← België

Arrest 207225 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.225 Rolnummer: A. 186912/IX-5830 Zaak: Arrest 207225 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:06 Fiche Arrest nr 207.225 van 6 september 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 207.225 van 6 september 2010 in de zaak A. 186.912/IX-5830 In zake : Paul VAN DAMME wonend te Lokeren Groenstraat 50 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Ondernemen en Vereenvoudigen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 31 januari 2008, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van 3 december 2007, namens de minister ondertekend door de directeur Personeel en Organisatie ad interim, tot terugvordering van de competentiepremie toegekend aan Paul Van Damme. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-5830-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 juni
  3. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, en advocaat Joy Moens, die loco advocaat Jean- François De Bock verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Melissa Celis, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies verleend. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker vast benoemd ambtenaar bij de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, waar hij tewerkgesteld is in de graad van ICT-deskundige onder de weddenschaal BI
  6. 3.
  7. In mei 2004 slaagt de verzoeker voor de competentiemeting
  8. Ingevolge de beslissing van 3 september 2004 wordt aan de verzoeker een competentietoelage van een jaarlijks bedrag van 2.500 euro toegekend op 1 september
  9. Op grond van artikel 35, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het Rijkspersoneel (hierna: het koninklijk besluit van 7 augustus 1939), zoals toegevoegd bij artikel 70, 3/, van het koninklijk besluit van 5 september 2002 houdende hervorming van de loopbaan van sommige ambtenaren in de Rijksbesturen, heeft voornoemde competentiemeting een geldigheidsduur van 3 jaar. Op grond van deze bepaling verstrijkt de geldigheidsduur van deze competentiemeting aldus op 31 augustus
  10. IX-5830-2/12 Voormeld artikel 35, § 2, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 is gewijzigd door artikel 5 van het koninklijk besluit van 22 november 2006 houdende diverse maatregelen inzake de loopbaan van het Rijkspersoneel van de niveaus A, B, C en D (hierna: het koninklijk besluit van 22 november 2006), krachtens hetwelk de geldigheidsduur voor een competentiemeting voor de graad van ICT-deskundige op 6 jaar wordt gebracht. Dit artikel 5 van het koninklijk besluit van 22 november 2006 is in werking getreden op 1 januari
  11. Luidens het eerste lid van artikel 20 van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de loopbaan (hierna: het koninklijk besluit van 7 juni 2007) wordt de geldigheidsduur van de competentiemeting waarin de personeelsleden die geslaagd zijn vóór 1 januari 2007, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, op 6 jaar gebracht voor de ICT-deskundigen. Het derde lid van dit artikel 20 bepaalt echter dat het eerste lid niet van toepassing is op de bevorderingen door verhoging in weddeschaal bedoeld in artikel 22, §§ 1 tot
  12. Op 27 september 2007 wordt aan de verzoeker de jaarlijkse competentietoelage voor de competentiemeting 5 uitbetaald. 3.
  13. Met een schrijven van 6 november 2007, gericht aan de directeur Personeel en Organisatie van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, wordt door een aantal ICT-deskundigen gewezen op de uitbetaling van voornoemde competentiepremie aan zeven personen binnen de FOD Economie en op de niet- betaling ervan aan elf andere collega’s, die zich in identieke loopbaanomstandighe- den bevinden. Er wordt tevens verwezen naar de vergaderingen die zijn gehouden naar aanleiding van vragen die hieromtrent zijn gesteld. Tijdens deze vergaderingen werd verduidelijkt dat de desbetreffende personen geen recht hebben op de uitbetaling van de competentiepremie en dat een regeling zou worden getroffen in verband met de terugbetaling door de zeven personen die de premie reeds ontvangen hebben. In deze brief stellen de betrokken ICT-deskundigen onder meer het volgende met betrekking tot de lezing van het koninklijk besluit van 7 juni 2007: “Wij herhalen nogmaals: de bepalingen van artikel 20 brengen -buiten elke discussie en buiten elke benodigde interpretatie- de geldigheidsduur van de door ons afgelegde competentiemeting (destijds volgnummer 5) van 3 naar 6 jaren. Dit is een middels de tekst van het KB vaststaand verworven voordeel voor de

(18)personen die hier betrokken zijn. IX-5830-3/12 Wij vragen dat de in de tekst van het KB bepaalde en door ons verworven verlenging van 3 tot 6 jaren onverkort toegepast wordt en blijft. Eigenlijk is dit een vraag dewelke, normaal gezien, door ons niet dient gesteld te worden. Het is immers de logica zelf dat de overheid -onverkort en ongewijzigd- de teksten toepast die ze zelf opgesteld heeft. Wij stellen vast dat -door het (tot op heden...) nog niet uitbetalen van de verschuldigde competentiepremie (aan de betrokken 11 personen) op manifeste wijze de wet geschonden wordt. Wij stellen zeer nadrukkelijk: de tekst van art. 20, 1e lid gelezen in samenhang met art. 20, 3e lid (en dit art. 20, 3e lid wordt dan op zijn beurt gelezen in samenhang met de bepalingen in artikel 22, waarbij het glashelder is dat daar in ons geval geen sprake is van een effectieve bevordering door verhoging in weddenschaal) dient onverkort gerespecteerd en uitgevoerd te worden: de betrokken
(11)personen dienen zo spoedig mogelijk de hen verschuldigde competentiepremie te ontvangen.” 3.
  1. Op 19 november 2007 vindt een vergadering plaats waarin de problematiek wordt besproken van de verlenging van de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 voor de ICT-deskundigen die geslaagd zijn vóór 1 januari 2007 en aldus de verdere uitbetaling van de daaraan verbonden competentietoelage. Tijdens deze vergadering wordt verduidelijkt dat voor de betrokken ICT-deskundigen de geldigheidstermijn van de competentiemeting niet verlengd wordt tot 6 jaar op grond van artikel 22, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni 2007, dat de geldigheidstermijn aldus verstreek op 31 augustus 2006 en dat in afwachting dat de betrokkenen opnieuw aan een gecertificeerde opleiding kunnen deelnemen, er geen premie voor competentieontwikkeling kan worden uitbetaald. De ICT-deskundigen contesteren tijdens de vergadering deze stelling omwille van de redactie van artikel 20, derde lid, van hetzelfde besluit, dat stelt dat de verlenging van de geldigheidstermijn tot 6 jaar niet van toepassing is op de bevorderingen door verhoging in weddeschaal bedoeld in artikel 22, §§ 1 tot
  2. De voorzitter van de FOD Personeel en Organisatie stelt vervolgens dat de reglementering door de Stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Economie correct werd toegepast, zodat de geldigheidstermijn voor de betrokkenen niet wordt verlengd. 3.
  3. Met een aangetekende brief van 3 december 2007, namens de minister ondertekend door de directeur Personeel en Organisatie ad interim, wordt IX-5830-4/12 aan de verzoeker meegedeeld dat de premie voor competentieontwikkeling, uitbetaald eind september 2007, zal worden teruggevorderd. Deze beslissing, die het voorwerp van het onderhavig beroep uitmaakt, luidt als volgt: “Betreft: Terugvordering van de premie voor competentieontwikkeling uitbetaald eind september 2007 Naar aanleiding van de vergaderingen inzake bovengenoemd onderwerp die op 5 oktober 2007 en op 19 november 2007 bij de Stafdienst P&O werden georganiseerd, stel ik u er van in kennis dat artikel 20, 1e lid, van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 houdende wijziging van verscheidene reglementaire bepalingen betreffende de loopbaan, niet op u van toepassing is. De geldig- heidsduur van GO5, waarvoor u geslaagd bent, wordt dan ook niet verlengd. Indien u slaagt voor de volgende gecertificeerde opleiding (GO3 in het nieuwe systeem) waarvoor u reeds ingeschreven bent, begint er een nieuwe geldigheidsduur van 1 september 2006 tot 31 augustus
  4. Bijgevolg zal het door u op eind september 2007 ontvangen bedrag (1.447,88 euro) door de Centrale Dienst voor Vaste Uitgaven worden teruggevorderd. Volledigheidshalve deel ik u mede dat beroep hiertegen kan worden aangetekend bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.” 3.
  5. Met een brief van 25 januari 2008 wordt de verzoeker er door de FOD Financiën van in kennis gesteld dat de ten onrechte uitbetaalde premie voor competentieontwikkeling zal worden teruggevorderd aan de hand van vier opeenvolgende afhoudingen van zijn maandwedde van februari 2008 tot en met mei
  6. 3.
  7. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 23 maart 2010 wordt het verzoek tot terugbetaling van de ingehouden competentie- punten in hoofde van de verzoeker ingewilligd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
  8. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij wijst erop dat de geschillen over burgerlijke en politieke rechten volgens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet bij uitsluiting tot de IX-5830-5/12 bevoegdheid van de gewone rechtbanken behoort, behoudens de bij wet gestelde uitzonderingen inzake politieke rechten en dat de gewone rechtbanken bevoegd zijn voor geschillen inzake subjectieve rechten. De Raad van State is op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bevoegd om uitspraak te doen over verzoekschriften tot nietigverklaring van (individuele en reglementaire) rechtshandelingen uitgaande van administratieve overheden. Volgens de verwerende partij is de Raad van State dan ook niet bevoegd wanneer het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van een vordering een subjectief recht uitmaakt. Zulks is onder meer het geval wanneer de bevoegdheid van de administratieve overheid volledig gebonden is, met name wanneer de overheid met het oog op de uitoefening van haar bevoegdheid over geen enkele beoordelingsvrijheid beschikt. De verwerende partij wijst in dit verband op de rechtspraak van de Raad van State krachtens dewelke de beslissing waarbij de overheid een weddeschaal vaststelt voor een personeelslid geen constitutieve beslissing is waarbij een wedde wordt verleend, maar een declaratieve beslissing waarbij de overheid het bestaan van een direct uit een rechtsregel voortspruitende verplichting tot het betalen van een bepaalde wedde erkent. Zij laat gelden dat enkel de rechterlijke macht bevoegd is om over het bestaan en de omvang van een dergelijk subjectief recht te beslissen. De verwerende partij wijst er voorts op dat de Raad van State zich eveneens onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring van een bevel om een onverschuldigde wedde terug te betalen. Te dezen, zo stelt de verwerende partij, is het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep, de terugvordering van een door de verzoeker ten onrechte ontvangen premie. Zij merkt op dat de toepasselijke reglementering op een zeer precieze wijze bepaalt wie recht heeft op de competentiepremie. De overheid beschikt terzake over geen enkele discretionaire bevoegdheid, nu elke ambtenaar die aan de voorwaarden voldoet de premie verkrijgt. De verwerende partij stelt ten slotte dat de verzoeker ervan op de hoogte is dat de bestreden beslissing past in een volledig gebonden bevoegdheid, daar hij in zijn verzoekschrift zelf stelt dat “het bewust anders interpreteren van een IX-5830-6/12 wettekst [...] door andere woorden [...] niet geoorloofd [is]”. De verwerende partij zou bijgevolg niet op een onrechtmatige wijze een beslissing hebben genomen, maar zou de bestaande reglementering verkeerd hebben geïnterpreteerd.
  9. De verzoeker laat in zijn memorie van wederantwoord gelden dat de overheid haar gebonden bevoegdheid heeft geschonden door de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 niet toe te passen. De overheid heeft namelijk de tekst van dit koninklijk besluit middels een ontoelaatbare kunstgreep veranderd en heeft zichzelf aldus een discretionaire bevoegdheid aangemeten, terwijl zij enkel een gebonden bevoegdheid heeft. Het is volgens de verzoeker precies de aangevoch- ten schending van de wet die er aanleiding toe geeft dat de overheid hier haar gebonden bevoegdheid miskent. Het gaat volgens de verzoeker te dezen dan ook niet om een louter declaratieve beslissing waarbij de overheid de geldende rechtsregels zou toepassen. Dat de verzoeker niet zou voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de premie is volgens hem een blote bewering, die geenszins kan bewezen worden. De verzoeker stelt voorts dat te dezen geen sprake is of kan zijn van het “interpreteren” van de betreffende reglementering. In zoverre hij in zijn verzoekschrift “het bewust anders interpreteren” aanhaalt, dient dit te worden gelezen als het bewust verwisselen door de verwerende partij van de terminologie “bevorderingen door verhoging in weddeschaal” door “uitzonderingen”. De verzoeker stelt dat de verwerende partij de vervormende interpretatie aanwendt om de tekst van het koninklijk besluit met opzet te veranderen. Hoewel hij in zijn verzoekschrift het door de verwerende partij zelf geïntroduceerde woord “interprete- ren” gebruikt, wordt telkens duidelijk gesteld dat hier geen sprake is of kan zijn van interpretatie in de enige en gewone betekenis van het woord. De “interpretatie” is, zo benadrukt de verzoeker, een totaal ongeoorloofde kunstgreep om de precieze terminologie van het koninklijk besluit te negeren en te substitueren, wat heeft geleid tot de onrechtmatige administratieve beslissing. De verzoeker wijst ten slotte op de incoherente houding van de verwerende partij aangaande de niet-uitbetaling van de competentiepremie voor de ICT-deskundigen en de daartegen openstaande beroepsmogelijkheden. Hij stelt dat de verwerende partij in het volledig gelijklopend geval van niet-uitbetaling aan IX-5830-7/12 elf collega’s ICT-deskundigen met een brief van 18 maart 2008 heeft meegedeeld dat geen verlenging wordt toegestaan van de geldigheidsduur van de competentie- meting 5 en dat tegen deze beslissing beroep kan worden ingesteld bij de Raad van State, terwijl te dezen geen melding werd gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State.
  10. De verzoeker volhardt in zijn laatste memorie dat de verwerende partij middels het toepassen van ontoelaatbare kunstgrepen de tekst van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 woordelijk heeft gewijzigd teneinde tot een inhoudelijke verandering van de bepalingen daarvan te komen. In een uitvoerige uiteenzetting die betrekking heeft op de wijze waarop de verwerende partij de bepalingen van voormeld koninklijk besluit heeft geïnterpreteerd zet de verzoeker uiteen dat de verwerende partij vooreerst de terminologie in de tekst heeft omgewisseld teneinde achteraf, bij het herlezen van de “vervormde tekst”, te besluiten “dat er iets anders in het [koninklijk besluit] staat dan wat er oorspron- kelijk stond]”. Zulks vormt, zo stelt de verzoeker, een objectieve schending van de wet, die geresulteerd heeft in een beslissing die een ongunstige weerslag heeft op zijn loopbaan. Voorts wijst de verzoeker op ’s Raads arrest nr. 196.211 van 21 september 2009 inzake Vergoosen. Hij stelt dat in deze zaak, die zijns inziens meerdere gelijkenissen vertoont met onderhavige zaak, toch werd besloten tot de ontvankelijkheid. De verzoeker stelt voorts te “[beamen] dat het hier mogelijks in zijn geval ook gaat om een subjectief recht”, maar stelt daartegenover dat te dezen meer aan de hand is, te weten de schending in hoofde van de verwerende partij van de rechtszekerheid. De verzoeker wijst er ten slotte op dat, niettegenstaande het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 23 maart 2010, de voortzetting van het onderhavig annulatieberoep noodzakelijk is, nu voormeld vonnis nog geen kracht van gewijsde heeft en een arrest van de Raad erga omnes geldt. Beoordeling
  11. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van IX-5830-8/12 geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep gericht is op de erkenning van een subjectief recht waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. Of het voorwerp van een beroep bij de Raad van State al dan niet een geschil over een subjectief recht betreft, hangt niet af van de wijze waarop het voorwerp van het beroep in het verzoekschrift formeel wordt omschreven, doch wordt bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring. De Raad van State is ertoe verplicht om tot een interpretatie van het werkelijke voorwerp van het beroep over te gaan. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van de onbevoegdheid van de Raad van State, is vereist dat de verzoeker zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan de verzoeker belang heeft. Om zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen is het, zoals gezegd, noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid gebonden is.
  12. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de voorliggende vordering bestaat niet in het zien vernietigen door de Raad van State van een akte van een administratieve overheid in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, doch in het doen verklaren door de Raad van State dat de verzoeker recht heeft op de verlenging van de geldigheidsduur van de competen- tiemeting 5 en aldus op de uitbetaling van de hieraan verbonden competentietoelage. Immers, in zijn inleidend verzoekschrift stelt de verzoeker zelf dat hem een verlenging van de geldigheidsduur van een competentiemeting en het daaraan verbonden bekomen van een competentiepremie wordt onthouden. In de uiteenzet- ting van het eerste middel tracht de verzoeker aan te tonen dat artikel 20, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 wel degelijk op hem van toepassing is en stelt hij uitdrukkelijk recht te hebben op de verlenging van de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 doordat hij voldoet aan de bepalingen in artikel 20, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juni
  13. IX-5830-9/12 De vraag of de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 voor de ICT-deskundigen die hiervoor vóór 1 januari 2007 geslaagd waren wel of niet dient te worden verlengd -en de daaraan verbonden wel of niet uitbetaling van de competentietoelage- vloeit rechtstreeks voort uit artikel 20, eerste en derde lid, juncto artikel 22, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni
  14. Artikel 20, eerste en derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 bepaalt namelijk: “De geldigheidsduur van de competentiemeting waarin de personeelsleden geslaagd zijn vóór 1 januari 2007, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, wordt op 6 jaar gebracht voor de ICT-deskundigen (...) (...) Het eerste lid is niet van toepassing op de bevorderingen door verhoging in weddeschaal bedoeld in artikel 22, §§ 1 tot 4.” Artikel 22, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 luidt: “De ICT-deskundige die vóór 1 januari 2007 geslaagd was voor de competentiemeting 5, overeenkomstig de bepalingen die toen van kracht waren, kan, op het einde van de geldigheidsduur van die competentiemeting, aan de competentiemeting 3 deelnemen.” Het bestuur kan derhalve enkel in een declaratieve beslissing de algemene regel, zoals vervat in voornoemde artikelen, op individuele situaties toepassen. Dit is wat in casu is gebeurd. Door met de thans aangevochten beslissing van 3 december 2007 de aan de verzoeker naar het oordeel van de verwerende partij ten onrechte uitbetaalde competentietoelage terug te vorderen, doet de verwerende partij niets anders dan het louter toepassen van de artikelen 20, eerste en derde lid, en 22, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 7 juni
  15. De vraag of de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 al dan niet diende te worden verlengd (en de competentietoelage aldus wel of niet diende te worden betaald) betreft dan ook een probleem van interpretatie van deze regeling. Zelfs zo de verwerende partij de betreffende regelgeving te dezen verkeerdelijk zou hebben toegepast/geïnterpreteerd, betekent dit niet dat zij terzake over enige discretionaire bevoegdheid zou beschikken. De verwerende partij heeft integendeel door te beslissen de geldigheidsduur van de competentiemeting 5 niet IX-5830-10/12 te verlengen louter en alleen op grond van haar gebonden bevoegdheid de voornoemde artikelen toegepast. Zo de verzoeker in zijn memorie van wederant- woord stelt dat de verwerende partij zich ten onrechte een discretionaire bevoegd- heid heeft aangemeten door de terminologie van de duidelijke tekst van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 te veranderen, dient te worden opgemerkt dat hij zich in wezen beklaagt over een naar zijn oordeel verkeerde toepassing/interpretatie van de betreffende regelgeving door de verwerende partij. De verzoeker kan aan de gewone rechter vragen om uitspraak te doen over de verschillende interpretatie die hijzelf en de verwerende partij geven aan deze regelgeving. De Raad van State is derhalve niet bevoegd om van dergelijk geschil, dat aldus betrekking heeft op een subjectief recht, kennis te nemen. De verwijzing door de verzoeker naar het arrest van de Raad van State, nr. 196.211 van 21 september 2009, inzake Vergoosen, is niet dienstig. In dit arrest, dat teruggaat op het arrest nr. 192.199 van 2 april 2009 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak inzake Trappeniers, is, in tegen- stelling tot wat te dezen het geval is, immers duidelijk sprake van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid in hoofde van de beslissende overheid. De verzoeker voert in zijn laatste memorie meerdere elementen aan die betrekking hebben op het belang dat hij kan laten gelden bij de vernietiging van de bestreden beslissing. Hij stelt onder meer dat de bestreden beslissing naast een financiële weerslag eveneens een negatieve weerslag heeft op zijn loopbaan. Er dient te worden opgemerkt dat deze elementen geen afbreuk doen aan de onbe- voegdheid van de Raad van State inzake beroepen waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil over subjectieve rechten uitmaakt. De exceptie is gegrond. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het beroep.
  17. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. IX-5830-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-5830-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.225 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.