijn getrokken bij de artikelen 72 en 73 van het organisatiebesluit: de interne beroepscommissie adviseert, het schoolbe- stuur beslist om de delibererende klassenraad al dan niet opnieuw samen te roepen en die klassenraad is als enig orgaan bevoegd om te oordelen over het slagen van de leerling in kwestie. De interne beroepscommissie en naderhand het schoolbestuur mogen niet de beslissing van de delibererende klassenraad overdoen. Als de grieven van de leerling relevant blijken en in de motivering van de delibererende klassen- raad geen weerlegging kregen, staat er niets anders te doen dan (te adviseren om) deze klassenraad opnieuw samen te roepen. Te dezen heeft de interne beroepscommissie, daarin bijgevallen door het schoolbestuur, de argumentatie van de verzoeker voor een minder verregaande clausulering beoordeeld en afgewezen. Overeenkomstig hetgeen hiervóór werd gesteld, behoort het evenwel alleen de delibererende klassenraad toe om de argumentatie van de verzoeker met betrekking tot de specifieke inhoud van het hem toe te kennen oriënteringsattest B te beoordelen en in het bijzonder af te wegen of de verzoeker niet in aanmerking komt voor een oriënteringsattest B met clausulering voor de studierichtingen met vijf uren wiskunde in het ASO. De delibererende klassenraad heeft de kans daartoe evenwel niet gekregen, ingevolge de bestreden beslissing van de inrichtende macht om hem niet opnieuw bijeen te roepen. XII-6309-10/13 In zoverre de verzoeker in het middel aanvoert dat de aangevoer- de bezwaren van dergelijke aard waren dat het niet aan de inrichtende macht toekwam om ze in de plaats van de delibererende klassenraad te beoordelen, is het middel eveneens ernstig.
  23. Ten slotte lijkt de interne beroepscommissie in haar antwoord op verzoekers bezwaren te suggereren dat de algemene clausulering van de verzoeker voor het ASO is ingegeven “op de eerste plaats vanuit het eigen aanbod”. De omvang van de clausulering zou dan zijn bepaald in functie van de door de betrokken school aangeboden studierichtingen in het tweede leerjaar van de tweede graad, en dus niet vanuit het volledige, reglementair bepaalde studieaanbod in de verschillende onderwijsvormen. Het schoolbestuur valt de interne beroepscommissie daarin bij. Met de verzoeker lijkt te moeten worden vastgesteld dat de delibererende klassenraad voor dergelijk handelen op het eerste gezicht geen rechtsgrond kan vinden in de toepasselijke regelgeving. Ook in zoverre is het middel ernstig. B. Moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  24. De verzoeker voert aan dat hij ingevolge de bestreden beslissing wordt uitgesloten van alle studierichtingen in het ASO en dat hij dienvolgens een schooljaar in deze onderwijsvorm dreigt te verliezen. Hij wijst erop dat in de rechtspraak van de Raad van State een dergelijk verlies als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangenomen. Dit standpunt van de verzoeker, dat door de verwerende partij overigens niet wordt betwist, wordt door de Raad van State bijgevallen. C. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  25. De verzoeker voert aan dat hij de bestreden beslissing op 9 augustus 2010 heeft ontvangen en dat het nieuwe schooljaar drie weken later zal aanvangen. Hij wijst erop dat hij het overleg met de schooldirectie en de interne XII-6309-11/13 beroepsprocedure onmiddellijk heeft opgestart. Hij stelt dat hij thans geen andere mogelijkheid heeft dan de Raad van State te vatten teneinde het verlies van een schooljaar te vermijden. Hij betoogt dat een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zou komen om hem voor het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel te behoeden.
  26. De verwerende partij wijst erop dat de bestreden beslissing met een brief van 6 augustus 2010 aan de verzoeker werd medegedeeld en dat de voorliggende vordering pas op 19 augustus 2010 werd ingesteld. Er rijzen volgens haar dan ook vragen bij de diligentie van de verzoeker. Zij stelt dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet door de verzoeker zelf in het leven mag zijn geroepen. Volgens haar moet de voorliggende vordering om die reden als onontvankelijk worden afgewezen. Beoordeling
  27. De vader van de verzoeker heeft het beroep bij de interne beroepscommissie van de school ingesteld op 13 juli
  28. De bestreden beslissing van de inrichtende macht werd met een aangetekende brief van vrijdag 6 augustus 2010 aan de vader van de verzoeker betekend. Aangenomen kan worden dat die brief, zoals de verzoeker stelt, de eerstvolgende werkdag, maandag 9 augustus 2010, door de Post op zijn adres werd aangeboden. De voorliggende vordering werd door de verzoeker negen dagen later, op 18 augustus 2010, ingesteld. Derhalve kan te dezen niet worden aangenomen dat de verzoeker niet diligent zou hebben gehandeld en zelf het uiterst dringende karakter van zijn vordering in de hand zou hebben gewerkt. Voorts voert de verzoeker terecht aan dat alleen de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid hem kan behoeden voor het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
  29. Uit wat voorafgaat blijkt dat alle voorwaarden voor het bevelen van de schorsing van de tenuitvoerlegging, bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de bestreden beslissing van de inrichtende macht van het Heilige-Drievuldig- heidscollege zijn vervuld. XII-6309-12/13 BESLISSING
  30. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de inrichtende macht van het Heilige-Drievuldigheidscollege te Leuven van 6 augustus 2010 om de delibere- rende klassenraad voor Emmanuel Peeters niet opnieuw samen te roepen.
  31. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig augustus 2010, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Bert Thys XII-6309-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.946 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.572 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.