id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 augustus 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.206.993 Rolnummer: A. 197373/XII-6299 Zaak: Arrest 206993 - Overheidsopdrachten - 26/08/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-08-27 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 05:04 Fiche Arrest nr 206.993 van 26 augustus 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 206.993 van 26 augustus 2010 in de zaak A. 197.373/XII-6299. In zake: 1. de c.v.b.a. PROFIEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Jonas Riemslagh kantoor houdend te 8500 KORTRIJK President Kennedypark 6/24 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de n.v. ALTRITEMPI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Arnoud Declerck en Eva Roels kantoor houdend te 8530 HARELBEKE Kortrijksesteenweg 387 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de KERKFABRIEK ONZE LIEVE VROUW TEN HEMELOPNEMING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Piet Carlier kantoor houdend te 3500 HASSELT Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de v.z.w. Secretariaat voor Tijdelijke Werkkrachten bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Blanpain kantoor houdend te 1150 BRUSSEL Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Suzanne Capiau kantoor houdend te 1190 BRUSSEL Everardlaan 59 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 12 augustus 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing van de Kerkraad Onze Lieve Vrouw Ten Hemelopneming te Sint-Truiden XII-6299-1/16 van 23 maart 2010 houdende de toewijzing van de overheidsopdracht ‘restauratie van de Onze Lieve Vrouw Ten Hemelopnemingskerk te Sint-Truiden : fase 4, perceel 2’ aan de inschrijver Verbeke - Dewitte”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2010. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de eerste verzoekende partij, advocaat Eva Roels, die verschijnt voor de tweede verzoekende partij, advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bruno Blanpain, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Tussenkomst 3. Met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift vraagt de v.z.w. Secretariaat voor Tijdelijke Werkkrachten om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om dat verzoek in te willigen, wat betreft het administratief kort geding. XII-6299-2/16 IV. Feiten 4.1. De Kerkfabriek Onze Lieve Vrouw Ten Hemelopneming te Sint-Truiden schrijft een opdracht van werken uit voor de restauratie van de Onze Lieve Vrouw ten Hemelopnemingskerk te Sint-Truiden. Fase 4, perceel 2 betreft inzonderheid de restauratie van de muurschildering Laatste Oordeel, Triforia en schilderwerk. De opdracht wordt geraamd op 262.599,74 i (btw excl.). 4.2. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 27 augustus 2009 en wordt gegund onder de vorm van een beperkte aanbesteding. 4.3. Zes gegadigden stellen zich kandidaat. De verwerende partij selecteert vijf gegadigden en nodigt hen bij brief van 7 oktober 2009 uit om een offerte in te dienen. 4.4. De opdracht is onderworpen aan de bepalingen van het bestek “restauratie van de Onze Lieve Vrouw ten Hemelopnemingkerk te Sint-Truiden fase 4: PERCEEL 2; restauratie muurschildering laatste oordeel, triforia en schilderwerk (dossier 85/61)”. 4.5. Vijf inschrijvers dienen een offerte in voor het volgende inschrijvingsbedrag (excl. btw) : - t.v. Dewitte - Verbeke 180.702,50 i - n.v. Altritempi 189.975,00 i - n.v. ASVD Darcis 192.600,00 i - c.v.b.a. Profiel 211.020,00 i - t.h.v. Building - Viering - BJ Delmotte 212.658,00 i 4.6. Op 14 januari 2010 wordt door de verwerende partij aan vier van de vijf inschrijvers per brief nog eenzelfde vraag gesteld met betrekking tot post 3.12 van de opmetingsstaat. 4.7. Uit het aanbestedingsverslag blijkt dat de offertes na rekenkundig nazicht als volgt worden gerangschikt (bedragen excl. btw): 1. t.v. Dewitte - Verbeke 208.824,70 i 2. n.v. Altritempi 212.825,00 i 3. n.v. ASVD Darcis 220.220,00 i XII-6299-3/16 4. c.v.b.a. Profiel 237.060,00 i 5. t.h.v. Building - Viering - BJ Delmotte 238.915,00 i 4.8. Op 18 februari 2010 richt de eerste verzoekende partij een schrijven aan de verwerende partij met betrekking tot beweerde oneerlijke handelspraktijken in de restauratiesector. 4.9. Vervolgens doet de verwerende partij met betrekking tot voormelde problematiek navraag bij de toezichthoudende overheid. 4.10. Op 23 maart 2010 beslist de verwerende partij om de opdracht in overeenstemming met het aanbestedingsverslag toe te wijzen aan “VERBEKE-DEWITTE bvba”. 4.11. Op 25 maart 2010 richt de eerste verzoekende partij nog een schrijven tot de verwerende partij inzake de problematiek van het personeel onder kunstenaarsstatuut en verzoekt zij de verwerende partij om aan alle inschrijvers een prijsverantwoording te vragen voor wat betreft de arbeidskost. De verwerende partij stelt dat “voorzover kan worden nagegaan” zij dit schrijven nooit heeft ontvangen. 4.12. Op 29 maart 2010 wordt de eerste verzoekende partij door de b.v.b.a. Verbeke gedagvaard zoals in kort geding voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op grond van de handelspraktijkenwet aangezien zij haar concurrenten zou trachten te discrediteren bij de opdrachtgevende besturen van restauratiewerken. Volgens de verzoekende partijen is deze procedure nog hangende. 4.13. Bij brief van 3 juni 2010 wordt het gunningsdossier overgemaakt aan de toezichthoudende overheid. 4.14. Bij brief van 30 juni 2010 deelt de toezichthoudende overheid mee dat de toewijzing van de opdracht door haar gunstig wordt geadviseerd en dat het dossier met het oog op de definitieve toekenning van de restauratiepremie en de machtiging tot uitvoering van de werken wordt overgemaakt aan de Vlaamse overheid, agentschap Ruimte en Erfgoed, Onroerend Erfgoed. 4.15. Bij arrest van 30 juni 2010 legt het hof van beroep van Antwerpen de verwerende partij op om na het nemen van een gunningsbeslissing de eerste XII-6299-4/16 verzoekende partij hiervan onverwijld in kennis te stellen en, in de mate dat de opdracht niet aan de eerste verzoekende partij wordt toegewezen, een wachttermijn te respecteren van vijftien kalenderdagen alvorens deze beslissing te betekenen aan de gekozen inschrijver. Dit arrest wordt aan de verwerende partij betekend op 8 juli 2010. 4.16. Bij besluit van 7 juli 2010 wordt aan de verwerende partij een restauratiepremie toegekend en wordt zij gemachtigd om over te gaan tot uitvoering van de werken. 4.17. Op 15 juli 2010 deelt de verwerende partij aan de gekozen inschrijver mee dat zij haar offerte “in overweging neemt” en vraagt zij de inschrijver of hij bereid is om zijn gestanddoeningstermijn te verlengen. Dit wordt door de inschrijver bevestigd per aangetekend schrijven van 19 juli 2010. 4.18. Met een op 28 juli 2010 ter post aangetekend verzonden brief, deelt de verwerende partij aan de niet gekozen inschrijvers mee dat hun offerte niet werd gekozen en dat de opdracht werd toegewezen aan de inschrijver tijdelijke vereniging Dewitte-Verbeke. Tevens wordt meegedeeld dat de kennisgeving aan de inschrijver aan wie de opdracht is toegewezen slechts zal gebeuren op de zestiende dag na de verzending van de kennisgeving aan de niet gekozen inschrijvers en dat aan de niet gekozen inschrijvers een wachttermijn wordt toegekend van vijftien kalenderdagen om eventueel een beroep aan te tekenen tegen deze beslissing. Indien zij binnen deze termijn geen kennisgeving ontvangt dat er een beroep werd aangetekend, zal de gunningsprocedure volgens de verwerende partij worden vervolgd met kennisgeving van de gunning aan de winnende laagste regelmatige inschrijver. V. Onderzoek van de vordering 5. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. XII-6299-5/16 Ernst van de middelen Uiteenzetting van de middelen 6. De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift de volgende middelen aan: “A. Eerste middel. Schending van: - het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van vrije mededinging inzake overheidsopdrachten, alsmede artikel 1, § 1 en 15 Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 - de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht - artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - artikel 110, §§ 2 en 3 KB 8 januari 1996 11. Verwerende partij heeft de ingeroepen bepalingen en beginselen miskend door de wettigheidsbezwaren van verzoekster niet op iedere inschrijving te onderzoeken. 12. Zoals in het feitenrelaas werd uiteengezet worden verzoekers geconfronteerd met oneerlijke concurrentie, omdat op onwettige wijze gebruik wordt gemaakt van het kunstenaarsstatuut en het systeem SMart (voor een meer gedetailleerde uiteenzetting hieromtrent, zie randnummers 3-6 en 24-27). Alvast van belanghebbende partij weet verzoekers formeel dat dit het geval is. 13. Eerste verzoekster heeft verwerende partij meerdere keren aangeschreven om haar attent te maken op deze problematiek. Hierbij werd onder meer gewezen op het standpunt van de Commissie Kunstenaars, die ondubbelzinnig stelde dat voor restauratiewerken geen gebruik kan worden gemaakt van het kunstenaarsstatuut (…) en werd gewezen op eventuele aansprakelijkheidsrisico’s in hoofde van de aanbestedende overheid. Ook werd verwerende partij uitdrukkelijk uitgenodigd om de offertes en in het bijzonder de prijzen van de inschrijvers voor wat betreft de arbeidskost te controleren (…). Eerste verzoekster heeft geen enkel antwoord ontvangen op deze brieven. Geen enkele opmerking of grief van verzoekster wordt in het gunningsverslag of de bestreden beslissing ontmoet of zelfs maar vermeld. Dit maakt een schending uit van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet en van artikel 110, § 2 en 3 van het KB van 8 januari 1996 betreffende overheidsopdrachten. 14. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat een overheid gehouden is tot een zorgvuldige feitengaring - wat verwerende partij kennelijk heeft miskend door geen enkel onderzoek te verrichten inzake de prijzen, de personeelsleden van de inschrijvers en het al dan niet wettig gebruik van het kunstenaarsstatuut. Dit klemt des te meer, nu eerste verzoekster verwerende partij meermaals heeft gewezen op de problematiek terzake. Nochtans impliceert het zorgvuldigheidsbeginsel ook dat een overheid zich niet - als het ware met oogkleppen - kan beperken tot een louter routineuze en administratieve afwikkeling van zaken. Verwerende partij mag niet bewust inschrijvingen dulden met een reëel wettigheidsrisico, zonder dienaangaande een voorafgaandelijk onderzoek te XII-6299-6/16 voeren, zeker niet als er, zoals in casu, ernstige wettigheidsbezwaren worden opgeworpen door een van de inschrijvers. De kop in het zand steken is onzorgvuldig overheidshandelen. 15. Meer nog, artikel 110 van het KB van 8 januari 1996 legt de aanbestedende overheid uitdrukkelijk de verplichting op om alle offertes te onderzoeken op hun regelmatigheid (en of zij ‘bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen’, art. 110 § 2), met inbegrip van de abnormale prijzen. Zulk onderzoek is kennelijk niet gebeurd! 16. Dit alles is des te problematischer nu verwerende partij, naast de brieven van eerste verzoekster, hoe dan ook alle redenen had om de offertes aan een grondig prijsonderzoek te onderwerpen. De raming van de opdracht is, volgens het verslag van 11 februari 2010, 262.599,74 euro. De opdracht wordt daarentegen aan belanghebbende partij gegund voor 208.824,70 euro - wat op zich al een correctie was van het oorspronkelijke inschrijvingsbedrag van 180,702,50 euro. De raming was bijgevolg 25,8% hoger dan het uiteindelijke gunningsbedrag! Eerste verzoekster vermocht zich daaromtrent geen vragen te stellen en geen onderzoek te voeren. 17. Verzoekers zullen niet ontkennen dat ook hun inschrijving lager was dan de raming (zij het hoe dan ook in mindere mate). Zij worden echter geconfronteerd met een sector waarin het onwettige gebruik van het kunstenaarsstatuut alle prijzen aanzienlijk naar beneden drukt, waardoor zij zelf genoodzaakt zijn in te schrijven aan bodemprijzen. Het gegeven dat alle inschrijvers een offerte indienden die voelbaar lager ligt dan de raming, diende voor verwerende partij zelfs een belangrijk signaal te zijn dat een grondig onderzoek van hetzij de offertes (bijvoorbeeld door het opvragen van prijsverantwoording), hetzij de raming (bijvoorbeeld door de architect op dit punt expliciet te ondervragen) noodzakelijk was. Dit temeer in het licht van de verwittigingen van eerste verzoekster. Dergelijk onderzoek is kennelijk niet gebeurd. 18. Komt daarbij dat verwerende partij niet alleen gehouden is tot een onderzoek van tot globale prijzen, maar ook van de eenheidsprijzen. Het is overigens vooral in de samenstelling van bepaalde eenheidsprijzen, dat het effect van het kunstenaarsstatuut zich manifesteert. Ook dit is niet gebeurd. 19. Laat verwerende partij alvast niet beweren dat sociaalrechtelijke aspecten van de prijssamenstelling geen enkele rol zouden spelen. Integendeel, artikel 110, § 3 van het KB van 8 januari 1996 geeft als concreet doch niet-limitatief voorbeeld van verantwoording waarmee de overheid inzake het abnormaal karakter van prijzen rekening kan houden: ‘de naleving van de bepalingen inzake arbeidsbescherming en arbeidsvoorwaarden die gelden op de plaats waar de opdracht wordt uitgevoerd’. Op de aanbestedende overheid rust wel degelijk de plicht rekening te houden met de sociaalrechtelijke conformiteit van een offerte, zeker wanneer er de schendingen bijzonder zwaarwichtig zijn, de gelijkheid tussen de inschrijvers danig in het gedrang brengt en de overheid hierop meermaals werd geattendeerd. Nogmaals, verwerende partij is rechtens verplicht tot een regelmatigheids- en wettigheidstoezicht op de offertes, en heeft in deze plicht gefaald. 20. Een aanbestedende overheid heeft de plicht de gelijkheid van de inschrijvers en de vrije mededinging te garanderen inzake overheidsopdracht. Deze beginselen zijn ook terug te vinden in artikel 1, § 1 en artikel 15 Overheidsopdrachtenwet. Geconfronteerd met ernstige opmerkingen en bezwaren omtrent de regelmatigheid van de offertes, diende zij zowel in rechte XII-6299-7/16 als in feite de nodige onderzoekingen te doen teneinde de gelijkheid van de inschrijvers te waarborgen. Dit is kennelijk niet gebeurd. Verzoekers herhalen. Verwerende partij mag geen onwettige inschrijvingen aanvaarden. Bij ernstige twijfel rust op verwerende partij een onderzoeksplicht. Zo niet kan de opdracht worden toegewezen aan een onregelmatige inschrijver, hetgeen uiteraard indruist tegen het gelijkheidsbeginsel. 21. Minstens dient vastgesteld te worden dat noch het verslag van 11 februari 2010, noch de bestreden gunningsbeslissing bovenvermelde aspecten (kunstenaarsstatuut, afwijking tegenover geraamd bedrag, ...) op enige wijze vermelden, laat staan ontmoeten. Te meer gelet op de zwaarwichtigheid van de onregelmatigheden waarmee verwerende partij werd geconfronteerd en de bezwaren van eerste verzoekende partij, maakt dit een schending uit van de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur alsmede van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet van 29 juli 1991. 22. Het eerste middel is ernstig en (kennelijk) gegrond. Verzoekende partijen, zowel eerste verzoekster als tweede verzoekster, hebben een evident belang bij dit middel, nu de onderzoeksplicht naar de regelmatigheid van de offertes betrekking heeft op alle inschrijvingen, zonder onderscheid. B. Tweede middel. Schending van: - het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van vrije mededinging inzake overheidsopdrachten, alsmede artikel 1 Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 - het bijzonder bestek - artikel 30 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2004 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten - schending van artikel 37quinquies Wet 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en 17sexies van het KB van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - artikel 15 Overheidsopdrachtenwet van 24 december - artikel 110, §§ 2 en 3 KB 8 januari 1996 en het zorgvuldigheidsbeginsel - artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen 23. De stelling van verzoekers is helder: de offerte van belanghebbende partij is onregelmatig. De gunningsbeslissing schendt bovenvermelde bepalingen en beginselen door de opdracht aan belanghebbende partij te gunnen. 24. Het kunstenaarsstatuut kan niet op wettige wijze worden toegepast inzake restauratie. Het kunstenaarsstatuut werd ingevoerd door de programmawet van 24 december 2002. In essentie houdt het statuut in dat het loon van werknemers die artistieke prestaties leveren en/of artistieke werken produceren een gedeelte van het loon is vrijgesteld van patronale bijdragen in de sociale zekerheid (artikel 37 quinquies van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers). Daarnaast kunnen ‘kunstenaars’ ook voor eerder occasionele opdrachten gedurende 30 dagen per jaar worden vergoed door middel van een forfaitaire onkostenvergoeding, die is vrijgesteld van sociale zekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing (artikel 17 sexies, § 3, lid 3, 1/ van het RSZ-KB van 28 november 1969). XII-6299-8/16 Samengevat betreft het dus een voordelig statuut voor kunstenaars en voor diegenen die op hun artistieke diensten beroep doen. Een vereiste om het kunstenaarsstatuut te kunnen toepassen is dat het gaat om artistieke prestaties. Enkel kunstenaars kunnen van het gunststatuut genieten. 25. De Commissie Kunstenaars heeft reeds in haar activiteitenverslag van juni 2005 terecht geoordeeld dat restauratiewerken onmogelijk in aanmerking komen als artistieke prestaties (…). Deze commissie werd opgericht door de Programmawet van 24 december 2002 en is paritair samengesteld uit ambtenaren van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen. Zij heeft onder meer als taak om: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.