id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.267 Rolnummer: A. 186200/X-13567 Zaak: Arrest 207267 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-15 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:07 Fiche Arrest nr 207.267 van 9 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.267 van 9 september 2010 in de zaak A. 186.200/X-13.567. In zake: 1. Peter SMOUT 2. Sandra GENIJN 3. Theo BARE 4. Raymonde DEPRE 5. Emmanuel GRISAR (in de vordering tot schorsing) 6. Jerry DE MULDER 7. Christine VANHEER 8. Stijn REYNDERS 9. Kathleen VERHULST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1170 BRUSSEL Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de stad LANDEN 2. de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 TERVUREN Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Roelandts en Pieter-Jan Defoort kantoor houdend te 9000 GENT Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 december 2007, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van 29 mei 2007 van de gemeenteraad van de stad Landen houdende definitieve vaststelling van het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “RWZI Eliksem”, en X-13.567-1/35 b. het besluit van 23 augustus 2007 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RWZI Eliksem’ te Landen, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad bij besluit van 29 mei 2007, bestaande uit een toelichtingsnota, een plan van de bestaande toestand, een grafisch plan en de stedenbouwkundige voorschriften, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Landen op 29 mei 2007, en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 2007. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 186.448 van 23 september 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. De eerste tot de vierde en de zesde tot de negende verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 april 2009. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 april 2010. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. X-13.567-2/35 Advocaat Stephan Wyckaert, die loco advocaat Jan Ghysels verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de verwerende partijen, en advocaat Karin De Roo, die loco advocaat Pieter-Jan Defoort verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Het ruimtelijk structuurplan Landen wordt goedgekeurd bij besluit van 5 juni 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening. 3.2. Op 25 november 2003 beslist de gemeenteraad van Landen tot de goedkeuring van een voorstel van de n.v. AQUAFIN tot opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) voor de inplanting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: RWZI) te Eliksem. 3.3. Op 27 april 2004 beslist de gemeenteraad van Landen de opdracht tot de opmaak van een GRUP voor het RWZI te Eliksem toe te vertrouwen aan het studiebureau TECHNUM n.v., afdeling Ruimtelijke Planning te Hasselt. 3.4. Op 17 januari 2006 brengt het college van burgemeester en schepenen van de stad Landen een negatief advies uit over het opgemaakte ontwerp GRUP, omwille van de grondig gemotiveerde bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek werden ingediend. Aan de n.v. AQUAFIN wordt verzocht een nieuw ontwerp voor te stellen. 3.5. Op 19 mei 2006 stellen het college van burgemeester en schepenen en de n.v. AQUAFIN een alternatieve locatie voor. X-13.567-3/35 3.6. Op 10 augustus 2006 vindt de zogenaamde “plenaire vergadering” plaats. Er worden door de n.v. TECHNUM aan het ontwerp aanpassingen doorgevoerd op grond van gemaakte opmerkingen en adviezen. 3.7. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Landen keurt op 5 september 2006 het voorlopig ontwerp van GRUP goed. 3.8. Op 12 september 2006 volgt een informatievergadering met de omwonenden. 3.9. Op 26 september 2006 keurt de gemeenteraad het voorlopig ontwerp van GRUP goed. 3.10. Het openbaar onderzoek vindt plaats van 24 oktober 2006 tot en met 22 december 2006. Op 21 december 2006 dienen de verzoekende partijen een omstandig bezwaarschrift in. 3.11. Op 7 december 2006 adviseert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant gunstig. 3.12. Op 21 december 2006 wordt het ontwerp GRUP door de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening gunstig geadviseerd. 3.13. Op 29 januari 2007 volgt het advies van de GECORO. 3.14. Op 27 maart 2007 wordt de termijn tot goedkeuring van het GRUP verlengd. 3.15. Bij het eerste bestreden besluit van 29 mei 2007 stelt de gemeenteraad van Landen het GRUP “RWZI Eliksem” definitief vast. 3.16. Bij het tweede bestreden besluit van 23 augustus 2007 keurt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant dit GRUP goed. 3.17. Op 9 oktober 2007 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt dat het GRUP “RWZI Eliksem” werd goedgekeurd. X-13.567-4/35 IV. Afstand van het geding A. Afstand in hoofde van de zesde en zevende verzoekende partij 4. Met een brief van 18 januari 2010 deelt de raadsman van de verzoekende partijen mede dat de verzoeker Jerry DE MULDER en de verzoekster Christine VANHEER afstand doen van het geding. B. Afstand in hoofde van de vijfde verzoekende partij 5. De hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding gemaakt van artikel 17,§ 4ter van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15 ter, § 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Naar luid van voornoemd artikel 17, § 4ter geldt ten aanzien van de verzoekende partijen een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. De vijfde verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend binnen de termijn van dertig dagen na kennisgeving van het arrest waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen. In zijnen hoofde wordt de afstand van het geding vastgesteld. V. Ontvankelijkheid van de memories van antwoord 6 De verzoekende partijen werpen op dat de verwerende partijen op een niet toelaatbare wijze een memorie van antwoord hebben ingediend en dat ook het neergelegde administratief dossier niet voldoet aan de voorschriften bepaald in artikel 86 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 7. In het auditoraatsverslag over de zaak wordt hieromtrent gesteld wat volgt: X-13.567-5/35 “De stad Landen en de deputatie van de provincieraad van Vlaams Brabant dienden tijdig en gezamenlijk een memorie van antwoord en een administratief dossier in. In hun memorie van (weder)antwoord doen verzoekers gelden dat het niet mogelijk is dat eerste en tweede verwerende partij een gezamenlijke memorie van antwoord indienen vermits er potentieel een strijdigheid van belangen tussen die twee verwerende partijen kan optreden. Zij hebben immers een volkomen verschillende rol te vervullen bij de totstandkoming van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP). Voorts doen de verzoekende partijen gelden dat memorie van antwoord niet rechtmatig is ingediend en als processtuk geen gevolgen kan hebben omdat de inventaris te weinig gedetailleerd is. Onder punt 5 van de inventaris staat immers vermeld ‘gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan - het dossier voor de definitieve aanvaarding’, zonder dat de inventaris terzake enig detail vermeldt. De ingediende memorie voldoet dus niet aan artikel 86 van het procedurereglement. Wij menen dat de argumenten van de verzoekende partijen niet kunnen worden bijgetreden. Het is niet helemaal duidelijk waar de verzoekende partijen naar toe willen, maar wellicht zijn verzoekers van oordeel dat de memorie van antwoord uit de debatten moet worden geweerd (hoewel zij dit niet met zoveel woorden zeggen). In elk geval, de enige sanctie waar verzoekers baat bij zouden kunnen hebben is dat de memorie van antwoord uit de debatten wordt geweerd. De gecoördineerde wetten op de Raad van State en het algemeen procedurereglement stellen echter geen formele of inhoudelijke vereisten waaraan de memorie van antwoord moet voldoen. In het bijzonder wordt nergens bepaald dat alle verwerende partijen die bij de totstandkoming van een beslissing zijn betrokken elk afzonderlijk een memorie van antwoord moeten indienen. Nog minder wordt bepaald dat een gezamenlijk ingediende memorie uit de debatten moet worden geweerd. (...) Artikel 86 van het algemeen procedurereglement bepaalt inderdaad dat de memories een inventaris bevatten van de ter staving ingeroepen stukken, doch nergens is bepaald dat er een sanctie geldt indien er geen inventaris wordt bijgevoegd. Bovendien werd in het voorliggende geval wél een inventaris bijgevoegd, alleen is deze volgens verzoekers niet gedetailleerd genoeg. Men moet in casu inderdaad vaststellen dat de inventaris van de verwerende partijen in het voorliggende geval geen voorbeeld van doorgedreven detaillering is, maar op het bijvoegen van een beknopte inventaris staat geen sanctie. Voorts blijkt niet dat verzoekers in hun rechten van verdediging zijn geschonden. Het is geenszins zo dat het administratief dossier niets anders zou zijn dan een ondoorgrondelijke, onontwarbare stapel papier. Integendeel blijkt ook stuk 5 van het administratief dossier een ordelijk geheel te vormen dat toelaat de totstandkomingsprocedure van het bestreden RUP te vatten”. 8. In hun laatste memorie beperken de verzoekende partijen er zich toe te “volharden in hun stelling dat de verwerende partijen op niet-toelaatbare wijze hun memorie van antwoord hebben ingediend”. Om de redenen uiteengezet in het hiervoor geciteerde auditoraatsverslag, waarbij de Raad van State zich aansluit, wordt de vraag van de verzoekende partijen tot het weren van de memorie van antwoord en het administratief dossier uit de debatten, verworpen. X-13.567-6/35 VI. Onderzoek van de middelen A. Vijfde, zevende en achtste middel 9. In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen “dat zij niet aandringen betreffende het vijfde, het zevende en het achtste middel”. 10. Deze mededeling kan niet anders dan als een afstand van de bedoelde middelen worden begrepen. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 11. In een eerste middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “van de wet bescherming oppervlaktewateren van 26-03-1971 en verkeerde toepassing van het subsidiariteitsbeginsel”, “Doordat het RUP RWZI Eliksem ertoe strekt om een stedenbouwkundige zone te creëren voor de inrichting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) voor de vuilvracht van het ‘zuiveringsgebied’ dat bestaat uit de gemeenten Overwinden, Neerwinden, Laar, Ezemaal en Eliksem; dat in het advies van de GECORO Landen (...) ten onrechte wordt aangenomen dat de aanleg van dit RWZI door het aannemen van een gemeentelijk plan moest worden geregeld; Terwijl de Wet Bescherming Oppervlaktewateren van 26-03-1971 de bevoegdheid van de waterzuivering aan de gemeenten onttrekt; dat de waterzuivering bijgevolg niet tot het gemeentelijk belang behoort; dat, aangezien de waterzuivering niet tot het gemeentelijk belang behoort, de gemeente met een gemeentelijk RUP geen stedenbouwkundige zone voor de inrichting van een RWZI kan instellen; dat de algehele economie van het Decreet Ruimtelijke Ordening van 18 mei 1999 (hiernagenoemd DRO) en de daarin opgenomen planmethodiek het subsidiariteitsbeginsel verwoorden; dat dit beginsel inhoudt dat elke overheid die bevoegd is inzake ruimtelijke ordening zich bezig houdt met de materies die geëigend zijn om op haar niveau te worden geregeld; dat de beslissingen dus moeten genomen worden door het meest geschikte niveau; dat het belang en de reikwijdte van de beslissingen inzake waterzuivering duidelijk het lokale niveau overstijgen; dat dit wordt benadrukt door het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV); dat in het richtinggevend gedeelte van het RSV op pag. 424 (...) wordt gesteld : ‘Strikte voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur. Nieuwe infrastructuur voor de zuivering van industrieel afvalwater moet worden gelokaliseerd op het bedrijventerrein, gekoppeld aan het bedrijf of gegroepeerd. De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken X-13.567-7/35 waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’
- s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s: - de locatie van een RWZI gaat uit van het principe van de gedeconcentreerde bundeling waarbij de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie maximaal is; - de schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap; - de omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Voor de aanleg van nieuwe rioleringen en collectoren geldt zoveel mogelijk het principe van bundeling met lijninfrastructuren (cf. hoofdstuk III.4.7. Pijpleidingen en elektriciteitsleidingen)’; dat uit het RSV dus afdoende volgt dat het niet om een gemeentelijke bevoegdheid gaat; dat men voor de inplanting van een RWZI immers rekening moet houden met het volledig hydrografisch bekken en dat moet worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor gans dat gebied; dat de omvang van het bekken in casu duidelijk het gemeentelijk niveau overstijgt; dat in het Structuurplan Vlaams-Brabant (...) de provincie een bijkomend principe formuleert: ‘Inplanting van infrastructuur voor afvalwaterzuivering dient steeds te kaderen binnen het provinciaal en gebiedsgericht ruimtelijk beleid. - Afstemming tussen het provinciaal ruimtelijk beleid en integraal waterbeleid wordt vooropgesteld’; dat ook uit de toevoegingen van de provincie Vlaams-Brabant dus afdoende volgt dat het hier niet om een gemeentelijke bevoegdheid gaat; dat voor de Kleine Gete de provincie Vlaams-Brabant bezig is met de basisinventarisatie teneinde een duurzaam lokaal waterplan voor het deelbekken van de Kleine Gete op te stellen; dat dit blijkt uit een discussienota van maart 2005 van de provincie; dat uit deze nota eens te meer blijkt dat het niet om een gemeentelijke bevoegdheid kan gaan; dat de gemeente er zich overigens van bewust is dat zij haar bevoegdheid te buiten gaat, wat blijkt uit haar toelichting; dat de provinciale planologische ambtenaar trouwens opnieuw had opgemerkt dat de vallei van de Kleine Gete (waarbinnen het RUP zich situeert) behoort tot de bovenlokale ruimtelijke structuur; dat het voorgenomen RUP dus berust op een bevoegdheidsoverschrijding; dat wat volgens de Wet Bescherming Oppervlaktewateren van 26-03-1971, volgens het RSV en volgens het Structuurplan Vlaams-Brabant een bovengemeentelijke bevoegdheid is niet kan worden ‘gedegradeerd’ tot gemeentelijke bevoegdheid op grond van de loutere opvatting van Aquafin of van een paar ambtenaren (vermeld in het advies van de GECORO Landen (...); dat men vergeefs zou verwijzen naar het subsidiariteitsbeginsel zoals opgenomen in het RSV Vlaanderen; dat uit het voorgaande eerst en vooral blijkt dat dit een verkeerde uitlegging zou zijn van het subsidiariteitsbeginsel en dat vervolgens het subsidiariteitsbeginsel niet kan ingaan tegen de Wet Bescherming Oppervlaktewateren van 26-03-1971 nu het geen deel uitmaakt van de bij decreet goedgekeurde bindende bepalingen van het RSV, maar tot de richtinggevende bepalingen behoort; Zodat, ten eerste de bestreden beslissingen strijdig zijn met de Wet Bescherming Oppervlaktewateren van 26-03-1971 (de eerste doordat zij deze wet schendt, de tweede doordat ze de eerste beslissing goedkeurt). En zodat, ten tweede, de bestreden beslissingen een verkeerde invulling geven aan het subsidiariteitsbeginsel, door een richtinggevende bepaling van het RSV als bindend aan te merken”. X-13.567-8/35 Beoordeling 12. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (hierna: de wet oppervlaktewateren) en van het subsidiariteitsbeginsel. Zij stellen in essentie dat de gemeenten niet bevoegd zijn voor de waterzuivering en zij dus ook geen GRUP kunnen opmaken voor een RWZI. 13. De verzoekende partijen preciseren niet welke bepaling van de wet oppervlaktewateren geschonden zou zijn. Het komt niet aan de Raad van State toe -mede gelet op de omvang en de techniciteit van deze wet- zelf een analyse van deze wet te maken teneinde na te gaan welke bepaling eventueel zou kunnen geschonden zijn, temeer daar deze wet op het eerste gezicht geen bepaling bevat waarvan, zonder dat daarover twijfel kan bestaan, kan worden vastgesteld dat het die bepaling is waarvan de verzoekende partijen de schending aanvoeren. Daarenboven dient te worden vastgesteld dat, zelfs indien uit de wet oppervlaktewateren zou moeten worden afgeleid dat de bevoegdheid inzake waterzuivering aan de gemeenten is onttrokken, dit niet ipso facto betekent dat een gemeente niet bevoegd zou zijn om een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken met het oog op de realisatie van een waterzuiveringsinfrastructuur, aangezien het om twee onderscheiden bevoegdheden gaat, waarvan de ene zich op het vlak van het leefmilieu situeert, en de andere op het vlak van de ruimtelijke ordening. 14. Het toentertijd geldende decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) bevat als zodanig geen bepalingen met betrekking tot “het subsidiariteitsbeginsel”. 15. In de “Inleiding” van “Deel 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte” van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) wordt met betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel gesteld wat volgt: “Het subsidiariteitsprincipe Het subsidiariteitsprincipe speelt een belangrijke rol in de structuurplanning die gevoerd wordt op drie niveaus. Het principe kan als volgt omschreven worden. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat elke inzake ruimtelijke ordening bevoegde overheid zich bezighoudt met die materies die geëigend zijn om op het bewuste niveau geregeld te worden. Beslissingen moeten genomen worden op het meest geschikte niveau. Een beslissing op een hoger niveau is te verantwoorden als het belang en/of de reikwijdte ervan het lagere niveau duidelijk overstijgt. Een hoger niveau treedt slechts op voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door het lager X-13.567-9/35 niveau kunnen worden verwezenlijkt. Het subsidiariteitsbeginsel heeft in het raam van de structuurplanning een dubbele doorwerking. 1) Het subsidiariteitsbeginsel is bepalend voor de inhoud van de ruimtelijke structuurplannen van de drie niveaus. Dit sluit niet uit dat een ruimtelijk structuurplan (eventueel dwingende) aanwijzingen bevat over de inhoud van de eventuele lagere ruimtelijke structuurplannen. Meer in het algemeen raakt het subsidiariteitsbeginsel niet aan de hiërarchie tussen de drie bestuursniveaus. Een lager ruimtelijk structuurplan kadert binnen het hoger ruimtelijk structuurplan. 2) het subsidiariteitsbeginsel is bepalend voor de taakverdeling m.b.t. de uitvoering van de ruimtelijke structuurplannen. Dit houdt onder meer in dat de overheid die een ruimtelijk structuurplan opstelde, de uitvoering van delen ervan kan opdragen aan de eventuele lagere overheden. De dubbele werking houdt voor de drie niveaus het volgende in: 1) Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen - doet uitspraak over de structuurbepalende elementen van gewestelijk belang en van bovengewestelijk belang; - bevat aanwijzingen of desgevallend bindende bepalingen over de inhoud van de provinciale (en eventueel gemeentelijke) structuurplannen, zowel formeel (taakomschrijving) als inhoudelijk (krijtlijnen van de invulling van de taak); - bevat naast bindende bepalingen over de uitvoering die op gewestelijk niveau moet gebeuren, ook bindende bepalingen over de uitvoeringstaken die aan de provincies (en eventueel de gemeenten) opgedragen worden. Deze uitvoeringstaken dienen voor de uitvoering van het RSV. 2) Het provinciaal ruimtelijk structuurplan - doet uitspraak over de structuurbepalende elementen van bovenlokaal belang die niet van gewestelijk belang zijn; - bevat aanwijzingen of desgevallend bindende bepalingen over de inhoud van de gemeentelijke structuurplannen, zowel formeel (taakomschrijving) als inhoudelijk (krijtlijnen van de invulling van de taak); - bevat naast bindende bepalingen over de uitvoering die op provinciaal niveau moet gebeuren, ook bindende bepalingen over de uitvoeringstaken (voor uitvoering van het provinciaal ruimtelijk structuurplan) die aan de gemeenten opgedragen worden. 3) Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan - doet uitspraak over de structuurbepalende elementen van lokaal belang; - bevat bindende bepalingen over de uitvoering ervan door de gemeente. De werking van de subsidiariteit houdt ook in dat elk van de drie niveaus de verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van het betreffende ruimtelijk structuurplan. Elk niveau bewaakt dus ook de uitvoering die aan andere instellingen of lagere overheden werd opgedragen. Tenslotte impliceert het subsidiariteitsbeginsel nog dat provincies en gemeenten de provinciale en gemeentelijke belangen bewaken voor zover die geraakt worden door het hogere planniveau. Dit gebeurt vanuit de ruimtelijke visie die wordt of werd ontwikkeld in het eigen ruimtelijk structuurplan. De inspraakmogelijkheid bij het totstandkomen van het ruimtelijk structuurplan van het hogere niveau biedt daartoe de mogelijkheid”. 16. De verzoekende partijen baseren hun middel op volgende bepalingen uit het richtinggevend gedeelte van het RSV (Deel 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III.2. Buitengebied, 7.2.2. X-13.567-10/35 Ontwikkelingsperspectieven voor infrastructuur voor afvalbeheer en afvalwaterzuivering): “(...) Strikte voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur Nieuwe infrastructuur voor de zuivering van industrieel afvalwater moet worden gelokaliseerd op het bedrijventerrein, gekoppeld aan het bedrijf of gegroepeerd. De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’
- s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s. - de locatie van een RWZI gaat uit van het principe van de gedeconcentreerde bundeling waarbij de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie maximaal is; - de schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap; - de omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Voor de aanleg van nieuwe rioleringen en collectoren geldt zoveel mogelijk het principe van bundeling met lijninfrastructuren (cf. hoofdstuk III.4. 7. Pijpleidingen en elektriciteitsleidingen)”. 17. Het toentertijd geldende artikel 18, tweede, derde en vierde lid DRO bepaalt: “Er worden ruimtelijke structuurplannen op de volgende niveaus opgemaakt: 1/ door het Vlaamse Gewest voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest: het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen dat de structuurbepalende elementen van gewestelijk belang bevat en taakstellingen met betrekking tot de uitvoering ervan, met aanduiding van de onderdelen die door het Vlaamse Gewest, de provincies of de gemeenten moeten worden uitgevoerd; 2/ door een provincie voor het grondgebied van de provincie: het provinciaal ruimtelijk structuurplan dat de structuurbepalende elementen van provinciaal belang bevat en taakstellingen met betrekking tot de uitvoering ervan, met aanduiding van de onderdelen die door de provincie of de gemeenten moeten worden uitgevoerd; 3/ door een gemeente voor het grondgebied van de gemeente: het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat de structuurbepalende elementen van gemeentelijk belang bevat en taakstellingen met betrekking tot de uitvoering ervan door de gemeente. De structuurbepalende elementen zijn de elementen die de hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur van het niveau in kwestie beschrijven. X-13.567-11/35 De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot bovenvermelde structuurbepalende elementen en tot invulling van de structuurbepalende elementen voor de drie niveaus”. 18. Artikel 19, §5 DRO bepaalt dat de overheid die het ruimtelijk structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen neemt om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan. Artikel 41, §2 van hetzelfde decreet bepaalt dat gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het RSV. Artikel 44, §2 bepaalt dat provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het provinciaal ruimtelijk structuurplan. Artikel 48, §2 bepaalt ten slotte dat de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Uit die bepalingen blijkt dat de overheid die bevoegd is om bepaalde aangelegenheden op te nemen in haar structuurplan, ook bevoegd is voor de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot die aangelegenheid, op voorwaarde evenwel dat het structuurplan de principes bepaald in artikel 18, tweede lid DRO in acht neemt. Daaruit blijkt dat “structuurbepalende elementen” van respectievelijk gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk belang een essentieel aanknopingspunt vormen. In het voorliggende geval blijkt uit niets -en in elk geval niet uit de door de verzoekende partijen geciteerde passage- dat de problematiek van de waterzuiveringsinstallaties in het buitengebied kan worden aanzien als een structuurbepalend element van gewestelijk belang. Integendeel blijkt uit het RSV dat enkel natuur, landbouw, bos, wonen en werken als structuurbepalende functies van het buitengebied worden beschouwd, terwijl waterzuivering niet als structurerend voor het gehele buitengebied wordt beschouwd, waar wordt gesteld: “Natuur, landbouw, bos en wonen en werken structuurbepalende functies van het buitengebied. Binnen het buitengebied zijn en blijven vele functies en activiteiten aanwezig en mogelijk. Onderscheid wordt gemaakt tussen: - de structuurbepalende functies en activiteiten. Dit zijn natuur en bos, landbouw en wonen en werken; - andere functies en activiteiten van het buitengebied. Hieronder worden die functies en activiteiten verstaan die in bepaalde gebieden van het buitengebied weliswaar hoofdfunctie zijn maar die niet als structurerend voor het gehele buitengebied worden beschouwd. Dit zijn de recreatieve en toeristische activiteiten, sommige gemeenschaps- en nutsvoorzieningen (onder meer afvalbeheer/slib, waterzuivering, drinkwater- en energievoorzieningen), ontginningen en waterwinning. (Deel 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, III. 2 Buitengebied, 1.1. Ontwikkelingen en begrippenkader)”. X-13.567-12/35 19. De door de verzoekende partijen geciteerde richtinggevende bepalingen van het RSV laten geenszins toe te concluderen dat de gemeente niet bevoegd zou zijn om een GRUP voor een RWZI op te maken. Die bepalingen omvatten geen taakstelling die aangeeft welk overheidsniveau bevoegd is voor het opmaken van een dergelijk GRUP. De verzoekende partijen betogen dat er geen ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op gans het gebied is gemaakt, rekening houdend met de omvang van het bekken, maar in het advies van de GECORO (p. 14) wordt vermeld dat de afgewogen gebiedsgerichte visie is ontwikkeld bij de opmaak van het investeringsprogramma en de opmaak van het technisch plan. Dit wordt als zodanig door de verzoekende partijen niet betwist. 20. In het RSV wordt het principe van de gedeconcentreerde bundeling als volgt omschreven: “Er wordt geopteerd om de bestaande ruimtelijke structuur van Vlaanderen als basis te nemen voor de ruimtelijke ontwikkeling. De aanwezige dynamiek wordt positief aangewend zodat er voor Vlaanderen sociale, economische en ruimtelijke meerwaarden ontstaan en dat de negatieve tendensen inzake ruimtegebruik worden omgebogen. Dat wordt nagestreefd door middel van het principe van de gedeconcentreerde bundeling. De bundeling streeft een selectieve concentratie na van de groei van het wonen, het werken en van de andere maatschappelijke functies in de steden en in de kernen van het buitengebied, steeds met respect voor de draagkracht van de stedelijke gebieden. Verweving van activiteiten en functies staat daarbij voorop. De deconcentratie houdt rekening met het bestaande (gedeconcentreerde) spreidingspatroon en met de dynamiek van de functies in Vlaanderen. Gedeconcentreerde bundeling gaat in tegen ongebreidelde suburbanisatie en versnippering en vermindert zo de druk op het buitengebied. Concentratie biedt mogelijkheden voor het draagvlak van de steden en de kernen van het buitengebied, voor het collectief vervoer en het behoud van de verscheidenheid van de landschappen. De bundeling kan ook schaalvoordelen opleveren. (Deel 2: Gewenste Ruimtelijke Structuur - richtinggevend gedeelte, II Ruimtelijke principes voor de gewenste ruimtelijke structuur, 1 Gedeconcentreerde bundeling)”. 21. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de betrokken RWZI niet verenigbaar zou zijn met de gedeconcentreerde bundeling, dat zij niet zou aansluiten bij de schaal van het landschap en in omvang de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied zou aantasten. Voorts dient te worden vastgesteld dat de zuivering van huishoudelijk afvalwater volgens het RSV gebonden is aan de kernen. Dat is wat in casu precies is gebeurd. In elk geval tonen de verzoekende partijen het tegendeel niet aan. Een aansluiting bij de kernen betekent geenszins dat de gemeenten onbevoegd zouden zijn om een GRUP inzake een RWZI op te maken. X-13.567-13/35 22. Wat betreft het provinciaal ruimtelijk structuurplan (PRSP) Vlaams-Brabant doen de verzoekende partijen gelden dat de inplanting van de infrastructuur voor afvalwaterzuivering steeds dient te kaderen binnen het provinciaal en gebiedsgericht ruimtelijk beleid, en dat de afstemming tussen het provinciaal ruimtelijk beleid en het integraal waterbeleid wordt vooropgesteld. 23. Het richtinggevend gedeelte van het PRSP Vlaams-Brabant herneemt eerst wat het RSV bepaalt omtrent afvalwaterzuiveringsinfrastructuur, en stelt vervolgens: “Hiernaast formuleert de provincie een bijkomend principe: / Inplanting van infrastructuur voor afvalwaterzuivering dient steeds te kaderen binnen het provinciaal en gebiedsgericht ruimtelijk beleid. / Afstemming tussen het provinciaal ruimtelijk beleid en integraal waterbeheer wordt vooropgesteld”. (p. 214 internetversie) 24. De bovenstaande passage bevat geen bevoegdheidsverdelende regeling die er toe strekt dat de gemeenten niet bevoegd zouden zijn voor het opmaken van een GRUP met betrekking tot een RZWI. Het PRSP Vlaams-Brabant omvat bovendien nog een passage waarin wordt aangegeven welke RWZI’s van provinciaal niveau worden geacht: “5.4. Afvalwaterzuivering De provincie acht rioolwaterzuiveringsinstallaties van provinciaal niveau, waarvan het afvalwater: / afkomstig is uit meerdere gemeenten; / afkomstig is uit een zuiveringsgebied dat (delen van) kleinstedelijke gebieden bevat; / afkomstig is van regionale bedrijventerreinen in kleinstedelijke gebieden en in de specifieke economische knooppunten”. (p. 214 internetversie) Het is duidelijk dat een RWZI die instaat voor de zuivering van enkele kleine, landelijke deelgemeenten van een gemeente niet tot een van de bovenstaande categorieën kan worden gerekend. Niets wijst er dus op dat de inplanting van een relatief kleine waterzuiveringsinstallatie die instaat voor de verwerking van afvalwater van bepaalde deelgemeenten van een landelijke gemeente, op grond van het subsidiariteitsbeginsel aan de gemeenten onttrokken zou zijn. Ten overvloede kan worden vastgesteld dat zowel de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening als de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het ontworpen GRUP gunstig adviseerden, wat er op wijst dat zij van oordeel waren dat dit GRUP niet onverenigbaar is met de ruimtelijke structuurplannen die zij hadden opgemaakt. X-13.567-14/35 25. Het eerste middel is niet gegrond. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 26. In een tweede middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen” voeren de verzoekende partijen de schending aan van “ARTIKEL 31 DRO, VAN ARTIKEL 38, §, 4/ DRO EN ARTIKEL 48, § 2 DRO”, “Doordat de bestreden beslissingen voorbij gaan aan de omstandigheid dat de vallei van de Kleine Gete behoort tot de bovenlokale natuurlijke structuur; doordat niet is nagegaan of een ruimtelijke afgewogen gebiedsgerichte visie op gans het hydrografisch bekken is gemaakt (en daarbij o.a. niet is nagegaan of een reële behoefte bestaat aan een bijkomende RWZI); en doordat niet is nagegaan of de locatie gekaderd is (
- in)het ruimtelijk beleid voor het gebied; en doordat de bestreden beslissingen in het algemeen geen rekening houden met de inhoud van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Vlaams-Brabant; Terwijl, krachtens artikel 31 DRO, het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zich moet richten naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en naar het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan, en het krachtens artikel 38,§4 DRO zo is dat ruimtelijke uitvoeringsplannen opgemaakt worden in uitvoering van ruimtelijke structuurplannen (bepaling, voor de gemeentelijke RUP’S, geconcretiseerd door artikel 48§2 DRO), zodat een ruimtelijk uitvoeringsplan dat strijdig is met een ruimtelijk structuurplan dat op een hoger niveau is vastgesteld niet regelmatig is; en terwijl volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de locatie van een nieuwe RWZI wordt gekozen volgens het principe van de gedeconcentreerde bundeling (...); dat de bedoeling van dat principe is wat bij elkaar hoort te bundelen en te verweven in de steden en de kernen van het buitengebied, met respect voor de draagkracht van dit gebied; dat men zodoende de druk op het buitengebied wil wegnemen; dat de bundeling schaalvoordelen kan opleveren; dat de toepassing van dat principe niet onderzocht is en niet geargumenteerd in het aangevochten RUP; dat men stelt dat de waterzuiveringsinstallatie ruimtelijk moet aansluiten bij de ‘woonkern’, d.w.z. de woonkern die last veroorzaakt; dat hierbij voorbij wordt gegaan aan het gegeven dat de voorziene installatie niet enkel bedoeld is voor de lasten van Eliksem maar ook om de vuilvracht te zuiveren van Overwinden, Neerwinden, Laar en Ezemaal; dat de nieuwe RWZI wordt gepland tegen de dorpskern; dat dit zeker ingaat tegen het beginsel van de gedeconcentreerde bundeling nu enkel de bewoners van Eliksem de last en de stank krijgen voor de lasten van het ganse gebied; dat de bewering dat er een aansluiting zou zijn bij ‘de woonkern’ dus fout is, nu er geen aansluiting is bij de woonkernen waar meer dan 4/5 van de vuilvracht vandaan komt; dat dit een disproportioneel nadeel vormt voor de woonkern nu Eliksem, op Ezemaal na, kleiner is dan de andere gebieden; dat het beroep op het principe van gedeconcentreerde bundeling acceptabel zou zijn als het enkel om de afvoer van water uit Eliksem zou gaan omdat de collector dan kleiner, de last minder en de bezwaren ook minder zouden zijn; dat volgens het RSV de verenigbaarheid qua reuk, lawaai en visuele hinder met de woonfunctie worden nagegaan, hetgeen werd herhaald in het advies van de planologische ambtenaar zoals vervat in deel 4 van het gemeentelijk RUP RWZI Eliksem (behandeling van de adviezen); dat de X-13.567-15/35 verenigbaarheid van de te plaatsen RWZI met de woonfunctie van Eliksem niet onderzocht is; dat die duidelijk relevant is en in elk geval veel relevanter dan het onderzoek naar de verenigbaarheid met het landschap; dat het bezoek dat verzoekers op initiatief van de overheid brachten aan de installatie in Kampenhout verzoekers sterkte in de overtuiging dat zij zich moesten verzetten omdat de geur-, geluids- en visuele hinder manifest was; dat alle bezochte installaties afzichtelijke bombastische betonnen bunkers zijn; dat, voor zover verzoekers konden uitmaken, de Vlaamse regering in uitvoering van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen beslist heeft om de agrarische gebieden zoals opgenomen in de gewestplannen op te nemen in de agrarische structuur; dat dit inhoudt dat een gemeente met een RUP geen afbreuk kan doen aan het agrarisch gebied; dat de gemeente niet kan ingaan tegen deze beleidsoptie van de hogere overheid; dat de wijziging van de ruimtelijke kwalificatie door de gemeente in iets anders dan een landschappelijk waardevol agrarisch karakter neerkomt op een bevoegdheidsoverschrijding; dat de gemeente vast zit aan de landbouwbestemming van de inplantingsplaats en deze niet kan wijzigen; dat uit het advies van de planologische ambtenaar in elk geval blijkt dat het gemeentelijk RUP RWZI Eliksem moest worden aangepast om strijdigheden met Vlaamse opties te vermijden; dat uit het vorig middel ook al gebleken is dat het RUP RWZI Eliksem moest worden aangepast om strijdigheden met Vlaamse opties te vermijden; dat over het structuurplan Landen wordt gezegd (...) dat het slechts een vrij algemene planningscontext weergeeft en dat de relatie tussen structuurplan en uitvoeringsplan onvoldoende is uitgewerkt; dat uit het vorig middel is gebleken dat waterzuivering volgens het provinciaal ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant ook een bovenlokale bevoegdheid is; dat daarom nooit uit een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een andere conclusie kan worden afgeleid met betrekking tot die bevoegdheid en dat bijgevolg een RUP geen kader kan creëren voor de aanleg van een installatie waar dit ingaat tegen de opties genomen op een hoger niveau; Zodat de Stad Landen dit RUP niet kon opmaken nu hun structuurplan strijdig is met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, waarbij Landen vastzit aan de landbouwbestemming van de inplantingsplaats en deze niet kan wijzigen, waaruit moet worden afgeleid dat de bestreden beslissingen (de eerste door het definitief vaststellen van het RUP RWZI Eliksem, de tweede door het goedkeuren van die beslissing) de aangehaalde decreetsbepalingen schenden”. Beoordeling 27. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 31 DRO, van artikel 38, §, 4/ DRO en artikel 48, §2 DRO. Wat de tweede geschonden geachte bepaling betreft blijkt uit de uiteenzetting van het middel dat de verzoekende partijen niet artikel 38, § 4 -dat overigens niet bestaat- maar artikel 38, §1, 1e lid, 4/ DRO bedoelen. Deze bepalingen luiden als volgt: “Art. 31. Voor elke gemeente wordt een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan vastgesteld. Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan richt zich naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie waarbinnen de gemeente ligt. Het kan van het X-13.567-16/35 richtinggevend deel van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en van het provinciaal ruimtelijk structuurplan slechts afwijken op grond van de motieven, bepaald in artikel 19, § 3. Van de als bindend aangeduide onderdelen kan niet worden afgeweken. Art. 38. §1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: (...) 4/ de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is; (...) Art. 48. (...) § 2. De gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan”. 28. Uit artikel 31 DRO blijkt dat een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zich moet richten naar de structuurplannen op Vlaams en provinciaal niveau. Aan de orde is hier evenwel, niet een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, maar wel een gemeentelijk ruimtelijk “uitvoeringsplan”. Er valt dan ook niet in te zien hoe artikel 31 DRO geschonden zou kunnen zijn. 29. Artikel 38, §1, 1e lid, 4/ DRO geeft één van de elementen aan die een ruimtelijk uitvoeringsplan moet omvatten, met name de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de structuurplannen waarvan het een uitvoering is. Meer wordt niet vereist. In de toelichting bij het bestreden GRUP wordt op p. 8-12 stilgestaan bij de planningscontext. Daarin komen het RSV, het provinciaal ruimtelijk structuurplan en het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan aan bod. Aldus wordt de relatie met de structuurplannen gelegd. 30. De verzoekende partijen geven niet aan in welk opzicht artikel 48, §2 DRO zou geschonden zijn, nu zij niet verduidelijken waarom het bestreden GRUP geen uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zou zijn. Overigens wordt in de toelichting bij het GRUP (op p. 17) gesteld: “De voorgestelde locatie is niet in strijd met de opties van het GRS en kan deze door een gepaste inrichting van het gebied zelfs ondersteunen”. In het advies van de gewestelijke planologische ambtenaar verleend op 8 augustus 2006 wordt hieromtrent gesteld: “De relatie tussen de gewenste ruimtelijke structuur van het gemeentelijk structuurplan en dit uitvoeringsplan is behoorlijk uitgewerkt”. 31. De kritiek van de verzoekende partijen komt er in essentie op neer dat het bestreden GRUP in strijd zou zijn met de ruimtelijke structuurplannen op Vlaams en provinciaal niveau. In de toelichting bij het GRUP wordt omstandig uiteengezet waarom het GRUP wel verenigbaar is met het RSV en het provinciaal X-13.567-17/35 ruimtelijk structuurplan. De aldaar gegeven uiteenzetting vertoont voldoende overtuigingskracht. Op 8 augustus 2006 adviseerde de gewestelijke planologische ambtenaar het ontwerp van GRUP gunstig. Inzonderheid werd gesteld dat het ontworpen GRUP niet strijdt met Vlaamse opties. Op 7 december 2006 adviseert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant gunstig. Op 21 december 2006 wordt het ontwerp GRUP door de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening gunstig geadviseerd. Wat betreft het RSV wordt in de toelichting bij het GRUP gesteld dat de open ruimte overweegt. Gemeenschaps- en nutsvoorzieningen worden geconcentreerd in de kernen van het buitengebied, waarbij de voorzieningen in overeenstemming moeten zijn met het belang van de kern. Voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur gelden strikte voorwaarden. Zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. Er moet een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie worden opgemaakt per hydrografisch bekken, waarin de reële behoefte aan bijkomende RWZI’s wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid van het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s: het principe van de gedeconcentreerde bundeling, de schaal van de RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap, de omvang van de RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Het blijkt niet -zoals reeds vastgesteld bij de beoordeling van het eerste middel- dat de betrokken RWZI in strijd is met de hierboven weergegeven opties van het RSV. Verschillende principes spelen, en de overheden beschikken ter zake over een discretionaire appreciatiebevoegdheid. De uitoefening van die appreciatiebevoegdheid kan slechts marginaal worden getoetst. De verzoekende partijen brengen geen afdoende argumenten bij waaruit kan blijken dat, rekening houdend met de hiervoor vermelde opties, de keuze van de betrokken locatie kennelijk onredelijk zou zijn. 32. De verzoekende partijen betogen dat er geen ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op gans het bekken is gemaakt, en dat niet is nagegaan of er reële behoefte is aan een RWZI. In het advies van de GECORO (p. 14) wordt evenwel gesteld dat de afgewogen gebiedsgerichte visie is gebeurd bij de opmaak X-13.567-18/35 van het investeringsprogramma en de opmaak van het technisch plan. Dit wordt als zodanig door de verzoekende partijen niet betwist. 33. De verzoekende partijen betogen ook dat het principe van de “gedeconcentreerde bundeling” is geschonden, doordat ook het afvalwater van een aantal andere deelgemeenten wordt verwerkt. Dit standpunt van de verzoekende partijen lijkt er op neer te komen dat elke bewoningskern zijn eigen RWZI moet hebben. Dit zou evenwel in strijd komen met een ander principe van het RSV, met name het vrijwaren van de open ruimte in het buitengebied. “Bundeling” houdt in dat infrastructuren zoveel mogelijk worden gebundeld teneinde open ruimte te sparen, doch dit betekent niet dat infrastructuur of voorzieningen die van belang zijn voor meerdere kernen niet in één kern zouden kunnen worden ondergebracht, op voorwaarde uiteraard dat dit voldoende “gebundeld” geschiedt. 34. De verzoekende partijen stellen dat, voor zover zij “konden uitmaken”, de agrarische gebieden zoals opgenomen in de gewestplannen zouden worden opgenomen in de agrarische structuur. In de memorie van wederantwoord geven de verzoekende partijen hieromtrent nadere toelichting, waar zij stellen dat de Vlaamse regering op 3 juni 2005 een “gemotiveerde beslissing” nam om het agrarisch gebied minstens ten dele af te bakenen door middel van een herbevestiging van de gewestplannen, techniek die het kernstuk vormt van de omzendbrief RO/2005/01 van 23 december 2005 betreffende de beleidsmatige herbevestiging van de gewestplannen in het kader van de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur in uitvoering van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, en dat, zo de Raad van State aanneemt dat deze werkwijze regelmatig is, dit in elk geval inhoudt dat een gemeente met een GRUP geen afbreuk kan doen aan het agrarisch gebied, of dat de gemeente niet kan ingaan tegen deze beleidsoptie van de hogere overheid. In de mate dat de verzoekende partijen aldus aan het middel een nieuwe bijkomende juridische grondslag geven, is het niet ontvankelijk. De verenigbaarheid met het woongebied blijkt te zijn onderzocht. In de toelichting bij het GRUP (Deel 3 : Toelichting, p. 13) wordt vermeld dat voldoende afstand wordt gehouden ten opzichte van de woonkern om de eventuele hinder voor de omwonenden tot een minimum te beperken. Dat men oog had voor de verenigbaarheid met de woonfunctie blijkt ook uit het feit dat een buffer van 15 meter wordt vereist, hetgeen -naast een betere integratie in het landschap- ook tot een betere afscherming ten opzichte van het woongebied moet leiden en dus tot een betere verenigbaarheid ermee. X-13.567-19/35 Ten slotte wordt de onverenigbaarheid met het provinciaal ruimtelijk structuurplan door de verzoekende partijen niet uitgewerkt, zodat het middel in zoverre niet ontvankelijk is. 35. Het tweede middel wordt verworpen. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel 36. In een derde middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “VAN ARTIKEL 38, § 1, 3/ DRO, 49, § 5 en 6 DRO EN VAN DE ZORGVULDIGHEIDSNORM”, “Doordat het ontwerp gemeentelijk RUP RWZI Eliksem de feitelijke en juridische toestand onvolledig weergeeft; dat onder punt 5.1 van het ontwerp vermeld staat : ‘De afvoer van slib gebeurt ca. 33 x per jaar met vrachtwagens met een brutogewicht van 44 ton. Dit kan eventueel ook gebeuren met vrachtwagens met een kleinere tonnenmaat. Logisch gevolg daarvan is dan een verhoging van de frequentie’; dat de verkeerssituatie van de weg zodanig is dat de doorgang van vrachtwagens boven de 5,5 ton verboden is gelet op de aanwezige kasseiweg; dat dit dus wil zeggen dat het bezwaarde RUP geen rekening houdt met de reële toestand die de volgende is: wanneer 44 ton slib x 33 keer of totaal 1452 ton op een verkeersreglementaire wijze dient afgevoerd te worden met vrachtwagens tot 5,5 ton dan zijn er 264(...) (a)fvoerbeurten nodig, dwz. : elke werkdag van een jaar; dat, nu de vrachtwagens toekomen en dezelfde weg terugrijden spreken we over 528 keer dat(...) (e)en vrachtwagen door de dorpskern van Eliksem rijdt, waarvan elke dag met stinkend slib; dat dit onaanvaardbaar is en onverenigbaar met de functie van ee(
- n)veilige dorpskern om nog maar te zwijgen van de schade die zal ontstaan aan het plaatselijk wegennet; dat de reële last betekent dat er een dagelijkse opening is van de installaties waardoor er ook een dagelijkse blootstelling is aan de hinderlijke stank van het slib naast de afvoerlast; dat de beperking van de plaatselijke transportlast overigens is voorzien omdat wagens met een dergelijke hoge tonnenmaat schade doen ontstaan, door de trillingen, aan de huizen; en doordat het bezwaarde RUP geen rekening houdt met de uitbreiding van de woonzone - en de dorpskern van Eliksem - tot de Konijnenber(g)straat nr. 9, waarbij de relevantie van de nieuwe juridische toestand nochtans doorslaggevend is; dat de woning van eerste verzoekers daardoor in de woonkern komt te liggen; dat de inplanting dus voorzien is vlak tegen de dorpskern; Terwijl, eerste onderdeel, bij een ruimtelijk uitvoeringsplan de feitelijke en juridische toestand moet worden weergegeven; dat op de overheid de verplichting rust ingevolge artikel 38,§1, 3/ DRO; dat aldus de verplichting bestaat om wat in feite en in rechte bestaat kenbaar te maken; dat dit in de eerste plaats het onderzoek en de advisering betreft; dat op basis van deze gegevens de particulieren hun bezwaren en de andere overheden hun adviezen kunnen formuleren; dat een onjuiste of onvolledige weergave het bezwaarrecht beknot en een correcte advisering verhindert; dat ook de overheid die met het goedkeuringstoezicht is belast, zoals de planoverheid, op grond van de feitelijk X-13.567-20/35 en juridische toestand zich een concreet inzicht moet kunnen verschaffen; dat waar mogelijk de bestaande toestand grafisch moet worden weergegeven; dat verder de bestuurlijke of de rechterlijke beslissingen die de bestemming of de inrichting van het gebiedsdeel bepalen eveneens moeten worden weergegeven; En terwijl, tweede onderdeel, de overheid bij het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet uitgaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens; dat zij die gegevens zorgvuldig moet verzamelen en correct moet beoordelen; dat het - inzake de vaststelling van planologische instrumenten - zo is dat de overheid enkel op grond van juiste en volledige gegevens die correct zijn beoordeeld tot een besluit inzake de bestemming van de verschillende percelen kan komen; En terwijl, derde onderdeel, de eerste bestreden beslissing aan het RUP RWZI Eliksem een aantal elementen toevoegt met betrekking tot de feitelijke en de juridische toestand zonder dat die onderworpen zijn aan de verplichting tot openbaar onderzoek (zie terzake ook het zesde middel); Zodat, ten eerste, de bestreden beslissingen strijdig zijn met artikel 38,§1, 3/ DRO (de eerste doordat zij de toestand verkeerd weergeeft, de tweede doordat zij de eerste beslissing ten onrechte goedkeurt); En zodat, ten tweede, het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is; En zodat, ten derde, in de mate waarin er op grond van de bestreden beslissingen wijzigingen worden aangebracht aan het ontwerp-RUP RWZI Eliksem die niet onderworpen werden aan openbaar onderzoek, de artikelen 49, §5 en 6 DRO, en het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zijn”. Beoordeling 37. In het middel wordt in essentie aangevoerd dat het ontwerp geen rekening hield met de feitelijke en juridische toestand op de volgende twee punten :
(1)wat betreft het aantal en het effect van de vrachtwagenbewegingen;
(2)wat betreft het feit dat de RWZI tot vlak tegen de dorpskern komt te liggen, en dat door die onjuistheden het openbaar onderzoek en de advisering niet correct zijn kunnen verlopen. 38. Artikel 38, §1, 1e lid, 3/ DRO bepaalt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan moet bevatten: “een weergave van de feitelijke en juridische toestand”. Deze bepaling slaat op het GRUP, niet op het ontwerp van GRUP. Artikel 49, §§5 en 6 van hetzelfde decreet heeft betrekking op de advisering en het openbaar onderzoek. 39. Uit de door de verzoekende partijen aangehaalde bepalingen blijkt niet dat de plaatselijke verkeerssituatie in detail moet worden uiteengezet in het plan met de bestaande toestand. Hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat, in antwoord op het bezwaarschrift van de verzoekende partijen, een duidelijke indicatie werd gegeven omtrent de verkeersimpact, en dat de verzoekende partijen X-13.567-21/35 daar kritiek op uitoefenen. Het blijkt dus niet zo dat op dat punt te weinig gegevens werden verstrekt, en wel in die mate dat het openbaar onderzoek en de adviesverlening niet naar behoren zouden hebben kunnen plaatsvinden. Uit het advies van de GECORO (p. 9-10) blijkt dat in elk geval voor de goedkeuring van het plan rekening werd gehouden met de plaatselijke verkeerssituatie en de frequentie van de vrachtwagentrafiek. Verkeersafwikkeling is mogelijk, het tonnage van de vrachtwagens is 40 ton maar dit wordt niet volledig ingenomen, en de tonnenmaat van 5,5 zal nooit worden gebruikt vermits dit milieutechnisch en financieel niet te verantwoorden is. De beperking tot 5,5 ton zal moeten worden opgeheven op de plaatselijke weg. Afvoer van slib gebeurt in afgesloten tankwagens. De kasseiweg zal moeten verstevigd worden. 40. In de toelichting bij het GRUP (p. 15) wordt vermeld: “De ontsluiting van de installatie voor de afvoer van slib zal gebeuren via de Konijnenbergstraat rechtstreeks naar de gewestweg. De Konijnenbergstraat wordt ook gebruikt voor zwaarder landbouwverkeer, zodat men er mag van uitgaan de afvoer van slib geen grotere belasting betekent voor de kasseiweg. De afvoer van het slib gebeurt ca 33 maal per jaar met vrachtwagens met een brutogewicht geladen van 44 ton. Dit kan eventueel ook gebeuren met vrachtwagens met een kleinere tonnenmaat. Logisch gevolg daarvan is dan een verhoging van de frequentie”. Er blijkt dat rekening werd gehouden met de resultaten van het openbaar onderzoek. De toelichting bij het GRUP vermeldt onder de hoofding “aanpassingen na het tweede openbaar onderzoek” wat volgt (p. 4): “Om de belasting van de Konijnenbergstraat tot een minimum te beperken wordt de toegang van de installatie in oostelijke richting verschoven tot tegen de bufferzone. (...) Naar aanleiding van de opmerkingen betreffende de verkeersafwikkeling zal het gemeentebestuur statuut van Konijnenbergstraat tussen de RWZI en de Grote Steenweg aanpassen, zodat de slibafvoer langs deze weg dient te gebeuren. Tussen de Brouwerijstraat en de RWZI blijft het bestaande statuut en de tonnenmaatbeperking gelden. Voor de vergunning wordt afgeleverd zullen er verkeerstellingen worden doorgevoerd op de Grote Steenweg en in de Brouwerijstraat om het aandeel verkeer gelinkt aan de RWZI te bepalen”. Uit wat voorafgaat blijkt dat rekening is gehouden met de feitelijke en juridische toestand op het vlak van de verkeersafwikkeling. 41. Het argument dat geen rekening zou zijn gehouden met de uitbreiding van de woonzone (tot de Konijnenbergstraat nr. 9) mist feitelijke grondslag. Zowel uit het grafisch plan met de bestaande toestand als uit de toelichting bij het GRUP (inzonderheid de passus over de feitelijke en juridische X-13.567-22/35 toestand, p. 7) blijkt dat melding wordt gemaakt van een GRUP “Zonevreemd(
- e)woningen”, “(11/9 Konijnenbergstraat 9)”. Uit artikel 49, §6 DRO blijkt dat het ontwerp mag worden aangepast op grond van opmerkingen en bezwaren die werden gemaakt tijdens het openbaar onderzoek, of op grond van de uitgebrachte adviezen. 42. Het derde middel is niet gegrond. E. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 43. In een vierde middel, dat is “gericht tegen de beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “VAN ARTIKEL 4 DRO EN VAN HET BEGINSEL DAT DE OVERHEID BIJ HET BEPALEN VAN DE RUIMTELIJKE ORDENING OP PLANOLOGISCH EN VERGUNNINGSNIVEAU OOG MOET HEBBEN VOOR DE VEREISTEN VAN GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING”, “Doordat de bestreden beslissingen de inplanting mogelijk maken van een RWZI in de onmiddellijke nabijheid van een woonkern; Terwijl, eerste onderdeel, de ruimtelijke ordening krachtens artikel 4 DORO gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden; dat daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen; dat er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen en dat op deze manier wordt (...) gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit; dat dit onder meer inhoudt dat de overheid bij de planning de goede ruimtelijke ordening op het oog moet hebben en dat vergunningsplichtige werken slechts kunnen uitgevoerd worden indien zij aanvaardbaar zijn uit overwegingen van goede ruimtelijke ordening; dat bij het vastleggen van de ruimtelijke inplantingsplaats van een RWZI door middel van een RUP niet enkel de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie moet worden nagegaan, maar men ook moet onderzoeken of er wel een milieuvergunning zal kunnen worden afgeleverd; dat in dat verband zal moeten worden nagegaan of de algemene en sectoriële milieuvoorwaarden op die plaats wel zullen kunnen worden gerealiseerd, wat in het bijzonder geldt voor geluid en geur; dat uit het dossier blijkt dat de Vlaamse Milieumaatschappij wees op de plicht tot het aanvragen van een milieuvergunning; dat men niet inziet hoe dergelijke vergunning kan worden afgeleverd voor een omvangrijke en stinkende installatie vlak bij een woonkern; En terwijl, tweede onderdeel, het duidelijk is dat de infrastructuur van een RWZI de draagkracht van het naastgelegen woongebied, dit is de dorpskern, en de omliggende woningen overstijgt; dat een dergelijke infrastructuur X-13.567-23/35 omwille van zijn aard en intrinsieke hinder niet verenigbaar is met de woonfunctie en er ruimtelijk van gescheiden moet worden; dat dergelijke infrastructuur omwille van zijn hinderlijk karakter in een daartoe bestemde zone moet worden ondergebracht, met voldoende waarborgen voor de verenigbaarheid qua reuk, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie; dat uit het advies van het Departement Duurzame Landbouwontwikkeling van 18 juli 2006, gevoegd als bijlage bij het bezwaarde RUP, de stelling van verzoekers bevestigt dat er in een RUP normaal gesproken verschillende locaties moeten worden geëvalueerd en op basis van voor- en nadelen de beste locatie moet uitgezocht worden; dat in weerwil van alle beweringen dit niet gebeurd is in dit dossier; dat het bezwaarde RUP (zoals vastgesteld en goedgekeurd door de bestreden beslissingen) alleszins een verkeerde invulling hanteert van het begrip ‘onderzoek van de alternatieven’; dat het om een derde versie gaat van een ‘alternatief’ dat wordt onderzocht waaruit opnieuw blijkt dat de bezwaren en alternatieven van de onderzoekers niet (ernstig) onderzocht werden; En terwijl, derde onderdeel, nergens in redelijkheid wordt uitgelegd waarom men verkiest om de last van de infrastructuur maximaal op de bestaande woonomgeving te leggen; dat men mag verwachten dat het wonen minder aantrekkelijk zal worden zodat de druk op het buitengebied en zelfs op de dorpskern om te verhuizen zal toenemen; dat de beslissing om het RUP RWZI Eliksem vast te stellen en goed te keuren zoals men het gedaan heeft des te onbegrijpelijker is gelet op de eerdere beslissingspraktijken van het plaatselijke bestuur; dat men immers vaststelt dat het college van burgemeester en schepenen eerder negatief oordeelde over de plaatsing van een kapelletje onder een boom in de Konijnenbergstraat en wel aan de overkant van de inplantingsplaats en met een grootte van 2 vierkante meter; dat die afwijzende beslissing werd gemotiveerd op grond van het karakter van ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’; dat men niet begrijpt, enerzijds, waarom een kapelletje niet zou mogen en een monstrum met de oppervlakte van een kathedraal wel mogelijk is en, anderzijds, waarom het gebied zijn karakter van landschappelijk waardevol agrarisch gebied zou verloren hebben; Zodat, ten eerste, het de bestreden beslissingen (de eerste doordat zij definitief het RUP RWZI Eliksem vaststelt, de tweede doordat zij die beslissing goedkeurt), door de inplanting mogelijk te maken van een rioolwaterzuiveringsinstallatie naast een woongebied, de ingeroepen bepaling van het DRO schenden (schending artikel 4 DRO); En zodat, ten tweede, de bestreden beslissingen zondigen tegen het beginsel dat de overheid die ruimtelijk ordent zich in haar plannings- en beslissingspraktijk moet laten leiden door de goede ruimtelijke ordening; En zodat, ten derde, de bestreden beslissingen de toets van de redelijkheid niet kunnen doorstaan (schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald inbreuk op het redelijkheidsbeginsel)”. Beoordeling 44. Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 4 DRO, dat bepaalt wat volgt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de X-13.567-24/35 verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. 45. Er kan slechts een concrete rechtsschending aan de vermelde bepaling worden ontleend in geval van een kennelijke miskenning van de daarin opgesomde, zeer algemene principes. De overheid beschikt ter zake over een ruime appreciatiebevoegdheid, waarvan de uitoefening als zodanig slechts marginaal door de Raad van State kan worden getoetst. De vereiste in artikel 4 DRO dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, impliceert niet dat deze diverse facetten daarom ook gelijkwaardig aan bod moeten komen in een GRUP. Uit de afweging kan immers blijken dat één of meerdere van deze behoeften zwaarder doorwegen dan andere, hetgeen dan ook tot uiting kan komen in de in het plan vast te leggen bestemmingen en maatregelen. 46. De kritiek die door de verzoekende partijen wordt geformuleerd is in ruime mate een opportuniteitskritiek. De nabijheid ten opzichte van het woongebied sluit aan bij de opties van het RSV en is er juist op gericht de open ruimte te vrijwaren. In die zin lijkt het niet aannemelijk dat er een miskenning zou zijn van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en een goede ruimtelijke ordening. Uit de verordenende bepalingen van het GRUP (artikel 1) blijkt dat de inplanting van de gebouwen en verhardingen dient te gebeuren binnen de grafisch aangeduide zone op het plan. De gebouwen dienen zo kort als mogelijk bij de weg ingeplant te worden. De maximale bouwhoogte wordt beperkt tot 4 meter. In functie van specifieke technische eisen betreffende het optimaal functioneren van de waterzuivering kunnen hierop afwijkingen worden toegestaan. Voor alle gevels dienen de gebruikte materialen zoals gevelmaterialen, dakbedekking, schrijnwerkerij, beglazing en buitenschilderwerk esthetisch verantwoord te zijn en in harmonie met de omgeving. Het gebruik van extensieve groendaken is toegelaten. Verhardingen worden tot een minimum beperkt en niet bebouwde of verharde oppervlakten moeten worden beplant. Bij elke stedenbouwkundige vergunningsaanvraag dient een landschapsplan gevoegd te worden, waaruit de landschappelijke integratie van de installatie, conform onder andere het bosbeheersplan, blijkt. Uit artikel 2 van de verordenende bepalingen blijkt dat er een bufferzone moet zijn die een esthetische en afschermende functie heeft en die de X-13.567-25/35 overgang vormt tussen het terrein en zijn omgeving. Uit de verordenende bepalingen blijkt aldus dat ernaar is gestreefd om de RWZI zo goed mogelijk te integreren in de omgeving en rekening te houden met de vereisten van een goede ruimtelijke ordening. De vraag of er al dan niet een milieuvergunning zal kunnen worden afgeleverd is thans niet aan de orde. Indien de verzoekende partijen van oordeel zijn dat dit in rechte niet mogelijk is, zullen zij zich hiertegen ten gepaste tijde met de hen ter beschikking staande rechtsmiddelen kunnen verzetten. Uit de beoordeling van het tweede middel is reeds gebleken dat, rekening houdend met de toe te passen principes (aansluiting bij een woonkern, gravitatieprincipe, lozingsmogelijkheden van het effluent), de gekozen locatie niet kennelijk onredelijk is. Uit de toelichting bij het GRUP (p. 13) blijkt dat aandacht werd besteed aan de locatiekeuze. Voorts blijkt uit het dossier dat er wel degelijk locatiealternatieven werden onderzocht, vermits een eerste locatiekeuze werd verlaten omwille van de ingediende en gefundeerde bezwaren. 47. Het vierde middel is niet gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 48. In een zesde middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “VAN ARTIKEL 49, § 5 en 6 DRO EN VAN DE ZORGVULDIGHEIDSNORM”, “Doordat het gemeenteraadsbesluit van 27 maart 2007 (waarnaar de eerste bestreden beslissing verwijst) om de termijn waarbinnen het RUP RWZI Eliksem moest worden vastgesteld met maximum 60 dagen te verlengen om een aantal punten grondig te onderzoeken (sic), te weten : de visuele voorstelling van het ontwerp om(...) (d)e integratie te verduidelijken (opmaak van een 3D-voorstel); vervolledigen van de bestaande juridische gegevens (RUP Zonevreemde woningen -afbakening van de woning gelegen aan de Konijnenbergstraat nr. 9), onderzoek van de verkeersproblematiek en de gedeeltelijke wijziging van het statuut van de Konijnenbergstraat (opnemen in de gemeenteraadsbeslissing van deze definitieve vaststelling); de telling van de Grote Steenweg en de Konijnenbergstraat; en doordat de eerste bestreden beslissing vermeldt dat ‘naar aanleiding van het advies van de GECORO’ volgende punten werden opgenomen in het RUP : ‘visuele voorstelling van het ontwerp ter verduidelijking van de integratie (opmaak van een 3D-voorstel); vervollediging van de bestaande juridische gegevens (RUP Zonevreemde woningen - afbakening van de woning gelegen aan de Konijnenberglaan nr. 9 X-13.567-26/35 (eigendom van eerste verzoekers); de telling van de Grote steenweg en de Konijnenbergstaat; verschuiving van de toegang van de installatie in oostelijke richting tot tegen de bufferzone, dit om de belasting van de Konijnenbergstraat tot een minimum te beperken); en doordat deze wijzigingen niet onderworpen werden aan het openbaar onderzoek inzonderheid het advies van GECORO Landen, en doordat- gelet op de onmogelijkheid van GECORO Landen om daarover advies uit te brengen - niet op adequate wijze is onderzocht of aan alle bezwaren van GECORO tegemoet is gekomen; Terwijl, eerste onderdeel, ingevolge artikel 49,§5, DRO de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening alle adviezen, opmerkingen en bezwaren bundelt en coördineert en binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uitbrengt bij de gemeenteraad; dat dit advies de integrale adviezen bevat van de bestendige deputatie en het agentschap bedoeld in artikel 2,2/ DRO; dat op hetzelfde ogenblik de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening het college van burgemeester en schepenen de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren bezorgt; dat, wanneer de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening geen advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, aan de adviesvereiste mag worden voorbijgegaan dat in dat geval ze onmiddellijk de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren aan de gemeenteraad bezorgt; dat conform § 6. van dit artikel de gemeenteraad binnen 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vast stelt; dat bij de definitieve vaststelling van het plan ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan slechts wijzigingen kunnen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen of de adviezen, uitgebracht door de aangeduide diensten en overheden, of het advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening; dat adviezen maar kunnen worden uitgebracht nadat het openbaar onderzoek volledig is voltooid; dat de verplichting om advies uit te brengen niet vervuld is of niet volledig vervuld is indien onderzoeksmaatregelen of aanpassingen aan het RUP die na het advies zijn uitgevoerd en die van aard hadden kunnen zijn om dit advies te beïnvloeden ook niet aan het advies van de GECORO Landen zijn voorgelegd; dat de adviesverplichting een essentieel bestanddeel is bij het voorbereiden van het RUP; dat de GECORO Landen derhalve verplicht is alle tijdens het onderzoek gemaakte opmerkingen en bezwaren te onderzoeken; dat deze plicht zich logischerwijze uitstrekt tot de elementen waarvoor de noodzaak tot een onderzoek of aanpassingen pas duidelijk wordt tijdens de werkzaamheden van de GECORO Landen, derwijze dat - ingeval GECORO Landen aangeeft dat sommige zaken nog nader moeten worden onderzocht of dat aanpassingen zich opdringen - het advies niet volledig is en GECORO Landen zijn taak niet naar behoren heeft uitgeoefend als het zich niet over de bijkomende onderzoeksmaatregelen en aanpassingen heeft gebogen en over de uitslag daarvan een advies heeft uitgebracht; dat uit het advies van GECORO Landen is gebleken dat er onder andere een onderzoek moest komen van de verkeersproblematiek, dat er een driedimensionale voorstelling moest worden (gemaakt) om de integratie te verduidelijken en dat de bestaande juridische gegevens moesten worden vervolledigd; dat uit de notulen van de gemeenteraad van 29 mei 2007 waarbij het RUP RWZI Eliksem definitief is vastgesteld ook is gebleken dat volgende punten in het RUP waren opgenomen : visuele voorstelling van het ontwerp ter verduidelijking van de integratie (opmaak van een 3D-voorstel); vervollediging van de bestaande juridische gegevens (RUP zonevreemde woningen - afbakening woning gelegen Konijnenbergstraat nr. 9, eigendom van verzoekers SMOUT en GENIJN); telling van de Grote Steenweg en de Konijnenbergstraat; verschuiving toegang installatie in Oostelijke richting tot tegen de bufferzone, dit om de belasting van de Konijnenbergstraat tot een X-13.567-27/35 minimum te beperken; dat over deze aanpassingen van het RUP niet meer werd geadviseerd door GECORO Landen (...); dat het vragen van dit advies nochtans noodzakelijk was gelet op de opmerkingen die GECORO Landen had gemaakt met betrekking tot de duidelijkheid van het ontwerp RUP; dat adviezen van openbare instanties (inclusief die van een wettelijk ingesteld adviesorgaan zoals de GECORO Landen) maar zin hebben ingeval er rekening mee wordt gehouden; dat de aangebrachte wijzigingen (o.a. de 3D-studie, de invloed van het RUP zonevreemde woningen, de verkeersstudie, enz.) niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een openbaar onderzoek c.q. het advies van GECORO Landen en daardoor niet is uitgemaakt of de uitgevoerde aanpassingen wel beantwoorden aan de bezorgdheid van GECORO Landen zoals vervat in het advies van 29-01-2007; dat, door na de aangebrachte wijzigingen van het ontwerp niet meer het advies van de GECORO Landen te vragen, de GECORO Landen haar adviserende bevoegdheid niet ten volle heeft uitgeoefend, het onderzoek niet volledig is en de gemeente ook niet vermocht het ontwerp RUP voor RWZI Eliksem definitief vast te leggen, waaruit wordt afgeleid dat de bestendige deputatie het niet kon goedkeuren; En terwijl, tweede onderdeel, om tegemoet te komen aan de zorgvuldigheidsnorm, de overheid die een beslissing moet nemen zorgvuldig alle feiten moet verzamelen en moet nagaan of, gelet op de verzamelde gegevens, een voorgenomen beslissing gerechtvaardigd is; dat het bijvoorbeeld niet gerechtvaardigd is een RUP vast te stellen als uit een advies is gebleken dat er twijfel bestaat over fundamentele elementen zoals de aanvaardbaarheid van de ruimtelijke integratie van het RWZI met het geheel van de omgeving; dat als terzake door een adviesorgaan (GECORO Landen) wordt opgelegd of minstens wordt aanbevolen een 3-D studie te maken teneinde de verenigbaarheid na te gaan, de feitelijke en juridische toestand te onderzoeken, de verkeerssituatie na te gaan enz., de overheid niet zomaar een 3D-studie of andere aanpassingen kan opnemen in het ontwerp-RUP zonder aan het betrokken adviesorgaan waarbinnen de noodzaak tot het maken van dergelijke studie werd opgeworpen te hebben gevraagd of de studie de aangeklaagde bezwaren wegneemt; dat het evenmin gerechtvaardigd is in een ontwerp-RUP op te nemen dat het statuut van een weg moet worden gewijzigd zonder dat aan de instantie die het advies daartoe heeft uitgebracht wordt gevraagd of de doorgevoerde wijzigingen wel tegemoetkomen aan de bezorgdheid van het adviesorgaan; Zodat, ten eerste, (en in gedeeltelijke samenlezing met het tweede middel) de beide bestreden beslissingen de in het middel aangehaalde bepalingen van het DRO schenden; En zodat, ten tweede, (en in gedeeltelijke samenlezing met het tweede middel) zij ook in strijd zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel”. Beoordeling 49. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat een aantal wijzigingen niet aan een openbaar onderzoek werden onderworpen, en de GECORO zich niet over een aantal bijkomende onderzoeksmaatregelen en aanpassingen heeft kunnen uitspreken, dat uit het advies van de GECORO was gebleken dat er een onderzoek moest komen over de verkeersproblematiek, dat er een driedimensionale voorstelling moest komen om de integratie te verduidelijken en dat de bestaande X-13.567-28/35 juridische gegevens moesten worden vervolledigd, maar dat de GECORO ten onrechte over deze aanpassingen van het GRUP geen advies meer heeft verleend. 50. Artikel 49, §§5 en 6 DRO bepaalt wat volgt: “§ 5. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en brengt binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de gemeenteraad. Dat advies bevat de integrale adviezen van de bestendige deputatie en het agentschap. Op hetzelfde ogenblik bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening het college van burgemeester en schepenen de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren. Wanneer de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening geen advies heeft verleend binnen de gestelde termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. In dat geval bezorgt ze onmiddellijk de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren aan de gemeenteraad. § 6. De gemeenteraad stelt binnen 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan definitief vast. Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan slechts wijzigingen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen of de adviezen, uitgebracht door de aangeduide diensten en overheden, of het advies van de gemeentelijke Commissie voor ruimtelijke ordening. De definitieve vaststelling van het plan kan echter geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde plan. Op gemotiveerd verzoek van het college van burgemeester en schepenen beslist de gemeenteraad over de verlenging met 60 dagen van de termijn waarbinnen het plan moet worden vastgesteld”. 51. Uit deze bepalingen, op zichzelf genomen of samen gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel, kan niet worden afgeleid dat wanneer de GECORO in het kader van haar adviesverlening bepaalde opmerkingen of suggesties naar voor brengt, achteraf door de GECORO nogmaals moet worden getoetst of en hoe aan deze opmerkingen of suggesties wordt tegemoet gekomen. Adviesverlenende instanties hebben tot taak advies uit te brengen. Zij hebben niet tot taak nogmaals advies uit te brengen over het gevolg dat aan een initieel advies werd gegeven. De geschonden geachte regelgeving noch het zorgvuldigheidsbeginsel hebben die draagwijdte. Uit geen enkele tekst of rechtsregel blijkt dat de suggesties van de GECORO waaraan gevolg werd gegeven, opnieuw zouden moeten onderworpen worden aan een openbaar onderzoek. 52. Het zesde middel is niet gegrond. X-13.567-29/35 G. Negende middel Uiteenzetting van het middel 53. In een negende middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “VAN HET GRONDWETTELIJK GELIJKHEIDSBEGINSEL (art. 10 en 11 G.W.) EN VAN HET ONPARTIJDIGHEIDSBEGINSEL”, “Doordat in het kader van het onderzoek door de Bestendige Deputatie een gunstig advies werd uitgebracht door de Bestendige Deputatie (07-12-2006) op grond van artikel 49,§4, tweede lid DRO en door de Vlaamse Regering (21-12-2006) op grond van artikel 49,§1, en artikel 49,§4, eerste lid DRO, en doordat de Bestendige Deputatie daarna het eerste bestreden besluit (definitieve vaststelling gewestplan 29 mei 2007) goedkeurde, één en ander op grond van artikel 50 DRO; Terwijl een wettelijke regeling waarbij aan een adviserend orgaan ook de mogelijkheid wordt gegeven de eindbeslissing te nemen de deur open stelt voor arbitraire beslissingen en willekeur, aangezien men moeilijk kan aannemen dat een beslissingsorgaan nog objectief kan optreden wanneer het eerder al de mogelijkheid had gekregen de procedure te beïnvloeden door het uitbrengen van een advies dat wettelijk voorzien is en waarmee dus in de verdere beslissingsprocedure rekening moet worden gehouden; dat het uitbrengen van een advies in een bepaalde zin uitsluit, of minstens onrealistisch maakt, dat het beslissingsorgaan later nog op zijn advies zal terugkomen en in een andere zin zal beslissen; dat dit de deur openstelt voor willekeur doordat aan de rechtsonderhorigen die door een beslissing beïnvloed kunnen worden fundamentele garanties op een eerlijke procedure ontneemt die aan anderen wel worden toegekend; dat het ook een schending van het onpartijdigheidsbeginsel uitmaakt; Zodat, ten eerste, de toepassing van de aangehaalde bepalingen, die de mogelijkheid tot willekeur creëert, strijdig is met het gelijkheids- en non- discriminatiebeginsel van artikel 10 en 11 van de grondwet; dat er aanleiding bestaat tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: ‘Schenden de artikelen 49,§4, tweede lid dro en artikel 50 DRO (decreet (...) van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij het mogelijk maken dat een beslissingsorgaan tegelijkertijd ook advies moet uitbrengen, waardoor het risico ontstaat dat het orgaan op grond van zijn adviesbevoegdheid de procedure kan beïnvloeden en aan de rechtsonderhorige essentiële waarborgen op een objectief procedureverloop worden ontnomen ?’ En zodat, ten tweede, er ook een evidente schending is van het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald het onpartijdigheidsbeginsel”. X-13.567-30/35 Beoordeling 54. De verzoekende partijen voeren in essentie aan dat het feit dat de deputatie eerst een advies uitbrengt en daarna het GRUP goedkeurt een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel. Het toentertijd geldende artikel 49, § 4, tweede lid DRO bepaalt wat volgt: “De bestendige deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen bezorgt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening binnen dezelfde termijn een advies inzake de overeenstemming van het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met het provinciaal ruimtelijk structuurplan en de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, of, in voorkomend geval, de overeenstemming met een ontwerp van provinciaal ruimtelijk structuurplan en een ontwerp of ontwerpen van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan”. Luidens de bepalingen van artikel 50 van hetzelfde decreet komt het aan de bestendige deputatie van de provincie waarin de gemeente is gelegen toe om het definitief vastgestelde GRUP goed te keuren. 55. Het onpartijdigheidsbeginsel kan als beginsel van behoorlijk bestuur niet worden ingeroepen in strijd met de wet. 56. In de memorie van wederantwoord laten de verzoekende partijen met betrekking tot de door hen geformuleerde prejudiciële vraag nog het volgende gelden: “Verder is het naar de mening van de verzoekende partijen nog toegelaten in de procedure ten gronde een prejudiciële vraag anders te formuleren. Dit is niet hetzelfde als het aanvoeren van een nieuw middel (want het middel blijft ongewijzigd, verzoekende partijen roepen nog steeds een schending van het onpartijdigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel in, en verwijzen daarbij naar de in het middel aangehaalde artikelen 10 en 11 G.W.), het betreft enkel een manier om de aangevoerde schending duidelijker aan het licht te brengen. De vraag kan aldus als volgt worden geherformuleerd: ‘Schenden de artikelen 49, § 4, tweede lid DRO en artikel 50 DRO (decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij het mogelijk maken dat (...) de bestendige deputatie als beslissingsorgaan tegelijkertijd ook advies moet uitbrengen, waardoor het risico ontstaat dat de bestendige deputatie op grond van zijn adviesbevoegdheid de procedure kan beïnvloeden zodat aan de particulier in de procedure voor de vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan essentiële waarborgen op een eerlijk procedureverloop en de faire behandeling van zijn eventuele bezwaren worden ontnomen, daar waar het om redenen van objectiviteit in de regel zo is dat de bevoegdheid X-13.567-31/35 van adviesverlening voor een beslissing gescheiden is van de eigenlijke beslissingsbevoegdheid ?’”. 57. In zoverre de door de verzoekende partijen voorgehouden schending van de onpartijdigheidseis wordt gekoppeld aan een schending van het gelijkheidsbeginsel, en zij op grond daarvan vragen om het Grondwettelijk Hof te adiëren met de door hen in hun memorie van wederantwoord geherformuleerde prejudiciële vraag, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in de door hen geherformuleerde prejudiciële vraag niet verduidelijken ten opzichte van welke categorieën van personen die in dezelfde omstandigheden verkeren zij dan wel, ingevolge de toepassing van voormelde decretale bepalingen, gediscrimineerd worden. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen weliswaar dat de regeling in het DRO een ongelijke behandeling instelt “van diegenen die betrokken zijn of belangen hebben bij de vaststelling van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan tegenover diegenen die betrokken zijn in andere beslissingsprocessen waarbij de bevoegdheden tot adviseren en beslissen duidelijk afgebakende bevoegdheden zijn”, maar dit betoog vindt niet alleen zijn neerslag niet in de door hen geherformuleerde prejudiciële vraag, het verduidelijkt bovendien evenmin ten aanzien van welke categorieën van personen die in dezelfde of vergelijkbare feitelijke omstandigheden verkeren er een ongeoorloofd verschil in behandeling zou zijn. Er is derhalve geen reden om het Grondwettelijk Hof te adiëren met de door de verzoekende partijen geherformuleerde prejudiciële vraag. 58. Het negende middel wordt verworpen. H. Tiende middel Uiteenzetting van het middel 59. In een tiende middel, dat is “gericht tegen de beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “VAN DE MOTIVERINGSPLICHT (UITDRUKKELIJKE EN MATERIELE MOTIVERING)”, “Doordat de tweede bestreden beslissing, in strijd met de feitelijke en juridische werkelijkheid, o.a. stelt dat de voorgestelde inplantingsplaats in overeenstemming is met het provinciaal ruimtelijk structuurplan X-13.567-32/35 Vlaams-Brabant (quod non : zie immers middel 1 en 2), en nog stelt dat het RWZI aansluit bij de bestaande bebouwing van de kern-in-het-buitengebied, en nog stelt dat de beperking van de aantasting van de open ruimte en de aansluiting bij de waterloop, en nog stelt dat de site op het vlak van milieuhinder goed gekozen is; en doordat er o.a. wordt gewezen op een 15 meter brede bufferzone; en dat er o.a. nog wordt gesteld dat het gemeentebestuur de bezwaren die tegen het RUP waren ingediend heeft ‘weerlegd’; Terwijl, eerste onderdeel, deze zienswijze onaanvaardbaar is met het oog op de feiten (in feite gaat het om een lelijke constructie die allerminst aansluit bij de omgeving, er zal geurhinder zijn en verkeershinder die verband houdt met de afvoer van slib, een buffer kan dit niet wegnemen en zelfs een groenscherm biedt geen afscherming, zeker niet de eerste jaren) en met het oog op het recht (er is wel degelijk strijdigheid met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en met het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Vlaams-Brabant (zie tweede middel) waarbij dan nog niets gezegd wordt over de strijdigheid met de Oppervlaktewaterenwet (zie eerste middel)). En terwijl, tweede onderdeel, de motivering dus bezwaarlijk als ‘afdoende’ kan worden beschouwd in de zin van de Uitdrukkelijke Motiveringswet. Zodat, ten eerste, de tweede bestreden beslissing genomen is met miskenning van de motiveringsplicht: de uitdrukkelijke motiveringsplicht omdat de aangegeven redenen bezwaarlijk kunnen worden benoemd als de ‘afdoende feitelijke en juridische’ motieven die een bestuurlijk besluit op grond van de Uitdrukkelijke Motiveringswet moet vermelden, de materiële motiveringsplicht omdat deze motieven niet aanvaardbaar zijn met het oog op de feiten en met het oog op het recht (o.a. strijdigheid met Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en met Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Vlaams-Brabant - zie middel 2); En zodat, ten tweede, aangezien de Bestendige Deputatie de eerste bestreden beslissing van de gemeenteraad Landen (definitieve vaststelling RUP RWZI Eliksem op datum van 29 mei 2007 op deze onjuiste en onbegrijpelijke gronden goedkeurt), ook de rechtsgeldigheid van deze beslissing is aangetast nu zij niet langer vermag uitwerking te hebben”. Beoordeling 60. De verzoekende partijen stellen in essentie dat de tweede bestreden beslissing ten aanzien van verschillende aspecten niet afdoende is gemotiveerd. 61. De argumentatie van de verzoekende partijen valt ten dele samen met de argumentatie die in het eerste en het tweede middel werd aangevoerd. In zoverre kan worden volstaan met een verwijzing naar de beoordeling van deze middelen. In de aanhef van het tweede bestreden besluit wordt onder meer gesteld wat volgt: “De voorgestelde nieuwe inplantingsplaats is in overeenstemming met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant, gezien de X-13.567-33/35 aansluiting bij de bestaande bebouwing van de kern-in-het-buitengebied, de beperking van de aantasting van de open ruimte en de aansluiting bij de waterloop. Ook op het vlak van milieuhinder is de site goed gekozen. De mogelijke geurhinder wordt van de bewoning weggeblazen. Binnen het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt de zone voor effectieve inplanting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie bestemd als een zone voor openbaar nut, specifiek voor de zuivering van afvalwater. De overgang naar de omgeving wordt gerealiseerd door middel van een 15m brede buffer. Daarnaast zijn de nodige kwalitatieve en kwantitatieve randvoorwaarden opgenomen opdat inpassing van de installatie in het landschap voldoende wordt gewaarborgd. Het ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RWZI Eliksem’ past tevens binnen de visie en de doelstellingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Landen dat bij ministerieel besluit van 5 juli 2003 werd goedgekeurd. (...) Het ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RWZI Eliksem’, zoals definitief aanvaard door de gemeenteraad van de gemeente Landen op 29 mei 2007 geeft geen aanleiding tot opmerkingen omdat de gekozen opties kwalitatief ruimtelijk onderbouwd zijn en dit plan kadert binnen de ruimtelijke principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant”. 62. De verzoekende partijen brengen geen argumenten bij waaruit blijkt dat deze motivering onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn. 63. Het tiende middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State stelt de afstand van het geding vast in hoofde van de vijfde, zesde en zevende verzoekende partij. 2. De Raad van State verwerpt het beroep. 3. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op 1575 euro, ieder voor een negende. De eerste, tweede, derde, vierde, zesde, zevende, achtste en negende verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 1400 euro, ieder voor een achtste. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.567-34/35 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Roger Stevens X-13.567-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.267 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.448 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div