← België

Arrest 206968 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.968 Rolnummer: A. 192410/XIV-31211 Zaak: Arrest 206968 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-21 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:05 Fiche Arrest nr 206.968 van 26 augustus 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.968 van 26 augustus 2010 in de zaak A. 192.410/XIV-31.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 29 april 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 25.476 van 31 maart 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4703 van 10 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-31.211-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat S. BUYSSE verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 23 mei 2006 en zich op 24 mei 2006 vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 24 juli 2006 beslist dat de verzoekende partij niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend en niet voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet in aanmerking komt; Overwegende dat de verzoekende partij op 29 augustus 2006 tegen die weigeringsbeslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep met een arrest van 31 maart 2009 verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van art 39 van Richtlijn 2005/85 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus. Schending van de rechten van verdediging. Verzoeker meent dat hij geen daadwerkelijk rechtsmiddel heeft gehad tegen de weigerings- beslissing van de RW. Verzoeker stelt dat er zich een probleem voordoet op twee vlakken met name de termijn en de rechtsmacht van de RW.
  4. Wat betreft de termijn Verzoeker stelt dat art. 39 voornoemd geschonden is doordat de termijn om beroep in te stellen slechts 15 dagen is. Verzoekster stelt dat art. 39 hem het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel verschaft. Dat om te beoordelen of een rechtsmiddel effectief en daadwerkelijk is dient de termijn om beroep in te stellen voldoende te zijn ten einde hem in staat te stellen een beroep te kunnen instellen. Dat dit niet zo is. Dat het weliswaar noodzakelijk is dat er een beroepstermijn wordt ingeschakeld doch verzoeker meent dat de termijn te kort is om een onderbouwd beroep te kunnen indienen. Te meer daar verzoekster gehouden is in die periode van 15 dagen alle nieuwe bewijsele- menten te moeten voortbrengen welke de stelling van het CGVS kunnen weerleggen. Dat gezien XIV-31.211-2/9 de afstand tussen Dagestan en België groot is en de communicatiemiddelen beperkt. Dat redelijkerwijze verzoekster minstens een termijn zou moeten hebben van één maand om zijn beroep te kunnen voorbereiden. Dat zulks temeer van toepassing is daar de hoorplicht bij het CGVS niet van toepassing zou zijn en verzoeker niet in staat is te anticiperen op een eventuele negatieve beslissing. Dat om haar stelling te bekrachtigen verzoeker verwijst naarvolgende arresten van het Europees Hof van Justitie. Zie onder andere arrest C-255/00 van 24 september 2002 van het Hof van Justitie, arrest C-45/76 van 16 december 1976 van het Hof van Justitie. Dat verzoekster verwijst naar het feit dat gelijkaardige procedures met name procedures inzake gezinshereniging welke ook handelen over verblijf in het kader van Europese richtlijnen de termijn één maand bedraagt. Dat het Grondwettelijk Hof reeds moest vaststellen dat de termijn te kort is om beroep in te stellen. Dat in tegenstrijd met het Gemeenschapsrecht het Grondwettelijk Hof het niet noodzakelijk vond om deze schending onmiddellijk te vernietigen. Dat verzoeker meent dat zulks niet kan en de rechten van verdediging geschonden zijn. Het is niet omdat zij tijdig een beroep heeft kunnen indienen haar rechten van verdediging niet zijn geschonden. Een langere termijn houdt uiteraard in dat zij haar beroep beter zou kunnen voorbereiden. Het gebrek aan een correcte termijn houdt per definitie een schending in van de rechten van verdediging. Derhalve verzoekt zij de Raad van State volgende prejudiciële vraag te stellen. "Voldoet een termijn van vijftien dagen om een beroep bedoeld in artikel 39 van Procedurerichtlijn 2005/85 aan de vereisten van effectiviteit zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van justitie".
  5. Wat betreft de rechtsmacht Ook hier stelt verzoeker dat het gebrek aan volle rechtsmacht maakt dat art. 39 van de Procedurerichtlijn geschonden. Dat de ratio van art. 39 dezelfde is als deze van art. 13 EVRM. Dat verzoeker van mening is dat er reeds een schending kan zijn van art. 39 wanneer hij een "arguable claim" zou hebben. Dat zulks in elk geval is gezien het feit dat de tweede aanvraag in aanmerking genomen werd. Dat derhalve onderzocht dient te worden of verzoeker een daadwerkelijk rechtsmiddel heeft gehad. Dat zich de vraag dan opdringt welke reeds eerder aanbod kwam in huidig verzoekschrift met name of de "uitgebreide wettigheidscontrole" voldoende is om te stellen dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel voorhanden is. Dat in de rechtspraak van art. 13 EVRM blijkt dat de naargelang de aard van de materie de rechtsbescherming hoger dient te zijn. Dat in casu verzoeker van oordeel is dat de rechtsbe- scherming bij de RW tekort schiet gelet op het feit dat deze geen eigen onderzoeksbevoegdheid heeft, er geen mogelijkheid bestaat op repliek op de memorie van het CGSV, de equality of arms niet gegarandeerd is. Verzoeker meent dat een adequate rechtsbescherming verder gaat dan een loutere wettigheidcontrole en zeer zeker ook verder gaat dan de beweerde "volle rechtsmacht" die de RW volgens het grondwettelijk hof zou hebben quod non. Daarbij valt op dat deze eisen kunnen variëren al naar gelang het recht dat in het geding is. Bij zeer fundamentele rechten (zoals het recht op leven en het folterverbod) worden zwaardere eisen gesteld aan de rechtsbescherming. Zo wordt er in zaken waarin het gaat om vermeende schendingen van artikel 2 (recht op leven) en artikel 3 (folterverbod) EVRM aangenomen dat uit deze artikelen al dan niet in combinatie met artikel 13 EVRM een (positieve) verplichting voor de nationale autoriteiten voortvloeit tot een grondig en effectief (feiten)onderzoek . Dat deze onderzoeksbevoegdheid eveneens dient te gelden voor de administratieve rechtbanken belast met de beoordeling van zulke zaken. Dat voor zover hieromtrent onduidelijkheid bestaat verzoeker de Raad van State verzoekt volgende prejudiciële vraag te stellen: "Voldoet een administratieve rechtbank zonder eigen onderzoeksbevoegdheid aan de vereisten van artikel 39 van Procedurerichtlijn 2005/85 meer bepaald aan de vereisten van effectiviteit zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van justitie.".”; XIV-31.211-3/9 2.1.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.1.
  7. Overwegende, wat betreft de termijn om beroep in te stellen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij heeft nagelaten te reageren op de nota van de verwerende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en op de beschikking van de kamervoorzitter van 23 februari 2009 waarin werd gewezen op het feit dat er een probleem was wat de tijdigheid van het verzoekschrift betreft; dat uit het proces-verbaal van de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 16 maart 2009 evenmin blijkt dat de verzoekende partij ter terechtzitting enige opmerking gemaakt heeft over de beroepstermijn van vijftien dagen; dat het middel in die zin dan ook een nieuw middel betreft dat niet voor het eerst kan worden aangevoerd in de graad van administratieve cassatie; dat ten overvloede kan worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 artikel 154 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft vernietigd maar dat de gevolgen van artikel 39/57, eerste lid, van de Vreemdelingenwet, ingevoerd met het voornoemde artikel 154 van de wet van 15 september 2006, gehandhaafd blijven tot 30 juni 2009; dat, waar de verzoekende partij aanvoert dat de afstand tussen Dagestan en België groot is, deze kritiek niet dienstig is nu de verzoekende partij beweert van Irak afkomstig te zijn; dat het eerste middel in die mate, en voor zover ontvankelijk, ongegrond is; Overwegende dat uit de bovenstaande bespreking blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten tijde van het bestreden arrest nog toepassing diende te maken van de beroepstermijn van 15 dagen zoals voorzien in artikel 39/57 van de Vreemdelingenwet; dat in het bestreden arrest dan ook terecht wordt vastgesteld dat het verzoekschrift buiten deze termijn werd ingediend en de verzoekende partij dit op geen enkele wijze tracht te weerleggen; dat het tweede onderdeel van het eerste middel betrekking heeft op de onderzoeksbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en aldus de behandeling ten gronde betreft; dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet dienstig wordt aangevoerd nu het bestreden arrest enkel betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het beroep; dat het eerste middel in die mate niet-ontvankelijk is; XIV-31.211-4/9 2.2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 15, sub c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, gelezen in samenhang met artikel 2, sub e, van deze richtlijn en de artikelen 48/2, 48/4 en 49/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij wet van 15 september 2006: Doordat de bestreden beslissing de subsidiaire bescherming geweigerde terwijl uit het dossier zelf blijft dat de toestand problematisch is (zie handgeschreven bemerkingen op het ontwerp van het Arrest waarin gesteld wordt dat deze passage in het Arrest dient geschrapt te worden omdat dit gevaarlijk is voor de Raad van State) Dat de Raad stelt : Uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op 26 juli 2006 bij aangetekende brief verstuurd werd naar de door de verzoekende partij gekozen woonplaats. Naar luid van het destijds vigerende artikel 57/11, § 1, tweede lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen diende het beroep tegen deze beslissing bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te worden ingesteld binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen het is gericht. De kennisgeving, verzonden bij aangetekende brief, wordt bij gebrek aan tegenbewijs geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post. De bewering van de verzoekende partij dat de bestreden beslissing op 16 augustus 2006 betekend werd, wordt niet in het minst gestaafd of aannemelijk gemaakt, en is bijaldien niet dienstig. De termijn vervat in voormeld artikel 57/11, § 1, tweede lid, is van openbare orde en moet strikt worden toegepast. Terwijl opdat sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, het niet noodzakelijk is dat deze persoon aantoont dat hij specifiek wordt geviseerd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden; Terwijl opdat sprake is van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van degene die om subsidiaire bescherming verzoekt, het niet noodzakelijk is dat deze persoon aantoont dat hij specifiek wordt geviseerd om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden; bij wijze van uitzondering kan een dergelijke bedreiging worden geacht aanwezig te zijn wanneer de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde conflict, die wordt beoordeeld door de bevoegde nationale autoriteiten waarbij een verzoek om subsidiaire bescherming is ingediend of door de rechters van een lidstaat bij wie beroep is ingesteld tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek, dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico op die bedreiging zou lopen. Het is evenwel zo dat de rechten van verzoekende partij zijn in zijn land van herkomst niet gevrijwaard zijn. Dit blijkt duidelijk uit het dossier. Terwijl uit de bijgevoegde nota van het CGVS de toestand blijkt in Irak. Deze nota wordt gebruikt om de toekenning van de subsidiaire bescherming te staven, terwijl de inhoud juist niet onderzocht werd door de Raad. Zodat de Raad ten onrechte motiveerde tot de verwerping van de subsidiaire bescherming en artikel 15, sub c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van XIV-31.211-5/9 de verleende bescherming, gelezen in samenhang met artikel 2, sub e, van deze richtlijn en de artikelen 48/2, 48/4 en 49/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij wet van 15 september 2006 geschonden werden.”; 2.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte de subsidiaire beschermingsstatus weigert; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan het feit dat in het bestreden arrest wordt besloten tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens de laattijdigheid ervan en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook geen uitspraak ten gronde over de subsidiaire beschermingsstatus heeft gedaan; dat het tweede middel niet- ontvankelijk is; 2.3.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Schending van artikel 13 EVRM in combinatie met art. 3 EVRM. Verzoeker meent dat ook uit artikel 13 van het EVRM een kan afgeleid worden dat er sprake dient te zijn van volle rechtsmacht met een eigen onderzoeksbevoegdheid. Art. 13 garandeert effectieve nationale rechtsbescherming met betrekking tot de rechten neergelegd in het EVRM en heeft daarmee - net als artikel 14 EVRM - een accessoir (afhankelijk) karakter. Samen met artikel 1 EVRM (de algemene verzekeringsplicht) en artikel 35 EVRM (de verplichting effectieve nationale rechtsmiddelen uit te putten alvorens bij hem te klagen) garandeert artikel 13 EVRM het subsidiaire karakter van het Straatsburgse toezicht. Anders dan de letterlijke verdragstekst suggereert, is voor de toepasselijkheid van artikel 13 EVRM niet vereist dat al een schending van het samen ermee ingeroepen verdragsrecht is geconstateerd
  12. Voldoende is een verdedigbare bewering ('arguable claim') dat sprake is van een schending van verdragsrechten.2 Verzoeker meent dat hij effectief een "arguable claim" heeft. Dat zulks in elk geval kan afgeleid worden uit het feit dat zijn tweede asielaanvraag in overweging werd genomen en er dus effectief nieuwe elementen voorhanden zijn. Dat er derhalve sprake is van een arguable claim. Dat de vraag of art. 3 EVRM geschonden zou zijn impliciet maar zeker werd afgewezen door de afwijzing van de asielaanvraag. Dat immers de beoordeling van de asielaanvraag door de RW tot gevolg heeft dat gezien art. 75 § 2 van het KB Vreemdelingen gedaagde meteen en automatisch een bevel dient af te leveren. Dat "deze automatische gevolgen" maken dat verzoeker dient te terug te keren naar zijn land van herkomst of in België in de clandestiniteit moet verblijven. Dat beide een schending opleveren van art. 3 EVRM of minstens een arguable claim over een schending van art. 3 EVRM. Dat het automatisch afleveren van dit bevel (hetgeen trouwens wordt bevestigd in de rechtspraak van de RW waaruit blijkt dat het beroep tegen zulks een bevel onontvankelijk is) maakt dat de enige beoordeling van art. 3 EVRM dient te gebeuren door het CGVS of de RW. Dat indien zulks niet het geval zou zijn in elk geval art. 13 EVRM geschonden is. Verzoeker meent dat een adequate rechtsbescherming verder gaat dan een loutere wettigheidcontrole en zeer zeker ook verder gaat dan de beweerde "volle rechtsmacht" die de XIV-31.211-6/9 RW volgens het grondwettelijk hof zou hebben quod non. Daarbij valt op dat deze eisen kunnen variëren al naar gelang het recht dat in het geding is. Bij zeer fundamentele rechten (zoals het recht op leven en het foltverbod) worden zwaardere eisen gesteld aan de rechtsbescherming. Zo wordt er in zaken waarin het gaat om vermeende schendingen van artikel 2 (recht op leven) en artikel 3 (folterverbod) EVRM aangenomen dat uit deze artikelen al dan niet in combinatie met artikel 13 EVRM een (positieve) verplichting voor de nationale autoriteiten voortvloeit tot een grondig en effectief (feiten)onderzoek . Dat deze onderzoeksbevoegdheid eveneens dient te gelden voor de administratieve rechtbanken belast met de beoordeling van zulke zaken. In het kader van artikel 13 EVRM volgt een ondergrens voor de rechterlijke toetsing uit de uitspraak in de zaak Chahal t Verenigd Koninkrijk In deze zaak was een uitzetting van een vreemdeling op grond van het nationale veiligheidsbelang aan de orde als gevolg waarvan de betrokken rechter slechts een zeer beperkte toetsing kon verrichten. Hij had onvoldoende beschikking over de relevante feiten en het bewijsmateriaal. Ook kon hij niet zelfstandig toetsen of de betreffende persoon bij uitlevering het risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM (folterverbod). Volgens het Hof werd daarmee niet voldaan aan de vereisten van artikel 13 EVRM: '
  13. In the present case, neither the advisory panel nor the courts could review the decision of the Home Secretary to deport Mr Chahal to India with reference solely to the question of risk, leaving aside national security considerations. On the contrary, the courts' approach was one of satisfying themselves that the Home Secretary had balanced the risk to Mr Chahal against the danger to national security (...). It follows from the above considerations that these cannot be considered effective remedies in respect of Mr Chahal's Article 3 complaint for the purposes of Article 13 of the Convention.'3 De uitspraak van het EHRM in de zaak Jabari t. Turkije maakt duidelijk dat verdragsstaten en de betrokken nationale rechters indringend ('independent and rigorous') moeten toetsen of de uitzetting van een vreemdeling leidt tot het ontstaan van een risico van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM: '
  14. In the Court's opinion, given the irreversible nature of the harm that might occur if the risk of torture or ill-treatment alleged materialised and the importance which it attaches to Article 3, the notion of an effective remedy under Article 13 requires independent and rigorous scrutiny of a claim that there exist substantial grounds for fearing a real risk of treatment contrary to Article 3 and the possibility of suspending the implementation of the measure impugned. Since the Ankara Administrative Court failed in the circumstances to provide any of these safeguards, the Court is led to conclude that the judicia! review proceedings relied on by the Government did not satisfy the requirements of Article 13.'4 In de ontvankelijkheidsbeslissing in de zaak T./. t. Verenigd Koninkrijkgeeft het Hof een bruikbare samenvatting van zijn jurisprudentie terzake: The Court recalls that Article 13 of the Convention guarantees the availability at the national level of a remedy to enforce the substance of the Convention rights and freedoms in whatever form they might happen to be secured in the domestic (...) order. (...) The scope of the obligation under Article 13 varies depending on the nature of the applicant's complaint under the Convention. Nor does the effectiveness of a remedy for the purposes of Article 13 depend on the certainty of a favourable outcome for the applicant (...). Assuming that the applicant's complaints disclosed an "arguable" claim for the purposes of Article 13 of the Convention, the Court notes that in previous cases it has found judicial review proceedings to be an effective remedy in relation to complaints raised under Article 3 in the contexts of deportation and extradition (...). In those cases, it was satisfied that English courts could effectively control the legality of executive discretion on substantive and procedural grounds and quash decisions as appropriate. It was also accepted that a court in the exercise of its powers of judicia! review would have power to quash a decision to expel or deport an individual to a country where it was established that there was a serious risk of inhuman or degrading treatment on the ground that in all the circumstances of the case the decision was one that no reasonable Secretary of State could take. The Court finds no reason to differ in the present case. The applicant was able to challenge in judicia! review proceedings the reasonableness of the Secretary of State's decision to issue a certificate to remove him to Germany pursuant to the arrangements reached under the Dublin Convention. His arguments XIV-31.211-7/9 concerning, inter alfa, whether Germany could be regarded as a safe third country due to the authorities' approach to the burden of proof were considered by the Court of Appeal but rejected as unfounded. The recent case of Adnan, Subaskaran and Aitsegueralso indicates that the English courts will take into account the way in which allegedly safe third countries comply with their obligations under the Geneva Convention in assessing whether the Secretary of State is entitled to order removal to such countries. In this respect, the examination of the English courts will go further than this Court, since under domestic law an applicant may claim a right to asylum which is not guaránteed by the European Convention of Human Rights. While the applicant relies on the Smith and Grady judgment, this concerned an area of discretionary policy in the armed forces where the threshold at which the courts could find the policy irrational was placed so high as to exclude any effective consideration of the key issues in the case. The Court is satisfied that in the present case the substance of the applicant's complaint under the Convention - whether the Secretary of State could order his removal to Germany - did fall within the scope of examination of the courts, which had the power to afford him the relief which he sought.' Samengevat meent verzoeker dat zowel dat de RW in zijn "volle rechtsmachtbeoordeling" de schending op een mogelijke schending van art. 3 EVRM dient te weren en dit dient te blijken uit de motivering. Dat indien zulks niet het geval is meent verzoeker dat art. 13 EVRM geschonden is. Dat in concreto verzoeker meent dat er geen adequate rechtsbescherming wordt geboden door de RW daar klaarblijkelijk deze geen enkele afweging maakt inzake de mogelijke schending van art. 3 EVRM. Dat zij bovendien niet beschikt over voldoende "volle rechtsmacht" in de zin van art. 13 waarbij opnieuw de adequaatheid van de rechtsbescherming in vraag gesteld kan worden.”; 2.3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.3.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij in het derde middel aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen adequate rechtsbescherming biedt daar deze geen enkele afweging maakt inzake de mogelijke schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bovendien niet beschikt over voldoende volle rechtsmacht in de zin van artikel 13 van het E.V.R.M.; dat de kritiek van de verzoekende partij opnieuw de gegrondheid van haar beroep betreft terwijl het bestreden arrest tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep besluit; dat het derde middel niet- ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  17. Het beroep wordt verworpen. XIV-31.211-8/9 Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig augustus tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.211-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.968 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.