id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.947 Rolnummer: A. 191970/XIV-31005 Zaak: Arrest 206947 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-14 Raadplegingen: 203 - laatst gezien 2026-07-01 20:47 Fiche Arrest nr 206.947 van 26 augustus 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.947 van 26 augustus 2010 in de zaak A. 191.970/XIV-31.005. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59 B tegen: XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21 bus 18 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie-en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, op 27 maart 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 23.596 van 25 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4285 van 6 april 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 december 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 januari 2010; XIV-31.005-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat M. KALIN, die loco advocaat A. MOSKOFIDIS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verwerende partij op 21 augustus 2007 een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9 ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 6 augustus 2008 een beslissing neemt waarbij deze aanvraag ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Overwegende dat de verwerende partij op 12 september 2008 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de oorspronkelijk bestreden beslissing van 6 augustus 2008 met een arrest van 25 februari 2009 vernietigt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van - de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als administratief rechtscollege beheersen, te weten: o art. 149 van de gecoordineerde Grondwet ; o art. 39/65, eerste lid van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; o en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven (zie Cass. 10 november 1997, AR S.97.0050.F ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4, Arr. Cass. 1997, 1110) ; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld onder de hoofding "2. Onderzoek van het beroep" - onder 2.1 wordt verwezen naar het middel van de oorspronkelijk verzoekende partij (thans verweerders) en wordt dit middel uiteengezet; - onder 2.2 wordt door de rechter in vreemdelingenzaken de motiveringsplicht vervat in art. 62 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 en art. 2 en 3 van de wet dd. 29.07.1991 besproken, XIV-31.005-2/7 - vervolgens worden de medische attesten die door betrokkene zijn voorgelegd, en het medische attest van de ambtenaar-geneesheer deels geciteerd, - waarna de rechter in vreemdelingenzaken vaststelt dat er tussen de medische attesten van de twee artsen naar zijn inzichten tegenstrijdigheden zijn betreffende bepaalde punten, en hij hierop besluit dat "Verzoeker maakt met zijn betoog dat 'Het onredelijk (
- is)dat verweerder verzoeker niet aan een medisch onderzoek heeft onderworpen maar zich beperkt heeft tot het advies van de ambtenaargeneesheer dd. 5 augustus 2008, dat strijdig was et het medisch attest van de behandelende arts. "aannemelijk dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag op grond van artikel 9ter ongegrond te verklaren. Het enig middel is in de besproken mate gegrond". Echter wordt door de rechter in vreemdelingenzaken in zijn arrest nr. 23.596 totaal voorbijge- gaan aan de beschouwingen van de oorspronkelijk verwerende partij (huidig verzoeker) in zijn nota met opmerkingen dd. 24.09.2008. Minstens blijkt dit niet uit de bewoordingen van het arrest. Op geen enkel ogenblik blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken het door verzoeker in zijn nota met opmerkingen gevoerde betoog heeft onderzocht, laat staan beoordeeld. In het arrest komt geen enkel motief naar voor dienaangaande. Evenmin wordt door de rechter in vreemdelingenzaken op afdoende wijze uiteengezet om welke precieze redenen hij de beslissing van de gemachtigde, gesteund op het advies van de ambtenaar-geneesheer onredelijk acht. Hij laat slechts uitschijnen dat de ambtenaar- geneesheer tot een bijkomend onderzoek had dienen over te gaan. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege echter te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65. eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Als administratief rechtscollege heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele motiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te worden onderzocht en beantwoord. Als administratief rechtscollege dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te voldoen aan de strenge motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.; ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de gewone hoven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd".) De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de zeer summiere motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst of de rechter in vreemdelingenzaken al dan niet het verweer van verzoeker, zoals uiteengezet in de nota met opmerkingen van 15.10.2008, in overweging heeft genomen, laat staan beoordeeld. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt niet eens op dit verweer, zelfs niet summier Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. Cfr. overigens specifiek art. 57/22 Wet van 15 december 1980. De motivering van een administratief rechtscollege kan dus door Uw Raad als cassatierech- ter, aan perfect dezelfde voorwaarden onderworpen worden, als vonnissen en arresten van de burgerlijke rechtbanken en hoven. (R.v.S. XIV-20.981-3/6) XIV-31.005-3/7 Inzake de inhoud van de jurisdictionele motiveringsverplichting, kan er verwezen worden naar ALEN, A., op cit. 286a: "de motiveringsplicht beschermt de partijen tegen mogelijke willekeur, omdat de Rechter erdoor wordt verplicht om op een duidelijke en ondubbelzinnige manier de gronden te vermelden waarop zijn beslissing steunt en om de eisen en verweermidde- len van de partijen te beantwoorden." (Cfr. HERBOTS, J., "Cassatie wegens motiveringsgebre- ken", T.P.R. 1971, 1-26.) Aldaar geeft HERBOTS de vier betekenissen van de motiveringsplicht met als derde betekenis "De Rechter moet een bevredigend antwoord geven aan de door partijen in hun conclusies opgeworpen middelen". Art. 149 Grondwet en het daarin vervatte algemeen beginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht, leunt uiteraard sterk aan bij de rechten van verdediging. Administratieve jurisdicties moeten de in de debatten naar voor gebrachte argumentatie ontmoeten. (VANDE LANO'l 1 h, J. en CEREXHE, E., De motiveringsplicht van bestuurshan- delingen, Brugge, Die Keure, 1992, 11-12). De motiveringsverplichting van de rechter dient een garantie te vormen dat de door de verdediging uiteengezette middelen effectief met zorg zijn aangehoord en onderzocht. Verzoeker kan uit de motivering van het bestreden arrest evenwel niet afleiden of de rechter in vreemdelingenzaken de uiteenzetting dienaangaande van de oorspronkelijk verwerende partij mee in overweging heeft genomen bij zijn beoordeling. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt alleszins niet op de uiteenzetting van de oorspronkelijk verwerende partij. De rechter in vreemdelingenzaken gaat voorbij aan de uiteenzetting van verzoeker in de nota met opmerkingen, en laat deze volledig buiten beschouwing. Het gebrek aan vermelding op afdoende en gedegen wijze van de motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het aangevochten arrest is gekomen, in acht genomen het verweer van de (toenmalige) verwerende partij, maakt het voor de verzoekende partij in cassatie onmogelijk om een deugdelijk verweer te voeren op het arrest en maakt het voor de Raad van State, als Cassatierechter, eveneens onmogelijk om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, vaststelling die op zich al volstaat om administratieve tot cassatie te besluiten. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) Er werd niet op duidelijke en ondubbelzinnige manier vermeld noch blijkt het impliciet uit de bewoordingen van het bestreden arrest dat de rechter in vreemdelingenzaken het verweer van de oorspronkelijk verwerende partij, huidig verzoeker, in overweging heeft genomen, heeft onderzocht en tot slot heeft beoordeeld. De rechter in vreemdelingenzaken heeft in het bestreden arrest dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom hij de beslissing van verzoeker " kennelijk onredelijk" acht op grond van het betoog van de oorspronkelijk verzoekende partij, dit in achtgenomen de uiteenzetting van de oorspronkelijk verwerende partij, huidig verzoeker, in de nota met opmerkingen. Geenszins blijkt dat het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken niet op willekeurige wijze is tot stand gekomen. Er mag van een administratieve jurisdictie uiteraard verwacht worden dat er niet op een vage en algemene wijze gemotiveerd wordt. (R.v.St. nr. 66.369, 22.05.1997) De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt dan ook de rechtsregels die zijn. motiveringsplicht als administratief rechtscollege beheersen, te weten art. 149 gecoördineerde Grondwet, art. 39/65, eerste lid, Vreemdelingenwet en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De schending van de jurisdictionele motiveringsplicht brengt tevens, zoals hoger uiteengezet, een schending met zich mee van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het tweede middel is gegrond.”; XIV-31.005-4/7 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord repliceert als volgt: “De verzoekende partij beroept zich in een tweede middel op een vermeende schending van de rechtsregels die de jurisdictionele motiveringsplicht van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen als administratief rechtscollege beheersen, niet name : • artikel 149 Grondwet. • art. 39/65. eerste lid van de Vreemdelingenwet. • liet algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan de (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. De verwerende partij merkt op dat de verzoekende partij zich andermaal beperkt tot vage theoretische en hypothetische beschouwingen doch geenszins in concreto aantoont dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daadwerkelijk haar wettelijk toegekende annulatiebevoegd- heid zou hebben overschreden. De verzoekende partij faalt overduidelijk in haar verwoede poging om de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te beschuldigen de motiveringsverplichting te hebben geschonden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had in zijn arrest dd. 25 februari 2009 het eerste middel dat de verwerende partij had opgeworpen in zijn beroepsschrift dd. 11 september 2008 uitgebreid onderzocht. Bij de motivering van het arrest houdende vernietiging van de beslissing dd. 6 augustus 2008 genomen door de verzoekende partij. is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk uitgebreid ingegaan op de redenen waarom de Raad van oordeel was dat de beslissing een schending inhield van het redelijkheidsbeginsel. In tegenstelling tot hetgeen door de verzoekende partij wordt voorgehouden, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in liet arrest wel degelijk de door de verzoekende partij aangehaalde argumenten in diens nota niet opmerkingen uitdrukkelijk, minstens impliciet op een afdoende wijze beantwoord. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was de mening toegedaan dat de verwerende partij een gegrond middel had aangevoerd. Derhalve was het niet meer nodig om de andere middelen van de verwerende partij te onderzoeken ; en tegelijk ook niet meer nodig om een antwoord te geven aan de overige argumenten van de verzoekende partij in diens nota met opmerkingen. Tenslotte is het de verwerende partij die in zijn beroepsschrift diverse middelen heeft opgeworpen. waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen diende te antwoorden niet de verzoekende partij. Het arrest dd. 25 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was wel degelijk correct en afdoende gemotiveerd. De verzoekende partij kan niet ernstig voorhouden dat er in casu kunnen zijn van een schending van de motiveringsplicht.”; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.4. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het kader van artikel 39/2, § 2, van de Vreemdelingenwet een annulatietoezicht uitoefent op de bij hem aangevochten beslissing; dat hij bij de uitoefening daarvan bevoegd is om de beslissing te vernietigen wanneer hij deze kennelijk onredelijk acht; dat, wanneer hij oordeelt dat de beoordeling van het bestuur kennelijk onredelijk is, de Raad ertoe gehouden is zijn beslissing formeel te motiveren; dat het bestreden arrest besluit tot de kennelijke XIV-31.005-5/7 onredelijkheid van de aanvankelijk bestreden beslissing omdat “de twee medische attesten tot tegenstrijdige conclusies komen op cruciale punten, meer bepaald met betrekking tot de vraag of verzoeker al dan niet kan reizen en met betrekking tot de ernst van de aandoening, wat belangrijk is om een inschatting te kunnen maken over het al dan niet aanwezig zijn van een adequate behandeling in het land van herkomst”; dat hierbij evenwel moet worden opgemerkt dat, wanneer een verblijfsaanvraag op basis van artikel 9ter van de Vreemdelingenwet ongegrond wordt verklaard, dit veelal precies zal zijn omwille van het feit dat de ambtenaar-geneesheer in zijn advies tot een andere conclusie komt dan hetgeen de aanvrager trachtte te staven aan de hand van de neergelegde medische attesten; dat een motivering die enkel steunt op de vaststelling dat het advies van de ambtenaar-geneesheer strijdig is met de neergelegde medische attesten aldus van toepassing kan zijn op een onbepaald aantal gevallen; dat aldus niet duidelijk is waarom in het voorliggende geval de rechter in vreemdelingenzaken oordeelde dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is, te meer nu uit het bestreden arrest blijkt dat de ambtenaar-geneesheer in zijn advies rekening heeft gehouden met het neergelegde attest en dit punt voor punt heeft betrokken in zijn advies; dat de formele motivering van het bestreden arrest derhalve faalt; dat het tweede middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het arrest nr. 23.596 van 25 februari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Artikel 2. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-31.005-6/7 Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig augustus tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.005-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.947 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971110.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div