id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.185 Rolnummer: A. 179836/V-1730 Zaak: Arrêt / Arrest 207185 - Fonction publique communautaire et régionale - Recrutement et carrière / Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 02/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-10 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-30 05:05 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 207.185 van 2 september 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Ve KAMER nr. 207.185 van 2 september 2010 in de zaak A. 179.836/V-1730 In zake: Remi ZEEUWS wonend te Huldenberg Nijvelsebaan 31 A tegen: Het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Arne Vandaele kantoor houdend te Brussel Louizalaan 99 en door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Philippe DEHAUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Deroy kantoor houdend te Brussel Maria van Hongarijelaan 18, bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 december 2006, strekt tot de nietigverklaring van: - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van ongekende datum waarbij Philippe Dehaut wordt bevorderd tot de graad van eerste attaché; - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006 waarbij de bevordering in de graad van eerste attaché van Philippe Dehaut wordt geannuleerd vanaf 1 juli 2006, naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 30 juni 2006; V-1730n-1/14 - de beslissing van het directiecomité van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van ongekende datum waarbij de kandidaten voor een betrekking van eerste attaché (rang A2, expert van hoog niveau) worden gerangschikt. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 mei
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 januari
- Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, advocaat Jens Mosselmans, die loco advocaat Patrick Peeters verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Pierre Deroy, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behalve wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- V-1730n-2/14 III. Feiten 3.
- Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 november 1997 wordt de verzoeker toegelaten tot de stage als bestuurssecretaris binnen het Nederlandse taalkader van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, met uitwerking op 1 oktober
- Hij wordt er tewerkgesteld bij het bestuur Economie en Werkgelegenheid. Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 december 1998 wordt hij in vast verband benoemd in de hoedanigheid van attaché, met uitwerking op 1 oktober
- Sinds 2003 is hij geaffecteerd bij de directie Bijzondere Technieken van het bestuur Uitrusting en Vervoer van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 3.
- Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1998 wordt de tussenkomende partij in vast verband benoemd in de hoedanigheid van attaché binnen het Franse taalkader van het genoemde ministerie, met uitwerking op 1 mei
- In 2001 worden een aantal betrekkingen van eerste attaché, expert van hoog niveau, vacant verklaard. Onder meer de verzoeker en de tussenkomende partij zijn kandidaat voor een zodanige betrekking bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid. Bij besluit van 21 december 2001 benoemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de tussenkomende partij tot de graad van eerste attaché expert van hoog niveau (rang A2) bij de genoemde directie, met ingang van 21 december
- Tegen onder meer het genoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 stelt de verzoeker op 11 februari 2002 bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in. Bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 vernietigt de Raad van State onder meer het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij de tussenkomende partij is bevorderd tot eerste attaché. 5.
- Ter uitvoering van het genoemde arrest van 19 juni 2006, aan de verwerende partij betekend op 30 juni 2006, neemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op 28 september 2006 een besluit in verband met de rechtstoestand van de tussenkomende partij, waarvan de artikelen 1 tot 4 luiden als volgt (vertaling): V-1730n-3/14 “Art.
- Wordt vernietigd het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij de heer Philippe Dehaut wordt bevorderd in de graad van eerste attaché - met uitwerking op 21 december
- Art.
- Met ingang van 1 juli 2006 is de heer Philippe Dehaut houder van de graad van attaché met toepassing van artikel 410 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999, aldus gewijzigd (sic). Art.
- Met toepassing van artikel 410 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999, aldus gewijzigd (sic), wordt de jaarlijkse wedde van de heer Philippe Dehaut vastgesteld in de schaal A 101, met uitwerking op 1 juli
- Art.
- Wordt vernietigd de overheveling van rechtswege van de heer Philippe Dehaut in de graad van eerste attaché (expert van hoog niveau), met ingang van 1 juli 2004, naar het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel.” Het genoemde besluit wordt bij wege van vermelding bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 november
- Volgens die bekendmaking wordt de bevordering van de tussenkomende partij in de graad van eerste attaché “geannuleerd vanaf 1 juli 2006 (sic) naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 30 juni 2006 (sic)”. Op verzoek van de verzoeker wordt hem bij brief van 11 december 2006 een kopie van het genoemde besluit meegedeeld. Het besluit van 28 september 2006 vormt de tweede bestreden beslissing. In zijn verzoekschrift zet de verzoeker uiteen dat uit de tekst van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad blijkt dat de tussenkomende partij op een ongekende datum, vóór 28 september 2006, (opnieuw) is bevorderd tot eerste attaché. Een zodanig besluit vormt de eerste bestreden handeling. 5.
- Bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 juli 2008 wordt de tussenkomende partij op pensioen gesteld, met ingang van 1 april
- In dat besluit wordt de tussenkomende partij vermeld als houder van de volgende betrekking: “attaché bij het Bestuur Economie en Werkgelegenheid (B.E.W.) / Economische Betrekking(en)”. 5.
- Het hiervóór genoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1998 waarbij de tussenkomende partij wordt benoemd tot V-1730n-4/14 bestuurssecretaris, met uitwerking op 1 mei 1998 (zie overweging 3.2), wordt op verzoek van de verzoeker door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 187.958 van 17 november
- Bij besluit van 12 januari 2009 herbenoemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de tussenkomende partij tot bestuurssecretaris, met uitwerking op dezelfde datum als de vernietigde benoeming, namelijk 1 mei
- De verzoeker stelt tegen dit besluit een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing in. Bij arrest nr. 195.285 van 15 juli 2009 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing. De verwerping steunt op het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, in het bijzonder gelet op het feit dat de tussenkomende partij ondertussen met pensioen is. In het licht van de oppensioenstelling van de tussenkomende partij en de daaraan gekoppelde overwegingen in het genoemde arrest nr. 195.285 van 15 juli 2009, doet de verzoeker vervolgens afstand van zijn beroep. Bij arrest nr. 197.680 van 10 november 2009 willigt de Raad van State de afstand in. 6.
- Op het ogenblik dat de verzoeker het voorliggende beroep instelt, gaat hij ervan uit dat de directieraad de procedure inzake de bevordering tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid heeft hernomen, en dat de directieraad in het kader van de aldus hernomen procedure een nieuwe rangschikking van de kandidaten heeft opgesteld. Het zou gaan om de procedure die geleid heeft tot het hiervóór genoemde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van ongekende datum, genomen vóór 28 september 2006, waarbij de tussenkomende partij opnieuw is bevorderd tot eerste attaché (zie overweging 5.1, in fine). De beslissing van de directieraad van ongekende datum waarbij de kandidaten zijn gerangschikt, vormt de derde bestreden handeling. 6.
- Blijkbaar komt de verzoeker nadien tot de vaststelling dat de bevorderingsprocedure sinds het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 nog niet hernomen is. Met een op 24 januari 2008 ter post aangetekend verzonden brief maant de verzoeker de Brusselse Hoofdstedelijke Regering formeel aan om de V-1730n-5/14 benoemingsprocedure te hernemen. Op die aanmaning geeft de regering geen gunstig gevolg. Nadat de Raad van State bij arrest nr. 187.959 van 17 november 2008, gewezen op verzoek van de verzoeker, aan de verwerende partij een dwangsom heeft opgelegd van 1.500 euro voor elke dag dat zij nalaat uitvoering te geven aan het genoemde vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006, herneemt de directieraad op 19 december 2008 de bevorderingsprocedure. Op 14 januari 2009 stelt de directieraad vast dat één van de vier kandidaten ondertussen overleden is. Hij onderzoekt opnieuw de titels en verdiensten van de drie overblijvende kandidaten. Met 4 stemmen tegen 2 beslist de directieraad om de tussenkomende partij als eerste kandidaat voor te stellen, M.H.C. als tweede kandidaat, en de verzoeker als derde kandidaat. De verzoeker wordt van die beslissing bij brief van 24 februari 2009 op de hoogte gebracht. Op 27 maart 2009 beslist de directieraad dat het door de verzoeker ingediende bezwaar geen nieuwe gegevens aanbrengt die een wijziging van de opgestelde rangschikking verantwoorden. Eenparig besluit hij de rangschikking van de verzoeker niet te wijzigen. Dienvolgens blijft de oorspronkelijke rangschikking behouden. Bij arrest nr. 197.681 van 10 november 2009 verwerpt de Raad van State de vordering tot schorsing, op grond dat deze gericht is tegen een louter voorbereidende handeling, die niet voor vernietiging vatbaar is en waarvan de tenuitvoerlegging ook niet geschorst kan worden. Het beroep tot nietigverklaring is nog hangende (zaak A. 192.654/V-1782). 6.
- Ondertussen heeft de verzoeker de verwerende partij met een aangetekende brief van 1 maart 2009 aangemaand om “de aangevatte benoemingsprocedure af te sluiten” en om hem te bevorderen. Op 1 april 2009 is de tussenkomende partij, zoals gezegd, met pensioen gegaan (zie overweging 5.2). Op 13 juli 2009 heeft de verzoeker een vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van “de afwijzende beslissing zoals die blijkt uit het niet afronden van de in 2001 aangevatte bevorderingsprocedure”, alsook van V-1730n-6/14 “de daaruit blijkende weigering om verzoeker te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel”. Die vordering wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 197.684 van 10 november
- De Raad overweegt daarbij onder meer dat het rechtsherstel waartoe het genoemde vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 de verwerende partij verplicht, er niet noodzakelijk in bestaat dat zij de verzoeker benoemt, maar wel dat zij de bevorderingsprocedure overdoet en een nieuwe vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten maakt. Bij gebreke van een rechtsplicht voor de verwerende partij om de beslissing te nemen waartoe de verzoeker haar had aangemaand, kan uit haar stilzitten niet de impliciete afwijzende beslissing om de verzoeker tot eerste attaché te benoemen worden afgeleid. De vordering tot schorsing is dienvolgens niet ontvankelijk. Het beroep tot nietigverklaring is nog hangende (zaak A. 193.362/IX-6441). 6.
- Ondertussen heeft de administratie met een brief van 29 april 2009 het bevorderingsdossier aan de bevoegde staatssecretaris overgemaakt, met het oog op het nemen van een beslissing in de bevorderingsprocedure. Uit de verklaringen ter terechtzitting blijkt dat een zodanige beslissing op dat ogenblik nog niet is genomen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. In zoverre het beroep is gericht tegen een besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van ongekende datum waarbij de tussenkomende partij wordt bevorderd tot de graad van eerste attaché (eerste bestreden handeling)
- De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het is gericht tegen de eerste bestreden handeling, afgeleid uit het feit dat die handeling in werkelijkheid niet bestaat.
- In zijn memorie van wederantwoord neemt de verzoeker akte van het feit dat de verwerende partij te kennen geeft dat zij de bevorderingsprocedure op het ogenblik van het indienen van de memorie van antwoord (10 april 2007) nog niet hernomen heeft. V-1730n-7/14 In zijn laatste memorie vordert de verzoeker nog wel uitdrukkelijk de vernietiging van de tweede en de derde bestreden beslissing, maar niet meer van de eerste bestreden beslissing.
- Uit de verklaringen van de verwerende partij en uit de stukken van het dossier blijkt dat, op het ogenblik waarop het voorliggende beroep is ingesteld (28 december 2006), de verwerende partij de procedure tot benoeming van een eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid nog niet had hernomen nadat de Raad van State bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001, waarbij de tussenkomende partij in die betrekking was benoemd, had vernietigd. Voorts blijkt uit niets dat de verwerende partij reeds vóór het genoemde arrest de tussenkomende partij opnieuw in de bedoelde betrekking zou hebben benoemd. Daartoe bestond trouwens tot aan het vernietigingsarrest geen enkele reden. In zoverre in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006 wordt bepaald dat de bevordering van de tussenkomende partij in de graad van eerste attaché wordt “geannuleerd”, gaat het overduidelijk om de bevordering bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001, welke door de Raad van State bij het genoemde arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 is vernietigd, en niet om enige nieuwe bevordering van latere datum. Zo de bekendmaking bij wege van vermelding van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006 in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2006 daarover enige onduidelijkheid liet, wordt die onduidelijkheid in elk geval volledig weggenomen door de tekst zelf van dat besluit. In het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 7 juli 2008 waarbij de tussenkomende partij op pensioen wordt gesteld, wordt deze partij bovendien vermeld als “attaché bij het Bestuur Economie en Werkgelegenheid (B.E.W.) / Economische Betrekking(en)”, niet als eerste attaché. De eerste bestreden handeling is dan ook onbestaande. De exceptie is gegrond. V-1730n-8/14 B. In zoverre het beroep is gericht tegen het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006 waarbij de bevordering in de graad van eerste attaché van de tussenkomende partij wordt geannuleerd vanaf 1 juli 2006 (tweede bestreden beslissing)
- De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden handeling, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang. Volgens de genoemde partijen geeft het bestreden besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006 uitvoering aan het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006, gewezen op verzoek van de verzoeker. De verwerende partij preciseert dat met het bestreden besluit de vernietiging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 werd “bevestigd”, en dat daarmee ook de overheveling van de tussenkomende partij als expert van hoog niveau van de directie Onderzoek en Innovatie van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest naar het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel werd vernietigd. De genoemde partijen concluderen dat de verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van een voor hem gunstige beslissing.
- In zijn memorie van wederantwoord antwoordt de verzoeker dat als het bestreden besluit van 28 september 2006 zo moet begrepen worden dat het de bevestiging inhoudt van de vernietiging die door de Raad van State is uitgesproken, die bevestiging niet strookt met het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006: enerzijds wordt de vernietiging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 niet bevestigd met ingang van 21 december 2001, maar slechts voor de periode na 1 juli 2006; anderzijds wordt met geen woord gerept over de rangschikking die de directieraad (op 21 november 2001) heeft opgemaakt en die ook door de Raad van State is vernietigd. In zijn laatste memorie voert de verzoeker aan dat het moeilijk is om te achterhalen wat de precieze betekenis is van de vermelding in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2006 volgens welke de bevordering van de tussenkomende partij bij het bestreden besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006 wordt “geannuleerd vanaf 1 juli 2006 naar V-1730n-9/14 aanleiding van het arrest van de Raad van State van 30 juni 2006”. Zo het bedoelde besluit de uitwerking van het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 bevestigt voor de periode na 1 juli 2006, doet het dat niet voor de periode tussen 21 december 2001 en 30 juni
- De verzoeker verzoekt dan ook om de vernietiging van dat besluit, in het belang van de rechtszekerheid en de duidelijkheid in de rechtsverhoudingen.
- Het bestreden besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006 is kennelijk bedoeld om, ter uitvoering van het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006, aan de gevolgen van de bevordering van de tussenkomende partij tot eerste attaché bij het vernietigde besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001, een einde te stellen. Anders dan zou kunnen worden afgeleid uit de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2006, bepaalt artikel 1 van het bestreden besluit uitdrukkelijk dat het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 wordt vernietigd met uitwerking op 21 december 2001, niet met uitwerking op 1 juli
- Die bepaling moet zo begrepen worden dat vastgesteld wordt dat de vernietiging, uitgesproken door de Raad van State, uitwerking heeft met ingang van 21 december 2001, zijnde de datum waarop het vernietigde besluit in werking was getreden. Daarmee doet de verwerende partij niets anders dan met een louter declaratieve bepaling de uitwerking in de tijd van het genoemde arrest vast te stellen, overigens op een wijze die strookt met de gevolgen die wettelijk aan een vernietigingsarrest toekomen. De Raad van State ziet niet in welk belang de verzoeker heeft bij een vernietiging van die bepaling, geïnterpreteerd in de zin als aangegeven. De overige bepalingen van het bestreden besluit regelen de rechtstoestand van de tussenkomende partij, rekening houdend met het feit dat haar bevordering tot eerste attaché is vernietigd. De verzoeker legt niet uit, en de Raad van State ziet niet in, welk belang de verzoeker zou hebben bij de vernietiging van die bepalingen. Het feit dat in het bestreden besluit niet gehandeld wordt over de rangschikking van de kandidaten door de directieraad, is te verklaren door het feit dat het besluit enkel op de rechtstoestand van de tussenkomende partij betrokken is. Het besluit doet geen afbreuk, en kan ook geen afbreuk doen, aan de gevolgen die van rechtswege uit het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 voortvloeien, V-1730n-10/14 meer bepaald in verband met de bevorderingsprocedure waarin het vernietigde besluit was genomen. De exceptie is gegrond. C. In zoverre het beroep is gericht tegen een beslissing van het directiecomité van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van ongekende datum waarbij de kandidaten voor een betrekking van eerste attaché (rang A2, expert van hoog niveau) worden gerangschikt (derde bestreden beslissing)
- De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het is gericht tegen de derde bestreden handeling, afgeleid uit het feit dat die handeling in werkelijkheid niet bestaat.
- Zoals is opgemerkt bij het onderzoek van de eerste exceptie van onontvankelijkheid (overweging 8), neemt de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord akte van het feit dat de verwerende partij te kennen geeft dat zij de bevorderingsprocedure op het ogenblik van het indienen van de memorie van antwoord (10 april 2007) nog niet hernomen heeft. In zijn laatste memorie, ingediend op 6 september 2009, wijst de verzoeker erop dat de directieraad inmiddels, op 27 maart 2009, een nieuwe rangschikking van de kandidaten heeft opgemaakt. De derde bestreden beslissing heeft zich aldus geconcretiseerd in die rangschikking. De verzoeker handhaaft de middelen die hij reeds in het verzoekschrift tegen de derde bestreden beslissing heeft ingeroepen. 15.
- Zoals bij het onderzoek van de eerste exceptie van onontvankelijkheid reeds is opgemerkt (overweging 9), blijkt uit de verklaringen van de verwerende partij en uit de stukken van het dossier dat, op het ogenblik dat het voorliggende beroep is ingesteld (28 december 2006), de verwerende partij de procedure tot benoeming van een eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de directie Onderzoek en Innovatie van het bestuur Economie en Werkgelegenheid nog niet had hernomen nadat de Raad van State bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001, waarbij de tussenkomende partij in die betrekking was benoemd, had vernietigd. Met V-1730n-11/14 name had de directieraad zich op dat ogenblik nog niet uitgesproken over de rangschikking van de kandidaten. Voorts blijkt uit niets dat de directieraad reeds vóór het genoemde arrest een nieuwe rangschikking van de kandidaten zou hebben opgesteld. Daartoe bestond trouwens tot aan het vernietigingsarrest geen enkele reden. De derde bestreden handeling is dan ook onbestaande. De omstandigheid dat na het instellen van het voorliggende beroep de bevorderingsprocedure is hernomen, ter uitvoering van het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006, en dat in het kader van de aldus hernomen procedure de directieraad op 27 maart 2009 een nieuwe rangschikking van de op dat ogenblik nog in leven zijnde kandidaten heeft opgemaakt (zie overweging 6.2), doet aan deze vaststelling geen afbreuk. 15.
- In zijn laatste memorie verklaart de verzoeker dat hij de middelen ingeroepen tegen de derde bestreden beslissing onverkort handhaaft tegen de rangschikking van 27 maart
- In zoverre die verklaring moet worden geïnterpreteerd als een verzoek tot uitbreiding van het voorliggende beroep tot die latere rangschikking, moet worden opgemerkt dat de verzoeker op 18 mei 2009 met een afzonderlijk verzoekschrift een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring van die rangschikking heeft ingesteld (zaak A. 192.654/V-1782). Die vaststelling volstaat om het voorliggende beroep niet uit te breiden tot de handeling die het voorwerp vormt van dat nieuwe geding. 15.
- De exceptie is gegrond. V. Boete wegens kennelijk onrechtmatig beroep
- De verwerende partij en de tussenkomende partij nodigen de Raad van State uit om aan de verzoeker een geldboete op te leggen wegens kennelijk onrechtmatig beroep, met toepassing van artikel 37 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De verwerende partij wijst erop dat de verzoeker het voeren van een adequaat personeelsbeleid sinds jaren bemoeilijkt, door de talloze procedures die hij heeft aangespannen en door de negatieve sfeer die hij hierdoor binnen het V-1730n-12/14 ministerie veroorzaakt. Zij wijst er ook op dat de verzoeker zijn juridische acties tegen de verwerende partij op de spits drijft, door een beroep in te stellen tegen beslissingen die niet bestaan (eerste en derde bestreden handeling) of waarvan hij in het kader van andere procedures de nietigverklaring al heeft gevorderd (tweede bestreden handeling, waarvan de verzoeker bij wege van uitbreiding van het beroep in de zaak A. 123.249/IX-3411 de vernietiging heeft gevorderd). De tussenkomende partij benadrukt dat de verzoeker op de hoogte was van de tekst van het bestreden besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006, en dat hij daarvan dus de werkelijke draagwijdte kon vaststellen. Voorts moest hij weten dat de twee andere bestreden handelingen niet bestonden.
- Het kennelijk onrechtmatig beroep is het beroep dat er kennelijk toe strekt om de tenuitvoerlegging van een duidelijk rechtmatige bestuurlijke beslissing te vertragen, of dat kennelijk niet is ingesteld met de bedoeling een uitspraak ten gronde over de aanspraak te verkrijgen. Een dergelijk misbruik kan afgeleid worden uit het bestaan in hoofde van de verzoeker van kwade trouw, van een bedoeling om te schaden of van een dilatoir oogmerk, of uit een uit de lucht gegrepen en kennelijk ongegronde argumentatie. Het bestaan van een dergelijk misbruik wordt te dezen niet aangetoond. Het enkele feit dat de verzoeker voor zijn rechten opkomt en beslissingen bestrijdt die hij onwettig acht, levert in elk geval geen kennelijk onrechtmatig beroep op. Dit geldt te dezen des te meer nu de bekendmaking, bij wege van vermelding, van het bestreden besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 september 2006 in het Belgisch Staatsblad van 3 november 2006 voor enige verwarring kon zorgen. Er is te dezen dan ook geen aanleiding om een boete op te leggen wegens het zogezegd kennelijk onrechtmatig karakter van het beroep. V-1730n-13/14 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 september 2010, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Luc Hellin, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens V-1730n-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.185 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div