← België

Arrest 207259 - Handelsvestigingen - 09/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.259 Rolnummer: A. 190683/VII-37594 Zaak: Arrest 207259 - Handelsvestigingen - 09/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-14 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:07 Fiche Arrest nr 207.259 van 9 september 2010 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 207.259 van 9 september 2010 in de zaak A. 190.683/VII-37.594. In zake: de NV DE VERDRONKEN WEIDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Pieter Jan Vervoort kantoor houdend te Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen 2. het INTERMINISTERIEEL COMITÉ VOOR DE DISTRIBUTIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-François De Bock kantoor houdend te Brussel Waterloosesteenweg 612 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 december 2008, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Interministerieel Comité voor de Distributie van 7 oktober 2008 waarbij het beroep van de NV De Verdronken Weide tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper van 2 september 2008, houdende de weigering van een socio-economische vergunning voor de inplanting van een handelsvestiging "Leen Bakker", gelegen aan de Rijselsepoort te Ieper, ongegrond wordt verklaard en de beroepen weigeringsbeslissing wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-37.594-1/12 Adjunct-auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 juni 2010. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Valckeniers, die loco advocaten Peter Flamey en Pieter Jan Vervoort verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joy Moens, die loco advocaat Jean-François De Bock verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Ines Martens heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is eigenaar van gebouwen gelegen aan de Rijselsepoort te Ieper. Het betrokken perceel is volgens het gewestplan Ieper- Poperinge, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 augustus 1979, bestemd tot gebied voor milieubelastende industrie. Het perceel is tevens gelegen binnen het beheersingsgebied van het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) "Rijselweg- Oudstrijderslaan", goedgekeurd bij ministerieel besluit van 14 maart 1997, en meer in het bijzonder binnen de door voormeld plan afgebakende zone 4 voor ambachtelijke en tertiaire bedrijven. 3.2. Op 10 juli 2008 dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper een aanvraag in voor het verkrijgen van een socio-economische vergunning voor een handelsvestiging in de betrokken gebouwen. Het betreft concreet de vestiging van een filiaal van de meubel- en binnenhuisinrichtingsketen Leen Bakker. VII-37.594-2/12 De aanvraag wordt ingediend overeenkomstig artikel 5 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen (hierna : handelsvestigingswet). 3.3. Aangezien het een aanvraag betreft met een netto handelsoppervlakte van meer dan 1.000 m² wordt het dossier met toepassing van artikel 6, § 1, van de handelsvestigingswet overgemaakt aan het Nationaal Sociaal- Economisch Comité voor de Distributie (hierna : NSECD). Op 18 juli 2008 verklaart het NSECD het aanvraagdossier volledig. 3.4. Op 30 juli 2008 brengt het NSECD een gunstig advies uit over de aanvraag. Met betrekking tot de "ruimtelijke ligging van de handelsvestiging" stelt het NSECD : "De aanvraag betreft de inplanting van een meubel- en binnenhuisinrichtingszaak onder het embleem 'Leen Bakker' met een netto verkoopsoppervlakte van 1.432 m². Voor de betrokken site werd reeds op 07/01/2008 een aanvraag ingediend voor de vestiging van een complex met een totale netto verkoopsoppervlakte van 1.298 m² samengesteld uit een non-foodwarenhuis en een dierenspeciaalzaak. Het advies van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie uitgebracht op 13/02/2008 was voorwaardelijk gunstig, in zover het project zich beperkte tot de inplanting van de dierenspeciaalzaak met een netto verkoopoppervlakte van 416 m². De gemeentebeslissing, uitgebracht op 3/03/2008 was negatief voor de totaliteit van het handelsgeheel. De vestiging is gelegen binnen een zone voor milieubelastende industrie. Krachtens het BPA 'Rijselweg-Oudstrijderslaan' van 14/03/1997, is de zone bestemd voor ambachtelijke en tertiaire bedrijven. Volgens het BPA is kleinhandel slechts toegestaan in een hoedanigheid van nevenactiviteit en in zoverre de oppervlakte beperkt blijft tot maximaal 50 % van de totale oppervlakte van het gebouw. Volgens de aanvrager wordt door de komst van het bedrijf 'Carglass' invulling verleend aan het ambachtelijke aspect en wordt alzo voldaan aan de gestelde criteria. De stedenbouwkundige vergunning werd in een beroepsprocedure door de Bestendige Deputatie van de provincie West-Vlaanderen toegekend. Door het stadsbestuur werd geen bezwaar geuit. Binnen de schoot van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie overheerst de mening dat het begrip 'nevenactiviteit' door aanvrager ruim wordt geïnterpreteerd. Het BPA impliceert immers de kleinhandel als een afgeleide functie van de uitgeoefende ambachtelijke hoofdactiviteit. De vestiging is gelegen op een eerder perifere locatie aan de N336 (Rijselseweg), op ca. 700m van het centrum van Ieper en op 250 m ten oosten van het station. In de nabije omgeving bevindt zich o.a. een 'Colora' verfhandel en een supermarkt 'Colruyt'. VII-37.594-3/12 Gelet op het eerder autonoom assortiment en het volumineus karakter van bepaalde van de aangeboden producten, kan de inplanting van een meubel- en binnenhuisinrichtingszaak op de beoogde locatie vanuit een distributie- planologisch standpunt aanvaardbaar worden geacht". 3.5. Bij besluit van 2 september 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper de gevraagde socio-economische vergunning. De weigeringsbeslissing wordt als volgt gemotiveerd : "1. Het Sociaal-economisch Comité voor de Distributie brengt een gunstig advies uit, ondanks de verwijzing naar het feit dat de 'nevenactiviteit' (kleinhandel) door de aanvrager ruim wordt geïnterpreteerd en niet wordt uitgeoefend als afgeleide van de hoofdactiviteit (ambachtelijke functie). 2. De leden van de Raad Lokale Economie hebben een negatief advies afgeleverd, waarbij wordt verwezen naar het niet naleven van de bestemmingsvoorschriften van minstens 50% ambachtelijke activiteit. 3. Het advies van de Dienst Lokale Economie luidt negatief. Deze aanvraag voor een vergunning van handelsvestiging gaat in tegen de voorschriften van het BPA, die bepalen dat er in de gekruist gearceerde deelzone van zone vier bedrijven worden ingeplant die in hoofdbestemming (minstens 50% van de vloeroppervlakte) een ambachtelijke activiteit uitoefenen, met in nevenactiviteit een beperkte tertiaire functie gelinkt aan het ambachtelijk proces. Leen Bakker valt voor 100% onder de bestemming 'tertiair', en voldoet op die manier niet aan de bestemmingsvoorschriften van het BPA, waar de Deputatie tijdens de beroepsprocedure uitdrukkelijk naar verwees. Rekening houdend met het concept en de werkwijze van Leen Bakker vallen er op basis van dit aanvraagdossier geen ambachtelijke activiteiten te verwachten, en zeker niet het vereiste minimumaandeel van 50% op deze locatie". 3.6. Tegen voormeld besluit stelt de raadsman van de verzoekende partij op 19 september 2008 beroep in bij het Interministerieel Comité voor de Distributie. In essentie voert de verzoekende partij in haar beroepschrift aan dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper de aanvraag voor een socio-economische vergunning ten onrechte heeft onderworpen aan een stedenbouwkundige toetsing en, in ondergeschikte orde, dat de aanvraag hoe dan ook ingepast kan worden in de stedenbouwkundige voorschriften van het geldende BPA "Rijselweg-Oudstrijderslaan" aangezien minder dan 50 % van de vloeroppervlakte van het gebouw ingenomen zal worden voor tertiaire functies zoals handel en het overige gedeelte door ambachtelijke activiteiten. 3.7. Met een besluit van 7 oktober 2008 van het Interministerieel Comité voor de Distributie wordt het beroep van de verzoekende partij ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper bevestigd. VII-37.594-4/12 Met betrekking tot het beoordelingscriterium inzake de "ruimtelijke ligging van de handelsvestiging", wordt in de bestreden beslissing het volgende overwogen : "

  1. a)De inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon Overwegende dat de huidige aanvraag de inplanting betreft van een meubel- en binnenhuisinrichtingszaak (Leen Bakker) langs de Rijselpoort te Ieper, met een nettoverkoopruimte van 1.432 m²; Overwegende dat op 7 januari 2008 voor dezelfde locatie een aanvraag werd ingediend voor de inplanting van een handelscomplex, gevormd door een handelszaak met een ruim non-food assortiment (Action) en een dierenspeciaalzaak (Zoomart). Op 13 februari 2008 werd door het Nationaal Sociaal-economisch Comité voor de Distributie een gunstig advies verleend, op voorwaarde dat het project beperkt bleef tot de dierenspeciaalzaak met een nettoverkoopruimte van 416 m² : De stad Ieper heeft de totaliteit van deze aanvraag geweigerd op 3 maart 2008, omwille van de ligging in een ambachtelijke zone. Hiertegen werd geen beroep ingediend door de aanvrager; Overwegende dat Ieper ongeveer 35.115 inwoners telt en een subregionale invloed uitoefent op een uitgestrekt doch landelijk en dunbevolkt gebied in het zuiden van West-Vlaanderen. De aantrekkingskracht van het handelscentrum wordt begrensd door deze van Roeselare, Kortrijk en Poperinge; Overwegende dat het project zich bevindt langs de Rijselpoort, op circa 700 meter van het centrum van Ieper en op ongeveer 300 meter van het station; Overwegende dat de site gelegen is binnen een zone voor milieubelastende industrie en binnen het Bijzonder Plan van Aanleg 'Rijselweg-Oudstrijderslaan' van 14 maart 1997, waarbij de ambachtelijke bestemming als hoofdbestemming (min. 50% van de vloeroppervlakte) en de tertiaire bestemming als nevenbestemming (max. 50% van de vloeroppervlakte) gelden. In de nabije omgeving bevindt zich een supermarkt Colruyt maar dan wel in een zone voor grootwinkelbedrijven, groot- & kleinhandel; Overwegende dat de stad Ieper deze aanvraag geweigerd heeft omdat de inplanting van de betrokken handelszaak Leen Bakker geen ambachtelijke activiteit uitoefent en niet in overeenstemmmg is met de voornoemde voorwaarden; Overwegende dat dit des te meer gegrond is daar terreinen, gelegen in dergelijke gebieden, goedkoper zijn dan deze in de woongebieden, waar handelsactiviteiten normaal hun plaats mogen vinden, en dat bijgevolg dergelijke vestigingen op zonevreemde plaatsen een vervalsing teweegbrengen van de concurrentie; Overwegende dat de aanvrager opmerkt dat de stad leper zijn bevoegdheid heeft overschreden omdat deze aanvraag enkel geweigerd werd op basis van stedenbouwkundige redenen, wat een gewestelijke bevoegdheid is en dat er geen rekening werd gehouden met de wettelijke criteria voorzien in de wet op de handelsvestigingen; Overwegende dat volgens de aanvrager in het Bijzonder Plan van Aanleg vermeld wordt dat er bedrijfsgebouwen toegelaten zijn zowel voor een ambachtelijk productieproces als voor stapelruimten, verkoopsruimten en andere specifieke handels- en tertiaire functies. In het betrokken gedeelte, waarin de site zich bevindt, dient volgens de aanvrager een verdeelsleutel te worden gehanteerd tussen de ambachtelijke functie in het gebouw (minstens 50% van de vloeroppervlakte) en de toegelaten functies zoals kleinhandel; Overwegende dat de stad van mening is dat er een rechtstreekse band moet zijn tussen de ambachtelijke en de tertiaire functie van éénzelfde bedrijf; VII-37.594-5/12 Overwegende dat de bouwvergunning werd afgeleverd door de Bestendige Deputatie, na een aanvankelijke weigering door het stadsbestuur, omdat verondersteld werd, ten gronde, dat het zou ingevuld worden door kleinhandel; Overwegende dat de inplanting van deze zaak niet zal bijdragen tot de animatie van het handelsgebeuren van de stad en vanuit distributieplanologisch oogpunt op deze locatie niet aanvaardbaar is;
  2. b)Het effect van de inplanting inzake duurzame mobiliteit, meer bepaald het gebruik van de ruimte en de verkeersveiligheid Overwegende dat het project, gelegen langs de Rijselpoort te Ieper, op een verkeersveilige manier te bereiken is met alle vervoermiddelen; Overwegende dat er een parking voorzien is voor 56 wagens; Overwegende dat er in de directe omgeving meerdere haltes gelegen zijn van de Lijn. Het treinstation bevindt zich op wandelafstand; Besluit: Dergelijke kleinhandelsactiviteit hoort niet thuis in een bedrijvenzone voor ambachtelijke en tertiaire bedrijven. Het zal geen structurerend effect hebben op het handelsgebeuren van de stad en is dus niet aanvaardbaar. Wat mobiliteit betreft worden er geen problemen verwacht". IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij roept in een eerste middel de schending in van de bevoegdheidsverdelende regels, in het bijzonder van artikel 6, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van artikel 7, § 2, van de handelsvestigingswet, van de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 tot verduidelijking van de criteria waarmede rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier (hierna : koninklijk besluit van 22 februari 2005), van de materiële motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Tevens wordt machtsoverschrijding aangevoerd. De verzoekende partij betoogt dat de aanvraag uitsluitend geweigerd werd op grond van de beweerde onverenigbaarheid van de handelsvestiging met de voorschriften van het BPA "Rijselweg - Oudstrijderslaan", dat de overheid die bevoegd is om uitspraak te doen over een socio-economische vergunning echter niet bevoegd is om de aanvraag te onderwerpen aan een stedenbouwkundige of planologische beoordeling, dat luidens artikel 6, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen de gewesten immers bevoegd zijn voor de ruimtelijke ordening en stedenbouw terwijl de VII-37.594-6/12 beoordeling van een aanvraag voor een socio-economische vergunning een federale materie is, dat de beslissing waarbij het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper uitspraak doet over een aanvraag voor een socio-economische vergunning onderscheiden moet worden van de beslissing waarbij het college uitspraak doet over een bouwvergunningsaanvraag, dat beide procedures een verschillend voorwerp hebben, dat de beoordeling in het kader van de socio- economische vergunning van het criterium "ruimtelijke ligging van de handelsvestiging" geen uitstaans heeft met een planologische toetsing, dat de afdeling wetgeving van de Raad van State in zijn advies bij de totstandkoming van de nieuwe wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen gesteld heeft dat de federale wetgever niet de bevoegdheid heeft om via het criterium van de "ruimtelijke ligging van de handelsvestiging" een aangelegenheid van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening te bepalen aangezien dit een zuiver gewestelijke bevoegdheid is, dat in antwoord op een parlementaire vraag de Vlaamse minister voor Economie erop gewezen heeft dat de vergunningverlenende overheid voor een socio-economische vergunning zich niet mag inlaten met stedenbouwkundige of planologische beoordelingen, dat voor onderhavige aanvraag reeds een definitieve stedenbouwkundige vergunning werd verleend, dat de verwerende partijen de planologische toets eveneens betrokken hebben bij de beoordeling van het criterium van de gevolgen op de bestaande handelszaken zodat zij ook een onjuiste invulling hebben gegeven aan de vier wettelijke beoordelingscriteria en bijgevolg artikel 7, § 2, van de handels- vestigingswet juncto de artikelen 2 en 5 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 hebben geschonden en dat de verwerende partijen door niet in te gaan op de beroepsargumenten met betrekking tot de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen van de stad Ieper de formele motiveringsplicht hebben geschonden. 5. De verwerende partijen antwoorden dat de handelsvestigingswet niet bepaalt op grond van welke criteria het Interministerieel Comité voor de Distributie zijn beslissing moet nemen, dat het Comité te dezen de aanvraag heeft getoetst aan de vier criteria zoals die zijn opgesomd in artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 22 februari 2005, dat het Comité zich bij de beoordeling van het eerste criterium inzake "de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging" niet heeft beperkt tot een planologische toetsing van de aanvraag, dat de aanvraag voor een nieuwe handelsvestiging ook werd onderzocht in het licht van het aantal inwoners en de subregionale invloed die Ieper uitoefent op een landelijk en dunbevolkt gebied in het zuiden van West-Vlaanderen, dat eveneens werd ingegaan VII-37.594-7/12 op mobiliteitsaspecten, zoals parkeermogelijkheden en de bereikbaarheid met alle vervoermiddelen, dat de overheid die moet oordelen over een socio-economische vergunning een planologische toetsing moet uitvoeren zoals blijkt uit de arresten van de Raad van State nr. 21.417 van 1 oktober 1981 en nr. 27.372 van 14 januari 1987, dat zelfs indien reeds een bouwvergunning werd verleend, de overheid die oordeelt over een socio-economische vergunning moet waken over de naleving van de plannen van aanleg, dat de formele motiveringsplicht niet werd geschonden, dat de bestreden beslissing immers duidelijk de motieven vermeldt op grond waarvan ze werd genomen, dat de opgegeven motieven pertinent zijn en dat uit de argumentatie van de verzoekende partij overigens blijkt dat zij de motivering van de bestreden beslissing voldoende kent. 6. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij dat het Interministerieel Comité voor de Distributie de aanvraag dient te toetsen aan de vier criteria zoals bepaald in artikel 7, § 2, van de handelsvestigingswet, dat de formele motiveringsplicht vereist dat het Interministerieel Comité voor de Distributie deze verschillende criteria beoordeelt en uit haar beslissing moet blijken waarom het gunstige advies van het NSECD, waarin deze criteria wel aan bod komen, niet kan worden gevolgd. Voorts is de verzoekende partij van oordeel dat het Comité bij het eerste criterium "ruimtelijke ligging" is uitgegaan van een zuiver planologische beoordeling, dat de overige motieven van het bestreden besluit te algemeen zijn om als afdoende motivering door te gaan, dat het Comité de weigering van de socio-economische vergunning heeft gestoeld op de vermeende planologische onverenigbaarheid en daarmee een verkeerde invulling heeft gegeven aan het wettelijk criterium en de materiële motiveringsplicht heeft geschonden, dat het Comité niet heeft geantwoord op het principiële argument dat het zich niet mag inlaten met de planologische beoordeling van het ontwerp van handelsvestiging, dat dit beroepsargument essentieel was en dan ook duidelijk en afdoende moest worden beantwoord en dat het Interministerieel Comité voor de Distributie er in gelijkaardige gevallen van is uitgegaan dat zij niet bevoegd is om een socio- economische vergunning te onderwerpen aan een planologische toets. Tot slot herhaalt de verzoekende partij haar standpunt dat het Comité inderdaad niet bevoegd is om een planologische beoordeling uit te voeren, dat de verwijzing door de verwerende partijen naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 juni 1975 niet relevant is vermits de bestreden beslissing kadert in de nieuwe handelsvestigingswet van 13 augustus 2004 en in deze nieuwe wet de socio- economische vergunning werd ontkoppeld van de bouwvergunning, dat om dezelfde reden de verwijzing naar rechtspraak en rechtsleer met betrekking tot de wet van VII-37.594-8/12 29 juni 1975 niet relevant is, dat uit het arrest Mannekens, nr. 80.599 van 2 juni 1999 kan worden afgeleid dat de overheid die bevoegd is om uitspraak te doen over een socio-economische vergunning ook onder gelding van de oude wet niet bevoegd was om zulke aanvraag te beoordelen op haar stedenbouwkundige aspecten, minstens dat zij haar beoordeling op dit punt niet in de plaats kan stellen van de overheid die bevoegd is voor de afgifte van de bouwvergunning. De verzoekende partij stelt ook dat de verwijzing naar de reglementering inzake milieuvergunningen niet relevant is aangezien die reglementering eveneens een gewestelijke bevoegdheid is, net zoals de stedenbouwreglementering. Beoordeling 7. Bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag heeft het Interministerieel Comité voor de Distributie onder meer rekening gehouden met de "ruimtelijke ligging van de handelsvestiging". Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 werd bijzondere aandacht besteed aan "de inpassing van de handelsvestiging in de plaatselijke ontwikkelingsprojecten of binnen het kader van het stedenpatroon". In het kader van voormeld beoordelingscriterium wordt in de bestreden beslissing overwogen dat "de site gelegen is binnen een zone voor milieubelastende industrie en binnen het Bijzonder Plan van Aanleg 'Rijselweg- Oudstrijderslaan' van 14 maart 1997, waarbij de ambachtelijke bestemming als hoofdbestemming (min. 50 % van de vloeroppervlakte) en de tertiaire bestemming als nevenbestemming (max. 50 % van de vloeroppervlakte) gelden". De bestreden beslissing vermeldt voorts dat de stad Ieper de aanvraag geweigerd heeft omdat de handelsvestiging Leen Bakker "geen ambachtelijke activiteit uitoefent en niet in overeenstemming is met de voornoemde voorwaarden", inzonderheid omdat de voorschriften van het BPA vereisen dat "er een rechtstreekse band moet zijn tussen de ambachtelijke en de tertiaire functie van éénzelfde bedrijf". Het Interministerieel Comité voor de Distributie valt de in eerste aanleg beoordelende instantie uitdrukkelijk bij wanneer gesteld wordt dat "dit des te meer gegrond is daar terreinen, gelegen in dergelijke gebieden, goedkoper zijn dan deze in de woongebieden, waar handelsactiviteiten normaal hun plaats mogen vinden, en dat bijgevolg dergelijke vestigingen op zonevreemde plaatsen een vervalsing teweegbrengen van de concurrentie". Het Interministerieel Comité voor de Distributie besluit dat "dergelijke kleinhandelsactiviteit (...) niet thuis(hoort) in een bedrijvenzone voor ambachtelijke en tertiaire bedrijven". VII-37.594-9/12 De onverenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften van het toepasselijke BPA vormt het determinerende motief voor het weigeren van de gevraagde socio-economische vergunning die volgens de verwerende partijen betrekking zou hebben op een "zonevreemde" handelsvestiging, zulks in tegenstelling tot de andere overwegingen van de bestreden beslissing waarin gesteld wordt dat "Ieper ongeveer 35.115 inwoners telt en een subregionale invloed uitoefent op een uitgestrekt doch landelijk en dunbevolkt gebied in het zuiden van West-Vlaanderen", dat "de aantrekkingskracht van het handelscentrum wordt begrensd door deze van Roeselare, Kortrijk en Poperinge" en dat "de inplanting van deze zaak niet zal bijdragen tot de animatie van het handelsgebeuren van de stad en vanuit distributieplanologisch oogpunt op deze locatie niet aanvaardbaar is", motieven die, zo ze al bestaan uit meer dan louter beschrijvende gegevens, te algemeen zijn om de genomen beslissing te kunnen verantwoorden. De plannen van aanleg hebben verordenende kracht. Deze verordenende kracht dringt zich eveneens op aan het Interministerieel Comité voor de Distributie wanneer het uitspraak moet doen over een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor een handelsvestiging. De verplichting om de voorschriften van de plannen van aanleg in acht te nemen impliceert dat het Interministerieel Comité voor de Distributie de socio-economische vergunning dient te weigeren indien de handelsvestiging niet past in de bindende bepalingen van het plan. Aan die verplichting wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de beoordelingscriteria van de handelsvestigingswet en van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 niet uitdrukkelijk melding maken van een toetsing van de aanvraag aan de dwingende bepalingen van de plannen van aanleg. Het gegeven dat de voor het project vereiste stedenbouwkundige vergunning reeds voordien werd verleend, ontheft het Interministerieel Comité voor de Distributie niet van de gestelde verplichting. Aangezien de handelsvestigingsvergunning een eigen finaliteit heeft die niet gericht is op het beoordelen van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, is het stedenbouwkundig onderzoek in het kader van dergelijke vergunningsaanvraag beperkt tot de vraag of de voorschriften van reglementaire waarde die de bestemming van het gebied vaststellen zich al dan niet tegen de vestiging van een kleinhandelsbedrijf of een handelsgeheel verzetten. VII-37.594-10/12 Het Interministerieel Comité voor de Distributie eigent zich geen bevoegdheden op het vlak van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening toe wanneer haar beslissing, op grond van een correcte interpretatie van de toepasselijke planologische voorschriften, ertoe strekt de door een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan gegeven bestemming te eerbiedigen. Te dezen wordt vastgesteld dat de verwerende partij tot de onverenigbaarheid met de voorschriften van het BPA "Rijselweg-Oudstrijderslaan" heeft besloten op grond van het motief dat de beoogde handelsfunctie "Leen Bakker" niet verbonden is met een ambachtelijke hoofdbestemming, hetgeen zaak is van interpretatie en niet van appreciatie van de desbetreffende bepalingen van het BPA. Voor het overige vormt de vraag of het Interministerieel Comité voor de Distributie, door de zienswijze van de in eerste aanleg beoordelende instantie op dat punt te bevestigen en tegelijk de beroepsargumenten van de verzoekende partij zowel naar bevoegdheid als ten gronde impliciet te verwerpen, een correcte interpretatie heeft gegeven aan de bestemmingsvoorschriften in kwestie, niet de inzet van onderhavig middel. Het eerste middel is ongegrond. B. Heropening van de debatten 8. Vermits het auditoraatsverslag beperkt is tot een onderzoek van het eerste middel, is er reden om de debatten te heropenen en een aanvullend onderzoek te bevelen. BESLISSING 1. De Raad van State heropent de debatten. 2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat het onderzoek van de zaak voort te zetten. VII-37.594-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen september tweeduizend en tien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Luc Hellin, kamervoorzitter, Eric Brewaeys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Luc Hellin VII-37.594-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.259 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.153 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.