id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.948 Rolnummer: A. 192409/XIV-31167 Zaak: Arrest 206948 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-21 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:04 Fiche Arrest nr 206.948 van 26 augustus 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.948 van 26 augustus 2010 in de zaak A. 192.409/XIV-31.
- In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59 B tegen : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. FAVART, kantoor houdende te 4801 STEMBERT, Rue du Tombeux 43 ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, op 30 april 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 25.582 van 31 maart 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4528 van 5 juni 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 februari 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 maart 2010; XIV-31.167-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. MATTERNE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat P. FAVART en advocaat M. C. FRERE, die loco advocaat V. LURQUIN verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat op 18 juli 2008 aan de huidige verwerende partij een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten van de minister van Migratie- en Asielbeleid ter kennis wordt gebracht; Overwegende dat de huidige verwerende partij op 18 augustus 2008 tegen die beslissing een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 31 maart 2009 gegrond verklaart en het bevel om het grondgebied te verlaten vernietigt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van het enige middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 7, 39/65 en 52/3, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, (Vreemdelingenwet) van artikel 74, § 2, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenbesluit) en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur opwerpt; dat zij het bestreden arrest citeert en aanvoert dat daarin wordt voorbijgegaan aan het principe van artikel 52/3, § 2, van de Vreemdelingenwet en van artikel 74, § 2, van het Vreemdelingenbesluit, dat de beslissing tot het geven van een bevel om het grondgebied te verlaten volgens deze bepalingen een gebonden bevoegdheid is, dat de minister van Migratie- en Asielbeleid in dat geval niet anders vermag dan dergelijk bevel te geven, dat de verzoekende partij enkel te kennen heeft gegeven dat de repatriëring van de verwerende partij voorlopig niet kon worden uitgevoerd, dat de verzoekende partij, om zelf al dan niet een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven, geen rekening kan houden XIV-31.167-2/6 met het feit dat de verzoekende partij al dan niet van plan is om gevolg te geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten, dat de beschikking van de (voorzitter van de) rechtbank van eerste aanleg (te Verviers) bovendien geen enkel gevolg voor de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing, zijnde het bevel om het grondgebied te verlaten, heeft, dat het bevel om het grondgebied te verlaten de noodzakelijke en wettelijke resultante is van het feit dat de verwerende partij een asielaanvraag heeft ingediend terwijl zij was vastgehouden, dat een eventuele opschorting van de repatriëring geen enkel gevolg voor het rechtsgeldig genomen bevel om het grondgebied te verlaten heeft, dat de verwerende partij daarentegen onzorgvuldig handelt door geen vrijwillig gevolg te geven aan een bevel om het grondgebied te verlaten en dat de rechter in vreemdelingenzaken het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door te oordelen dat de verzoekende partij onzorgvuldig heeft gehandeld, terwijl zij op grond van artikel 52/3, § 2, van de Vreemdelingenwet en van artikel 74, § 2, van het Vreemdelingenbesluit verplicht was om een bijlage 13 quinquies af te geven; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het onderdeel herhaalt; 2.1.
- Overwegende dat in de uiteenzetting van het eerste onderdeel de schending van de aangevoerde bepalingen betreffende de motiveringsplicht niet aan de orde komt; dat het onderdeel enkel betrekking heeft op de vraag of de minister van Migratie- en Asielbeleid al dan niet een gebonden bevoegdheid had om een bevel om het grondgebied te verlaten te geven; Overwegende dat artikel 7, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, waarop het bevel om het grondgebied te verlaten dat tot het bestreden arrest heeft geleid was gesteund, als volgt luidt: “Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag, kan de Minister of zijn gemachtigde de vreemdeling die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen, bevel geven het grondgebied vóór een bepaalde datum te verlaten : 1/ wanneer hij in het Rijk verblijft zonder houder te zijn van de bij artikel 2 vereiste documenten; (...).”; Overwegende dat met het gebruik van het woord “kan” in die bepaling de mogelijkheid aan de bevoegde minister wordt gegeven om een bevel om het grondgebied te verlaten te geven, zonder dat er sprake is van een verplichting; dat er overigens geen bevel mag worden gegeven wanneer dat in strijd met een aantal verdragsrechtelijke bepalingen zou XIV-31.167-3/6 zijn, zoals artikel 3 van het E.V.R.M.; dat er dus geen sprake is van een gebonden bevoegdheid; dat de minister of zijn gemachtigde naar luid van artikel 52/3, § 2, van de Vreemdelingenwet “beslist (...) onmiddellijk bij het indienen van de aanvraag dat de vreemdeling valt onder de in artikel 7, eerste lid, 1/ tot 11/, of de in artikel 27, § 1, eerste lid, en § 3, bedoelde gevallen”; dat de beslissing dat de betrokkene onder de in artikel 7, eerste lid, bedoelde situaties “valt” uiteraard niet betekent dat de in artikel 7, eerste lid voorziene bevoegdheid daardoor een gebonden karakter krijgt; dat artikel 74, § 2, van het Vreemdelingenbesluit als lagere norm geen gebonden karakter kan geven aan de in artikel 7, eerste lid, van de Vreemdelingenwet vastgelegde bevoegdheid om een bevel om het grondgebied te verlaten te geven; dat het eerste onderdeel van het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat in het bestreden arrest op grond van bepaalde feitelijke gegevens is geoordeeld dat de huidige verzoekende partij de zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden door de huidige verwerende partij een bevel om het grondgebied te verlaten te geven; dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet vermag zelf in de beoordeling van de feiten te treden door die feitelijke appreciatie over te doen; dat de verzoekende partij zich beperkt tot een algemene bewering maar niet aantoont dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beoordeling zou hebben gedaan die in strijd met de inhoud van het zorgvuldigheidsbeginsel is; dat het eerste onderdeel van het enige middel in die mate, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel van het enige middel de schending van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet, van “het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht” en van “het rechtens vereiste belang bij het indienen van een annulatieberoep tegen een administratieve beslissing” opwerpt; dat zij de motivering uit het bestreden arrest betreffende de ontvankelijkheid citeert en aanvoert dat haar exceptie van gebrek aan belang zonder afdoende motivering is verworpen, dat de huidige verwerende partij geen belang bij haar beroep tot schorsing en nietigverklaring van het bevel om het grondgebied te verlaten had, dat een eventuele schorsing of nietigverklaring immers geen einde aan de illegale verblijfstoestand van de huidige verwerende partij zou maken, temeer daar haar oorspronkelijk op grond van artikel 74, § 2, van het Vreemdelingenbesluit een bijlage 13 quinquies werd betekend, hetgeen een gebonden bevoegdheid uitmaakt, dat na een eventuele nietigverklaring een nieuw bevel om het grondgebied te verlaten aan de huidige verwerende partij zou moeten worden betekend en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daar echter volkomen abstractie van heeft gemaakt en zelfs heeft XIV-31.167-4/6 geoordeeld dat het niet ter zake doet of de eventuele vernietiging of schorsing van het bestreden bevel gevolgen heeft voor de verblijfstoestand van de huidige verwerende partij en dat artikel 7 van de Vreemdelingenwet enkel de mogelijkheid voorziet van een bevel om het grondgebied te verlaten, zonder dat het een gebonden bevoegdheid betreft; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie het onderdeel herhaalt; 2.2.
- Overwegende dat in het bestreden arrest onder meer wordt overwogen dat “uit de formulering van het artikel (7 van de Vreemdelingenwet) blijkt dat het geenszins om een gebonden bevoegdheid van de minister van Migratie- en Asielbeleid (gaat), maar dat de minister van Migratie- en Asielbeleid enkel de mogelijkheid heeft een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven in de gevallen bepaald in artikel 7 van de Vreemdelingenwet” en dat “gezien daarenboven de motieven van een bevel om het grondgebied te verlaten ook kennelijk onredelijk kunnen zijn, verzoeker wel degelijk een belang bij de eventuele vernietiging en/of schorsing van de bestreden beslissing (heeft)”; dat daarmee op de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgeworpen exceptie van gebrek aan belang wordt geantwoord en dat aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet vastgelegde motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen is voldaan; dat het tweede onderdeel van het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat uit de behandeling van het eerste onderdeel reeds blijkt dat in het bestreden arrest op wettige wijze is vastgesteld dat het in casu niet om een gebonden bevoegdheid ging om een bevel om het grondgebied te verlaten te geven, zodat de huidige verwerende partij wel degelijk het vereiste belang had bij haar beroep tot schorsing en tot nietigverklaring van dat bevel; dat het tweede onderdeel van het enige middel ook in die mate ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XIV-31.167-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig augustus tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.167-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.