← België

Arrest 207226 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.226 Rolnummer: A. 158431/IX-4732 Zaak: Arrest 207226 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 06/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-10 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:06 Fiche Arrest nr 207.226 van 6 september 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 207.226 van 6 september 2010 in de zaak A. 158.431/IX-4732 In zake : Jürgen DE VUYST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie (DGS/DSJ) gevestigd te Brussel Fritz Toussaintstraat 8 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 17 december 2004, strekt tot de nietigverklaring van: “(

  1. a)de beslissingen zoals tot uiting komend in een schrijven van 19 oktober 2004 van de Directeur van de Federale politie - Algemene Directie Personeel, Directie van de rekrutering en van de selectie - waarbij: (
  2. aa)werd vastgesteld dat verzoeker momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie, [...]; (
  3. ab)[verzoekers] kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie ‘niet weerhouden’ werd, [...]; (
  4. b)de in (a), (
  5. aa)en/of (
  6. ab)impliciet besloten weigeringen om: (
  7. ba)te oordelen dat verzoeker beschikt over het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie, minstens het potentieel bezit om de persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem toelaten de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie bij de politie uit te oefenen; IX-4732-1/15 (
  8. bb)de kandidatuur van verzoeker als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie in aanmerking te nemen;” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 190.624 van 18 februari 2009 is het beroep verworpen in zoverre de nietigverklaring wordt gevorderd van de impliciete weigering verzoekers kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie in aanmerking te nemen, zijn de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 juni 2010. Staatsraad Pierre Barra heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoeker is sinds 1 april 2001 aangesteld als hoofdinspecteur van politie en tewerkgesteld in de eenheid GDA BXL-Asse, gespecialiseerde dienst. IX-4732-2/15 3.2. In juli 2004 stelt de verzoeker zich kandidaat voor het extern vergelijkend examen voor aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie. Het betreft zijn tweede deelname aan een selectieproef voor het gespecialiseerd middenkader, nadat hij bij zijn eerste deelname door de selectiecommissie op 24 januari 2004 “ongeschikt” werd bevonden. 3.3. Op 9 augustus 2004 en 9 september 2004 legt de verzoeker met gunstig resultaat de eerste proef van het vergelijkend examen af. Die proef peilt naar “de noodzakelijke cognitieve vaardigheden” van de kandidaten. 3.4. Op 14 oktober 2004 neemt de verzoeker deel aan de tweede proef, zijnde een “persoonlijkheidsproef”. De directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie adviseert naar aanleiding van deze proef dat de verzoeker “momenteel niet de persoonlijkheidskenmerken [bezit] die hem toelaten het ambt als gespecialiseerd middenkader uit te oefenen”. 3.5. Op 19 oktober 2004 deelt de directeur van de directie van de rekrutering en van de selectie aan de verzoeker mee: “Betreft: Uw kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie [...] Het spijt me u te melden dat uw kandidatuur als aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie niet werd weerhouden. Tijdens de persoonlijkheidsproef waaraan u heeft deelgenomen, werd vastgesteld dat u momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de hierboven vermelde functie. Volgens het Koninklijk Besluit van 30 maart 2001, Artikel IV.1.5 hebt u de mogelijkheid om aan deze proef maximum 3 maal deel te nemen. Het staat u vrij om persoonlijk te solliciteren naar bijkomende informatie omtrent de reden van deze mislukking. Deze opvraging dient te geschieden per post, binnen een redelijke termijn (maximum drie maanden na de proef) en conform met de wet van 11 april 1994 aangaande de openbaarheid van bestuur. Deze beslissing kan het voorwerp uitmaken van een beroep tot nietigverkla- ring bij de Raad van State. [...].” De verzoeker onderkent in dit schrijven de vier bestreden beslissingen. IX-4732-3/15 IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. In het tussenarrest nr. 190.624 van 18 februari 2009 heeft de Raad van State het volgende geoordeeld met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre dit gericht is tegen de impliciete weigering om te oordelen dat de verzoeker het gewenste profiel bezit voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur: “2.3.2.2. [...] behoudens wanneer de verzoeker aantoont dat in hoofde van de overheid een rechtsplicht bestaat om te beslissen dat hij het gewenste profiel voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie bezit of dat hij minstens het potentieel heeft om persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem toelaten de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie bij de politie uit te oefenen, [kan] een beroep tegen de impliciete weigering om een dergelijke beslissing te nemen niet tot een ruimer rechtsherstel [...] leiden dan het rechtsherstel dat voortvloeit uit de vernietiging van de eerste bestreden beslissing. Ook kunnen er uitzonderlijke omstandigheden zijn die met zich brengen dat de verzoeker wel belang heeft bij het bestrijden van de voormelde impliciete weigeringsbeslissing. Of de verzoeker in zijn middelen het bestaan van dergelijke rechtsplicht of uitzonderlijke omstandigheden aanvoert en of de Raad van State dient aan te nemen dat ze inderdaad voorhanden zijn, moet blijken uit de beoordeling van de grond van de zaak. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van de derde bestreden beslissing valt derhalve samen met het onderzoek van de grond van de zaak.” Standpunt van de verzoeker 5. In zijn laatste memorie laat de verzoeker gelden dat het beroep ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de impliciete weigering om te oordelen dat hij het gewenste profiel bezit voor de functie van aspirant-hoofdinspec- teur met bijzondere specialisatie, nu er te dezen uitzonderlijke omstandigheden bestaan die met zich brengen dat hij een belang heeft bij het bestrijden van de impliciete weigeringsbeslissing. Deze “uitzonderlijke omstandigheden” zijn volgens de verzoeker daarin gelegen dat de verwerende partij de uitdrukkelijke beslissing waarin de impliciete weigeringsbeslissing besloten ligt heeft genomen op grond van een discretionaire bevoegdheid, terwijl de verzoeker op gegronde wijze inroept dat de overheid een dwaling in feite en of in rechte heeft begaan bij haar appreciatie van zijn kandidatuur. IX-4732-4/15 Bovendien, zo stelt de verzoeker, blijkt uit de bijzonder negatieve uitlatingen betreffende zijn persoonlijkheid dat een loutere vernietiging van de eerste bestreden beslissing hem geen ernstige kans op daadwerkelijk rechtsherstel zal bieden. De verzoeker betoogt dat in geval van een eventuele vernietiging door de verwerende partij een nieuwe beslissing zal worden genomen, onder het mom van rechtsherstel, die evenwel inhoudelijk gelijk zal zijn aan de thans bestreden beslissing. Gelet op de zwaarwichtigheid van de uitlatingen die de verwerende partij als materiële motivering naar voor schuift meent de verzoeker dat enkel de vernietiging van de impliciete weigeringsbeslissing ertoe kan leiden dat de verwerende partij zijn geschiktheid voor de functie aan een nieuw onderzoek zal onderwerpen. Beoordeling 6. Er is geen reden om er te dezen anders over te oordelen dan in het tussenarrest nr. 190.624 van 18 februari 2009. De vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre dit gericht is tegen de impliciete weigeringsbeslissing om te oordelen dat de verzoeker het gewenste profiel bezit voor de functie van aspirant- hoofdinspecteur is derhalve verbonden met de grond van de zaak. V. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen 7. In een enig middel voert de verzoeker in eerste instantie de “schending van de motiveringsplicht en onbevoegdheid”, de schending van artikel IV.I.15 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het RPPol), en de schending van artikel IV.6 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: het UBPol) aan. In een tweede onderdeel voert de verzoeker de schending van het continuïteits- en consistentiebeginsel aan en in een derde en laatste onderdeel de dwaling in rechte en in feite bij de beoordeling van de vraag of hij al dan niet de persoonlijkheidskenmerken dan wel het potentieel bezit die hem toelaten een functie IX-4732-5/15 van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie bij de politie uit te oefenen. De verzoeker laat gelden dat de eerste bestreden beslissing gemotiveerd wordt door de stelling dat hij “momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de hierboven vermelde functie” en dat het hem “vrij [staat] om persoonlijk te solliciteren naar bijkomende informatie omtrent de reden van deze mislukking”. Dergelijke formulering, die geen enkele feitelijke of juridische grondslag bevat, is volgens de verzoeker een loutere stijlformule en derhalve geenszins een afdoende motivering. De verzoeker stelt voorts dat op grond van artikel IV.6, derde lid, van het UBPol een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en selectie, daartoe aangewezen door de directeur van de selectie, over elke kandidaat een beoordeling dient uit te brengen over het al dan niet beschikken over de vereiste persoonlijkheidskenmerken. Te dezen blijkt volgens de verzoeker niet welke persoon als “gekwalificeerd lid” een beoordeling heeft uitgebracht en blijkt evenmin op grond van welke elementen werd besloten dat de verzoeker niet beschikt over het gewenste profiel voor de geambieerde functie. De verzoeker stelt dat geen zekerheid bestaat over de vraag of die elementen al dan niet in feite bestaan en in rechte dienstig zijn en of zij niet klaarblijkelijk onredelijk zijn. De verzoeker stelt daarenboven dat hij tijdens een vorige selectieprocedure slaagde voor de in artikel IV.I.15, 2/, van het RPPol voorziene persoonlijkheidsproef, terwijl hij in het kader van de huidige bestreden beslissingen voor datzelfde onderdeel niet geslaagd wordt verklaard. Hij stelt dat geen motivering wordt opgegeven, laat staan een afdoende motivering, voor de verandering in de visie van de overheid op de persoonlijkheid van de verzoeker. Nochtans dringt een dergelijke motivering zich des te meer op nu de beoordeling van de persoonlijkheid van de verzoeker tijdens de vorige selectieprocedure slechts één jaar voordien werd gemaakt. Het is, aldus de verzoeker, absoluut niet evident dat de persoonlijkheid van een kandidaat in de loop van één jaar kan wijzigen van “geschikt” naar “ongeschikt”. In die zin is volgens de verzoeker eveneens het continuïteits- en consistentiebeginsel geschonden. 8.1. De verwerende partij laat in haar memorie van antwoord onder meer gelden dat de verzoeker niet op voldoende wijze uiteenzet welke schending IX-4732-6/15 van de motiveringsplicht wordt opgeworpen, op welke wijze de bestreden beslissing de artikelen IV.I.15 van het RPPol en IV.6 van het UBPol schendt en waarin de dwaling in rechte en in feite bij de beoordeling van zijn persoonlijkheidskenmerken zou gelegen zijn, zodat het middel niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 2, § 1, 2/, (thans artikel 2, § 1, 3/) van het algemeen procedurereglement. 8.2. De verwerende partij interpreteert het middel in die zin dat het een kritiek inhoudt ten aanzien van de motivering dat om uitleg en toelichting kan worden gevraagd bij de beslissing om zijn kandidatuur als inspecteur niet te weerhouden, en antwoordt in die zin op het middel. De verwerende partij laat gelden dat de bestreden beslissing erin voorziet dat de verzoeker bij de directie van de rekrutering en van de selectie om bijkomende informatie kon vragen omtrent de redenen van zijn mislukking, maar dat hij heeft nagelaten zulks te doen. Onder verwijzing naar het arrest nr. 97.260 van 29 juni 2001 van de Raad van State voert de verwerende partij aan dat uit het administratief dossier genoegzaam blijkt op grond van welke motieven werd geoordeeld dat de verzoeker niet over de vereiste persoonlijkheidskenmerken bezit. Uit de selectiedocumenten blijkt, aldus de verwerende partij, dat de verzoeker niet geschikt werd bevonden omwille van volgende redenen: “mist tact, mist elke vorm van dienstverlening, luistert niet, gaat niet discreet om met info, geen eigen aandeel in oplossing, neemt geen beslissing, stelt zich op op een moraliserende wijze, draait rond de pot, voelt zich bij momenten wat onzeker en blijft daarom maar herhalen, durft niet afsluiten, geen aandacht voor onderliggend probleem, ziet geen prioriteiten, lost niks op, maakt geen actieplan, gaat niet tot in de diepte in zijn vraagstelling, heeft mening reeds gevormd en bijkomende info negeert hij, blokt af, onzeker, belerende houding, geen structuur, er zit een dreigement in wat hij zegt, weinig oogcontact, weinig interesse, weinig algemene betrokkenheid, weinig reactie, herhaalt enkel reeds gegeven argumenten, weinig constructief, echt verlegen, tegenargumenten geven is minimaal, kan niet snel reageren, komt niet echt enthousiast over, neiging tot falen af te schuiven op omstandigheden, blijft eerder oppervlakkig, weet in de people geen aanpak te genereren, in de groepsproef heeft hij duidelijk nood aan steun van anderen, wil alles onder controle hebben en houden, verliest hierbij de essentie uit het oog,...”. Op grond van de vermeldingen in de bestreden beslissingen en voormelde gegevens uit het administratief dossier kan volgens de verwerende partij niet worden besloten tot schending van de motive- ringsplicht. IX-4732-7/15 8.3. Met betrekking tot het tweede onderdeel laat de verwerende partij gelden dat het continuïteitsbeginsel te dezen niet kan worden toegepast, nu de thans bestreden beslissing een selectieprocedure betreft terwijl de vorige beslissing waarnaar de verzoeker verwijst kadert binnen een andere selectieprocedure. De verwerende partij stelt er niet verantwoordelijk voor te zijn dat de verzoeker de eerste persoonlijkheidsproef met goed gevolg heeft afgelegd zonder evenwel te slagen voor de tweede proef. Bovendien was de verzoeker voor de eerste persoon- lijkheidproef weliswaar geslaagd maar dient te worden opgemerkt dat hem niettegenstaande zijn zwak presteren het voordeel van de twijfel werd gegund. Voorts merkt de verwerende partij op dat, indien het continuïteitsbeginsel wel van toepassing zou zijn, de verzoeker opnieuw beoordeeld zou moeten worden door de selectiecommissie, die dan gelet op het continuïteitsbeginsel dezelfde beslissing zou moeten nemen. 9.1. De verzoeker laat in zijn memorie van wederantwoord vooreerst gelden dat de verwerende partij in het middel duidelijk de aangevoerde schending van de formele motiveringsplicht gelezen heeft. Waar de verwerende partij onder verwijzing naar ’s Raad arrest nr. 97.260 van 29 juni 2001 laat gelden dat de bestreden beslissing de motiverings- plicht niet schendt, laat de verzoeker gelden dat de “summiere formele motivering”, waarvan sprake in voormeld arrest, te dezen niet kan volstaan. Immers, zo stelt de verzoeker, heeft voormeld arrest betrekking op examens en selectieprocedures die worden afgenomen van een zeer groot aantal examinandi, zoals de “bulk-examens” die worden georganiseerd door Selor, waarbij het om materiële redenen niet doenbaar is om aan iedere geëxamineerde een formele motivering van de behaalde resultaten te verstrekken. In casu gaat het echter niet om een dergelijk examen, zodat de verwerende partij er niet mee kan volstaan om haar beslissing te motiveren door vermelding van de behaalde resultaten en de stelling dat nadere informatie kan verkregen worden. Voorts stelt de verzoeker dat de argumenten die de verwerende partij uit het administratief dossier put om te besluiten dat de verzoeker niet geschikt is, louter blote beweringen zijn die geenszins onderbouwd zijn. Deze argumenten, die volgens de verzoeker zonder meer beledigend zijn, tonen aan dat de selectiecom- missie, eerder dan inhoudelijk correct te handelen, flagrant willekeurig is opge- treden. IX-4732-8/15 9.2. Met betrekking tot het tweede onderdeel stelt de verzoeker dat het continuïteitsbeginsel wel toepassing vindt bij twee opeenvolgende selectieprocedu- res, wat onder meer blijkt uit het arrest nr. 47.571 van 24 mei 1994 van de Raad van State, waaruit blijkt dat de behandeling van twee verschillende aanvragen met betrekking tot eenzelfde aangelegenheid wel als “dezelfde zaak” of “quais dezelfde zaak” kan aanschouwd worden. 9.3. De verzoeker herhaalt dat op grond van artikel IV.6, derde lid, van het UBPol een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, daartoe aangeduid door de directeur van die directie, over elke kandidaat een advies uitbrengt. De bevoegdheid van de directeur om een gekwalificeerd lid van de directie aan te wijzen impliceert volgens de verzoeker niet de bevoegdheid om zichzelf aan te wijzen als gekwalificeerd lid. Zelfs indien dit nog mogelijk zou zijn, dan nog is het volgens de verzoeker niet duidelijk dat de directeur gekwalificeerd zou zijn in de zin van artikel IV.6 van het UBPol. 10.1. In zijn laatste memorie laat de verzoeker vooreerst gelden dat hij de schending van de formele motiveringsplicht heeft aangevoerd en dat deze schending is bewezen. De omstandigheid dat de verwerende partij in het kader van de procedure voor de Raad van State een dossier voorlegt waaruit de materiële motivering blijkt kan deze schending niet goedmaken, aldus de verzoeker, nu daarmee de door de formele motiveringsplicht geboden rechtsbescherming volledig tenietgedaan zou worden. De verzoeker herhaalt dat de bestreden beslissing louter werd gemotiveerd aan de hand van stijlformules, wat een schending van de formele motiveringsplicht inhoudt. Indien aan de motiveringsplicht zou kunnen voldaan zijn door te stellen dat de betrokkene om bijkomende informatie kan vragen, dan is volgens de verzoeker minstens vereist dat een deugdelijke materiële motivering moet kunnen afgeleid worden uit toegankelijke documenten. De verzoeker merkt op dat het selectiedossier te dezen niet eenvoudig ter beschikking werd gesteld voor inzage of kennisname maar dat de verwerende partij dit weigerde. Ook uit de bestreden beslissing blijkt volgens de verzoeker dat niet het selectiedossier zelf ter beschikking staat van de mislukte kandidaat, maar dat laatstgenoemde hoogstens kan solliciteren naar bijkomende informatie omtrent de redenen van de mislukking. IX-4732-9/15 10.2. De verzoeker stelt voorts dat hij gedurende de procedure inderdaad kennis heeft gekregen van de materiële motieven voor de beslissing om hem niet geslaagd te bevinden voor de persoonlijkheidsproef. Hij meent deze motieven in zijn memorie van wederantwoord genoegzaam weerlegd te hebben door te stellen dat de aangedragen motieven de vereiste materiële onderbouw ontberen om alle negatieve stellingen te zijnen aanzien te schragen. De opsomming van negatieve stellingen over de verzoeker is te groot om zonder meer een deugdelijke motivering te kunnen uitmaken. De verzoeker stelt, met betrekking tot de aanduiding van een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie om advies uit te brengen over de onderscheiden kandidaten, dat de verwerende partij zelf stelt dat de directeur dit advies heeft uitgebracht, terwijl zulks ook blijkt uit de ondertekening van de bestreden beslissing. De verzoeker laat gelden dat de directeur zelf niet aanwezig was bij het afnemen van de persoonlijk- heidsproef. Hij besluit dat ofwel volstrekt onduidelijk is wie het advies heeft uitgebracht, dan wel dat dit de directeur was, die zichzelf niet kon aanduiden en bovendien niet aanwezig was, zodat er overduidelijk sprake is van een schending van artikel IV.6 van het UBPol. Beoordeling 11. Luidens artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State dient het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” te bevatten. Onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De verzoeker voert in het enig middel onder meer de schending aan van de “motiveringsplicht”, zonder daarbij te preciseren of daarmee gedoeld wordt op de formele dan wel op de materiële motiveringsplicht. Uit de uiteenzetting van het middel kan echter worden afgeleid dat de verzoeker de schending van de formele motiveringsplicht aanvoert, daarin gelegen dat de verwerende partij de bestreden beslissing enkel gemotiveerd heeft door te stellen dat de verzoeker “momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor de hierboven vermelde IX-4732-10/15 functie” en dat het hem “vrij [staat] om persoonlijk te solliciteren naar bijkomende informatie omtrent de reden van deze mislukking”. Bovendien blijkt dat de verwerende partij het middel in die zin heeft geïnterpreteerd. De rechten van de verdediging worden dan ook niet geschonden wanneer de Raad van State het middel leest zoals de verwerende partij het heeft begrepen. 12. De ter zake toepasselijke bepalingen van het RPPol en van het UBPol luiden als volgt: - artikel IV.I.15, eerste lid, RPPol: “De selectieprocedure bedoeld in deze afdeling omvat : 1° een proef die toelaat de noodzakelijke cognitieve vaardigheden te beoorde- len; 2° een persoonlijkheidsproef met aan het ambt aangepaste selectietechnieken; 3° een fysiek-medische geschiktheidsproef met onderzoek van beide compo- nenten in relatie tot het ambt; 4° een selectiegesprek met de betrokken selectiecommissie waarna een eindevaluatie wordt uitgebracht.” - artikel IV.I.16 RPPol: “De proeven vinden in principe derwijze plaats dat het niet mogelijk is aan een proef deel te nemen zonder de voor de voorafgaande selectieproef bepaalde minimumdrempel te hebben behaald.” - artikel IV.I.17 RPPol: “De in artikel IV.I.15, eerste lid, 4°, bedoelde selectiecommissie beslist of de kandidaat al dan niet geschikt wordt bevonden op grond van artikel IV.I.15, eerste lid, 1° tot 4°.” - artikel IV.6 UBPol: “De proef bedoeld in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, RPPol, omvat de volgende subproeven : 1° een biografische vragenlijst en een persoonlijkheidstest; 2° een gedragsproef waarin de kandidaat wordt geconfronteerd met één of meerdere situaties eigen aan het kader waarvoor hij kandideert; 3° een gestructureerd interview met een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie. Het interview is gebaseerd op de criteria vervat in bijlage 4. De uniformiteit van het systeem wordt gewaarborgd door middel van een gestandaardiseerd interviewproto- col. De belangrijkste bekwaamheden zoals bepaald in het selectieprofiel vormen de leidraad voor de vragen. IX-4732-11/15 De inhoud van de subproeven varieert naar gelang van het kader dat de kandidaat beoogt. Na afloop van de in artikel IV.I.15, eerste lid, 2°, RPPol, bedoelde proef brengt een gekwalificeerd lid van de directie van de rekrutering en van de selectie van de federale politie, aangewezen door de directeur van die directie, over elke kandidaat één van de volgende beoordelingen uit : 1° de kandidaat bezit de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen; 2° de kandidaat bezit het potentieel om de persoonlijkheidskenmerken te ontwikkelen die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen; 3° de kandidaat bezit momenteel niet de persoonlijkheidskenmerken die hem toelaten een ambt bij de politie uit te oefenen.” 13. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet) verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 14. Met de bestreden beslissing, die geformaliseerd is in de brief van 19 oktober 2004 van de directeur van de Federale Politie - Algemene Directie Personeel, Directie van de rekrutering en van de selectie, wordt de deelname van de verzoeker aan het vergelijkend examen voor aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie beëindigd omdat hij niet de vereiste persoonlijkheidsken- merken bezit. Het gaat aldus om een eindbeslissing die overeenkomstig de motiveringswet formeel gemotiveerd diende te worden. Die eindbeslissing is blijkens artikel IV.6 van het UBPol het resultaat van een discretionaire beoordeling vanwege “een gekwalificeerd lid van de directie van de recrutering en de selectie” IX-4732-12/15 en derhalve diende het bestuur in de beslissing zelf de redenen te vermelden op grond waarvan het vermeld “gekwalificeerd lid” heeft kunnen besluiten dat de verzoeker de vereiste persoonlijkheidskenmerken ontbeerde. 15. Te dezen dient te worden vastgesteld dat uit de bestreden beslissing niet op een afdoende wijze blijkt op grond van welke motieven de kandidatuur van de verzoeker niet werd weerhouden. De bestreden beslissing vermeldt slechts dat in het kader van de afgelegde persoonlijkheidsproef door de selectiecommissie werd vastgesteld dat de verzoeker momenteel niet beschikt over de vereiste persoonlijkheidskenmerken. Deze vermelding kan als zodanig niet als een afdoende motief voor de afwijzing van de kandidatuur van de verzoeker worden beschouwd, vermits daaruit niet blijkt welke de precieze en concrete redenen zijn die de verwerende partij ertoe hebben gebracht de kandidatuur van de verzoeker af te wijzen. Een dergelijke motivering is een loutere stijlformule die bij iedere beslissing tot afwijzing van een kandidatuur kan worden gehanteerd. De formele motiveringsplicht is dan ook geschonden. 16. De verwijzing door de verwerende partij naar het arrest van de Raad van State, nr. 97.260 van 29 juni 2001, inzake D’Hooghe, is niet dienstig. De overwegingen van dat arrest waarop de verwerende partij zich beroept, hebben immers geen betrekking op de schending van de formele motiveringsplicht, maar wel op de aangevoerde schending van de materiële motiveringsplicht. 17. De formele motiveringsplicht impliceert dat de motieven uit de beslissing zelf moeten blijken. Wel kan worden aangenomen dat aan de doelstelling van de formele motiveringsplicht om de betrokkene een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat hij met kennis van zaken kan uitmaken of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden, is voldaan, indien de betrokkene desgevallend langs enige andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet in de beslissing zelf veruitwendigd. De betrokkene heeft er dan geen belang bij in een annulatieberoep dat hij tegen die beslissing bij de Raad van State instelt, de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren. Te dezen blijkt niet dat de verzoeker op het ogenblik dat hij het voorliggende beroep tot nietigverklaring indiende een voldoende duidelijke, IX-4732-13/15 precieze en zekere kennis had van de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund. Integendeel stelt de verzoeker van deze motieven pas kennis gekregen te hebben in het kader van de procedure voor de Raad van State. 18. De omstandigheid dat de verwerende partij aan de verzoeker de mogelijkheid heeft geboden om meer inlichtingen te bekomen over de redenen waarom hij werd afgewezen, doet aan de vastgestelde schending van de formele motiveringsplicht geen afbreuk. Deze mogelijkheid tot feedback, die wordt georganiseerd nadat de beslissing is genomen en aan de betrokkene is meegedeeld, kan niet eraan verhelpen dat geenszins is voldaan aan het vereiste dat de motieven uit de beslissing zelf blijken. De aanpak van het bestuur waarbij de mededeling van de motieven afhankelijk wordt gemaakt van het initiatief van de betrokkene is niet bestaanbaar met de formele motiveringsplicht. Evenmin verhelpt het terbeschikking- stellen van de selectiedocumenten in het administratief dossier deze onwettigheid. 19. Het middel is gegrond. 20. Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de verzoeker niet aantoont dat te dezen bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat hij een bijkomend voordeel kan halen uit de expliciete vernietiging van de impliciete weigering om te oordelen dat de verzoeker het gewenste profiel bezit voor de functie van aspirant-hoofdinspecteur. Het gegrond bevinden van de aangevoerde schending van de motiveringswet leidt tot een nieuwe beslissing waarbij de verwerende partij de motieven ervan uitdrukkelijk zal dienen te vermelden en de verzoeker de kans zal hebben, zo deze beslissing voor hem negatief uitvalt, deze met volle kennis van zaken ten gronde aan te vechten. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt “de beslissingen zoals tot uiting komend in een schrijven van 19 oktober 2004 van de Directeur van de Federale politie - Algemene Directie Personeel, Directie van de rekrutering en van de selectie - waarbij: (
  9. aa)werd vastgesteld dat [Jürgen De Vuyst] momenteel niet beschikt over het gewenste profiel voor [de functie van aspirant-hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie], [...]; IX-4732-14/15 (
  10. ab)[De] kandidatuur [van Jürgen De Vuyst] als aspirant-hoofdinspec- teur met bijzondere specialisatie niet werd weerhouden, [...].” De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 6 september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts André Vandendriessche IX-4732-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.226 Gerelateerde publicatie(
  11. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.