id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.288 Rolnummer: A. 196262/X-14554 Zaak: Arrest 207288 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-20 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:07 Fiche Arrest nr 207.288 van 10 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 207.288 van 10 september 2010 in de zaak A. 196.262/X-14.554. In zake: de b.v.b.a. LANDBOUWBEDRIJF LAFAUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc D’Hoore en Gregory Vermaercke kantoor houdend te 8200 BRUGGE Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 WAREGEM Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 19 april 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van besluit van 16 februari 2010 van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport waarbij aan de verzoekende partij de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een biogasinstallatie aan de Nachtegaalstraat 3 te Pittem, kadastraal bekend sectie B, nrs. 266/a, 272/l, 273/g, 275/e, 282/c en 284/b. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. X-14.554-1/9 Staatsraad Jeroen Van Nieuwenhove heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Van Aerschot, die loco advocaten Marc D’Hoore en Gregory Vermaercke verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Yves François, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De verzoekende partij exploiteert een landbouwbedrijf, gelegen aan de Nachtegaalstraat 3 te Pittem. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt is het terrein gelegen in agrarisch gebied. 4. Op 2 april 2008 dient de verzoekende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de verandering van de bestaande en vergunde inrichting. Het gaat om een uitbreiding met een installatie waarin door de gezamenlijke vergisting van dierlijke mest, energiegewassen en organisch biologisch afval biogas zal worden geproduceerd, alsook een droge meststof. Op 9 oktober 2008 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning. Tegen die vergunningsbeslissing wordt administratief beroep ingesteld door een naburige particulier. Op 10 maart 2009 verleent de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu de gevraagde milieuvergunning met een aantal aanpassingen van de bijzondere voorwaarden. 5. Op 2 juni 2008 dient de verzoekende partij een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Pittem voor het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor de betrokken installaties. De aanvraag omvat de volgende constructies: - een loods van 33 op 70 meter, met een nokhoogte van 11,10 meter; X-14.554-2/9 - sleufsilo’s (voor de opslag van energiegewassen), samen 60 op 24 meter, met een hoogte van 3,5 meter; - 3 vergistingstanks, deels ingegraven en 4 meter boven de grond uitstekend, met telkens een diameter van 30,4 meter; - 4 opslagtanks, deels ingegraven en 4 meter boven de grond uitstekend, met telkens een diameter van 24 meter; - een zogenaamde lagune ten behoeve van de waterzuivering, ongeveer 20,5 op 51 meter, omringd door een berm met een hoogte van 1,5 meter; - een wasstraat voor het reinigen van voertuigen, een weegbrug, en een elektriciteitscabine. 6. Op 4 december 2008 geeft de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een ongunstig advies over de aanvraag omwille van de strijdigheid met de bestemming van agrarisch gebied en de onverenigbaarheid met de goede plaatselijke ordening. 7. Op 17 december 2008 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. 8. Op 25 juni 2009 willigt de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het door de verzoekende partij ingestelde administratief beroep in en verleent zij de gevraagde stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden. 9. Op 16 februari 2010 willigt de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening het door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar ingestelde administratief beroep in en weigert hij de gevraagde vergunning. Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat voor de inplanting van nieuwe mestbehandelings- en vergistingsinstallaties in agrarisch gebied een maximum vooropgesteld wordt van 60.000 ton inputmateriaal per jaar waarboven het alleszins noodzakelijk is een dergelijk bedrijf te voorzien in een bedrijvenzone; dat het aangewezen is een maximum van enkele tienduizenden ton en ten hoogste 10 km verwijdering voorop te stellen om enerzijds de ruimtelijke impact en mobiliteit te milderen en anderzijds de invloed in het landbouwgebied beneden aanvaardbare grenzen te houden; dat als dat niet zo is, er overigens maar weinig reden is om een dusdanige installatie niet te voorzien in een specifieke bedrijvenzone; Overwegende dat de betreffende installatie met een capaciteit van 60.000 ton per jaar zich in principe op de grens bevindt van wat enerzijds mogelijk is in agrarisch gebied en anderzijds van een dermate schaal is dat het eigenlijk om een industrieel bedrijf gaat; dat uit het dossier kan worden opgemaakt dat slechts ongeveer 8% van de te verwerken grondstoffen afkomstig zal zijn van het eigen bedrijf en 92% van andere bedrijven; dat omwille van het ontbreken X-14.554-3/9 van enige informatie over de toeleveringsbedrijven ook niet met voldoende zekerheid kan vastgesteld worden of huidige site de plaatselijke nood opvangt en er enkel transporten zullen plaatsvinden binnen een straal van 10 kilometer; dat bovendien volgens de door de aanvrager verschafte gegevens mogelijks slechts 12.000 ton mest zal verwerkt worden, of 1/5 van de totale verwerkingscapaciteit; dat conform het hiervoor aangehaalde artikel 11 een agrarisch gebied behoudens bijzondere bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten kan bevatten; dat indien de inrichting slechts 20% mest verwerkt, dit betekent dat ze onvoldoende landbouwafhankelijk is en dient voorzien te worden in een specifieke bedrijvenzone; Overwegende dat de deputatie van de provincie West-Vlaanderen in zitting van 9 oktober 2008 een milieuvergunning verleende aan Lafaut Landbouwbedrijf bvba voor het veranderen van een varkens- en kippenhouderij; dat tegen deze vergunning beroep werd aangetekend door derden; dat bij besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 maart 2009 het beroep ontvankelijk wordt bevonden en deels gegrond wordt verklaard; dat de bestreden beslissing wordt gewijzigd, onder meer als volgt: Afstand: de inrichtingen die landbouwgerelateerde stromen zullen aanleveren aan onderhavige installatie moeten gelegen zijn in een perimeter van 20 km rondom de inrichting. Grondstoffen: minimum 60% van de stromen moet bestaan uit mest, primaire grondstoffen en landbouwgerelateerde afvalstoffen. Maximum 40% van de stromen mag ingevuld worden door secundaire grondstoffen en organisch biologische afvalstromen. Overwegende dat uit het voorliggende aanvraagdossier echter nergens blijkt dat deze voorwaarden effectief zullen of kunnen nageleefd worden; dat integendeel wel duidelijk blijkt dat het bedrijf van de aanvrager zelf over slechts een beperkte hoeveelheid eigen input beschikt en voor 92% afhankelijk is van input van andere bedrijven; dat met andere woorden onvoldoende aangetoond wordt dat de inrichting van een mestbehandelings- en vergistingsinstallatie op deze specifieke plaats de plaatselijke nood zal opvangen; dat de uitbating in functie van de plaatselijke landbouw dient te staan om als para-agrarisch te worden beschouwd; dat in het dossier onvoldoende garanties zijn dat dit effectief het geval is; dat deze voorwaarde van belang is bij het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning; Overwegende dat de voorliggende aanvraag dan ook niet in overeenstemming is met de bestemming van het gewestplan; dat de aanvraag alleen al om deze reden dient geweigerd te worden, conform artikel 4.3.1. §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; (...) Overwegende dat, in ondergeschikte orde, bij de afweging tot het toekennen van een vergunning het aangevraagde verenigbaar dient te zijn met een goede ruimtelijke ordening, overeenkomstig artikel 4.3.l, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; dat de overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld overeenkomstig artikel 4.3.1, §2 van voornoemde codex; Overwegende dat het terrein van de voorliggende aanvraag gelegen is in het uiterste oosten van de gemeente Pittem, op de grens met de buurgemeente Tielt, langs de Nachtegaalstraat, een voldoende uitgeruste gemeenteweg; dat de Nachtegaalstraat op ongeveer 200 meter ten zuidwesten van het terrein aansluit op de Turkeijensteenweg, die de deelgemeente Egem verbindt met Tielt; dat het landschap zich bodemkundig situeert in de zandleemstreek, meer specifiek het ‘Plateau van Tielt’, een zachtgolvend, open landschap, gekenmerkt door het volledig ontbreken van bossen, een hoge dichtheid van verspreide bebouwing X-14.554-4/9 en enkele grotere verstedelijkte kernen met een onduidelijke structuur; dat de onmiddellijke omgeving van het terrein gekenmerkt wordt door haar openheid en verspreide bebouwing van voornamelijk kleinschalige landbouwbedrijven en zonevreemde woningen en door het ontbreken van bebossing en de afwezigheid van kleine landschapselementen; Overwegende dat de inrichting gelegen is in de relictzone R30066 zoals aangegeven in de Landschapsatlas v.1.0 (AROHM, Afdeling Monumenten en Landschappen, 2001); dat het bedrijf in kwestie gesitueerd is in het nog gaaf bewaard landschap ten noordoosten van Pittem, meer bepaald in een omgeving met traditioneel open bouwland; dat de esthetische waarden onder meer bestaan uit weidse panoramische zichten vanaf de waterscheidingskam tussen het Mandel-Leiebekken en het Rivierbeekbekken; dat deze kamlijn van het plateau van Tielt tevens geselecteerd is als structurerend reliëfcomponent binnen het provinciaal ruimtelijk structuurplan; dat de locatie ook een archeologisch gevoelige zone betreft gezien de aantrekkingskracht van hooggelegen topzones op vroege bewoningsvormen; Overwegende dat de ruimtelijke impact van het bedrijf en de eventuele verdere expansie ervan, zeker wanneer uitgegaan wordt van een grootschalige inrichting voor mestbehandeling en vergisting, sterk van invloed zal zijn op de aanwezige waarden, in casu het resterende landschap met onder meer open bouwlanden en wijdse panoramische zichten; dat de introductie van een mestbehandelings- en vergistingsinstallatie met een duidelijke agro- of bio-industriële verschijningsvorm en een aanzienlijk ruimtebeslag bedreigend is voor het behoud van de landschappelijke waarden; dat bovendien deze verschijningsvorm, spijts het nastreven van integratiedoelstellingen, zeer moeilijk aansluit bij de nog aanwezige grondgebonden landbouwbedrijvigheid in de omgeving; dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.