id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.200 Rolnummer: A. 197583/IX-6924 Zaak: Arrest 207200 - Penitentiair recht - 04/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-06 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:06 Fiche Arrest nr 207.200 van 4 september 2010 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 207.200 van 4 september 2010 in de zaak A. 197.583/IX-
- In zake: Alexandru PATRAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alain Tytgat kantoor houdend te 1050 BRUSSEL Louizalaan 391, bus 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 3 september 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van “de beslissing, op 31 augustus 2010 genomen door de directeur van de gevangenis te Vorst, waarbij een tuchtsanctie werd uitgesproken van 2 weken strikt cellulair regime + 2 weken met uitstel”. II. Verloop van de rechtspleging
- De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 september
- Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alain Tytgat, die verschijnt voor de verzoekende partij, en attaché Valérie Arickx, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-6924-1/7 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Administratief dossier
- De verwerende partij heeft geen administratief dossier neergelegd. De door de verzoeker aangehaalde feiten worden bijgevolg als bewezen geacht, tenzij deze kennelijk onjuist zijn. IV. Feiten
- De verzoeker is op 28 augustus 2010 in de loop van de namiddag op bevel van de onderzoeksrechter te Brussel opgesloten in de gevangenis te Vorst, in een cel waar reeds een andere gedetineerde verbleef.
- Diezelfde dag ’s avonds ontstond oproer waarbij verscheidene gedetineerden betrokken waren. Er werd brandend plastic materiaal door de vensters gegooid op de binnenkoer van de gevangenis. Volgens het verslag van drie gevangenisbewaarders gebeurde dit vanuit de cel waarin de verzoeker is opgesloten.
- Op 31 augustus 2010 wordt de verzoeker gehoord door de directeur van de gevangenis. De directeur deelt hem mee dat zijn celgenoot heeft verklaard dat de verzoeker verantwoordelijk is voor de betrokken feiten en voegt er aan toe dat zij alle “protagonisten” sanctioneert omdat niet kan worden uitgemaakt wie precies verantwoordelijk is. De verzoeker vraagt vervolgens naar de getuigenis van de drie bewakers die de feiten hebben gezien. Hij stelt dat de betrokken gedetineerden nooit in zijn aanwezigheid werden ondervraagd, dat de inhoud van hun verklaringen niet aan hem werd meegedeeld of met hem getoetst en dat in geen enkel verslag staat dat hij de feiten zou hebben gepleegd.
- Diezelfde dag beslist de directeur aan de verzoeker de bestreden tuchtsanctie op te leggen. De bestreden beslissing luidt onder meer als volgt: “(...) Gelet op de feiten die als volgt worden omschreven: oproep tot rebellie in de nacht + vrijwillige opzettelijke brandstichting X-6924-2/7 (...) De volgende tuchtsanctie wordt ten aanzien van de gedetineerde uitgesproken: 2 weken strikt cellulair regime + 2 weken met uitstel (...) Motivering van de sanctie: Gelet op aantasting van de orde en de veiligheid”. V. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. Ernstige middelen Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In een eerste middel voert de verzoeker aan dat de bestreden beslissing in het Nederlands en in het Frans is gesteld, hetgeen indruist tegen de bepalingen met betrekking tot het gebruik der talen in bestuurszaken. De verzoeker had uitdrukkelijk gevraagd om gebruik te mogen maken van het Nederlands, zowel in de strafrechtelijke procedure als in de tuchtrechtelijke procedure. Beoordeling
- Nog afgezien van het feit dat de verzoeker niet vermeldt welke bepaling van de wet op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, precies geschonden zou zijn, blijkt dat de bestreden beslissing een standaardformulier is met voorgedrukte vermeldingen in het Nederlands en in het Frans. Op dit formulier werden de feiten die aanleiding gaven tot de sanctie, alsook de sanctie en de motivering van de sanctie in het Nederlands vermeld. Er lijkt X-6924-3/7 bijgevolg geen schending voor te liggen van de door de verzoeker aangevoerde bepalingen. Het enkele feit dat onder de rubriek “getuigen” het woord “néant” voorkomt, is op het eerste gezicht een materiële vergissing die geen afbreuk doet aan deze vaststelling. In de mate dat de verzoeker eerst op de terechtzitting het middel lijkt uit te breiden naar de taal of talen die op de hoorzitting werden gebruikt, lijkt het middel onontvankelijk. Het eerste middel is niet ernstig. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de formele motiveringsplicht en van de materiële motiveringsplicht, bedoeld in artikel 5 (lees: artikel 3) van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet). In een eerste onderdeel stelt de verzoeker dat een schending voorligt van de formele motiveringsplicht omdat de bestreden beslissing uitsluitend is gemotiveerd door de woorden “Gelet op aantasting van de orde en de veiligheid”, zonder aanduiding van een toegepaste wetsbepaling of reglementaire bepaling en zonder te vermelden of de verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan de omschreven feiten. Dit is des te merkwaardiger nu de directeur heeft verklaard dat “iedereen wordt gesanctioneerd”, omdat zij niet weet wie de feiten heeft gepleegd. In een tweede onderdeel argumenteert de verzoeker dat de bestreden beslissing indruist tegen de aangehaalde wetsbepaling omdat de motivering pertinent en draagkrachtig moet zijn en de aangehaalde feiten moeten volstaan om de beslissing te schragen. De bestreden beslissing moet de betrokkene in staat stellen om ze in rechte aan te vechten. De verzoeker geeft nog verscheidene andere vereisten weer met betrekking tot de materiële motiveringsplicht. Beoordeling
- In zoverre het middel betrekking heeft op de schending van de formele motiveringsplicht, blijkt vooreerst dat de beslissing wel degelijk de feiten vermeldt waarop zij steunt en een motivering bevat voor de opgelegde sanctie. Voorts lijkt de verzoeker wel degelijk op de hoogte te zijn van de hem ten laste gelegde feiten en van de motivering van de sanctie, nu hij in zijn verzoekschrift zelf X-6924-4/7 vermeldt dat de directeur de sanctie heeft opgelegd aan alle “protagonisten”, aangezien niet kan worden uitgemaakt wie precies verantwoordelijk is. Aldus is er op het eerste gezicht geen sprake van een schending van de formele motiveringsplicht. Het feit dat de specifiek toegepaste bepaling van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende Algemeen Reglement van de Strafinrichtingen, met name artikel 81, 82 of 83, niet werd aangekruist op het formulier, leidt niet tot een andere conclusie, nu dit de verzoeker in dit concrete geval niet lijkt te hebben benadeeld, mede gelet op het voorgaande. Voor wat betreft de aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht vermeldt het verzoekschrift op abstracte wijze de draagwijdte van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, zonder evenwel concreet te vermelden hoe deze bepalingen door de bestreden beslissing zijn geschonden. Het tweede middelonderdeel is bijgevolg enkel ontvankelijk in de mate dat het samenvalt met het eerste middelonderdeel en net zoals het eerste middelonderdeel niet ernstig. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel wordt de schending aangevoerd van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verzoeker stelt dat hij inzage vroeg in het tuchtrechtelijk dossier en dat hem één blad werd overhandigd, waarop de identiteit en de verklaringen die betrekking hebben op de andere gedetineerden niet worden vermeld. Er zijn dus blijkbaar andere stukken die niet aan de raadsman van de verzoeker ter inzage werden gegeven, hetgeen indruist tegen de aangehaalde wetsbepaling en eveneens strijdig is met de aangehaalde verdragsbepaling, aangezien stukken worden aangewend waarvan het bestaan wordt betwist. Beoordeling
- Uit de uiteenzetting van het middel, noch uit de in het verzoekschrift vermelde feiten blijkt dat de verzoeker werd gesanctioneerd op basis van verklaringen van andere gedetineerden. De verzoeker betwist niet dat de sanctie is gebaseerd op de verklaringen in het verslag van de drie gevangenisbewaarders. X-6924-5/7 De verzoeker vermeldt zelf dat de directeur de sanctie heeft opgelegd aan alle “protagonisten”, aangezien niet kan worden uitgemaakt wie precies verantwoordelijk is. De verzoeker lijkt in die omstandigheden niet te zijn geschaad door de in dit middel aangevoerde tekortkomingen en heeft op het eerste gezicht geen belang bij dit middel. Het middel is niet ernstig. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vierde middel wordt aangevoerd dat “het resultaat van de ondervragingen van de andere protagonisten (...) niet ter kennis (werd) gebracht van verzoeker, zodat het voor verzoeker onmogelijk was na te gaan en aan te tonen of en waar er tegenstrijdigheden waren met hetgeen hij zelf had meegemaakt”. Beoordeling
- In zoverre dit middel al niet samenvalt met het derde middel en om die reden onontvankelijk lijkt te zijn, wordt in elk geval niet vermeld welke rechtsregel of rechtsbeginsel geschonden zou zijn door de aangevoerde feiten en is het middel op het eerste gezicht ook om die reden onontvankelijk. Het middel is niet ernstig. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- In een vijfde middel bekritiseert de verzoeker “de afwezigheid van een procedure van hoger beroep”. Hij stelt dat het EVRM voorziet in een behandeling van de zaak in hoger beroep door een andere instantie. Beoordeling
- Nog afgezien van het feit dat de verzoeker nalaat te vermelden welke bepaling van het EVRM dit recht op een hoger beroep waarborgt, lijkt het middel redelijkerwijze zo te moeten worden begrepen dat de verzoeker het ontbreken van de mogelijkheid van een hoger beroep tegen de bestreden beslissing X-6924-6/7 bekritiseert. De verzoeker lijkt er aan voorbij te gaan dat een beroep bij de Raad van State open staat en dat hij van dit beroep gebruik heeft gemaakt, zonder dat hij aantoont dat dit beroep niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 6 EVRM. Het middel is niet ernstig.
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Jeroen Van Nieuwenhove X-6924-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.200 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.