← België

Arrest 206981 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.981 Rolnummer: A. 191621/XIV-30961 Zaak: Arrest 206981 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:05 Fiche Arrest nr 206.981 van 26 augustus 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.981 van 26 augustus 2010 in de zaak A. 191.621/XIV-30.

  1. In zake : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antwerpsesteenweg 59 B tegen : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. BLOMME, kantoor houdende te 8820 TORHOUT, Vredelaan 25 -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid, op 26 februari 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 21.881 van 23 januari 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4133 van 12 maart 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 oktober 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 december 2009; XIV-30.961-1/18 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. JOPPEN, die loco advocaat C. DERCORDIER verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verwerende partij op 26 oktober 2007 een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9 bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Migratie- en Asielbeleid de aanvraag om machtiging tot verblijf op 16 mei 2008 niet-ontvankelijk verklaart; Overwegende dat de verwerende partij op 26 juni 2008 tegen die beslissing beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing met een arrest van 23 januari 2009 vernietigt; dat dit het bestreden arrest is; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van de artikelen 9 bis en 39/2, §2 van de Vreemdelingenwet en van “het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging” opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Verzoeker beroept zich in een eerste middel op een schending van: - art. 9 bis van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - art. 39/2, § 2 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: "Onderzoek van het beroep. 2.
  4. In een vierde middel werpt verzoeker de schending op van de motiveringsplicht. Verzoeker betoogt dat het duidelijk is dat de motivering van de bestreden beslissing totaal onrechtmatig is en het verzoek ontvankelijk diende verklaard te worden. In de bestreden beslissing wordt expliciet vermeld dat de verwerende partij reeds over een paspoort beschikt, maar dat verzoeker dient te bewijzen dat hij titularis is van dit stuk. De verwerende partij stelt met andere woorden dat eigenlijk de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde vervuld werd, aangezien zij over een paspoort beschikt, maar gaat nog een tweede document vragen waaruit zou moeten blijken dat verzoeker de titularis is van het destijds afgegeven paspoort. Deze argumentatie op basis waarvan elkeen die zijn paspoort afgeeft zou moeten bewijzen dat hij de titularis is van dit XIV-30.961-2/18 paspoort door voorlegging van een bijkomend document faalt ten zeerste, Er werd destijds aangedrongen dat verzoeker het paspoort zou afgeven, en nu hij het thans heeft afgegeven wordt het verzoek tot regularisatie geweigerd omdat hij niet meer over het paspoort beschikt. 2.
  5. De in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze. Het begrip "afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de gen omen beslissing. De bestreden beslissing bevat enerzijds volgende overweging: "Het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam P. 1 en nummer (.) bevat een reispas en een identiteitskaart dat in het verleden het dossier vervoegde", en anderzijds de volgende conclusie: "de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder de naam P. I. voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat toelaat hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk; gezien deze aanvraag anderzijds noch van een identiteitsstuk, noch van een geldige verschoning voor de afwezigheid ervan vergezeld is, is de documentaire ontvankelijkheicisvoorwaarde voor deze aanvraag dus niet vervuld". De bedoeling van artikel 9bis is een duidelijk kader te scheppen voor de aanvraag tot het verkrijgen van een machtiging tot verblijf, die een vreemdeling in buitengewone omstandighe- den indient bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Zo wordt duidelijk bepaald dat een identiteitsdocument, zijnde een paspoort of daarmee gelijkgestelde reistitel, onontbeerlijk is: de machtiging tot verblijf kan niet anders dan onontvankelijk verklaard worden indien iemands identiteit onzeker is. Er dient vermeden te worden dat verblijfsvergunningen dienen om de (gewilde) onduidelijkheid over de identiteit te gaan regulariseren. Hiervan dienen onderscheiden te worden twee situaties, waarin de overlegging van een identiteitsdocument niet noodzakelijk is: - de situatie van de asielzoeker wiens asielaanvraag nog niet definitief werd afgewezen of wiens cassatieberoep bij de Raad van State hangende is overeenkomstig artikel 20 (nieuw) van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; - de situatie van een vreemdeling die aantoont dat het onmogelijk is om het vereiste document in België te verwerven (Ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 15 december1980 betreffende de toegang tot grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen„ Pari. St. Kamer 2006-2007, nr. 2478/001, p. 33). De bedoeling van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet is echter niet dat de vreemdeling bewijst dat hij titularis is van het identiteitsdocument dat hij heeft voorgelegd. Door in de bestreden beslissing te overwegen dat "Het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam P.,
  6. en nummer (.) een reispas en een identiteitskaart (bevat) dat in het verleden het dossier vervoegde; de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder de naam P,
  7. voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat toelaat hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk", geeft de verwerende partij expliciet toe dat zij een identiteitsdocument in haar bezit heeft dat de naam van verzoeker bevat. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing derhalve toe dat de voorwaarde dat een identiteitsdocument onontbeerlijk is, werd voldaan, maar stelt verder op kennelijk onredelijke wijze dat verzoeker niet aantoont dat hij de titularis is van dit document. Verzoeker maakt met zijn betoog dat "de verwerende partij zelf (stelt) dat eigenlijk de documentaire ontvankelijk- heidsvoorwaarde vervuld werd" aannemelijk dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet onontvankelijk te verklaren. Het vierde middel is in de besproken mate gegrond" Verweerder (oorspronkelijk verzoeker) heeft op 9.7.2007 een aanvraag ingediend om machtiging tot verblijf in toepassing van art. 9 bis van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Art. 9bis §1 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 luidt als volgt: XIV-30.961-3/18 "§
  8. In buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, kan de machtiging tot verblijf worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Deze maakt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. Indien de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf toekent, zal de machtiging tot verblijf in België worden afgegeven. De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op: - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop het beroep niet toelaatbaar wordt verklaard; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont." Verweerder heeft in zijn aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend bij schrijven dd. 9.7.2007, geen enkele uitleg gegeven omtrent het ontbreken van een identiteitsdocument. In antwoord op de niet-voorlegging van een identiteitsdocument heeft de gemachtigde in zijn beslissing dd. 16.5.2008 het volgende gesteld: "Het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam XXX en nummer XXX bevat een identiteitskaart dat in het verleden het dossier vervoegde; de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder de naam XXX, voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat toelaat hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk; gezien deze aanvraag anderzijds noch van een identiteitsstuk noch van een geldige verschoning voor de afwezigheid ervan vergezeld is de documentaire ontvankelijkheids- voorwaarde voor deze aanvraag dus niet vervuld" Hierop heeft verweerder een vordering tot schorsing en annulatieberoep ingediend bij de Raad van State, waarbij hij zich ertoe beperkt: In het verzoekschrift beperkte verweerder er zich toe in eerste instantie te stellen, en dit op een vrij summiere wijze, dat : - 'hij reeds in het verleden de nodige identiteitsdocumenten heeft voorgelegd' - " het lichtzinnig is dat zij zou moeten bewijzen dat zij de titularis is van de reeds in het bezit van de verwerende partij zijnde identiteitsstukken, terwijl verwerende partij ongetwijfeld kennis heeft gekregen van zowel het verzoekschrift hoger beroep van verzoeker als van de bijgevoegde stukken, waaronder een kopie van de desbetreffende identiteitsdocumenten." - doch waarbij verweerder niet verder ingaat op het identiteitsdocument dat zich reeds in het administratief dossier bevindt, - noch zelfs maar poogt voor te houden dat de door verweerder bij zijn aanvraag om machtiging tot verblijf voorgelegde documenten wel toelieten om hem te vereenzelvigen met het reeds in het dossier aanwezige identiteitsdocument, In het bestreden arrest verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vooreerst naar zijn beperkte bevoegdheid als annulatierechter bij de beoordeling van de formele motiveringsplicht, en vervolgens naar de memorie van toelichting bij de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Hierin wordt nopens artikel 9bis van de wet dd. 15.12.1980 vermeld (Pari. St., Kamer, 20052006, nr. 2478/001, 33): "Zo wordt duidelijk bepaald dat een identiteitsdocument, zijnde een paspoort of daarmee gelijkgestelde reistitel, onontbeerlijk is: de machtiging tot verblijf kan niet anders dan onontvankelijk verklaard worden indien iemands identiteit onzeker is. Er dient vermeden te worden dat verblijfsvergunningen dienen om de (gewilde) onduidelijkheid over de identiteit te gaan regulariseren." De ratio legis van dit wetsartikel bestaat aldus hierin dat zekerheid wordt bekomen over de identiteit van de persoon die de aanvraag indient. De rechter in vreemdelingenzaken heeft evenwel geoordeeld dat "De bedoeling van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet is echter niet dat de vreemdeling bewijst dat hij titularis is van het identiteitsdocument dat hij heeft voorgelegd. Door in de bestreden beslissing te overwegen dat "Het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam P., I. en nummer XIV-30.961-4/18 (.) een reispas en een identiteitskaart (bevat) dat in het verleden het dossier vervoegde; de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder de naam P, I. voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat toelaat hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk", geeft de verwerende partij expliciet toe dat zij een identiteitsdocu- ment in haar bezit heeft dat de naam van verzoeker bevat. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing derhalve toe dat de voorwaarde dat een identiteitsdocument onontbeerlijk is, werd voldaan, maar stelt verder op kennelijk onredelijke wijze dat verzoeker niet aantoont dat hij de titularis is van dit document. Verzoeker maakt met zijn betoog dat "de verwerende partij zelf (stelt) dat eigenlijk de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde vervuld werd" aannemelijk dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet onontvankelijk te verklaren" De rechter in vreemdelingenzaken verwijst daarbij naar de identiteitsstukken die zich reeds in het administratief dossier bevonden, en stelt verder dat verzoeker expliciet toegeeft dat zij een identiteitsdocument in haar bezit heeft dat de naam van verzoeker bevat. Verzoekende partij is de mening toegedaan dat dergelijk oordeel tot stand is gekomen met miskenning van artikel 9bis van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Immers, en zoals hoger reeds uiteengezet, werd artikel 9bis voormeld in het leven geroepen om zekerheid te kunnen bekomen over de identiteit van de aanvrager. Daarbij kan niet volstaan worden met de loutere vaststelling dat er zich reeds een identiteitsdo- cument in het administratief dossier bevindt. Conform de Omzendbrief van 21 juni 2007 betreffende de wijzigingen in de reglementering betreffende het verblijf van vreemdelingen tengevolge van de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006 verloopt de aanvraag- procedure als volgt: "Een kopie van het identiteitsdocument, of de motivering waarom de betrokkene in voorkomend geval zou vrijgesteld zijn van deze verplichting, dient opgenomen te zijn in de verbijfsaanvraag”. Deze vereiste wordt terecht gesteld, nu, bij ontstentenis daarvan, de fraudemogelijkheid evident is. Immers dient vooreerst te worden verhinderd dat een persoon zich uitgeeft als zijnde een vreemdeling waarover reeds een administratief dossier werd opgesteld, en wiens identiteitskaart zich reeds in dit administratief dossier zou bevinden, voorhoudende dat hij deze titularis van het dossier is. Terwijl bovendien, zelfs indien de betrokkene dezelfde persoon mocht zijn als de titularis van het dossier, het gegeven dat deze persoon vele jaren geleden een identiteitsdocument heeft voorgelegd, iet impliceert dat deze persoon nog steeds dezelfde nationaliteit heeft. Het staat dan ook vast dat de verzoekende partij die een aanvraag om machtiging tot verblijf indient in toepassing van art. 9 bis van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, het identiteitsdocument, dan wel de motivering die hem hiervan vrijstelt, bij zijn aanvraag dient te voegen. De bewijslast, voor het voldaan zijn aan de vereiste te beschikken over een identiteitsdocument dan wel van het feit dat hij zich in één van de gevallen bevindt waar deze voorwaarde geen toepassing vindt, rust op de aanvrager. De vreemdeling moet klaar en duidelijk in zijn aanvraag vermelden welke de concrete redenen zijn die hem verhinderen een identiteitsstuk toe te voegen aan zijn aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van art. 9 bis van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Uit zijn uiteenzetting moet duidelijk blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat. Dit blijkt duidelijk uit de wettekst van artikel 9 bis van de wet, die als volgt luidt: "§ I. In buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, kan de machtiging tot verblijf worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Deze maakt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. Indien de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf toekent, zal de machtiging tot verblijf in België worden afgegeven. XIV-30.961-5/18 De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op: - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop het beroep niet toelaatbaar wordt verklaard; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont." Ook in de omzendbrief van 21.06.2007 betreffende de wijzigingen in de reglementering betreffende het verblijf van vreemdelingen tengevolge van de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006, waarnaar verzoeker andermaal dient te verwijzen, wordt dit standpunt bevestigd (vetschrift en onderlijning toegevoegd): "Een kopie van het identiteitsdocument, of de motivering waarom de betrokkene in voorkomend geval zou vrijgesteld zijn van deze verplichting, dient opgenomen te zijn in de verblijfsaanvraag" (onder II.C.1.b). "Wanneer er geen buitengewone omstandigheden aanwezig zijn, of wanneer identiteitsdocumenten niet bij de aanvraag gevoegd werd of de reden van hun afwezigheid niet werd meegedeeld, verklaart de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag onontvankelijk" (onder II.C.2.b.1)) Deze zienswijze sluit aan bij de uitdrukkelijke wil van de wetgever dienaangaande, zoals ook blijkt uit de voorbereidende werken van de wet van 15.09.2006 (zie o.m. de memorie van toelichting van artikel 4 van september 2006, en in het analoge artikel 7 van het koninklijk besluit van 17 mei). De omzendbrief van 21.06.2007 steunt zich overigens uitdrukkelijk op deze voorbereidende werken. Het is dan ook niet toegelaten om zijn identiteit in etappes te bewijzen, of pas nadien een a posteriori motivering toe te voegen, dewelke niet was opgenomen in de aanvraag om machtiging tot verblijf. In casu heeft verweerder, oorspronkelijk verzoeker in zijn aanvraag geen enkele verantwoording gegeven nopens het feit dat er geen identiteitsdocument werd gevoegd bij de aanvraag. Trouwens, ook in zijn verzoekschrift tot schorsing en nietigverklaring heeft oorspronkelijk verzoeker op geen enkele ogenblik verwezen naar de door hem aan zijn aanvraag toegevoegde documenten, waaruit de gemachtigde dan wel zou moeten hebben afgeleid dat betrokkene te vereenzelvigen viel met de titularis van het dossier met nr. 4921171 en op naam van XXX. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat "het niet de bedoeling is dat de vreemdeling bewijst dat hij titularis is van het identiteitsdocument dat hij heeft voorgelegd" is dit dan ook gebeurd met miskenning van (de ratio legis van) artikel 9bis van de wet dd. 15.12.
  9. Het eerste middel is gegrond.”; 2.1.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “A. BETREFFENDE EERSTE CASSATIE-MIDDEL. A.
  11. Situering middel. Het eerste cassatiemiddel van eisende partij in cassatie is gesteund op een schending van art. 9 BIS VW en wel in die zin dat artikel 9 BIS VW voorziet dat een kopie van het identiteitsdocument bij de aanvraag dient gevoegd te zijn en dit in casu niet is gebeurd zonder dat gemotiveerd werd waarom dit betrokkene in voorkomend geval vrijgesteld zou zijn van deze verplichting. Het middel wordt afsloten met de stellingname dat de argumentatie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen "dat het niet de bedoeling is dat de vreemdeling bewijst dat hij de titularis is van het identiteitsdocument dat hij heeft voorgelegd" in strijd zou zijn met (de ratio legis van) art. 9 BIS VW. A.
  12. Antwoord op middel. XIV-30.961-6/18
  13. Vooreerst dient vastgesteld dat er geenszins enig verband bestaat tussen de in dit middel ontwikkelde argumentatie enerzijds en de afsluitende stellingname in het middel anderzijds. Terwijl in het middel wordt geargumenteerd dat er een identiteitsdocument diende voorgelegd te worden, dan wel een reden diende opgegeven te worden waarom dit niet noodzakelijk is, werd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gesteld dat het niet de bedoeling van de wetgever was dat de vreemdelingen bij de voorlegging van een identiteitsdocument ook nog eens zou bewijzen dat hij de titularis is van dit stuk. M.a.w. het besluit van het middel dekt de lading niet. Er wordt geen enkele argumentatie ontwikkeld tegengesteld aan de overweging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat door de wetgever geen bewijs van titularis-zijn van een voorgelegd document wordt vereist.
  14. Bovendien dient vastgesteld dat de thans opgeworpen niet-voorlegging van het identiteitsdocument niet opgenomen geweest in de motivering van de beslissing van eisende partij in cassatie dd. 16.05.2008 waarbij in tegendeel werd gesteld dat er reeds een identiteitsdocument in haar bezit was op naam van dhr. XXX. Het valt hierbij op dat verwezen wordt in de beslissing dd. 16.05.2008 naar de referentie 4921171 weze net dezelfde referentie als in welk dossier er door eisende partij in cassatie erkend werd dat reeds een identiteitsdocument op de naam van verweren -de partij in cassatie aanwezig was. Er is maar één dossier op naam van verwerende partij in cassatie. Er kan geen twijfel bestaan over de juiste identiteit van verwerende partij in cassatie, gezien het identiteitstsdocument en temeer nog tal van andere stukken werden voorgelegd.
  15. Het feit dat eisende partij in cassatie al over het vereiste identiteitsdocument beschikte blijkt duidelijk uit de motivering van de beslissing dd. 18.05.
  16. Dit blijkt ook duidelijk uit het feit dat eisende partij in cassatie op een bepaald ogenblik de beslissing dd. 18.03.2008 waarin nog was gesteld geworden dat geen identiteitsdocument was gevoegd, werd ingetrokken nadat verwerende partij in cassatie had geargumenteerd in de procedure hoger beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als volgt: "Derde middel Bovendien is het zo dat (verwerende partij in cassatie) reeds in het verleden alle nodige identiteitsdocumenten heeft voorgelegd doch blijkbaar de vroeger ingediende verzoeken tot regularisatie en de mede gaande stukken niet meer werden bekeken door (eisende partij in cassatie). (Eisende partij in cassatie) was hier maar al te goed van op de hoogte, doch verkoos een negatieve beslissing te nemen eerder dan het één en ander te controleren dan wel bijkomende informatie te vragen, hetgeen gezien de ernst van de zaak onmogelijk kan getolereerd worden.". Deze argumentatie werd opgenomen in het verzoekschrift hoger beroep dd. 07.05.08 waarna dan op datum van 15.05.2008 alsnog de bestreden beslissing dd. 18.03.08 is ingetrokken geweest. Op datum van 18.05.2008 is eisende partij in cassatie dan op de proppen gekomen met de argumentatie dat zij wel reeds over een identiteitsdocument beschikte doch dat verzoeker diende te bewijzen dat hij de titularis was van dit document, weze een voorwaarde die nergens in de wet staat opgenomen.
  17. Het is met recht en reden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geoordeeld heeft dat er slechts één document moet worden voorgelegd, weze een identiteitsdocument dat reeds in het bezit was van eisende partij in cassatie, en dat geen tweede document dient voorgelegd worden, weze bewijs van het titularis-zijn van het document. Uit de eigen motivering van de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat eisende partij in cassatie reeds in het bezit was van het vereiste identiteitsdocument en dus de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde zoals door de wetgever voorpgesteld, in casu vervuld was. Hier dient nog aan toegevoegd worden dat dit identiteitsdocument samen met het verzoek tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de beslissing van eisende partij in cassatie dd. 18.03.2008 nogmaals werd voorgelegd en dus ter kennis was van eisende partij in cassatie, en er onmogelijk nog enige discussie kon bestaan vanaf dat ogenblik, aangezien het identiteitsdocument al tweemaal was medegedeeld door verwerende partij in cassatie nog voor de nieuwe beslissing dd. 18.05.
  18. XIV-30.961-7/18 Bovendien is het zo dat bij het verzoek tot regularisatie dd. 09.07.2007 de bijlage 26 bis gevoegd was, waarop zelfs de foto van verwerende partij op vermeld was, zodat dit ook bijkomend elke mogelijke discussie uitsluit. Er is in casu dan ook geen enkele tegenstrijdigheid te weerhouden met de (ratio legis van) art. 9 BIS VW.”; 2.1.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij het middel in de memorie van wederantwoord herhaalt en het volgende toevoegt: “Waar verweerder in zijn memorie van antwoord voorhoudt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat het volstaat dat hij het document heeft aangebracht en niet meer dient te bewijzen dat hij de titularis van het document, merkt verzoeker op dat verweerder voorbijgaat aan de essentie van het eerste middel van verzoeker. Essentieel is namelijk dat verweerder heeft nagelaten om bij zijn aanvraag een identiteitsdocument voor te leggen. De rechter in vreemdelingenzaken gaat bovendien in tegen de rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoeker verwijst hiervoor naar een arrest met nbr. 20.456 dd. 15.12.2008 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen : "In casu dient te worden vastgesteld dat in de aanvraag van 20 mei 2008 om, in toepassing van artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet, tot een verblijf gemachtigd te worden geen elementen aangebracht worden die aantonen dat de verzoekende partij in de onmogelijkheid is om identiteitsdocumenten te verwerven in België. Evenmin legt zij een afschrift neer van haar nationaal paspoort of haar identiteitskaart. Waar in de bestreden beslissing gesteld wordt dat "het administratief dossier gehouden door de Dienst Vreemdelingenzaken overigens een afschrift bevat van een paspoort op naam van M C. (..), doch dat de huidige aanvraag niet aantoont dat verzoekster dezelfde persoon is als de persoon waarvan onze diensten een afschrift van het paspoort bezitten" dient te worden opgemerkt dat betreffende overweging kadert in het onderzoek gevoerd door de overheid in het kader van de in artikel 9 ter, §1, derde lid van de Vreemdelingenwet gestipuleerde bepaling dat de voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument niet van toepassing is op de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont. Van de verzoekende partij wordt enkel gevraagd dat ze bij het indienen van haar aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet bewijst te voldoen aan de vereiste te beschikken over een verblijfsdocument, dan wel dat ze aantoont zich in een van de gevallen te bevinden waar deze voorwaarde geen toepassing vindt. Het feit dat de Dienst Vreemdelingenzaken in het bezit zou zijn van een dossier dat bekend staat onder naam M.C. met een daarbij gevoegd paspoort doet in casu geen afbreuk aan voorgaande vaststelling. Er dient nog op te worden gewezen dat de verzoekende partij niet toelicht hoe de gemachtigde van de minister, gelet op het risico van identiteitsusurpatie, met zekerheid kan weten of de persoon die een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsmachtiging indient tevens de persoon is die een paar jaar voordien met een destijds geldig paspoort voorzien van een geldig visum het Rijk binnenkwam, indien bij de aanvraag geen identiteitsstuk wordt gevoegd." Verzoeker heeft - in tegenstelling tot hetgeen verweerder en ook de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laat uitschijnen - niet aanvaard dat aan de voorwaarde dat een identiteitsdocument onontbeerlijk is, werd voldaan, door louter vast te stellen dat het dossier reeds een identiteitsstuk bevat op naam van verzoeker. Het bestreden arrest maakt een schending uit van artikel 9bis Vreemdelingenwet, art. 39/2, § 2 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Het eerste middel van verzoeker is gegrond.”; XIV-30.961-8/18 2.1.
  20. Overwegende dat artikel 9 bis, § 1, van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: “§
  21. In buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, kan de machtiging tot verblijf worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Deze maakt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. Indien de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf toekent, zal de machtiging tot verblijf in België worden afgegeven. De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op : - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop het beroep niet toelaatbaar wordt verklaard; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont.” Overwegende dat de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de minister van Migratie- en Asielbeleid van 16 mei 2008 als volgt is gemotiveerd: “Het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam XXX en nummer 4921171 bevat een reispas en een identiteitskaart dat in het verleden het dossier vervoegde; de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder naam XXX, voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat toelaat om hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk; gezien deze aanvraag anderzijds noch van een identiteitsstuk, noch van een geldige verschoning voor de afwezigheid ervan vergezeld is, is de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde voor deze aanvraag dus niet vervuld”; Overwegende dat artikel 9, bis, § 1, van de Vreemdelingenwet, waarvan de schending wordt opgeworpen, niet met zoveel woorden stelt dat een identiteitsdocument bij de aanvraag om machtiging tot verblijf zelf moet worden gevoegd, doch enkel “dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt”; dat de verzoekende partij in de beslissing van 16 mei 2008 zelf stelt dat er twee identiteitsdocumenten voorhanden zijn op naam van de huidige verwerende partij; dat die stukken inderdaad deel blijken uit te maken van het administratieve dossier op naam van de verwerende partij; dat de verzoekende partij zich daarom thans niet op het ontbreken van dergelijk document bij de aanvraag om machtiging tot verblijf kan beroepen; dat daaraan geen afbreuk wordt gedaan door de omzendbrief van 21 juni 2007 betreffende de wijzigingen in de reglementering betreffende het verblijf van vreemdelingen tengevolge van de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006, waarop de verzoekende partij zich nog beroept; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; XIV-30.961-9/18 Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het met het bestreden arrest kennelijk onredelijk heeft geacht om in de beslissing van 16 mei 2008 te stellen dat de huidige verwerende partij niet aantoont de titularis van de kwestieuze identiteitsdocumenten te zijn; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich daartoe steunt op het feit dat de huidige verzoekende partij in die beslissing van 16 mei 2008 zelf stelt dat zich identiteitsdocumenten in het dossier op naam van de huidige verwerende partij bevinden; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen als annulatierechter de bevoegdheid had om de houding van de huidige verzoekende partij al dan niet als kennelijk onredelijk te beoordelen; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest zijn marginale toetsingsbevoegdheid heeft overschreden; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt die beoordeling in de plaats van de annulatierechter over te doen; dat het eerste middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet op welke wijze de rechten van verdediging zouden zijn geschonden; dat het eerste middel in die mate niet- ontvankelijk is; 2.2.
  22. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, van artikel 39, § 2, en artikel 39/60 van de Vreemdelingenwet en van “het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging” opwerpt; dat zij dit als volgt toelicht: “Verzoeker beroept zich in een tweede middel op een schending van : - de artt 1319, 1320 en 1322 van het Burgerglijk Wetboek; - art. 39/2, § 2 en art. 39/60 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, afzonderlijk en in samenhang me de artt 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - art. 39/2, § 2 en art. 39/60 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Eerste onderdeel Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: "Door in de bestreden beslissing te overwegen dat "Het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam P.,
  23. en nummer (.) een reispas en een identiteitskaart (bevat) dat in het verleden hat dossier vervoegde; de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder de naam P, 1 voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat toelaat hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk", geeft de verwerende partij expliciet toe dat zij een identiteitsdocument in haar bezit heeft dat de naam van verzoeker bevat. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing derhalve toe dat de voorwaarde dat een identiteitsdocument onontbeerlijk is, werd voldaan, maar stelt verder op kennelijk onredelijke wijze dat verzoeker niet aantoont dat hij de titularis is van dit document. Verzoeker maakt met zijn betoog dat "de verwerende partij zelf (stelt) dat eigenlijk de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde vervuld werd" aannemelijk dat de gemachtigde XIV-30.961-10/18 van de minister van Migratie- en asielbeleid op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet onontvankelijk te verklaren" Door in zijn arrest voor te houden dat er in de oorspronkelijk bestreden beslissing wordt toegegeven dat verzoeker een identiteitsdocument in haar bezit heeft op naam van verzoeker, en dat hieruit blijkt dat verzoeker niet betwist dat het identiteitsdocument daadwerkelijk de persoon betreft die de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet indient, schendt de rechter in vreemdelingenzaken duidelijk de bewijskracht van de oorspronkelijk bestreden beslissing. Het loutere gegeven dat verzoeker in de oorspronkelijk bestreden beslissing stelt dat zij een identiteitsdocument in haar bezit heeft dat de naam van verzoeker bevat, betekent geenszins dat hiermee wordt toegegeven dat het identiteitsdocument aan de verweerder toebehoort. Verzoeker heeft hooguit gesteld dat zij in het bezit is van een identiteitsdocument waarop een naam staat, waarvan verweerder beweert dat het de zijne is. Hiermee werd door verzoeker geenszins toegegeven dat zij erkent dat het om dezelfde persoon zou gaan. Indien verzoeker vervolgens bij het nemen van de beslissing meldt: "het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam XXX en nummer 4921171 bevat een reispas en een identiteitskaart dat in het verleden het dossier vervoegde ; de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder naam XXX, voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat hem toelaat hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk." (eigen onderlijning) dan wordt hiermee op geen enkele wijze toegegeven of bevestigd dat dit één en dezelfde persoon betreft. Met het gebruik van de term "op naam van" geeft verzoeker enkel aan dat de namen van de titularis van het identiteitsdocument en de indiener van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet, dezelfde zijn. Verzoeker heeft in de oorspronkelijk bestreden beslissing op geen enkele wijze te kennen gegeven dat zij er vanuit gaat of aanneemt dat het om een en dezelfde persoon gaat. De rechter in vreemdelingenzaken leidt zelf uit het gebruik van het woord op naam van af dat verzoeker toegeeft, aanneemt en bewezen acht dat de titularis van het identiteitsdocument en verweerder één en dezelfde persoon betreffen en schendt hiermee de bewijskracht van de oorspronkelijk bestreden beslissing. De rechter in vreemdelingenzaken voegt een subjectieve interpretatie toe aan de inhoud van de oorspronkelijk bestreden beslissingen, terwijl er uit de inhoud van de bestreden beslissing niet objectief blijkt dat de veronderstelling/interpretatie van de rechter in vreemdelingenzaken, onmiskenbaar blijkt uit de lezing van de beslissing houdende de onontvankelijkheid van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9bis Vreemdelingenwet. De voormelde miskenning van de bewijskracht van deze akte dat dus samenhangt met de in dit onderdeel veronderstelde lezing van het bestreden arrest, maakt een schending uit van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel In het aangevochten arrest miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aard van het in casu bij hem ingestelde beroep en de grenzen die daaraan eigen zijn. Blijkens de bepaling van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 die er deze aard aan verleent en die door het bestreden arrest dus wordt geschonden, te weten art. 39/2, § 2, Vreemdelingenwet, is dit beroep immers, in tegenstelling tot het beroep met volle rechtsmacht dat kan worden ingesteld tegen de meeste beslissingen in asielzaken genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (cf. § 1 van het laatstvermelde wetsartikel), maar naar het beeld van het beroep ex art. 14, § 1, R.v.St.-Wet (zie Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, medio p. 98), een annulatieberoep. Een zodanig beroep behoort, overeenkomstig art. 39/60 Vreemdelingenwet, uitsluitend te worden beoordeeld aan de hand van de beperkende opgave van een of meer middelen die van meet af aan op een voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze worden uiteengezet in het inleidende verzoekschrift, derwijze dat de ingeroepen vernietigingsgronden in beginsel niet XIV-30.961-11/18 regelmatig kunnen worden uitgebreid in verdere schriftelijke of mondelinge fasen van de beroepsprocedure, noch door het betrokken administratieve rechtscollege in zijn beslissing, en zodanig dat wordt gewaarborgd dat, met eerbiediging van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, tegen alle aangevoerde grieven een nuttig verweer kan worden gevoerd. Betreffende de aard van de beroepen tot nietigverklaring die, met toepassing van art. 14, § 1, R.v.St.-Wet, bij de Raad van State kunnen worden ingesteld tegen de akten van de onderscheiden administratieve overheden, kan naar analogie nuttig worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld R.v.St. nr. 47.017, 25 april 1994, Arr. R.v.St. 1994; R.v.St. nr. 41.148, 25 november 1992, R.A.C.E. 1992). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt enkel of de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid in redelijkheid is kunnen komen tot de door hem gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. In het kader van de marginale toetsing die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt verricht kan de aangeklaagde onwettigheid slechts dan worden gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is (zie o.m. R.v.St. 17 januari 2007, nr. 166.820; R.v.St. 20 september 1999, nr. 82.301, www.raadvst-consetat.be). Wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Dit ook conform de vaste rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (zie o.m. R.v.V. nr. 1113 dd. 6.8.2007). Het komt daarbij allerminst aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toe om zich in de plaats te stellen van het bestuur en deze appreciatie over te doen. "3.
  24. Overwegende dat de Raad van State, beschikkende op het annulatieberoep gericht tegen het besluit waarbij de minister van Binnenlandse Zaken overeenkomstig artikel 8 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, uitspraak doet over de inschrijvingen in het bevolkingsregister, niet de bevoegdheid heeft om in de plaats van het bestuur vast te stellen waar iemand daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het ertoe strekt te laten vaststellen dat het gezin van verzoeker niet in Maasmechelen maar in Riemst verblijf" (R.v.St. 9 mei 2000, nr. 87.156, www.raadvst-consetat.be). Verzoeker dient vast te stellen dat de rechter in vreemdelingenzaken in het thans bestreden arrest deze annulatiebevoegdheid te buiten gaat. Immers, - door voor te houden dat de gemachtigde bij het nemen van zijn beslissing nopens de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet van verweerster dd. 16.5.2008, toegeeft dat het om één en dezelfde persoon gaat, - terwijl nergens in de bestreden beslissing te lezen staat dat verzoeker toegeeft dat ze weet dat het om één en dezelfde persoon gaat stelt de rechter in vreemdelingenzaken zich in de plaats van het bestuur, en gaat hij zijn bevoegdheid als annulatierechter duidelijk te buiten. Enkel het bestuur vermag te oordelen of de door betrokkene voorgelegde stukken van aard zijn vast te stellen dat de titularis van het identiteitsdocument en de indiener van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet , één en dezelfde persoon zijn. Zij heeft zich hierover in casu niet uitgesproken in de oorspronkelijk bestreden beslissing. Het komt allerminst aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toe — cf. supra — zich in de plaats te stellen van de Minister of zijn gemachtigde, en de appreciatie of de stukken die (oorspronkelijk verzoeker) voorlegt van aard zijn om vast te stellen dat twee opgegeven identiteiten één en dezelfde persoon betreffen. Door in het aangevochten arrest te insinueren dat de gemachtigde wist dat het een dezelfde persoon betreft, gaat de rechter in vreemdelingenzaken dan ook duidelijk zijn bevoegdheid te boven. Zulks vormt uiteraard een fundamentele aantasting van de bestuurlijke beoordelingsvrijheid. XIV-30.961-12/18 De rechterlijke macht vermag niet aan de administratieve overheid haar beoordelingsvrijheid te ontnemen en zich aldus in de plaats te stellen van deze instanties die wettelijk bevoegd zijn om het recht op verblijf van vreemdelingen toe te kennen (Cass., 19 april 1991, R. W, 199192, 86). Gelet op het voorgaande staat het vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de grenzen van zijn annulatiebevoegdheid heeft overschreden en aldus heeft geoordeeld in strijd met artikel 39/2 §2 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Tevens heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met miskenning van de grenzen van het bij hem aanhangig gemaakte annulatieberoep, de initieel bestreden administratieve beslissing vernietigd op grond van motieven die een uitbreiding uitmaken van de door (verzoeker) huidig verweerster in zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingeroepen vernietigingsgronden, zodat art. 39/60 van de wet dd. 15.12.1980, evenals het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, geschonden zijn. Het tweede middel van verzoeker is gegrond.”; 2.2.
  25. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Verwerende partij is van oordeel dat dit middel gebaseerd is op een verkeerde lezing van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangezien nergens in dit arrest gesteld wordt dat eisende partij in cassatie toegeeft dat het om één en dezelfde persoon gaat. Er wordt integendeel in het arrest terecht gesteld enerzijds dat eiseres in cassatie erkent dat zij een identiteitsdocument reeds in haar bezit heeft op naam van verwerende partij in cassatie en anderzijds op kennelijk onredelijke wijze stelt dat verwerende partij niet aantoont dat hij de titularis is van dit document. M.a.w. op basis van de voorliggende gegevens in het dossier kon eisende partij in cassatie niet op redelijke wijze besluiten dat verwerende partij niet de titularis is van het desbetreffende document. Deze overweging is volledig correct in het licht van het volledig dossier, de voorgaanden, de overige gevoerde procedures, de intrekking van de beslissing dd. 18.03.08, enz. Er werd door verwerende partij in cassatie verwezen naar zijn asielrelaas, zijn vroegere aanvragen regularisatie, op het feit dat hij gedurende zes jaar in het LOI Torhout had verbleven, op zijn huwelijk met mevr. XXX, op medische problematiek, enz. De kennelijke onredelijkheid is nog manifester dit gezien het feit dat verwerende partij in cassatie nog voorafgaand aan de negatieve beslissing dd. 18.05.2008 al een tweede maal het nodige identiteitsdocument had neergelegd, en er dus ook geen enkele discussie meer kon zijn dat hij de titularis was van het identiteitsdocument dat al een eerste maal was neergelegd en zich reeds in het bezit bevond van eisende partij in cassatie. Een derde maal vragen om hetzelfde document, of nog een bewijs dat verwerende partij titularis is van het reeds in het bezit van eisende partij in cassatie zijnde document is van het goede teveel. Het is onbegrijpelijk dat eisende partij in cassatie nadat verwerende partij in cassatie tot tweemaal toe hetzelfde identiteitsdocument heeft voorgelegd, en eisende partij in cassatie zelf erkent het document in haar bezit te hebben, samen met tal van andere documenten trouwens, bijkomend gaat vragen dat verwerende partij bijkomend gaat bewijzen dat hij de titularis is van het desbetreffend document. De overweging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat in het kader van een marginale toetsing blijkt dat er op kennelijk onredelijke wijze geoordeeld is dat verwerende partij in cassatie niet aantoont titularis te zijn van het identiteitsdocument reeds in haar bezit, is volkomen terecht. XIV-30.961-13/18 Het valt trouwens op dat eisende partij in cassatie op geen enkele wijze aannemelijk maakt waarom zij om welke reden dan ook enige twijfel zou kunnen hebben dit gelet op de talrijke haar overgemaakte documenten.”; 2.2.
  26. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “- art. 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek - art. 39/2, § 2 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, afzonderlijk en in samenhang met de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek; - art. 39/2, § 2 en art. 39/60 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; - het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging. Eerste onderdeel Doordat in het bestreden arrest als volgt wordt geoordeeld: "Door in de bestreden beslissing te overwegen dat "Het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam P., I. en nummer (.) een reispas en een identiteitskaart (bevat) dat in het verleden het dossier vervoegde; de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder de naam P,
  27. voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat toelaat hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk", geeft de verwerende partij expliciet toe dat zij een identiteitsdocument in haar bezit heeft dat de naam van verzoeker bevat. De verwerende partij geeft in de bestreden beslissing derhalve toe dat de voorwaarde dat een identiteitsdocument onontbeerlijk is, werd voldaan, maar stelt verder op kennelijk onredelijke wijze dat verzoeker niet aantoont dat hij de titularis is van dit document. Verzoeker maakt met zijn betoog dat "de verwerende partij zelf (stelt) dat eigenlijk de documentaire ontvankelijkheidsvoorwaarde vervuld werd" aannemelijk dat de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet onontvankelijk te verklaren" Door in zijn arrest voor te houden dat er in de oorspronkelijk bestreden beslissing wordt toegegeven dat verzoeker een identiteitsdocument in haar bezit heeft op naam van verzoeker, en dat hieruit blijkt dat verzoeker niet betwist dat het identiteitsdocument daadwerkelijk de persoon betreft die de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet indient, schendt de rechter in vreemdelingenzaken duidelijk de bewijskracht van de oorspronkelijk bestreden beslissing. Het loutere gegeven dat verzoeker in de oorspronkelijk bestreden beslissing stelt dat zij een identiteitsdocument in haar bezit heeft dat de naam van verzoeker bevat, betekent geenszins dat hiermee wordt toegegeven dat het identiteitsdocument aan de verweerder toebehoort. Verzoeker heeft hooguit gesteld dat zij in het bezit is van een identiteitsdocument waarop een naam staat, waarvan verweerder beweert dat het de zijne is. Hiermee werd door verzoeker geenszins toegegeven dat zij erkent dat het om dezelfde persoon zou gaan. Indien verzoeker vervolgens bij het nemen van de beslissing meldt : "het dossier dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken bekend staat onder naam XXX en nummer 4921171 bevat een reispas en een identiteitskaart dat in het verleden het dossier vervoegde ; de persoon die huidige aanvraag om machtiging tot verblijf indient onder naam XXX, voegt bij zijn aanvraag evenwel geen bewijs dat hem toelaat hem te vereenzelvigen met de titularis van voornoemd identiteitsstuk. " (eigen onderlijning) dan wordt hiermee op geen enkele wijze toegegeven of bevestigd dat dit één en dezelfde persoon betreft. Met het gebruik van de term "op naam van" geeft verzoeker enkel aan dat de namen van de titularis van het identiteitsdocument en de indiener van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet, dezelfde zijn. XIV-30.961-14/18 Verzoeker heeft in de oorspronkelijk bestreden beslissing op geen enkele wijze te kennen gegeven dat zij er vanuit gaat of aanneemt dat het om een en dezelfde persoon gaat. De rechter in vreemdelingenzaken leidt zelf uit het gebruik van het woord op naam van af dat verzoeker toegeeft, aanneemt en bewezen acht dat de titularis van het identiteitsdocument en verweerder één en dezelfde persoon betreffen en schendt hiermee de bewijskracht van de oorspronkelijk bestreden beslissing. De rechter in vreemdelingenzaken voegt een subjectieve interpretatie toe aan de inhoud van de oorspronkelijk bestreden beslissingen, terwijl er uit de inhoud van de bestreden beslissing niet objectief blijkt dat de veronderstelling/interpretatie van de rechter in vreemdelingenzaken, onmiskenbaar blijkt uit de lezing van de beslissing houdende de onontvankelijkheid van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9bis Vreemdelingenwet. De voormelde miskenning van de bewijskracht van deze akte dat dus samenhangt met de in dit onderdeel veronderstelde lezing van het bestreden arrest, maakt een schending uit van de artikelen
  28. 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Tweede onderdeel In het aangevochten arrest miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aard van het in casu bij hem ingestelde beroep en de grenzen die daaraan eigen zijn. Blijkens de bepaling van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 die er deze aard aan verleent en die door het bestreden arrest dus wordt geschonden, te weten art. 39/2, § 2, Vreemdelingenwet, is dit beroep immers, in tegenstelling tot het beroep met volle rechtsmacht dat kan worden ingesteld tegen de meeste beslissingen in asielzaken genomen door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (cf. § 1 van het laatstvermelde wetsartikel), maar naar het beeld van het beroep ex art. 14, § 1, R.v.St.-Wet (zie Pad St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, medio p. 98), een annulatieberoep. Een zodanig beroep behoort, overeenkomstig art. 39/60 Vreemdelingenwet, uitsluitend te worden beoordeeld aan de hand van de beperkende opgave van een of meer middelen die van meet af aan op een voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze worden uiteengezet in het inleidende verzoekschrift, derwijze dat de ingeroepen vernietigingsgronden in beginsel niet regelmatig kunnen worden uitgebreid in verdere schriftelijke of mondelinge fasen van de beroepsprocedure, noch door het betrokken administratieve rechtscollege in zijn beslissing, en zodanig wordt gewaarborgd dat, met eerbiediging van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, tegen alle aangevoerde grieven een nuttig verweer kan worden gevoerd. Betreffende de aard van de beroepen tot nietigverklaring die, met toepassing van art. 14, § 1, R.v.St.-Wet, bij de Raad van State kunnen worden ingesteld tegen de akten van de onderscheiden administratieve overheden, kan naar analogie nuttig worden verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld R.v.St. nr. 47.017, 25 april 1994, Arr. R.v.St. 1994; R.v.St. nr. 41.148, 25 november 1992, R.A.C.E. 1992). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt enkel of de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid in redelijkheid is kunnen komen tot de door hem gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn. In het kader van de marginale toetsing die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt verricht kan de aangeklaagde onwettigheid slechts dan worden gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is (zie o.m. R.v.St. 17 januari 2007, nr. 166.820; R.v.St. 20 september 1999, nr. 82.301, www.raadvst-consetat.be). Wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtszoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Dit ook conform de vaste rechtspraak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (zie o.m. R.v.V. nr. 1113 dd. 6.8.2007). Het komt daarbij allerminst aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toe om zich in de plaats te stellen van het bestuur en deze appreciatie over te doen. "3.
  29. Overwegende dat de Raad van State, beschikkende op het annulatieberoep gericht tegen het besluit waarbij de minister van Binnenlandse Zaken overeenkomstig artikel 8 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, XIV-30.961-15/18 uitspraak doet over de inschrijvingen in het bevolkingsregister, niet de bevoegdheid heeft om in de plaats van het bestuur vast te stellen waar iemand daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het ertoe strekt te laten vaststellen dat het gezin van verzoeker niet in Maasmechelen maar in Riemst verblijft; " (R.v.St. 9 mei 2000, nr. 87.156, www.raadvst-consetat.be). Verzoeker dient vast te stellen dat de rechter in vreemdelingenzaken in het thans bestreden arrest deze annulatiebevoegdheid te buiten gaat. Immers, - door voor te houden dat de gemachtigde bij het nemen van zijn beslissing nopens de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet van verweerster dd. 16.5.2008, toegeeft dat het om één en dezelfde persoon gaat, - terwijl nergens in de bestreden beslissing te lezen staat dat verzoeker toegeeft dat ze weet dat het om één en dezelfde persoon gaat stelt de rechter in vreemdelingenzaken zich in de plaats van het bestuur, en gaat hij zijn bevoegdheid als annulatierechter duidelijk te buiten. Enkel het bestuur vermag te oordelen of de door betrokkene voorgelegde stukken van aard zijn vast te stellen dat de titularis van het identiteitsdocument en de indiener van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet , één en dezelfde persoon zijn. Zij heeft zich hierover in casu niet uitgesproken in de oorspronkelijk bestreden beslissing. Het komt allerminst aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toe — cf. supra — zich in de plaats te stellen van de Minister of zijn gemachtigde, en de appreciatie of de stukken die (oorspronkelijk verzoeker) voorlegt van aard zijn om vast te stellen dat twee opgegeven identiteiten één en dezelfde persoon betreffen. Door in het aangevochten arrest te insinueren dat de gemachtigde wist dat het een dezelfde persoon betreft, gaat de rechter in vreemdelingenzaken dan ook duidelijk zijn bevoegdheid te boven. Zulks vormt uiteraard een fundamentele aantasting van de bestuurlijke beoordelingsvrijheid. De rechterlijke macht vermag niet aan de administratieve overheid haar beoordelingsvrijheid te ontnemen en zich aldus in de plaats te stellen van deze instanties die wettelijk bevoegd zijn om het recht op verblijf van vreemdelingen toe te kennen (Cass., 19 april 1991, R. W., 199192, 86). Gelet op het voorgaande staat het vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de grenzen van zijn annulatiebevoegdheid heeft overschreden en aldus heeft geoordeeld in strijd met artikel 39/2 §2 van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Tevens heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met miskenning van de grenzen van het bij hem aanhangig gemaakte annulatieberoep, de initieel bestreden administratieve beslissing vernietigd op grond van motieven die een uitbreiding uitmaken van de door (verzoeker) huidig verweerster in zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingeroepen vernietigingsgronden, zodat art. 39/60 van de wet dd. 15.12.1980, evenals het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, geschonden zijn. Waar verweerder in de memorie van antwoord het 'onbegrijpelijk' vindt dat verzoeker nog twijfelt aan verweerder identiteit, laat verzoeker gelden dat het aan verweerder is om te bewijzen dat hij titularis van het document is dat zich in het administratief dossier van verzoeker bevindt. Zoals hierboven reeds werd aangehaald, bestaat de kans dat verweerder niet dezelfde persoon is als diegene die de documenten, die zich in het administratief dossier bevinden, heeft afgegeven. Verweerder probeert de bewijslast om te keren, en meent klaarblijkelijk dat het aan verzoeker is om te bewijzen dat er sprake is van identiteitsusurpatie Dergelijke redenering ontbeert elke redelijkheid. Het is verweerder die klaarblijkelijk in gebreke is gebleven om een geldig identiteitsdocument aan zijn aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf o.g.v. artikel 9 bis Vreemdelingenwet te voegen, en het is aan hem om aan te tonen hoe de gemachtigde van de XIV-30.961-16/18 minister, gelet op het risico van identiteitsusurpatie, met zekerheid kan weten of de persoon die een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsmachtiging indient tevens de persoon is die een paar jaar voordien met een destijds geldig paspoort voorzien van een geldig visum het Rijk binnenkwam, indien bij de aanvraag geen identiteitsstuk wordt gevoegd." Immers, en zoals hoger reeds uiteengezet, werd artikel 9bis voormeld in het leven geroepen om zekerheid te kunnen bekomen over de identiteit van de aanvrager. Het tweede middel van verzoeker is gegrond.”; 2.2.
  30. Overwegende dat de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek betrekking hebben op het bewijs van verbintenissen uit overeenkomst; dat zij geen uitstaans hebben met de beoordeling van een administratieve beslissing door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter, zoals met het bestreden arrest; dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen, zoals bij de behandeling van het eerste middel reeds is vastgesteld, zijn marginale toetsingsbevoegdheid niet heeft overschreden door het besluit van de huidige verzoekende partij kennelijk onredelijk te achten, met name dat de huidige verwerende partij niet aantoont dat zij de titularis is van de identiteitsdocumenten, waarvan de huidige verzoekende partij in de oorspronkelijk bestreden beslissing toegeeft ze in haar bezit te hebben; dat de Raad van State zich wat die beoordeling betreft als administratieve cassatierechter niet in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter mag stellen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door aldus te handelen ook niet de rechten van verdediging heeft geschonden; dat het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.961-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig augustus tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.961-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.981 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.