← België

Arrest 207217 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 06/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.217 Rolnummer: A. 131729/IX-3660 Zaak: Arrest 207217 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 06/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-10 Raadplegingen: 198 - laatst gezien 2026-07-01 18:03 Fiche Arrest nr 207.217 van 6 september 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 207.217 van 6 september 2010 in de zaak A. 131.729/IX-3660 In zake : Mario ENDERLIN wonend te Dion-Beauraing Avenue Belle-Vue 50 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 januari 2003, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 7 november 2002 van de Chef Defensie waarbij aan Mario Enderlin een informaticatoelage geweigerd wordt, hem ter kennis gebracht met een nota van 13 november 2002. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 196.209 van 21 september 2009 zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat belast met het verder onderzoek van de zaak. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 juni 2010. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. IX-3660-1/6 Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoeker, en kapitein Valéry De Saedeleer, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in het arrest nr. 196.209 van 21 september 2009. In dat arrest heeft de Raad van State gesteld dat hij bevoegd was om over de bestreden beslissing uitspraak te doen. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing door een onbevoegde overheid genomen is, in die zin dat artikel 11, § 2, van de wet van 20 mei 1994 houdende de geldelijke rechten van de militairen (hierna: de wet van 20 mei 1994) aan de Koning de bevoegdheid verleent om voor de militairen in werkelijke dienst het recht in te stellen op “toelagen, vergoedingen en andere geldelijke voordelen of voordelen in natura” en artikel 11, § 3, van de voormelde wet de Koning enerzijds de bevoegdheid verleent om de tarieven van die tegemoet- komingen te bepalen en anderzijds de Koning toelaat “in de gevallen die Hij bepaalt de Minister van Landsverdediging met die taak (

  1. te)belasten”, terwijl het bepalen van de geldelijke rechten van de militairen en het vaststellen van de voorwaarden betrekking hebben op een grondregeling van het statuut van de militairen die de Grondwetgever aan de wetgever toevertrouwd heeft, zodat de delegatie aan de Koning en de subdelegatie aan de minister die artikel 11, § 3, van de wet van 20 mei 1994 inhoudt, de artikelen 182 en 186 van de Grondwet, die volgens de rechtspraak IX-3660-2/6 van het Grondwettelijk Hof inhouden dat de wetgever zelf de wezenlijke criteria en de principes bepaalt die de uitvoerende macht moet naleven bij de uitoefening van de bevoegdheid die haar wordt opgedragen, miskent. De bestreden beslissing, uitgaande van de Chef Defensie, maakt toepassing van de regeling die op grond van artikel 11, §§ 2 en 3, van de wet van 20 mei 1994 met het koninklijk besluit van 2 juni 2000 houdende toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken (hierna: het koninklijk besluit van 2 juni 2000) en het ministerieel besluit van 6 juni 2000 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 houdende toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken (hierna: het ministerieel besluit van 6 juni 2000) uitgewerkt is, en is daarom onregelmatig. De verzoeker vraagt dat in het kader van dit middel aan het Grondwettelijk Hof zou worden gevraagd of de delegaties waarin artikel 11, §§ 2 en 3, van de wet van 20 mei 1994 voorziet, overeenstemmen met de Grondwet, die deze regeling aan de wetgever voorbehoudt, en of de Koning wel bevoegd is om zijn bevoegdheden te subdelegeren. 5. De verwerende partij antwoordt dat indien het Grondwettelijk Hof in zijn arrest naar aanleiding van de door de verzoeker gesuggereerde prejudiciële vraag zou stellen dat het koninklijk besluit van 2 juni 2000 en het ministerieel besluit van 6 juni 2000 niet meer mogen toegepast worden, de verzoeker bij gebreke aan enige reglementaire bepaling op geen enkele wijze nog van een informaticatoe- lage zou kunnen genieten. Ten gronde stelt zij dat er geen delegatie aan de minister gegeven wordt, dat de bevoegdheid van de Chef Defensie zich beperkt tot het opstellen van de lijst van de militairen die aan de voorwaarden van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 beantwoorden en dat de aanvaardings- commissie en de beroepscommissie alleen maar advies verlenen aan de Chef Defensie. 6. In zijn memorie van wederantwoord beklemtoont de verzoeker dat artikel 11, § 3, van de wet van 20 mei 1994 enkel toelaat dat de Koning bepaalde bevoegdheden delegeert aan de minister, met name het bepalen van de tarieven en het regelen van de voorwaarden van toekenning van de voordelen bepaald in § 2 van voormeld artikel 11. Indien de minister vaststelt welke taken informaticataken zijn dan delegeert hij aan de Chef Defensie de taak om te bepalen wie informaticataken uitoefent en om te beslissen of de aanvrager van de toelage al dan niet 80% van zijn IX-3660-3/6 voltijdse werktijd besteedde aan deze taken. Het is evenwel de minister die de wettelijke opdracht heeft te bepalen welke militairen recht hebben op de toelage en hen die toelage toe te staan of te weigeren. Deze bevoegdheid kan nooit worden gedelegeerd. 7. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de verzoeker geen belang heeft bij het aanvoeren van dit middel, omdat een vernieti- ging van het bestreden besluit op die grond impliceert dat de verzoeker geen informaticatoelage meer kan krijgen. De verwijzing naar een mogelijk remediërend optreden van de wetgever en het bestuur betreft een loutere hypothese, maar een hypothetisch belang volstaat in deze niet. Beoordeling 8. Het middel strekt ertoe vastgesteld te zien dat de bestaande regeling, zoals zij door de wet mogelijk gemaakt is en uitgewerkt werd door de uitvoerende macht, geen rechtsgrond kan bieden aan de beslissing om aan de verzoeker een toelage te weigeren. De vernietiging op grond van dit middel heeft tot gevolg dat de toelage waarop de verzoeker aanspraak maakte, hem alsnog niet definitief geweigerd is en dat erga omnes vaststaat dat het bestuur bij het uitwerken van de toekenningsregeling de door artikel 182 van de Grondwet aan de militairen gewaarborgde rechten miskend heeft. De verzoeker mag niet het slachtoffer zijn van de verkeerde keuzes die de verwerende partij gemaakt heeft bij het uitwerken van een toelagere- geling waarmee hij zijn voordeel kan doen. Integendeel, op gevaar af hem te discrimineren ten aanzien van de militairen die op grond van de bestaande regeling de toelage wel gekregen hebben, mag van de verwerende partij verwacht worden dat zij, in het kader van het rechtsherstel waartoe het vernietigingsarrest haar dwingt, initiatieven neemt om de vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen en om de situatie van de verzoeker vervolgens op grond van die nieuwe regeling opnieuw te bepalen. Dergelijk belang is niet hypothetisch, maar vindt zijn grondslag in een verplichting van het bestuur. De exceptie is niet gegrond. 9. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 184/2009 van 12 november 2009 vastgesteld dat artikel 11, §§ 2 en 3, van de wet van 20 mei 1994 het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel miskent, doordat die regeling, in zoverre de IX-3660-4/6 wet zelf de kwalificaties niet bepaalt waarvan de toekenning van de erin beoogde toelagen afhankelijk wordt gemaakt en in zoverre de wet de Koning machtigt om, op onbeperkte wijze, de minister van Landsverdediging toe te staan de hem verleende bevoegdheden uit te oefenen, op discriminerende wijze afbreuk doet aan de in artikel 182 van de Grondwet aan de militairen gewaarborgde rechten. Die vaststelling geldt onverminderd voor de onderhavige zaak. Er dient geen nieuwe vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld te worden. 10. De vastgestelde ongrondwettigheid van de vermelde wettelijke bepaling tast de regelmatigheid aan van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 en het ministerieel besluit van 6 juni 2000, die daarin hun noodzakelijke grondslag vinden. De bestreden beslissing, die deze besluiten op de situatie van de verzoeker toepast, is door dezelfde onwettigheid aangetast. 11. Het middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van 7 november 2002 van de Chef Defensie waarbij aan Mario Enderlin een informaticatoelage geweigerd wordt, hem ter kennis gebracht met een nota van 13 november 2002. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-3660-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-3660-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.217 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.209 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.