← België

Arrest 207170 - Milieuvergunningen - 02/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.170 Rolnummer: A. 197358/VII-37866 Zaak: Arrest 207170 - Milieuvergunningen - 02/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-02 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:05 Fiche Arrest nr 207.170 van 2 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 207.170 van 2 september 2010 in de zaak A. 197.358/VII-37.

  1. In zake: Ludwig VERTHRIEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Colin De Beir kantoor houdend te Geraardsbergen Pastorijstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 9 augustus 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 8 juli 2010 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) van 29 oktober 2009, waarbij deze beslist dat het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek met als titel "Oriënte- rend en beschrijvend bodemonderzoek, Garage Ludwig, Venecolaan 9 te Aalter - 2009/404/JD" opgemaakt door de erkende bodemsaneringsdeskundige BVBA Artemis Milieu conform wordt verklaard aan de bepalingen van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (hierna : bodemdecreet). II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-37.866-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 augustus
  4. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Colin De Beir, die verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Saartje Callens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 18 augustus 1999 koopt de verzoeker van Noël Gelaude en Bregitta De Reu een eigendom omvattende garage met toonzaal, werkplaats en woonhuis, met aan- en afhangen. Dit eigendom is gelegen aan de Venecolaan 9 te Aalter. Uit het bodemattest blijkt dat het betrokken kadastraal perceel is opgenomen in het register van verontreinigde gronden. De beoordeling van de ernst van de verontreiniging steunt op een oriënterend bodemonderzoek en een beschrijvend bodemonderzoek, waaruit blijkt dat er historische bodemverontreini- ging aanwezig is die een ernstige bedreiging vormt. Uit het attest blijkt ook dat in uitvoering van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet) een "bodemsaneringsproject Noël Gelaude" is ingediend door de NV Van Vooren. Jegens OVAM is ook de verbintenis aangegaan om de bodemsaneringswerken uit te voeren en de door het bodemsaneringsdecreet voorgeschreven financiële zekerheden zijn gesteld. VII-37.866-2/7 3.
  7. Op 6 december 1999 doet de verzoeker een melding van de overname van de inrichting in opvolging van Noël Gelaude. Daarvan wordt akte genomen. 3.
  8. Tussen september 2000 en september 2001 worden bodemsane- ringswerken uitgevoerd en op 13 juli 2004 wordt een eindverklaring verkregen waarin OVAM van oordeel is dat de beoogde doelstellingen zijn bereikt en dat geen verdere bodemsaneringswerken noodzakelijk zijn. 3.
  9. Op 23 april 2008 sluit de verzoeker een verkoopsovereenkomst met de NV Decobu Immo. Naar aanleiding van deze overdracht wordt in juli 2008 in opdracht van de verzoeker een nieuw oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd door de NV Technum. 3.
  10. Met een schrijven van 7 oktober 2008 vraagt OVAM een aantal aanvullingen op dit onderzoek. 3.
  11. Op 21 oktober 2009 wordt een door de BVBA Artemis Milieu opgesteld rapport van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek ingediend bij OVAM. Daarin wordt besloten dat de verontreiniging als historisch moet worden beschouwd omdat wordt aangenomen dat zij is veroorzaakt door continue overvullingen die voorheen zijn gebeurd tot
  12. Dit rapport wordt door OVAM conform verklaard op 29 oktober
  13. In deze conformverklaring bevestigt OVAM dat er een historische verontrei- niging is afkomstig van de overvullingen vóór
  14. 3.
  15. Op 20 november 2009 vraagt de verzoeker aan OVAM de vrijstelling van de saneringsplicht. 3.
  16. Op 23 december 2009 wordt aan de verzoeker meegedeeld dat Noël Gelaude een bestuurlijk beroep heeft ingediend tegen de conformverklaring van 29 oktober
  17. Deze voert onder meer aan dat de verontreiniging onmogelijk historisch kan zijn en dat het rapport van de BVBA Artemis Milieu niet kan worden gevolgd. Volgens het beroepschrift zou uit diverse argumenten uit het rapport van oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek van de NV Technum en haar technische nota blijken dat er sprake is van nieuwe verontreiniging. VII-37.866-3/7 3.
  18. Op 11 juni 2010 beslist OVAM om de verzoeker vrij te stellen van de verplichtingen in het kader van de overdracht na het beschrijvend bodemonder- zoek voor de historische bodemverontreiniging met BTEX en lokaal met minerale olie totstandgekomen op de grond gelegen aan de Venecolaan 9 te Aalter. Uit die beslissing blijkt dat OVAM van oordeel is dat de bodemverontreiniging van BTEX en lokaal met minerale olie, in het vaste deel van de aarde en in het grondwater ter hoogte van de voormalige ondergrondse tanks, afkomstig is van overvullingen vóór
  19. OVAM is van oordeel dat de overdrager aantoont dat hij niet op de hoogte was of behoorde te zijn van de bodemverontreini- ging op het ogenblik dat hij eigenaar werd van de grond. 3.
  20. Op 8 juli 2010 neemt de verwerende partij de in dezen bestreden beslissing. Het beroep van Noël Gelaude wordt gegrond verklaard en de beslissing van OVAM van 29 oktober 2009 wordt opgeheven. 3.
  21. Op 4 augustus 2010 deelt OVAM aan de verzoeker mee dat er ingevolge de ministeriële beslissing van 8 juli 2010 geen conformiteitsattest van het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek meer is en dat de geplande overdracht van de grond voorlopig niet kan plaatsvinden. De verzoeker wordt aangemaand om aanvullende onderzoeksver- richtingen te laten uitvoeren voor de gemengde bodemverontreiniging. OVAM is van oordeel dat de bodemverontreiniging gemengd is. De beslissing van OVAM van 11 juni 2010 waarbij de verzoeker werd vrijgesteld van saneringsplicht vervalt. IV. Onderzoek van de vordering
  22. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VII-37.866-4/7 Uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  23. Met betrekking tot de derde voornoemde voorwaarde voert de verzoeker in essentie aan dat hij zijn eerder verkregen vrijstelling van sanerings- plicht verliest, zodat hij zal worden geconfronteerd met een sanering van 390.816, 21 euro, wat de doodsteek betekent voor zijn éénmanszaak. Hij stelt verder dat hij ook geen vrijstelling van saneringsplicht meer zal kunnen krijgen. Ten slotte zal volgens hem de overdracht van het onroerend goed aan de NV Decobu Immo voor lange tijd geblokkeerd zijn. Beoordeling
  24. Het bestreden besluit heft de beslissing van OVAM van 29 oktober 2009 op. Deze beslissing van OVAM verklaart het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek "Garage Ludwig", opgesteld op 16 oktober 2009 door de bodemsaneringsdeskundige BVBA Artemis Milieu, conform aan de bepalingen van het bodemdecreet. Dit besluit spreekt zich evenwel niet uit over een gebeurlijke saneringsplicht van de verzoeker. De vrijstelling van saneringsplicht werd door OVAM aan de verzoeker verleend met een besluit van 11 juni
  25. Het thans bestreden besluit spreekt zich niet uit over dat besluit van OVAM van 11 juni
  26. Het administra- tief beroep van Noël Gelaude was overigens ook niet gericht tegen het besluit van 11 juni
  27. Uit het bestreden besluit volgt alleen dat het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek van 16 oktober 2009 niet langer conform zijn aan de bepalingen van het bodemdecreet en dat de geplande verkoop van het onroerend goed aan de NV Decobu Immo voorlopig niet kan doorgaan. VII-37.866-5/7
  28. Het door de verzoeker aangevoerde nadeel met betrekking tot de eerder verkregen vrijstelling van saneringsplicht vloeit niet rechtstreeks voort uit het bestreden besluit, maar wel uit een beslissing van OVAM van 4 augustus 2010, waartegen de verzoeker gebeurlijk afzonderlijke beroepsmogelijkheden heeft. De verzoeker komt er niet toe het aangevoerde nadeel met betrekking tot het uitstel van de overdracht van het onroerend goed aan de NV Decobu Immo nader te omschrijven. Waar hij het in zijn verzoekschrift ook heeft over mogelijke schadevergoeding als gevolg van de niet-uitvoering van de verkoopsovereenkomst verduidelijkt hij evenmin welke omvang die schadevergoe- ding zou kunnen hebben en welke concrete repercussies dit zou kunnen hebben voor hem. Uit de schaderaming die de verzoeker na het indienen van zijn verzoekschrift mededeelt blijkt dat het mogelijk nadeel als gevolg van een niet- uitvoering van de verkoopsovereenkomst een louter pecuniair nadeel is, dat in beginsel niet moeilijk te herstellen zal zijn bij een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing. De verzoeker toont ook niet aan dat dergelijk pecuniair nadeel hem aan de rand van het faillissement of onvermogen zal brengen of hem zal verplichten zijn economische activiteiten te beëindigen.
  29. De verzoeker toont bijgevolg niet op afdoende wijze aan dat hij als rechtstreeks gevolg van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan.
  30. Uit wat voorafgaat blijkt dat aan één van de voorwaarden van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering van de verzoeker af te wijzen. VII-37.866-6/7 BESLISSING
  31. De Raad van State verwerpt de vordering.
  32. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee september tweeduizend en tien, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.866-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.170 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.209.786 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.481 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.