← België

Arrest 206982 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.982 Rolnummer: A. 193148/XIV-31215 Zaak: Arrest 206982 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:05 Fiche Arrest nr 206.982 van 26 augustus 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 206.982 van 26 augustus 2010 in de zaak A. 193.148/XIV-31.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. BENICHOU, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Marsveldplein 2 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 26 juni 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 27.741 van 26 mei 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4699 van 10 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 15 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gelet op de beschikking van 22 december 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 februari 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. BENICHOU, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché P. VAN COSTENOBLE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; XIV-31.215-1/3
  2. Overwegende, wat betreft de rechtspleging, dat de verzoekende partij met een ter post aangetekende brief van 31 augustus 2009 door de griffie van de Raad van State ervan op de hoogte werd gesteld dat de verwerende partij had verzuimd een memorie van antwoord in te dienen, dat zij overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State over een termijn van dertig dagen beschikte om een toelichtende memorie in te dienen, dat haar bijzondere aandacht op artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en op artikel 15, § 1 van het voornoemd koninklijk besluit van 30 november 2006 werd gevestigd en dat de bepalingen van de artikelen 14, 39 en 40 van dit koninklijk besluit in aanmerking moesten worden genomen; Overwegende dat de verzoekende partij geen toelichtende memorie heeft ingediend; Overwegende dat de verzoekende partij er met een ter post aangetekende brief van 29 oktober 2009 door de griffie van de Raad van State op de hoogte van werd gesteld dat zij had verzuimd een toelichtende memorie in te dienen; dat de verzoekende partij met een brief van 13 november 2009 heeft gevraagd om te worden gehoord;
  3. Overwegende dat in de hierboven genoemde brief van de griffie van de Raad van State van 31 augustus uitdrukkelijk de “bijzondere aandacht” van de verzoekende partij werd gevestigd op artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en op artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State; Overwegende dat artikel 15, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit inderdaad vereist dat dergelijke mededeling “melding maakt” van de twee hierboven genoemde bepalingen; dat echter, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, de uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten en artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 volstaat als “melding maken”; dat daartoe niet is vereist dat de tekst van die bepalingen op de keerzijde van de brief ook in extenso wordt weergegeven; Overwegende dat de verzoekende partij aldus geen schending van artikel 15 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 aannemelijk maakt; dat zij zich niet kan beroepen op het ontbreken van een memorie van antwoord, gezien de precies in die situatie voorgeschreven vereiste voor de verzoekende partij om zelf een toelichtende memorie in te dienen; dat bijgevolg met toepassing van het meergenoemde artikel 15 de ontstentenis van het vereiste belang in hoofde van de verzoekende partij moet worden vastgesteld, XIV-31.215-2/3 BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwin- tig augustus tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.215-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.982 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.