← België

Arrest 207282 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.282 Rolnummer: A. 177409/X-13042 Zaak: Arrest 207282 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-21 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:07 Fiche Arrest nr 207.282 van 10 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.282 van 10 september 2010 in de zaak A. 177.409/X-13.

  1. In zake: Henri VANVOORDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3600 GENK Stoffelsbergstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  2. de gemeente HERK-DE-STAD
  3. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve Dehaese kantoor houdend te 3500 HASSELT Luikersteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Antoon LAVRIJSEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 TURNHOUT de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 5 oktober 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 31 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herk-de-Stad houdende afgifte aan Antoon Lavrijsen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een biogasinstallatie met verharding, groenscherm, weegbrug en waterbuffering op een perceel gelegen te Herk-de-Stad, Herkkantstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 138/a, 139/c-d, 140/h en 146/a en sectie C, nrs. 751/a en 752/b-c. X-13.042-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 172.928 van 28 juni 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft ten aanzien van de eerste verwerende partij een toelichtende memorie en ten aanzien van de tweede verwerende partij een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 4 oktober
  6. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari
  7. Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inke Dedecker, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jan Surmont, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. X-13.042-2/12 III. Feiten
  9. Op 3 oktober 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herk-de-Stad een aanvraag in voor de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een biogasinstallatie met verharding, groenscherm, weegbrug en waterbuffering op een perceel gelegen te Herk-de-Stad, Herkkantstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 138/a, 139/c-d, 140/h en 146/a en sectie C, nrs. 751/a en 752/b-c. De tussenkomende partij baat ter plaatse een landbouwbedrijf uit dat bestaat uit een bedrijfswoning, twee landbouwloodsen en twee varkensstallen. De biogasinstallatie zou ten opzichte van de Herkkantstraat achter de bestaande gebouwen worden opgetrokken. Rondom de installatie wordt voorzien in een groenscherm op gronddam. Volgens het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, is het perceel gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. De verzoeker woont te Herk-de-Stad, Steenweg
  10. Zijn woning is gelegen op 230 meter van het landbouwbedrijf van de tussenkomende partij.
  11. Op 20 oktober 2005 geeft de afdeling Land een voorwaardelijk gunstig advies.
  12. Van 18 oktober 2005 tot 17 november 2005 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Er worden geen bezwaarschriften ingediend.
  13. Op 29 november 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herk-de-Stad een voorwaardelijk gunstig preadvies.
  14. Op 17 januari 2006 verleent de gemachtigde ambtenaar een voorwaardelijk gunstig advies.
  15. Op 31 januari 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herk-de-Stad de gevraagde vergunning. Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: X-13.042-3/12 “Het college van burgemeester en schepenen motiveert zijn standpunt als volgt: Gelet op het advies van de gemachtigde ambtenaar van 17 januari 2006; BESLUIT: VOORWAARDELIJK GUNSTIG voor het oprichten van een biogasinstallatie met aanleg van verharding, groenscherm weegbrug en waterbuffering. Voorwaarden - Het voorziene groenscherm (op gronddam) dient effectief uitgevoerd en dit het eerstvolgend plantseizoen na de bouw van de installatie. - De agrarische activiteit dient aanwezig te blijven op het bedrijf. - De installatie mag niet evolueren naar een louter verwerkingsinstallatie van afval uit de industrie (en/of huishoudens) die een residu oplevert dat niet onvoorwaardelijk voor bemesting op akkers en weiden mag gebruikt worden. - Minstens de helft van de verwerkte hoeveelheid organisch materiaal dient te bestaan uit dierlijke mest of minstens uit eigen teelt. - Het geleverde eindproduct dient aanwendbaar te zijn zoals dierlijke mest op eigen bedrijfsgronden. - De stedenbouwkundige vergunning voor een inrichting, waarvoor een milieuvergunning nodig is of die enkel onderworpen is aan de meldingsplicht, wordt geschorst zolang de milieuvergunning niet is verleend, respectievelijk de melding niet is gebeurd. (art. 128 DRO)”.
  16. Op 25 juli 2006 verleent de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu de tussenkomende partij de milieuvergunning voor het veranderen van een vergund varkensbedrijf. Dit besluit wordt vernietigd bij arrest nr. 191.663 van 19 maart 2009 wegens schending van artikel 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Op 30 september 2009 verleent de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu de tussenkomende partij de milieuvergunning voor het veranderen van een vergund varkensbedrijf. Het tegen het laatstgenoemde besluit ingestelde beroep tot nietigverklaring (A. 195.170/VII-37.636) is nog hangende. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Tijdigheid
  17. De tussenkomende partij betwist de tijdigheid van het beroep. Zij stelt dat de verzoeker niet aantoont dat hij eerst op 3 oktober 2006 kennis nam van X-13.042-4/12 de bestreden vergunning. De bewering van de verzoeker dat de werken op 1 oktober 2006 zijn aangevat, klopt niet. Ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tot tussenkomst waren er nog steeds geen werken begonnen. Het is bovendien ongeloofwaardig dat de verzoeker pas bij de kennisname van de milieuvergunning van 25 juli 2006 het bestaan vernam van de bestreden stedenbouwkundige vergunning. Ongetwijfeld was de verzoeker op de hoogte van de aanvraag, mede gelet op het openbaar onderzoek en de aandacht in de pers. Overigens werd reeds in de weigeringsbeslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 23 februari 2006 met betrekking tot de milieuvergunning vermeld dat de bouwvergunning was verleend. De verzoeker was ongetwijfeld op de hoogte van deze weigeringsbeslissing, zodat hij ten minste vanaf maart 2006 redelijkerwijze kennis had kunnen nemen van het bestaan van de bestreden vergunning.
  18. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoeker er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoekende partij liggen, wanneer zij in de mogelijkheid is kennis te nemen van de bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan het voormelde artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen met zich mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn X-13.042-5/12 verstreken, neemt de termijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen.
  19. De tussenkomende partij toont niet aan dat de verzoeker eerder kennis had van de bestreden beslissing dan op 3 oktober
  20. De stelling dat de werken nog niet zijn aangevat ten tijde van het indienen van het verzoekschrift tot tussenkomst, doet geen afbreuk aan de stelling van de verzoeker dat hij eerst naar aanleiding van de kennisname van de milieuvergunning van 25 juli 2006 het bestaan vernam van de bestreden vergunning. De stelling dat de verzoeker op de hoogte moet zijn geweest van de aanvraag die tot de bestreden vergunning heeft geleid en van de weigeringsbeslissing van 23 februari 2006 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg met betrekking tot de milieuvergunning wordt evenmin met sluitende gegevens onderbouwd. De door de tussenkomende partij aangevoerde persbelangstelling volstaat hiervoor alleszins niet. Overigens was de verzoeker niet betrokken bij de administratieve beroepsprocedure die heeft geleid tot de milieuvergunning van 25 juli
  21. De exceptie is niet gegrond. B. Belang
  22. De tussenkomende partij betwist het persoonlijk en rechtstreeks belang van de verzoeker. Vooreerst kan het loutere feit dat de verzoeker op ongeveer 250 meter van het betrokken perceel woont, niet voldoende zijn om zijn belang te verantwoorden. Bovendien worden geen concrete en precieze gegevens aangevoerd met betrekking tot de ernst en de omvang van de visuele schade die de verzoeker door de vergunde werken zou ondervinden. Het loutere feit dat de inrichting wordt ondergebracht in landschappelijk waardevol agrarisch gebied volstaat alleszins niet om deze visuele schade aan te tonen. Er moet ook rekening worden gehouden met het feit dat er ter plaatse reeds een vergund varkensbedrijf is gevestigd en dat de bestreden vergunning als voorwaarde het aanleggen van een X-13.042-6/12 groenscherm oplegt, waardoor de inrichting nagenoeg aan het zicht wordt onttrokken.
  23. Het feit dat de verzoeker op ongeveer 250 meter woont, neemt niet weg dat hij uitzicht heeft op de vergunde inrichting. Uit het fotomateriaal dat de tussenkomende partij voorlegt, kan niet worden afgeleid dat de vergunde inrichting volledig aan het zicht van de verzoeker onttrokken is. Het feit dat tussen het perceel van de verzoeker en het bouwperceel een drukke gewestweg loopt, zoals de tussenkomende partij in haar laatste memorie nog aanvoert, doet daar geen afbreuk aan, evenmin als het feit dat de verzoeker in het verleden geen bezwaar heeft geuit tegen het oprichten van de reeds bestaande bedrijfsgebouwen. In de gegeven omstandigheden heeft de verzoeker wel degelijk een persoonlijk en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring van de bestreden vergunning. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van het derde onderdeel van het enig middel Standpunt van de partijen
  24. In een enig middel wordt de schending aangevoerd van artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van de artikelen 11, 15,4.6.1 en 19, derde lid van het inrichtingsbesluit, van de verplichting, zowel vervat in het gecoördineerde decreet als in het DRO, elke vergunningsaanvraag te toetsen aan de eisen van de goede ruimtelijke ordening, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht. In een derde middelonderdeel argumenteert de verzoeker dat de bestreden beslissing de toets van de schoonheidswaarde niet doorstaat en dat de vergunde constructies de goede ruimtelijke ordening aantasten. Voor landschappelijk waardevolle agrarische gebieden gelden immers bepaalde beperkingen met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. Voor de toelaatbaarheid van bouwwerken in dergelijke gebieden moet er steeds een dubbele toetsing gebeuren, met name aan het planologisch criterium en aan het esthetisch criterium. Dit laatste houdt in dat moet worden nagegaan of de beoogde werken stroken met de vereisten tot vrijwaring van het landschap. De omgeving is een vrij ongeschonden open landschap met hier en X-13.042-7/12 daar bomen. Volgens de Vlaamse landschapsatlas zijn de percelen gelegen in een relictzone, wat inhoudt dat er verscheidene landschapskenmerken met erfgoedwaarde aanwezig zijn. Aan de andere zijde van de Gasterbosstraat ligt het domein Gasterbos, bestaande uit een bosrijk park van meer dan 100 hectare met een kasteel uit de neorenaissance en een kasteelhoeve, beide beschermde monumenten. De landschappelijke waarde van de omgeving wordt ook benadrukt in het ruimtelijk structuurplan van de gemeente Herk-de-Stad en in het document “Ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos” dat aansluit bij het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. De thans aanwezige gebouwen van het bedrijf van de tussenkomende partij tasten het landschap reeds aan. De ingenomen oppervlakte zal door de vergunde werken verdubbelen en een enorme oppervlakte zal worden verhard, waardoor het landschap definitief zal worden aangetast. Een reeds bestaande aantasting van de schoonheidswaarde van een gebied is geen vrijgeleide voor een verdere aantasting. Uit de bestreden beslissing kan worden opgemaakt dat de gemachtigde ambtenaar besefte dat de schoonheidswaarde van het landschap werd aangetast door deze industriële installatie, want hij achtte het noodzakelijk de gebouwen aan het zicht te onttrekken door het plaatsen van een 2,5 meter hoge gronddam met daarop een groenscherm.
  25. De tweede verwerende partij argumenteert dat het aan de vergunningverlenende overheid toekomt de aanvraag te toetsen aan de gebruikelijke inzichten en noden betreffende de goede aanleg van de plaats en dat de Raad van State daarop slechts een marginaal toezicht kan uitoefenen. Zij verwijst voorts naar de gunstige adviezen van de afdeling Land, de afdeling Natuur, het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herk-de-Stad en de gemachtigde ambtenaar en de voorwaarden die daarin werden geformuleerd om de aanvraag te kunnen inwilligen.
  26. De tussenkomende partij verwijst naar de marginale controlebevoegdheid van de Raad van State ter zake. De verzoeker brengt geen concrete objectieve en wetenschappelijke elementen aan voor het landschappelijk waardevol karakter en de schoonheidswaarde. Dit geldt inzonderheid voor wat betreft de verwijzing naar het Gasterbos en de kasteelhoeve, die overigens op ongeveer 1 kilometer van de inrichting zijn gelegen. De aanvraag betreft het uitbreiden van een bestaand bedrijf dat op zich reeds van aard was de schoonheidswaarde van het landschap aan te tasten. Juist om de constructie aan het zicht te onttrekken, werd de voorwaarde opgelegd een gronddam aan te leggen met daarop een groenscherm, waardoor de harmonie met de landschapsesthetiek X-13.042-8/12 gewaarborgd wordt. Overigens was het de afdeling Land, die het best geplaatst is om de schoonheidswaarde te beoordelen, die het aanleggen van de gronddam met het groenscherm adviseerde. De verzoeker toont niet aan dat het oordeel dat de schoonheidswaarde van het landschap niet werd geschonden kennelijk onredelijk zou zijn. In de laatste memorie stelt de tussenkomende partij nog dat de verzoeker geen belang heeft bij het eerste middel. Enerzijds was hij op de hoogte van de motivering van de bestreden beslissing zodat hij geen schending van de formele motiveringsplicht kan inroepen, anderzijds heeft hij geen gewijzigd uitzicht door de vergunde installatie. Beoordeling
  27. De exceptie die de tussenkomende partij eerst in haar laatste memorie opwerpt, is laattijdig en bijgevolg onontvankelijk, voor zover ze al niet ten dele samenvalt met de eerder besproken belangexceptie bij het beroep.
  28. Het betrokken perceel is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Artikel 11,4.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt hierover onder meer het volgende: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven (...)”. Artikel 15,4.6.1 van hetzelfde besluit bepaalt voorts nog: “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Uit de combinatie van deze bepalingen moet worden afgeleid dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevol agrarisch gebied op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst, met name een planologisch criterium, dat veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, en een X-13.042-9/12 esthetisch criterium, dat inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap. Overeenkomstig de door de verzoeker aangevoerde motiveringsplicht moet het bestreden besluit de redenen vermelden waarom de aanvraag bestaanbaar wordt geacht zowel met de bestemming agrarisch gebied als met de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol gebied. De Raad van State is niet bevoegd om zijn oordeel bij het uitoefenen van zijn wettigheidscontrole in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij kan enkel rekening houden met de feiten en de beoordeling ervan die in het bestreden besluit zelf zijn vermeld.
  29. In de motivering van het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de gemachtigde ambtenaar. De motivering van dit advies luidt als volgt: “Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen op 29/11/2005 een uitgebreid gemotiveerd voorwaardelijk gunstig advies verleende; dat ik volledig kan instemmen met de overwegingen die geleid hebben tot dit advies; dat de aanvraag past in het geschetste wettelijk en stedenbouwkundig kader daar de schaal, de bestemming en uitvoeringswijze bestaanbaar blijven met de vereisten van een goede perceelsordening en met de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving mits de voorwaarden van afdeling Land worden gevolgd”. Het bestreden besluit bevat geen enkele motivering met betrekking tot de verenigbaarheid van de aanvraag met de nadere aanwijzing “landschappelijk waardevol gebied” die het gewestplan aan het betrokken agrarisch gebied heeft gegeven. De vermelding dat “de schaal, de bestemming en uitvoeringswijze bestaanbaar blijven met de vereisten van een goede perceelsordening en met de stedenbouwkundige kenmerken van de omgeving” is niet meer dan een loutere affirmatie die door geen enkel concreet gegeven wordt gestaafd. Het feit dat de bestreden vergunning wordt verleend onder bepaalde voorwaarden, waaronder de verplichting om een groenscherm op een gronddam aan te leggen, doet niets af aan deze vaststelling. Uit die laatste verplichting kan immers nog niet worden opgemaakt dat de vergunningverlenende overheid in concreto de overeenstemming met de eisen ter vrijwaring van het landschap heeft nagegaan. De (al dan niet voorwaardelijk) gunstige adviezen van de afdeling Land, de afdeling Natuur en het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herk-de-Stad vermogen deze motivering niet aan te vullen, nu ze niet werden weergegeven in het bestreden besluit. De argumentatie van de tweede verwerende partij, die zich ertoe beperkt deze adviezen weer te geven, kan bijgevolg X-13.042-10/12 niet worden aangenomen. Hetzelfde geldt voor de verwijzing door de tussenkomende partij naar het advies van de afdeling Land. Uit de stelling van de tussenkomende partij dat het bestaande bedrijf op zich reeds van aard is de schoonheidswaarde van het landschap aan te tasten, kan nog niet worden afgeleid dat de bestreden beslissing de toelaatbaarheid van de vergunde werken in landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet op een afdoende wijze moest motiveren. Het derde onderdeel van het enig middel is gegrond. BESLISSING
  30. De Raad van State vernietigt het besluit van 31 januari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Herk-de-Stad houdende afgifte aan Antoon Lavrijsen van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een biogasinstallatie met verharding, groenscherm, weegbrug en waterbuffering op een perceel gelegen te Herk-de-Stad, Herkkantstraat, kadastraal bekend sectie B, nrs. 138/a, 139/c-d, 140/h en 146/a en sectie C, nrs. 751/a en 752/b-c.
  31. De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro, elk voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.042-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.042-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.282 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.928 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.