id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.232 Rolnummer: A. 185564/X-13503 Zaak: Arrest 207232 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:06 Fiche Arrest nr 207.232 van 7 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.232 van 7 september 2010 in de zaak A. 185.564/X-13.
- In zake: Geert DHAENENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Cafmeyer kantoor houdend te 3600 GENK Winterslagstraat 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van LIMBURG --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 oktober 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 23 augustus 2007 van de deputatie van de provincieraad van Limburg houdende verwerping van het beroep van de verzoeker tegen het besluit van 19 april 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van het bouwen van een veranda aan een penthouse van een appartementsgebouw gelegen te Hasselt, Nicolaas Theelenstraat 36/13, op een perceel kadastraal bekend sectie G, nr. 404/E. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-13.503-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Timmers, die loco advocaat Peter Cafmeyer verschijnt voor de verzoeker, en Inge Willems, bestuurssecretaris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Barbara Speybrouck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 19 maart 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt een vergunningsaanvraag in voor “het bouwen van een veranda 21,37 m²” aan een dakappartement van een appartementsgebouw gelegen aan de Nicolaas Theelenstraat 36/13 te Hasselt, op een perceel kadastraal bekend sectie G, nr. 404/E. Hoewel dit in de aanvraag niet uitdrukkelijk wordt aangegeven, betreft het een aanvraag tot regularisatie van reeds uitgevoerde werken. 3.
- Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk gelegen in woonuitbreidingsgebied. Het ligt tevens binnen het gebied van het bij ministerieel besluit van 4 september 1985 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “Heilig Hartwijk - binnenzone” van de stad Hasselt. 3.
- Het appartementsgebouw maakt deel uit van het project “DE SQUARE”, dat bestaat uit drie uniforme appartementsgebouwen en meerdere ééngezinswoningen. X-13.503-2/10 3.
- Bij besluit van 19 april 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. Dit besluit overweegt onder meer wat volgt: “Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Overwegende dat de aanvraag niet aanvaardbaar is in de ruimtelijke context. Overwegende dat de veranda een grondgebonden constructie is, dat ze hier op een dakterras geplaatst wordt. Overwegende dat beide dakappartementen aan alle zijde beschikken over een open terras - het gaat hier over een volledige terugliggende verdieping, dit totaalbeeld dient behouden te blijven. Overwegende dat het plaatsen van een veranda op een dakterras een ongewenst precedent vormt. Overwegende dat de veranda onvoldoende geïntegreerd is in het bestaande concept van het gebouw. Overwegende dat er geen esthetisch verantwoord geheel wordt bekomen, de zuivere symmetrische opbouw van het totaalproject wordt genegeerd. Dit is een individuele ontwikkeling die geen rekening houdt met de eigenheid van het gebouw en de mogelijkheid tot een geïntegreerde uitbouw op de dakterrassen als totaalconcept uitsluit”. 3.
- Op 18 juni 2007 stelt de verzoeker evenals zijn architect beroep in tegen voormeld weigeringsbesluit bij de deputatie van de provincieraad van Limburg. Beiden vragen om te worden gehoord. 3.
- Met een brief van 9 juli 2007 worden de architect van de verzoeker alsook de andere partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden “op 7 augustus 2007 om 12.15 uur”. 3.
- Met een faxbericht van 19 juli 2007 meldt de raadsman van de verzoeker dat zowel hijzelf als de verzoeker, op de datum van de hoorzitting “afwezig” zijn en verzoekt hij “om de behandeling van deze zaak uit te stellen”. 3.
- De hoorzitting vindt plaats op 7 augustus 2007 in afwezigheid van de verzoeker en zijn raadsman. 3.
- Met zowel een ter post aangetekend schrijven als met een faxbericht van 20 augustus 2007 deelt de raadsman van de verzoeker aan de deputatie onder meer mee wat volgt: “De zaak zou behandeld worden op de zitting van 07.08.2007 doch gezien zowel mijn cliënt als ikzelf in het buitenland waren werd de zaak verdaagd naar 23.08.2007 evenwel zonder de mogelijkheid voor mijn cliënt om te worden gehoord”. X-13.503-3/10 Dit schrijven bevat verder een uiteenzetting van de grieven tegen het besluit 19 april 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt. Aan dit schrijven zijn als bijlage voorbeelden gevoegd waaruit blijkt dat de stad Hasselt “dergelijke constructies” wel toelaat. 3.
- Bij het thans bestreden besluit van 23 augustus 2007 willigt de deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep niet in en wordt de gevraagde stedenbouwkundige vergunning geweigerd. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting 4.
- In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan “van zowel de formele en materiële motiveringsplicht als (het) algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, “Doordat de bestreden beslissing de stedenbouwkundige aanvraag weigert overwegende ‘Overwegende dat de gemetste bergplaats onvoldoende geïntegreerd is in het bestaande concept van het gebouw. Overwegende dat er geen esthetisch verantwoord geheel wordt bekomen, de zuivere symmetrische opbouw van het totaalproject wordt genegeerd. Dit is een individuele ontwikkeling die geen rekening houdt met de eigenheid van het gebouw en de mogelijkheid tot een geïntegreerde uitbouw op de dakterrassen als totaalconcept uitsluit.’ Terwijl de materiële motiveringsplicht inhoudt dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar moeten zijn, en die daarom naar aanleiding van het wettigheidstoezicht moeten kunnen worden gecontroleerd. (...) En terwijl uit niets blijkt dat de constructie van het tuinhuis en de overdekking in strijd zijn met enige wettelijke bepaling. En terwijl integendeel de beslissing zelf melding maakt: ‘Het blijft de bevoegdheid van de overheid de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffend een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het van kracht zijnde gewestplan; Overeenstemming met dit plan: Overwegende dat de aanvraag hiermee in overeenstemming is.’ En terwijl de beoordeling dat de constructies geen esthetisch geheel vormen louter van subjectieve aard is. En terwijl geen enkel objectief element wordt bijgebracht waarom de veranda en het tuinhuis worden geweigerd. X-13.503-4/10 En terwijl vanuit esthetisch oogpunt dient te worden benadrukt dat de glazen overdekking niet zichtbaar is vanaf de N. Theelenstraat die aan de voorgevel ligt. Aan de achterzijde is geen straat... En terwijl de glazen overdekking overigens in zeer kwalitatieve materialen werd opgetrokken en zij perfect aansluit op het dakterras van de penthouse van verzoeker. En terwijl tal van voorbeelden in de STAD HASSELT gekend zijn, waar dergelijke constructies op dakterrassen WEL werden toegelaten en de symmetrie van het gebouw daar blijkbaar geen beletsel is. En terwijl het gevaar een ongewenst precedent te vormen met tal van gelijkaardige, goedgekeurde voorbeelden van constructies op dakterrassen wordt tenietgedaan. Terwijl verder de beslissing inhoudelijk tegenstrijdig is. En terwijl in de algemene conclusie wordt gesteld dat: ‘De aanvraag in overeenstemming is (of kan gebracht worden mits het opleggen van de nodige voorwaarden) met de wettelijke bepalingen inzake ruimtelijke ordening, alsook dat het voorgestelde ontwerp bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving.’ En terwijl in het beschikkend gedeelte niettegenstaande toch een ‘ongunstig advies’ wordt gegeven voor de regularisatie. Zodat de beslissing tot weigering tegenstrijdig is en bijgevolg niet voldoende formeel noch inhoudelijk werd gemotiveerd. Zodat de beslissing dd. 23.08.2007 niet naar rechte gemotiveerd is”. Beoordeling 4.
- De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het middel niet ontvankelijk is omdat het besluit van 19 april 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt, waarbij de stedenbouwkundige vergunning voor de regularisatie van de veranda wordt geweigerd, niet het voorwerp is van onderhavig annulatieberoep. 4.
- De kritiek van de verzoeker, zoals uiteengezet in het inleidend verzoekschrift, is uitsluitend gericht tegen de overwegingen van de in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt op 19 april 2007 genomen beslissing over de vergunningsaanvraag. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep is het besluit van de deputatie in de plaats gekomen van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt. Dit laatste besluit moet derhalve geacht worden niet langer te bestaan. 4.
- In zijn memorie van wederantwoord wijst de verzoeker er op dat de beslissing van 19 april 2007 van het college van burgemeester en schepenen in het bestreden besluit “integraal (wordt) herhaald” en dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt gesteld dat “de deputatie het standpunt van het college van X-13.503-5/10 burgemeester en schepenen bijtreedt”. Volgens de verzoeker houdt dit in dat de beslissing van het college aldus deel uitmaakt van het bestreden besluit, “zodat elke kritiek op de beslissing van het College tevens een kritiek uitmaakt op de bestreden beslissing van verweerster”. 4.
- Na de omschrijving van het voorwerp van de aanvraag, de vermelding van het volgens het gewestplan van toepassing zijnde bestemmingsvoorschrift en van het van toepassing zijnde bijzonder plan van aanleg, overweegt het bestreden besluit wat volgt: “Overwegende dat het kwestieus dakappartement zich situeert in woonblok 2; dat woonblok 2 deel uitmaakt van een totaalproject bestaande uit uniforme woonblokken en ééngezinswoningen; dat de bouwhoogte en de open ruimte tussen de gebouwen op elkaar afgestemd zijn; dat de basisopzet het creëren was van 3 identieke woonblokken elk bestaande uit een basisvolume met 3 volwaardige bouwlagen en een ondergeschikt dakvolume; dat het dakvolume, terugspringend en gemetseld met baksteen in een lichte kleur, opgevat is als een beperkte uitbouw of bekroning van het basisvolume; Overwegende dat de wederrechtelijke opgerichte veranda afbreuk doet aan de architecturale basisopzet; dat de uitbreiding van het dakvolume aanzet geeft tot het creëren van een 4de volwaardige bouwlaag; dat de veranda de symmetrie verstoort van woonblok 2 en de eenvormigheid van de woonblokken; Overwegende dat de deputatie het standpunt van het college van burgemeester en schepenen bijtreedt; dat de glazen uitbouw een ongewenst precedent vormt; dat het een individueel initiatief betreft die geen rekening houdt met de eigenheid van het gebouw”. Uit de voormelde overwegingen blijkt dat de deputatie op grond van een eigen onderzoek en beoordeling van de aanvraag, en dus op grond van een eigen redengeving, het beroep van de verzoeker niet heeft ingewilligd. Waar de deputatie tot slot stelt het standpunt van het college bij te treden, blijkt uit het vorenstaande dat dit zo dient te worden begrepen dat zij, op grond van haar eigen onderzoek en beoordeling van de aanvraag tot eenzelfde conclusie komt als voordien het college van burgemeester en schepenen. 4.
- Waar de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord voor het eerst de voormelde motieven van het bestreden besluit zelf bekritiseert, onder de voorlegging van nieuwe stukken, en daarmee zijn kritiek alsnog op het bestreden besluit tracht te betrekken, dient te worden vastgesteld dat de verzoeker aan het middel een nieuwe, en als zodanig onontvankelijke grondslag geeft. X-13.503-6/10 De voor het eerst in de laatste memorie aangevoerde argumenten en stukken zijn laattijdig en aldus niet ontvankelijk. 4.
- Het middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting 4.
- In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van “het gelijkheidsbeginsel bepaald in art. 10 en 11 G.W.”: “Doordat de bestreden beslissing oordeelt: ‘Dat de bergplaats een ongewenst precedent vormt.’ Terwijl in HASSELT tal van plaatsen gekend zijn waar dergelijke constructies wel werden vergund en goedgekeurd. En terwijl verzoeker nochtans in gelijke omstandigheden verkeert. En terwijl burgers die zich in gelijke omstandigheden bevinden ook op dezelfde wijze dienen behandeld te worden. Zodat de beslissing dd. 23.08.2007 het gelijkheidsbeginsel schendt”. Beoordeling 4.
- De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van niet ontvankelijkheid van het middel, omdat slechts op summiere en vage wijze wordt uiteengezet hoe het gelijkheidsbeginsel zou zijn geschonden, hangt samen met het onderzoek van de grond van het middel. 4.
- Het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden indien in rechte en in feite gelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden behandeld. De verzoeker die de schending opwerpt, moet dit met concrete en precieze gegevens in zijn verzoekschrift aantonen. 4.
- De verzoeker beperkt er zich in het inleidend verzoekschrift toe te stellen dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden doordat “in HASSELT tal van plaatsen gekend zijn waar dergelijke constructies wel werden vergund en goedgekeurd” en zij “in gelijke omstandigheden verkeert”. Als bijlage voegt zij “diverse foto's (toe) van gelijkaardige vergunde constructies in Hasselt”. X-13.503-7/10 4.
- Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat de beweringen van de verzoeker zowel in rechte als in feite onvoldoende concreet zijn om tot een beoordeling van een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel te kunnen komen. De voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde verduidelijking waarbij zij er zich toe beperkt te verwijzen naar de “veranda op het terras van de penthouse gelegen te 3500 Hasselt, Kunstlaan 8-12 op de TERUGLIGGENDE 6de verdieping” is laattijdig en derhalve niet ontvankelijk. 4.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting 4.
- In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van “de rechten van verdediging”. Hij zet dit middel uiteen als volgt: “Doordat de bestreden beslissing oordeelt: ‘Gelet op de wens van de beroeper om gehoord te worden, dat alle partijen werden opgeroepen; dat op het onderhoud van 7 augustus 2007 architect DUBOIS en mevrouw Inge COLEMONT (namens de stad Hasselt) zijn verschenen; dat architect DUBOIS daarbij te kennen gaf dat hij niet gemachtigd was door de bouwheer (Geert Dhaenens) om deze tijdens de hoorzitting te vertegenwoordigen en dat de aanwezigheid van architect Dubois louter toevallig was gezien diens betrokkenheid in een dossier voor een andere bouwheer. Gelet op het onderzoek dat ter plaatse werd ingesteld.’ Terwijl de zaak op de zitting van 07 augustus niet behandeld werd en op schriftelijke vraag van verzoeker en zijn raadsman werd uitgesteld naar de zitting van 23 augustus. En terwijl de raadsman van verzoeker dienaangaande telefonisch werd meegedeeld dat verzoeker noch zijn raadsman op datum van 23 augustus gehoord konden worden. En terwijl verzoeker, noch zijn raadsman werden gehoord, noch hiertoe werden opgeroepen. En terwijl de raadsman van verzoeker daarom een aangetekend schrijven heeft verstuurd op 20.08.2007 alsook dit schrijven heeft gefaxt met mededeling van zijn opmerkingen op de beslissing tot weigering. En terwijl in dit schrijven de raadsman van verzoeker zijn ongenoegen omtrent het wegvallen van het hoorrecht duidelijk heeft geuit: ‘De zaak zou behandeld worden op de zitting van 07.08.2007 doch gezien zowel mijn cliënt als ikzelf in het buitenland waren werd de zaak verdaagd naar 23.08.2007 evenwel zonder de mogelijkheid voor mijn cliënt om te worden gehoord.’ X-13.503-8/10 En terwijl in de bestreden beslissing tot weigering van dit schrijven geen gewag wordt en op geen enkele opmerking van verzoeker wordt geantwoord. En terwijl uit de beslissing zelf voldoende blijkt dat de zaak werd behandeld op 23 augustus en niet zoals verwerende partij voorhoudt in zijn beslissing op 07 augustus. Terwijl zich toch de vraag stelde of de kwestige constructies een invloed hebben op het geheel van de vergunde gebouwen en ermee verenigbaar zijn. Terwijl de schending van het recht van verdediging niet alleen door het HOF VAN CASSATIE en de RAAD VAN STATE wordt gesanctioneerd doch ook het HOF MENSENRECHTEN dienaangaande onverbiddelijk is: ‘De verzoeker had in principe met toepassing van art. 6.1 EVRM het recht om gehoord te worden nu het Administratief Hof kan beschouwd worden als een rechtscollege, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zich daartegen verzetten, zoals wanneer louter juridische of technische vragen aan de orde zijn. Het recht om gehoord te worden geldt evenwel niet wanneer een zaak afdoende op basis van de geschreven stukken kan worden afgehandeld. In casu had het geschil betrekking op de vraag of het schuurtje een invloed had op het betrokken landschap en of dit schuurtje noodzakelijk was voor de exploitatie van het bos van verzoeker. Deze vragen konden niet als louter juridisch of technische vragen beschouwd worden, zodat het hoorrecht geschonden werd.’ (Hof Mensenrechten, 26.01.2006, TROS 2006, AFL. 42, 180) Terwijl in onderhavig dossier de feiten NIET voor eenvoudige constatering vatbaar zijn waarop slechts één besluit mogelijk is, temeer daar geen enkele wettelijke bepaling werd geschonden door verzoeker. Terwijl verzoeker in zijn belangen is geschaad nu hij noch werd gehoord, noch werd geantwoord op zijn opmerkingen weergegeven in zijn schrijven dd. 20.08.
- Zodat de bestreden beslissing dd. 23.08.2007 het recht van verdediging schendt”. Beoordeling 4.
- Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoeker zijn middel put uit de schending van “de rechten van verdediging” en van artikel
- 1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), dat bepaalt: “Art.
- Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. (...)”. 4.
- Wanneer de deputatie op grond van het toentertijd geldende artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in beroep uitspraak doet over een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsaanvraag, treedt zij op, niet als administratief rechtscollege maar als een orgaan van actief bestuur. Noch artikel 6.1 EVRM noch X-13.503-9/10 “de rechten van verdediging” zijn derhalve van toepassing op de behandeling van het administratief beroep bij de deputatie. 4.
- Het middel mist juridische grondslag en wordt om deze reden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Roger Stevens X-13.503-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div