id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.256 Rolnummer: A. 189169/VII-37659 Zaak: Arrest 207256 - Varia (economische zaken) - 09/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-14 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 05:07 Fiche Arrest nr 207.256 van 9 september 2010 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 207.256 van 9 september 2010 in de zaak A. 189.169/VII-37.
- In zake: de VZW DE BELGISCHE CONFEDERATIE VAN DE AUTOHANDEL EN REPARATIE EN VAN DE AANVERWANTE SECTOREN (FEDERAUTO) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Van Geeteruyen kantoor houdend te Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marijke Van Reybrouck kantoor houdend te Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 juli 2008, strekt tot de nietigverklaring van het advies nr. 118 van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van 21 april 2008 en van het besluit van de minister van Werk van 14 mei 2008 waarbij de kandidatuur van de VZW Federauto voor een mandaat in het paritair subcomité voor het koetswerk wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. VII–37.659-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 juni
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Barbara Speleers, die loco advocaat Steven Van Geeteruyen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sarah Botticelli, die loco advocaat Marijke Van Reybrouck verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jozef Stevens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het paritair subcomité voor het koetswerk (nr. 149.02) werd opgericht bij koninklijk besluit van 13 maart
- De Koninklijke Belgische Federatie der Rijtuigmakerij en bijhorende ambachten (hierna : Febelcar) werd aangeduid om de werkgevers te vertegenwoordigen in voormeld subcomité. 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 18 januari 2007 verschijnt een bericht betreffende de vernieuwing van het mandaat van de leden van een aantal paritaire comités en paritaire subcomités waaronder het paritair subcomité voor het koetswerk (nr. 149.02). Het bericht stelt : "Voor de toepassing van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités (art. 3) worden als representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties aangemerkt :
- de interprofessionele organisaties van werknemers en van werkgevers, die voor het gehele land zijn opgericht en die in de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd zijn; de werknemersorganisaties moeten bovendien ten minste 50.000 leden tellen;
- de vakorganisaties die aangesloten zijn bij of deel uitmaken van een onder 1 genoemde interprofessionele organisatie; VII–37.659-2/11
- de vakorganisaties van werkgevers die de Koning, op advies van de Nationale Arbeidsraad, als representatief in een bepaalde bedrijfstak erkent. Worden bovendien als representatieve werkgeversorganisaties aangemerkt de overeenkomstig de wet van 6 maart 1964 tot organisatie van de middenstand erkende nationale interprofessionele organisaties en beroepsorganisaties die representatief zijn voor de ondernemingshoofden uit het ambachtswezen, de kleine en middelgrote handel en de kleine nijverheid en voor de zelfstandigen die een vrij of een ander intellectueel beroep uitoefenen. Om vervolgens, met toepassing van artikel 42 van de bovenvermelde wet van 5 december 1968, gewijzigd bij de programmawet van 22 december 2003, over te gaan tot de nieuwe aanstelling van de leden van deze paritaire comités en paritaire subcomités worden de betrokken organisaties verzocht, binnen de maand volgend op de bekendmaking van dit bericht in het Belgisch Staatsblad, mee te delen of zij voor vertegenwoordiging in aanmerking wensen te komen en eventueel van hun representatieve aard te doen blijken. Deze kandidaturen moeten gericht worden aan de heer directeur-generaal van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Ernest Blerotstraat 1, te 1070 Brussel". 3.
- Zowel de verzoekende partij als de werkgeversorganisatie Febelcar dienen hun kandidatuur in voor vertegenwoordiging in het paritair subcomité. 3.
- Er wordt een onderzoek ingesteld naar de representativiteit van de betrokken werkgeversorganisaties. 3.
- Op 21 april 2008 stelt de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen aan de minister voor om de kandidatuur van de verzoekende partij niet in aanmerking te nemen. Het advies is als volgt gemotiveerd : "De Belgische Confederatie van de Autohandel en -Reparatie en van de Aanverwante Sectoren verklaart dat zij 179 van de 1022 werkgevers wier bedrijvigheid onder de bevoegdheid van het Paritair Subcomité voor het koetswerk (nr. 149.02) valt, vertegenwoordigt, wat haar een representativiteitsgraad van 17,51 % toeschrijft. 103 van die 179 werkgevers blijken evenwel ook aangesloten bij een andere werkgeversorganisatie uit de sector. Het aantal werkgevers die van beide organisaties lid zijn, werd geneutraliseerd met als gevolg dat de Belgische Confederatie van de Autohandel en -Reparatie en van de Aanverwante Sectoren nog slechts 76 eigen leden meer heeft, wat de representativiteitsgraad terugbrengt tot 7,44 %. Nu, wanneer twee werkgeversorganisaties dezelfde sector vertegenwoordigen, wordt de meest representatieve aangeduid". Het advies nr. 118 van 21 april 2008 vormt de eerste bestreden akte. VII–37.659-3/11 3.
- Met een besluit van de minister van Werk van 14 mei 2008 wordt de kandidatuur van de verzoekende partij verworpen en wordt Febelcar aangeduid als representatieve werkgeversorganisatie in het paritair subcomité voor het koetswerk. Dit is de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Het annulatieberoep is niet ontvankelijk in de mate dat het gericht is tegen het advies nr. 118 van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van 21 april
- Als louter voorbereidende maatregel die geen rechtsgevolgen in het leven roept of belet dat deze totstandkomen, vormt het advies van 21 april 2008 geen voor de Raad van State aanvechtbare administratieve rechtshandeling. V. Onderzoek van de middelen Enig middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij roept in een enig middel de schending in van artikel 42, derde lid, van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen (hierna : motiveringswet) : "Doordat de bestreden beslissingen er automatisch van uit gaan dat, wanneer twee werkgeversorganisaties dezelfde sector vertegenwoordigen, enkel de meest representatieve wordt aangeduid. Terwijl de aanduiding van enkel de meest representatieve werkgeversorganisatie enkel een mogelijkheid inhoudt in hoofde van de minister en geen automatisme". VII–37.659-4/11 Het middel wordt in het verzoekschrift tot nietigverklaring als volgt toegelicht : "De eerste bestreden beslissing, die door de tweede beslissing integraal is overgenomen, beperkt zich, nadat zij heeft vastgesteld dat er twee werkgeversorganisaties zijn waarbij verzoekster het minst aantal werkgevers vertegenwoordigt, tot de volgende motivering: 'Nu, wanneer twee werkgeversorganisaties dezelfde sector vertegenwoordigen, wordt de meest representatieve aangeduid'. Hiermee geven verwerende partij te kennen dat de minister een gebonden bevoegdheid heeft in geval er twee werkgeversorganisaties hun kandidatuur hebben ingediend en verplicht is om enkel de kandidatuur van de meest representatieve werkgeversorganisatie te weerhouden. Zulks blijkt evenwel allerminst uit de bepalingen van de CAO-wet. Meer nog, Uw Raad heeft reeds te kennen gegeven dat de bevoegde minister dienaangaande niet beschikt over een gebonden bevoegdheid maar wel over een discretionaire bevoegdheid (R.v.St., VZW De Patroons Ververs-Uitstomers van België, nr. 13.459, 21 maart 1969). Zulks heeft tot onmiddellijk gevolg dat de bevoegde minister, wil zij gebruik maken van haar discretionaire bevoegdheid, ook dient te motiveren waarom zij enkel één werkgeversorganisatie weerhoudt. Verzoekster blijft dienaangaande evenwel verstoken van enige motivering en dient het te stellen met de 'aanname' dat een andere werkgeversorganisatie meer representatief zou zijn als zijzelf. Bijgevolg is er sprake van een totaal gebrek aan motivering".
- De verwerende partij antwoordt het volgende : "De aanduiding van de organisaties die voor vertegenwoordiging in de paritaire comités in aanmerking komen, wordt geregeld door artikel 42 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, dat bepaalt: 'De betrokken organisaties worden door een bericht in het Belgisch Staatsblad verzocht mee te delen of zij wensen voor vertegenwoordiging in aanmerking te komen en eventueel van hun representativiteit te doen blijken. De Minister beslist welke organisaties voor vertegenwoordiging in aanmerking komen en hoeveel mandaten aan elke organisatie worden toegekend. Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van alle organisaties die erom verzocht hebben voor vertegenwoordiging in aanmerking te komen. Bovendien worden de in aanmerking komende organisaties uitgenodigd binnen één maand twee kandidaten voor te dragen voor elk mandaat dat hun is toegekend. De minister benoemt de leden. De minister kan deze bevoegdheid toekennen aan de ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg die hij aanwijst'. Uit deze bepaling volgt dat het aan de Minister toekomt om voor elke in aanmerking genomen activiteitensector te bepalen welke van de werkgeversorganisaties over een voldoende representativiteit beschikken. De criteria om de representatieve organisaties te bepalen zijn niet vastgelegd. Volgens de rechtsleer heeft de Minister een zeer ruime beoordelingsvrijheid en moet hij enkel aantonen dat de beslissing in feite gemotiveerd is (R.v.St., arrest dd. 18 juni 1967, V.Z.W. Nationale Belgische Federatie van baanvervoerders, nr. 12.447, geciteerd door H. Bocksteins, 'De samenstelling van de paritaire VII–37.659-5/11 comités', in J. Rombouts en M. Rigaux, De paritaire organen met inbegrip van de paritaire comités, Mechelen Kluwer, 2005, p. 117). Zo werd geoordeeld dat de Minister zich baseert op een in rechte aanvaardbaar motief, wanneer hij in aanmerking neemt dat de verzoekende organisatie niet voldoende leden telt om als representatief te kunnen baanvervoerders worden aangemerkt (R.v.St., arrest dd. 5 februari 1980, V.Z.W. Onafhankelijke Vereniging van de Verzorgingsinstellingen, nr. 20.099). In de zaak waarover de Raad van State uitspraak diende te doen, vertegenwoordigde de verzoekende organisatie 350 werknemers, terwijl de weerhouden organisaties, die volgens de Minister van Werk als representatief te beschouwen waren, respectievelijk 26.500, 5.300, 9.700 et 6.750 werknemers vertegenwoordigden. Uw Raad heeft beslist dat, in geval meerdere werkgeversorganisaties in dezelfde sector actief zijn, de Minister niet verplicht is om deze allemaal te benoemen en tussen hen mag kiezen. Zo heeft uw Raad in een arrest nr. 13.459, uitgesproken op 21 maart 1969, geweigerd om een Koninklijk Besluit strekkende tot benoeming van de leden van het nationaal paritair comité voor het wasserij-, ververij- en ontvettingsbedrijf te vernietigen, zoals gevorderd werd door een werkgeversorganisatie die meende dat zij onterecht uit dit paritair comité werd geweerd. Het arrest legt in dit verband uit: '(...) le rapport au Régent [de l’arrêté-loi du 9 juin 1945 fixant le statut des commissions paritaires] précise qu’il appartiendra au pouvoir exécutif de discerner quelles sont les organisations professionnelles qui ont un caractère représentatif et que le gouvernement s' éclairera au sujet de cette question de fait en consultant les organisations intéressées (...); qu’en estimant que les associations groupées au sein de la Fédération nationale de la blanchisserie et occupant pour l’ensemble du pays 18.471 travailleurs étaient représentatives et que la requérante, occupant seulement 650 travailleurs, ne l’était pas, la partie adverse n'a pas excédé les limites de son pouvoir d’appréciation'. Vrije vertaling: '(...) het verslag aan de Regent [van de Besluitwet dd. 9 juni 1945 tot vaststelling van het statuut van de paritaire comités] bepaalt dat het aan de uitvoerende macht toekomt om te beslissen welke de beroepsorganisaties zijn die een representatief karakter hebben en dat de overheid zich over deze vraag opheldering zal verschaffen door de betrokken organisaties te raadplegen (...); dat, door te oordelen dat de gegroepeerde verenigingen binnen de nationale Federatie van de wasserij, die voor geheel het land 18.471 arbeiders verzamelt, representatief zijn en verzoekster, die slechts 650 arbeiders verzamelt, dat niet is, de tegenpartij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet overschreden heeft'. In onderhavig geval heeft de verwerende partij de informaties verzameld die verspreid worden door de betrokken organisaties, nl. FEDERAUTO en FEBELCAR. Zij heeft een onderzoek gevoerd teneinde de graad van representativiteit van deze organisaties binnen het paritair subcomité te bepalen. Uit deze analyse volgt dat (...): - het aantal werkgevers waarvan de activiteit behoort tot de bevoegdheid van het paritair subcomité voor het koetswerk nr. 149.02, 1.022 bedraagt; - FEDERAUTO 76 eigen leden telt, hetgeen met moeite 7,44% van de werkgevers vertegenwoordigt; - FEBELCAR 334 eigen leden telt, hetgeen 32,68% van de werkgevers vertegenwoordigt. De verwerende partij heeft, op basis van die cijfergegevens, wettig kunnen beslissen dat de verzoekende partij niet voldoende representatief was om lid van het paritair subcomité nr. 149.02 te zijn en - impliciet - dat FEBELCAR integendeel wel voldoende representatief was om er deel van uit te maken. VII–37.659-6/11 Deze beoordeling is ontbloot van enige manifeste beoordelingsfout en de redenen waarop zij gesteund is, zijn een voldoende en afdoende motivering in de zin van de wet dd. 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De overweging volgens dewelke de verzoekende partij met moeite 76 eigen leden telt, hetzij 7,44 % van de werkgevers van het paritair subcomité nr. 149.02, volstaat om het verwerpen van de kandidatuur te rechtvaardigen (Zie, mutadis mutandis, R.v.St., arrest nr 20.099, supra). Het is met een ten overvloede gegeven overweging dat het advies nr. 118, nl. de tweede bestreden beslissing, bovendien stelt dat 'wanneer twee werkgeversorganisaties dezelfde sector vertegenwoordigen, wordt de meest representatieve aangeduid' (cfr. supra). In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, was de verwerende partij niet gehouden om deze ten overvloede gegeven overweging te rechtvaardigen. Een dergelijke verplichting zou er inderdaad op neerkomen dat van de overheid geëist wordt dat zij de motieven van haar motieven zou dienen te geven, hetgeen voormelde wet dd. 29 juli 1991 niet vereist (R.v.St., arrest dd. 23 december 1996, S.P.R.L. Résidence Belle-Vue et crts, nr. 63.785 ; arrest dd. 30 september 1999, A.S.B.L. Fédération nationale des Unions de classes moyennes et crts, nr. 82.584). In ondergeschikte orde, onderstreept de verwerende partij bovendien dat zij in een brief dd. 16 juli 2008, verstuurd door de directeur van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen, de redenen heeft uiteengezet op grond waarvan zij de mening is toegedaan dat het in dit geval verkieslijk is om slechts één enkele werkgeversorganisatie te benoemen (...): 'Het feit dat de meest representatieve organisatie wordt aangeduid vormt een basisprincipe van het Belgisch sectoraal sociaal overlegmodel. Gelet op de institutionele rol die de organisaties in de paritaire organen spelen en het vetorecht dat elke organisatie bij het sluiten van cao's heeft, maakt dat zowel de wetgever als de interprofessionele sociale partners steeds de stelling hebben verdedigd dat de werking van een paritair orgaan en bijgevolg ook de sociale vrede het best gediend zijn door de aanduiding van de meeste representatieve organisatie. De beoordeling van de representativiteit gebeurt op het ogenblik van de aanduiding van de organisaties in het betrokken orgaan en geldt voor de duur van het vierjarige mandaat'. Een dergelijke rechtvaardiging toont afdoende aan dat de verwerende partij niet heeft beschouwd dat haar bevoegdheid gebonden is wat betreft de keuze van de werkgeversorganisatie, indien er, zoals in dit geval, meerdere organisaties bestaan die actief zijn in dezelfde sector. Zo niet had de verwerende partij zich er zeker van onthouden om haar keuze te rechtvaardigen".
- In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij nog het volgende : "Verzoekster betwist niet dat er naast haar nog een andere vereniging is die allicht een grotere representativiteit heeft dan zijzelf binnen de betreffende sector. Zij betwist al evenmin dat verweerster niet de verplichting heeft om de kandidatuur van alle organisaties te weerhouden. Zij stelt echter wel dat, indien verweerster meent om slechts één organisatie te weerhouden en hierbij een discretionaire bevoegdheid uitoefent, zij in de bestreden beslissing zelf moet motiveren waarom zij slechts één VII–37.659-7/11 werkgeversorganisatie weerhoudt hoewel zij wettelijk over de mogelijkheid beschikt om zowel verzoekster als Febelcar te weerhouden. Verweerster verschuilt zich hierbij achter cijfers om te kunnen argumenteren dat de representativiteitsgraad op zich al een voldoende motvering inhoudt, doch zulks is allerminst juist. Het feit dat de ene organisatie meer representatief is dan de andere verantwoordt nog niet de beslissing waarom enkel de kandidatuur van de ene organisatie weerhouden wordt. Verweerster weet zulks maar al te goed en komt in het kader van huidige procedure aandraven met een resem verantwoordingsstukken. Deze stukken tonen evenwel precies het gebrek aan motivering aan. De bestreden beslissing verwijst immers helemaal niet naar deze stukken, laat staan dat de stukken bij de bestreden beslissing waren bijgevoegd. De formele motiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 is dan ook manifest geschonden". Beoordeling
- Luidens artikel 2 van de motiveringswet moeten alle bestuurs- handelingen met individuele strekking uitdrukkelijk worden gemotiveerd en luidens artikel 3 van die wet moet de motivering de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet de motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de formele motiveringswet, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formele motiveringsplicht impliceert dat de motieven uit de bestreden beslissing zelf moeten blijken. Wel kan worden aangenomen dat aan de doelstelling van de formele motiveringsplicht om de betrokkene een zodanig inzicht te geven in de motieven van de beslissing dat hij met kennis van zaken kan uitmaken of het zinvol is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden, is voldaan, indien de betrokkene desgevallend langs een andere weg kennis heeft gekregen van de motieven waarop de beslissing is gesteund, ook al worden die motieven dan niet VII–37.659-8/11 in de beslissing zelf veruitwendigd. Dit kan doordat de beslissing verwijst naar andere stukken. Een dergelijke "motivering door verwijzing" dient evenwel aan bepaalde voorwaarden te voldoen. Vooreerst moet de inhoud van de stukken waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht. Bovendien moeten de desbetreffende stukken zelf afdoende gemotiveerd zijn en mogen ze niet tegenstrijdig zijn. Ten slotte dienen de stukken in de uiteindelijke beslissing te worden bijgevallen door de beslissende overheid. Het bestreden ministerieel besluit van 14 mei 2008 is aan de verzoekende partij meegedeeld met een brief van 30 mei
- Die brief luidt als volgt : "Met uw bovenvermelde brief heeft uw organisatie om vertegenwoordiging verzocht in het Paritair Subcomité voor het koetswerk. Uw kandidatuur wordt niet weerhouden. De redenen van deze weigering vindt u in het advies nr. 118 van 21 april 2008 tot aanduiding van de organisaties van werkgevers en van werknemers die voor vertegenwoordiging in het Paritair Subcomité voor het koetswerk in aanmerking komen, waarvan kopie in bijlage. (...). Ik stuur u hierbij ook een afschrift van het ministerieel besluit". In de aanhef van het besluit van de minister van Werk van 14 mei 2008 wordt verwezen naar het advies nr. 118 van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen. Aangezien de minister van Werk voormeld advies volgt en in zijn besluit van 14 mei 2008 niet naar andere gegevens verwijst, moet worden aangenomen dat hij de motieven van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen tot de zijne heeft gemaakt. De in het advies nr. 118 opgegeven motieven houden verband met de representativiteit van de werkgeversorganisaties die zich kandidaat hebben gesteld voor vertegenwoordiging in het paritair subcomité voor het koetswerk. Meer bepaald zou de werkgeversorganisatie Febelcar in vergelijking met de verzoekende partij het meest representatief zijn in de betrokken sector. Uit het middel blijkt dat de verzoekende partij kennis heeft van de reden waarom haar kandidatuur voor vertegenwoordiging in het paritair subcomité voor het koetswerk werd verworpen, zodat, althans op dat punt, het bestreden ministerieel besluit tegemoetkomt aan de formele motiveringsverplichting. VII–37.659-9/11 De verzoekende partij betwist niet dat de representativiteit van een organisatie een pertinent criterium is bij de toewijzing van de mandaten in een paritair (sub)comité. Zij betwist evenmin dat de organisatie Febelcar meer representatief is dan zijzelf in de betrokken sector van werkgevers. Wat betreft de kritiek dat te dezen elke motivering ontbreekt waarom slechts gekozen wordt voor de meest representatieve organisatie, wordt vastgesteld dat artikel 42 van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités niet verplicht tot de aanduiding van meerdere werkgeversorganisaties in een paritair subcomité, zodat de bevoegde minister op grond van zijn beoordelingsbevoegdheid wettig kon beslissen om slechts de kandidatuur van de meest representatieve organisatie in aanmerking te nemen. In dat verband stelt de verzoekende partij overigens zelf dat er in hoofde van de verwerende partij geen verplichting bestond om "de kandidatuur van alle organisaties te weerhouden". De formele motiveringsverplichting reikt in casu niet zover dat de minister uitdrukkelijk de redenen moet opgeven die de keuze voor het criterium van de meest representatieve organisatie verantwoorden. Het middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. VII–37.659-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen september tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII–37.659-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.