← België

Arrest 207290 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.290 Rolnummer: A. 188504/X-13805 Zaak: Arrest 207290 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-20 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:07 Fiche Arrest nr 207.290 van 10 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.290 van 10 september 2010 in de zaak A. 188.504/X-13.805. In zake: Luc WEYERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Pieter-Jan Vervoort kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van LIMBURG --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 juni 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 3 april 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg houdende de niet-inwilliging van het beroep van Luc Weyers tegen het besluit van 28 november 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bocholt waarbij de vergunning wordt geweigerd tot het verkavelen van gronden te Bocholt aan de Hamonterweg-Oudeweg, kadastraal bekend sectie A, nrs. 980/e, 982/c en 988/d. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. X-13.805-1/11 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 juni 2010. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Valkeniers, die loco advocaten Peter Flamey en Pieter-Jan Vervoort verschijnt voor de verzoekende partij, en bestuurssecretaris Katrien Vissers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 15 mei 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bocholt een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het verkavelen van percelen gelegen te Bocholt, Hamonterweg - Oudeweg, kadastraal bekend sectie A, nrs. 980/e, 982/c en 988/d. 3.2. De voormelde percelen zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 22 maart 1978 vastgestelde gewestplan Neerpelt- Bree gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven of gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen. Ze zijn niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 3.3. De verkavelingsaanvraag beoogt de opdeling van de voormelde percelen in drie loten, “bestemd voor ambachtelijke bedrijven, kleine of middelgrote ondernemingen of werkplaatsen, allen op lokaal schaalniveau”. De bij de aanvraag gevoegde “kadastrale situatie” vermeldt, onder meer, het volgende: “occupatie van de bodem: bebost terrein”. X-13.805-2/11 3.4. Tijdens het omtrent de aanvraag gehouden openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend. 3.5. Op 8 november 2007 brengt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar volgend ongunstig advies uit: “• Adviezen - Verordeningen Het college van burgemeester en schepenen van BOCHOLT verleende op 19 september 2007 terzake een ongunstig advies, in hoofdzaak gemotiveerd door : ‘Overwegende dat de verkaveling zich bevindt in een ambachtelijk gebied, waarvoor tot op heden geen integrale visie werd ontwikkeld; overwegende dat op 7 september 2007 gestart werd met de opmaak van een inrichtingsplan voor het Bedrijventerrein Kanaal met een onteigeningsplan; dat op basis van dit inrichtingsplan een Ruimtelijk Uitvoeringsplan zal opgesteld worden dat een planmatig ruimtelijk kader creëert waarbinnen de aanvraag optimaal kan verantwoord worden; dat verdere ontwikkeling ter ontsluiting van de achterliggende gronden naar de Hamonterweg pas kan bekeken worden binnen dit RUP;’ ••• • Beschrijving van de aanvraag en beoordeling De voorgestelde verkaveling voorziet 3 kavels voor ambachtelijke, kleine of middelgrote ondernemingen of werkplaatsen gelegen tussen twee voorziene wegen. De argumenten die geleid hebben tot het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen kunnen integraal bijgetreden worden. Overwegende dat het voorgestelde eveneens niet in overeenstemming is met de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen; dat rondom de industriezones en ambachtelijke zones een bufferstrook van 15 meter dient aangelegd te worden; dat het huidig verkavelingsplan een bufferstrook van slechts 8 meter voorziet; Er is niet voldaan aan de planologische bepalingen en de verkaveling kan ruimtelijk niet aanvaard worden binnen de bestaande omgeving”. 3.6. Bij besluit van 28 november 2007 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bocholt de gevraagde verkavelingsvergunning. 3.7. Tegen de voormelde weigeringsbeslissing wordt namens de verzoeker beroep ingesteld bij de deputatie van de provincieraad van Limburg. 3.8. In een nota van 30 januari 2008 van de provinciale Directie Infrastructuur, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Natuur wordt onder meer het volgende gesteld: “Tenslotte moet ook nog worden gewezen op het feit dat het perceel in kwestie volledig bebost is en dat door de aanvrager geen compenserende maatregelen werden voorgesteld en dit overeenkomstig de bepalingen van het X-13.805-3/11 besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing”. 3.9. Tijdens de hoorzitting op 12 februari 2008 legt de raadsman van de verzoeker een “replieknota” neer, waarin, onder meer, het volgende wordt gesteld: “3. Betreffende het ontbreken van compenserende maatregelen in het kader van Bosdecreet 7. Tenslotte wordt in het technisch verslag opgemerkt dat het perceel bebost is en dat er door de aanvrager geen compenserende maatregelen werden voorgesteld. Zoals in de aanvraag uitdrukkelijk vermeld (op de kaart van de kadastrale informatie, (...)) is het terrein inderdaad bebost. Opgemerkt moet evenwel worden dat het voor de toepassing van het Bosdecreet niet volstaat dat er bomen voorkomen op het terrein. Deze bomen moeten een bosfunctie hebben alvorens deze kunnen worden beschouwd als een ‘bos’ in de zin van het Bosdecreet, met alle gevolgen vandien zoals bijvoorbeeld de verplichting tot boscompensatie. Welnu, in casu is het geenszins een uitgemaakte zaak dat de bomen op het terrein kunnen beschouwd worden als een ‘bos’ in de zin van het bosdecreet en dat er compenserende maatregelen moeten worden voorgesteld door de aanvrager. Voor zover beroeper kan nagaan werd er geen advies gevraagd aan het ANB (Agentschap voor Natuur en Bos) dat zich toch dient uit te spreken over de vraag of sprake is van een ‘bos’ en of er compenserende maatregelen voorzien moeten worden. Voor zover er hiertoe al aanleiding zou zijn, zal de aanvraag dus voor advies overgemaakt moeten worden aan het ANB die zich zal moeten uitspreken over de vraag naar compenserende maatregelen. Voor zover als nodig en mocht dit uit het advies van ANB blijken, is beroeper bereid om een compensatievoorstel uit te werken en toe te voegen aan zijn aanvraag. Een gebeurlijke compensatiemaatregel kan volgens het Bosdecreet ook volledig bij equivalent zijn d.m.v. het betalen van een zogenaamde Bosbehoudsbijdrage. Zoals hoger gesteld kan beroeper zijn aanvraag op dit punt perfect vervolledigen aangezien het geen wijziging van de plannen betreft laat staan een essentiële wijziging”. 3.10. Op 15 februari 2008 wordt het Agentschap voor Natuur en Bos verzocht advies uit te brengen. Op 3 maart 2008 wordt het volgende advies verleend: “..Het perceel heeft de bestemming zone voor ambachtelijke bedrijven volgens het gewestplan Neerpelt-Bree; Op de genoemde kadastrale percelen komen hoogstammige bomen voor met een dominantie van groene beuk met menging van fijnspar, moeraseik, gewone esdoorn, tamme kastanje, Amerikaanse eik en plataan. Als struweelvormende onderbegroeiing noteren we de soorten vlier, meidoor en fijnspar, alsook een beperkte verjonging van de hoogstammige bomen. Over ca. 75% van de totale oppervlakte bereikt de kroonprojectie van de beplanting 100% van de totale oppervlakte. Op de overige 25% bereikt de kroonprojectie minimaal 60% van de totale grondoppervlakte. X-13.805-4/11 Op basis van de vastgestelde begroeiing en de huidige ontwikkeling in de begroeiing moeten we besluiten dat op de volledige oppervlakte art. 90bis van het Bosdecreet van toepassing is, inclusief de onverharde weg die de Hamonterweg met de Oude Weg verbindt (wordt beschouwd als bosweg). De verdeling van streekeigen en streekvreemde soorten en loofboomsoorten in acht genomen, dient voor de compensatie van de te ontbossen oppervlakte een compensatiefactor 1,5 te worden gehanteerd. Conform art. 2 van het ‘Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing’ dient het bosbeheer het compensatievoorstel voor de goedkeuring van de verkaveling al dan niet aangepast goed te keuren vooral de verkavelingvergunning kan worden verleend...”. 3.11. Bij het bestreden besluit van 3 april 2008 van de deputatie van de provincieraad van Limburg wordt het namens de verzoeker ingestelde beroep verworpen en wordt geen verkavelingsvergunning verleend. Dit besluit is onder meer als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat overeenkomstig het goedgekeurd gewestplan (...) de verkaveling te situeren (

  1. is)binnen een gebied voor ambachtelijke bedrijven en een gebied voor kleine en middelgróte ondernemingen; dat conform artikel 8 § 2.1.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen zijn de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard; dat conform artikel 19- 3/alinea (...) de vergunning slechts (wordt) afgegeven, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, indien de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; dat andere planologische voorschriften dan deze opgenomen in het hierboven genoemde inrichtingsbesluit ter plaatse niet van toepassing zijn; Overwegende dat de verkaveling geen wegenis voorziet; dat haar totale oppervlakte kleiner is dan lha en ze niet te situeren is in een recent overstroomd gebied, zodat in alle redelijkheid mag worden verwacht dat er geen schadelijke effecten zullen zijn op de bestaande watersystemen; Overwegende dat het perceel ligt binnen de afbakening van een vogel- en/of habitatgebied, zoals deze zijn afgebakend door de Vlaamse Regering in uitvoering van de richtlijnen 79/409/EEG en/of 92/3/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen; Overwegende dat onderhavige verkavelingsaanvraag werd geweigerd na een ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen van Bocholt; dat dit advies gebaseerd is op het feit dat de verkaveling zich bevindt binnen een ambachtelijke zone waarvoor tot op heden geen integrale visie werd ontwikkeld en dat op 7 september 2007 gestart werd met de opmaak van een inrichtingsplan voor het Bedrijventerrein Kanaal met inbegrip van een onteigeningsplan; dat op basis van dit inrichtingsplan een R.U.P. zal worden opgesteld dat een planmatig ruimtelijk kader creëert waarbinnen de aanvraag optimaal verantwoord kan worden; dat dit standpunt volledig moet worden bijgetreden; dat het immers zo is dat het gemeentebestuur voor dit gebied mogelijk een gewijzigde bestemming kan voorzien, bijvoorbeeld woonzone en ze blijkbaar de intentie heeft om dit op X-13.805-5/11 relatief korte termijn te doen; dat artikel 19 voorziet dat de vergunning derhalve slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening, zelfs al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan; dat argumenten als zou verkaveling een verwaarloosbare impact hebben op de toekomstige aanleg niet kunnen worden weerhouden, omdat terzake slechts kan geoordeeld worden, nadat de ordening definitief zal gekend zijn; Overwegende dat verder moet nog worden vermeld dat het dossier niet werd samengesteld conform het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan een dossier betreffende een verkaveling moet voldoen om volledig beschouwd te worden; dat het namelijk zo is dat geen kaart werd bijgevoegd waarop het reliëf van het terrein werd op afgebeeld; dat de bijgevoegde verkavelingsvoorschriften die werden opgenomen op het plan met de kadastrale situatie schaal 1/2500, vermelden : ‘Reliëf: het perceel ligt op gelijke hoogte met de weg’; dat deze bewering een flagrante schending is van de plicht om een correcte weergave te maken van de werkelijke toestand; dat bij gelegenheid van het onderzoek dat ter plaatse werd ingesteld onmiddellijk kon worden waargenomen dat het terrein minstens 0,6m lager ligt dan de Hamonterweg; Overwegende dat naar aanleiding van de hoorzitting op 12 februari 2008 (...) de deputatie (besliste), omwille van de vaststelling bij het plaatsbezoek dat het kwestieus perceel bebost is, om het dossier te vervolledigen met het advies van het Agentschap Natuur en Bos; dat na ons schrijven van 15 februari 2008 terzake een advies werd ontvangen op 5 maart 2008, dus binnen de wettelijk bepaalde termijn van 30 dagen; dat de inhoud van het advies het volgende is: • De volledige oppervlakte van kwestieus perceel is als bebost te beschouwen waardoor artikel 90bis van het bosdecreet geldt voor de volledige oppervlakte (=compensatieplicht voor ontbossing); • In toepassing van artikel 4 tweede lid en de bijlage van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing is de compensatiecoëfficiënt in dit geval 1,5 (voor gemengd bos = 1,5 X beboste oppervlakte); • Het bosbeheer dient in casu een compensatievoorstel goed te keuren vooraleer een verkavelingsvergunning kan worden verleend; Overwegende dat enkel een door het bosbeheer goedgekeurd compensatievoorstel geldt als stedenbouwkundige vergunning voor ontbossing; dat dit compensatievoorstel aan de vergunning wordt gehecht; dat tot nu toe de beroeper geen compensatievoorstel heeft voorgelegd aan het bosbeheer; dat het gemeentebestuur terzake geen initiatief heeft genomen omdat zij de verkavelingsaanvraag rechtstreeks weigerde”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.1. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid op wegens gebrek aan het rechtens vereiste belang bij de vordering. Ze doet gelden dat er nog steeds geen akkoord voorhanden is van het Agentschap voor Natuur en Bos over de noodzakelijk te geven compensatie voor de geplande ontbossing, zodat de gevraagde verkavelingsvergunning bij gebeurlijke vernietiging hoe dan ook niet kan worden verleend. X-13.805-6/11 4.2. Het onderzoek van de exceptie valt samen met het onderzoek van de grond van de zaak, meer bepaald met het onderzoek van het tweede onderdeel van het tweede middel. V. Onderzoek van de middelen Tweede middel Uiteenzetting van het middel 5.1.1. De verzoeker leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder van de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel, en uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. In een tweede onderdeel van het middel stelt de verzoeker dat ook het motief betreffende de afwezigheid van een door het Bosbeheer goedgekeurd compensatievoorstel, de weigering van de vergunning niet kan dragen. Hij voert aan dat hij zowel schriftelijk als mondeling tijdens de hoorzitting heeft voorgesteld om een compensatievoorstel uit te werken mocht dit nodig blijken, maar de verwerende partij is hierop niet ingegaan. Volgens de verzoeker doet de verwerende partij “daarenboven ten onrechte (...) uitschijnen dat in graad van beroep geen compensatievoorstel meer kan worden gevoegd”. De verzoeker betoogt dat de handelingswijze van de verwerende partij “niet getuigt van een zorgvuldige belangenafweging en fair play en kennelijk onredelijk is” en dat hem “gewoonweg niet eens de mogelijkheid wordt geboden om een compensatievoorstel bij te voegen”. Beoordeling 5.1.2. Naar luid van het op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing geldende artikel 53, §3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, moet deze beslissing “met redenen (worden) omkleed”. Nu op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, waarvan de schending door de verzoeker wordt aangevoerd, een wet van suppletoire X-13.805-7/11 aard is, moet de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht worden te zijn afgeleid uit de schending van het voormelde artikel 53, §3. 5.1.3. Het toentertijd geldende artikel 99, §1, 2/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalde wat volgt: “§1. Niemand mag zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning: (...) 2/ ontbossen in de zin van het bosdecreet van 13 juni 1990 van alle met bomen begroeide oppervlakten bedoeld in artikel 3, §1 en §2 van dat decreet”. Artikel 3, § 1, van het bosdecreet van 13 juni 1990 bepaalt dat “onder de voorschriften van dit decreet vallen: de bossen, zijnde grondoppervlakten waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken, waartoe een eigen fauna en flora behoren en die één of meer functies vervullen”. Artikel 90bis van het bosdecreet luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt: “Art. 90bis. § 1. Een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing kan niet worden verleend tenzij in de hierna vermelde gevallen : 1/ ontbossing met het oog op werken van algemeen belang bedoeld in artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; 2/ ontbossing in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin; 3/ ontbossing in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin; 4/ ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling. De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing wordt verleend na voorafgaand advies van het Agentschap. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn. Voor andere ontbossingen dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het Agentschap. De Vlaamse regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod. § 2. Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal, 1/ wordt door de houder van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing compensatie gegeven voor de in § 1 bedoelde ontbossing; 2/ wordt door de houder van de verkavelingsvergunning compensatie gegeven voor de beboste delen van de verkaveling waarvoor de X-13.805-8/11 verkavelingsvergunning wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van dit decreet. § 3. (...) § 4. De compensatie wordt gegeven op één van de volgende wijzen : 1/ in natura; 2/ door storting van een bosbehoudsbijdrage; 3/ door een combinatie van 1/ en 2/. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels inzake de wijze en de omvang van de compensatie, waarbij differentiatie mogelijk is. De integrale compensatie in natura betreft ten minste een gelijke oppervlakte. De Vlaamse regering bepaalt de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura. § 5. De aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen of van de in § 2, 2°, bedoelde verkavelingsvergunning stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het in § 4, tweede lid, bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het Agentschap. Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in § 4, tweede lid, bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het Agentschap het voorstel aan aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft, aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is. Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in § 2, 1/ of 2/, bedoelde vergunning. De in § 2, 2/, bedoelde verkavelingsvergunning laat slechts vervreemding van een kavel toe nadat volledige compensatie werd gegeven. § 6. De vergunningverlenende overheid bezorgt een afschrift van haar beslissing inzake de aanvraag tot de in § 2, 1/ en 2/, bedoelde vergunning aan het Agentschap. § 7. De in § 2 bedoelde compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan bebost zijn na het in werking treden van dit decreet, voorzover deze spontane bebossing de leeftijd van tweeëntwintig jaar niet heeft bereikt. Om sociale redenen worden uitzonderingen op de in § 2 bedoelde compensatieplicht toegestaan in functie van de woningbouw in zones met de bestemming woongebied in de ruime zin of in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemming woongebied. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze uitzonderingen wordt verleend. Werken van algemeen belang worden, ongeacht de bestemming, altijd gecompenseerd”. Het toentertijd geldende artikel 2, tweede lid van het besluit van 16 februari 2001 van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing bepaalde dat “de verkavelingsvergunning voor een geheel of ten dele beboste grond (...) niet (kan) worden verleend vooraleer het Bosbeheer het door de aanvrager van de vergunning ingediende voorstel tot compensatie van de beboste delen van de verkaveling al dan niet stilzwijgend heeft goedgekeurd of heeft aangepast”. Luidens de artikelen 3 en 6 van het voormelde besluit komt het aan de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing toe bij zijn aanvraag een voorstel tot compensatie van de ontbossing te voegen. Die verplichting geldt, X-13.805-9/11 luidens artikel 13 van datzelfde besluit, ook voor een verkavelingsvergunning voor een geheel of ten dele beboste grond. 5.1.4. Uit de voormelde bepalingen dient te worden afgeleid dat, anders dan de verzoeker voorhoudt, het in de eerste plaats aan de aanvrager van de vergunning toekomt uit te maken of er, op de grond waarop zijn stedenbouwkundige vergunningsaanvraag betrekking heeft, bomen en houtachtige struikvegetaties aanwezig zijn als bedoeld in artikel 3, § 1, van het bosdecreet, en, desgevallend, voor de ontbossing ervan een compensatievoorstel bij zijn stedenbouwkundige aanvraag te voegen. 5.1.5. Hoewel verzoekers verkavelingsaanvraag, opgemaakt door “Beëdigd Landmeter-Expert Onroerende Goederen, Stedenbouwkundige, Werner De Lannoy”, zelf vermeldt dat de aanvraag betrekking heeft op een “bebost terrein”, heeft de verzoeker nagelaten bij zijn verkavelingsaanvraag het vereiste voorstel tot compensatie van de ontbossing te voegen. De verzoeker is er evenmin toe gekomen zijn verkavelingsaanvraag tijdens de procedure alsnog te vervolledigen met het vereiste compensatievoorstel, zelfs niet nadat hij, vóór de hoorzitting van 12 februari 2008, kennis had van de nota van 30 januari 2008 van de provinciale Directie Infrastructuur, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Natuur waarin, onder meer, gesteld werd dat “het perceel in kwestie volledig bebost is en dat door de aanvrager geen compenserende maatregelen werden opgesteld en dit overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing”. Uit zijn tijdens de voormelde hoorzitting neergelegde replieknota blijkt dat de verzoeker meende dat het te dezen volstond op te merken dat er door de vergunningverlenende overheden geen advies werd gevraagd aan het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) “dat zich toch dient uit te spreken over de vraag of sprake is van een ‘bos’ en of er compenserende maatregelen voorzien moeten worden” en dat “voor zover als nodig en mocht dit uit het advies van ANB blijken, (...) beroeper bereid (
  2. is)om een compensatievoorstel uit te werken en toe te voegen aan zijn aanvraag”. Nu de verzoeker zelf tekort is gekomen aan zijn verplichtingen inzake het vereiste voorstel tot compensatie van de ontbossing, is er geen sprake van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play-beginsel door de verwerende partij. De verzoeker maakt geenszins aannemelijk dat hem “gewoonweg niet eens de mogelijkheid (werd) geboden om een compensatievoorstel bij te voegen”. X-13.805-10/11 In die omstandigheden vermocht de verwerende partij de gevraagde vergunning te weigeren op grond van de vaststelling dat het vereiste compensatievoorstel door de aanvrager niet werd voorgelegd. Dit weigeringsmotief volstaat om het bestreden besluit te dragen. Het tweede onderdeel van het tweede middel is ongegrond. De exceptie vermeld sub 4.1 is gegrond. 5.1.6. Het beroep is bijgevolg onontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.805-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.