id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.315 Rolnummer: A. 177453/IX-5445 Zaak: Arrest 207315 - Wegverkeer van goederen - 13/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:08 Fiche Arrest nr 207.315 van 13 september 2010 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. IXe KAMER nr. 207.315 van 13 september 2010 in de zaak A. 177.453/IX-5445 In zake : Maurits LOOTENS, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te Kortemark Torhoutstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 5 oktober 2006, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 9 augustus 2006 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur waarbij het beroep tegen de beslissing van 18 april 2006 van de wegeninspecteur-controleur om aan Maurits Lootens een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 196.325 van 24 september 2009 wordt de afstand van het eerste middel vastgesteld, worden het tweede, vierde en vijfde middel verworpen en, wat het derde middel betreft, worden de debatten heropend en wordt aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Bij arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 heeft het Grondwettelijk Hof over deze prejudiciële vraag uitspraak gedaan. IX-5445-1/13 Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september
- Staatsraad Daniël Moons heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Vanden Bogaerde, die verschijnt voor de verzoeker en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Walter Van Noten heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is zaakvoerder van de BVBA Lootens M & Co. 3.
- Op 9 november 2005 wordt een vrachtwagen bestuurd door verzoeker door de wegeninspectie gecontroleerd op de autoweg E17 te Waregem. Bij weging wordt een overlading vastgesteld van 18% op de eerste as. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 56, eerste lid, van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (hierna afgekort: “Aslastendecreet”). 3.
- Op 1 december 2005 wordt het proces-verbaal overgemaakt aan de procureur des Konings te Kortrijk met het verzoek om overeenkomstig artikel 59 IX-5445-2/13 van het Aslastendecreet binnen een termijn van 90 dagen (eventueel verlengbaar met 30 dagen) mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Daarop wordt medegedeeld dat het parket geen vervolging instelt. 3.
- Op 15 februari 2006 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen en de BVBA Lootens M & Co burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. 3.
- Op 22 februari 2006 tekent de raadsman van de verzoeker, die tevens de BVBA Lootens M & Co vertegenwoordigt, verzet aan tegen die beslissing. 3.
- Op 29 maart 2006 worden de verzoeker en de BVBA Lootens M & Co, vertegenwoordigd door hun raadsman, door de wegeninspecteur-controleur gehoord. Zij dienen ook een nota in. 3.
- Op 18 april 2006 beslist de wegeninspecteur-controleur aan verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro op te leggen en de BVBA Lootens M & Co burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoeker ter kennis gebracht. 3.
- Met een aangetekende brief van 27 april 2006 stellen de verzoeker en de BVBA Lootens M & Co beroep in bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. Op 31 mei 2006 vindt een hoorzitting plaats waarbij namens de appellanten een verweernota wordt ingediend die steunt op volgende argumenten: - artikel 56 van het Aslastendecreet schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6.2 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten; - het materieel constitutief element van het misdrijf is niet bewezen nu de weging niet is gebeurd met een daartoe geschikte weegbrug; IX-5445-3/13 - het moreel constitutief element van het misdrijf is niet bewezen; - de BVBA Lootens M & Co kan niet burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld nu verzoeker geen aangestelde is; - de opgelegde geldboete is overdreven. 3.
- Op 9 augustus 2006 beslist de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat het beroep ontvankelijk doch ongegrond is en dat aan de verzoeker een administratieve geldboete van 1.100 euro wordt opgelegd. Er wordt eveneens beslist dat de BVBA Lootens M & Co niet burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de administratieve geldboete, aangezien de verzoeker de zaakvoerder is en geen aangestelde van de onderneming. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 11 augustus 2006 aan de verzoeker toegezonden. IV. Onderzoek van de middelen Derde middel
- In een derde middel voert de verzoeker aan dat artikel 56 van het Aslastendecreet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De verzoeker wijst erop dat artikel 56 van het Aslastendecreet, in de versie zoals van toepassing vóór 3 september 2005, een vermoeden van wegbeschadiging heeft ingevoerd, met name het vermoeden dat wegbeschadiging veroorzaakt werd door overlading in de zin van artikel 18, §§1 en 2, of artikel 32bis van het technisch reglement (koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen). Hij merkt op dat het Arbitragehof (thans en hierna: het Grondwettelijk Hof) in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 geoordeeld heeft dat dit artikel 56, in de interpretatie dat het een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging instelt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM en artikel IX-5445-4/13 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, schendt en dat dit artikel 56, in de interpretatie dat het geen onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging instelt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, niet schendt. Het Grondwettelijk Hof ging daarbij uit van het principe dat wettelijke vermoedens in beginsel niet in strijd zijn met voormelde verdragsbepalingen maar dat vereist is dat zij een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel en dat indien de wetgever aan een wettelijk vermoeden een onweerlegbaar karakter verleent, hij aan de essentie zelf van het vermoeden van onschuld afbreuk zou doen en derhalve op discriminerende wijze inbreuk zou plegen op de voormelde verdragsbepalingen. Volgens een grondwetsconforme interpretatie van de vroegere versie van artikel 56 van het Aslastendecreet werd aldus een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging ingesteld. Omdat, zo stelt de verzoeker, het oorzakelijk verband tussen overlading en wegdekbeschadiging problematisch bleef, heeft de wetgever ingegrepen met een wijziging van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
- In de parlementaire voorbereiding van dit decreet is gesteld dat het niet langer houdbaar was om een oorzakelijk verband te weerhouden tussen wegdekbeschadiging en overlading over het totaal gewicht van het voertuig, nu eigenlijk gebleken was dat wegbeschadiging enkel werd toegebracht door de overlading op de assen. De verzoeker besluit hieruit dat het oorzakelijk verband dat vóór 3 september 2005 bepaald was tussen overlading en wegbeschadiging helemaal niet opging, en dat er eigenlijk helemaal geen vermoeden van wegbeschadiging geformuleerd kon worden tussen overlading op het totaal gewicht van een voertuig en wegbeschadiging. De verzoeker merkt op dat het arrest van het Grondwettelijk Hof dan ook met de nodige voorzichtigheid benaderd dient te worden. Het decreet is thans gebaseerd op de veronderstelling dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de overlading op de assen en de wegdek- beschadiging. De verzoeker wijst er evenwel op dat de mate waarin door een overlading wegbeschadiging wordt toegebracht, niet enkel afhankelijk is van de mate van overlading. Uit de publicaties van de administratie zelf, onder meer de “Catalogus Schade aan Wegverhardingen”, blijkt immers dat de invloed van zwaar verkeer op de schade aan het wegdek sterk afhankelijk is van de aard en de aanleg IX-5445-5/13 van het wegdek. De verzoeker meent dan ook dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegbeschadiging genuanceerd moet worden, in de zin dat er wel een oorzakelijk verband bestaat, doch dat er in dit oorzakelijk verband veel meer factoren meespelen dan de loutere overlading op zich. Volgens de verzoeker moet dan ook worden nagegaan of het wettelijk vermoeden van wegdekbeschadiging dat gesteld wordt in artikel 56 van het Aslastendecreet niet ingaat tegen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten. Onder verwijzing naar de redenering van het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 stelt de verzoeker dat nu aangetoond is dat het oorzakelijk verband tussen overlading en wegbeschadiging niet zo rechtstreeks is als in het Aslastendecreet gesteld, het door het Grondwettelijk Hof vereiste redelijk verband van evenredigheid zoek is geraakt. Er bestaat volgens hem dan ook reden om met betrekking tot het nieuw artikel 56 van het Aslastendecreet de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Is artikel 56 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met artikel 57 e.v. van het Aslastendecreet, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging afleidt uit een overlading van meer dan 5% op de assen onder een voertuig, terwijl de mate van wegdekbeschadiging eigenlijk tevens afhankelijk is van andere factoren dan de overlading?”. De verzoeker vraagt dat de verwerende partij desbetreffend de nodige stukken zou voorleggen inzake het onderzoek door het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw en dat, indien de verwerende partij niet op dat verzoek zou ingaan, een deskundig onderzoek zou worden bevolen in verband met de diverse factoren die meespelen bij het tot stand komen van wegdekbeschadiging door overlading.
- Het derde middel werd in het arrest nr. 196.325 van 24 september 2009 als volgt geanalyseerd: «In verband met de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof om te antwoorden op prejudiciële vragen, luiden de ter zake relevante bepalingen van artikel 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof thans als volgt : “§
- Het Arbitragehof doet, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent : [...] IX-5445-6/13 3/ de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II ‘De Belgen en hun rechten’, en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet. [...] §
- Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechts- college, dan moet dit college het Arbitragehof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen. Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden : 1/ wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; 2/ wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp. [...]. §
- Wanneer voor een rechtscollege wordt opgeworpen dat een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een grondrecht schendt dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, stelt het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet. In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet : 1/ in de gevallen bedoeld in de paragrafen 2 en 3; 2/ wanneer het rechtscollege oordeelt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden is; 3/ wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van een internationaal rechtscollege blijkt dat de bepaling uit het Europees of internationaal recht klaarblijkelijk geschonden is; 4/ wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk geschonden is.” Bij arrest nr. 81/2003 van 11 juni 2003 heeft het Grondwettelijk Hof in verband met het toenmalig artikel 56 van het Aslastendecreet geoordeeld dat, aangezien kan worden aangenomen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek, de gewichtsoverschrijding van het voertuig die wordt gemeten aan de hand van criteria die door de federale overheid zijn vastgesteld, een verantwoorde aanwijzing is dat het misdrijf, namelijk de schade die is veroorzaakt aan het wegdek, is gepleegd. Daarbij nam het Hof aan dat, om verenigbaar te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 EVRM, het om een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging moet gaan. IX-5445-7/13 Het arrest nr. 81/2003 betreft geen uitspraak over een vraag of een beroep met een identiek onderwerp, in de zin van artikel 26, § 2, tweede lid, 2/, van de bijzondere wet van 6 januari
- Vooreerst kan er immers op gewezen worden dat artikel 56 van het Aslastendecreet bij decreet van 24 juni 2005 is gewijzigd, in die zin dat voortaan alleen rekening wordt gehouden met een gewichtsoverschrijding op de assen en niet met de totale overlading. Bovendien is de door de verzoeker opgeworpen prejudiciële vraag niet identiek met die welke in het arrest nr. 81/2003 beantwoord is. De verzoeker betwist immers niet het oorzakelijk verband tussen de gewichtsoverschrijding en de wegdekbeschadiging, maar hij vraagt zich wel af of de decreetgever geen rekening moest houden met andere oorzaken van wegdekbeschadiging, zoals de aard en de aanleg van het wegdek. De Raad van State ziet te dezen ook geen reden om toepassing te maken van artikel 26, § 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari
- Er bestaat dan ook aanleiding om in te gaan op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof. De door de verzoeker voorgestelde vraag wordt evenwel geherformuleerd in het dispositief van het voorliggende arrest.» De prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof luidde: “Schendt artikel 56 van het decreet van 19 december 1998 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1999 (Aslastendecreet), gewijzigd bij de decreten van 29 december 1999, 19 december 2003 en 24 juni 2005, gelezen in samenhang met de artikelen 57 en volgende van het Aslastendecreet, geïnterpreteerd in die zin dat de overschrijding door de massa op de grond onder één van de assen van het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging inhoudt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 6.2 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, doordat het voor een categorie van burgers afwijkt van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij rust ?” Bij arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 werd die prejudiciële vraag door het Grondwettelijk Hof ontkennend beantwoord. Het Hof oordeelde meer bepaald: IX-5445-8/13 “B.
- Het verwijzende rechtscollege vraagt of artikel 56 van het Vlaamse decreet van 19 december 1998 bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in zoverre die bepaling een wettelijk vermoeden van verboden wegdekbeschadiging zou inhouden. B.3.
- Artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14.2 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten houden het vermoeden van onschuld in. B.3.
- Wettelijke vermoedens zijn in beginsel niet in strijd met die verdragsbepalingen (in die zin : EHRM, 7 oktober 1988, Salabiaku t. Frankrijk, § 28; 20 maart 2001, Telfner t. Oostenrijk, § 16). Zij moeten evenwel een redelijk verband van evenredigheid vertonen met het wettig nagestreefde doel (EHRM, 23 juli 2002, Janosevic t. Zweden, § 101; 23 juli 2002, Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden, § 113), waarbij rekening moet worden gehouden met de ernst van de zaak en waarbij het recht van verdediging moet worden gevrijwaard (EHRM, 4 oktober 2007, Anghel t. Roemenië, § 62). B.4.
- Artikel 56, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 19 december 1998, zoals vervangen bij artikel 3 van het Vlaamse decreet van 19 december 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2004, bepaalde : ‘Het is verboden het wegdek te beschadigen door een overschrijding van de maximale toegelaten massa's of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’. B.4.
- Uitgangspunt van die bepaling was dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de overschrijding van de federale aslastenbeperkingen en de beschadiging van het wegdek. In de parlementaire voorbereiding wordt daaromtrent verwezen naar een onderzoek van onder meer het Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (Parl. St., Vlaams Parlement, 1998-1999, nr. 1214/8, p. 6). B.5.
- Artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2005 heeft in voormelde bepaling de woorden ‘een overschrijding van de maximale toegelaten massa’s of de massa's onder de assen zoals bepaald in de artikelen 18, §§ 1, 2 of 32bis, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ vervangen door de woorden ‘zich met een voertuig op de openbare weg te bevinden waarvan de massa op de grond onder één van de assen het bij de goedkeuring vastgestelde maximum met meer dan vijf procent overschrijdt’. B.5.
- Die wijziging werd als volgt verantwoord : ‘De strafbaarstelling wordt aangepast ten opzichte van de vorige versie van het decreet zodat voortaan enkel overladingen per as strafbaar gesteld worden. Hiervoor wordt niet langer expliciet verwezen naar de federale technische eisen. Er wordt wel nog verwezen naar de bij goedkeuring vastgesteld maximum massa van de assen. Een overlading van minder dan 5 % op een as IX-5445-9/13 wordt getolereerd. Er kan pas een proces-verbaal worden opgesteld wanneer minstens één as meer dan 5 % overladen is. Uiteraard wordt rekening gehouden met de massa na correctie (i.e. na aftrek van de technische tolerantie van het meettoestel). Een overlading op het totaal is enkel nog strafbaar als inbreuk op de federale technische eisen. Schade aan het wegdek wordt immers hoofdzakelijk veroorzaakt wanneer een as zwaarder geladen is dan wettelijk voorzien. Wetenschappelijke studies hebben dit reeds herhaaldelijk aangetoond. Schade hoeft echter niet per se te bestaan uit zichtbare schade zoals putten en scheuren en spoorvorming. Dit zijn slechts enkele van de meest voorkomende uiterlijke verschijningsvormen van de schade zoals bedoeld in dit artikel, de werkelijke schade manifesteert zich veeleer in een vermindering van de levensduur van de weg. Bij de aanleg van wegen wordt immers rekening gehouden met een bepaald aantal belastingen dat het wegdek moet kunnen trotseren tijdens haar levensduur. Elke abnormale belasting zorgt er dus voor dat het wegdek vlugger aan het eind van haar levensduur is en aldus vlugger moet vervangen worden. Dit brengt kosten en verkeersellende met zich mee. De (bijkomende) schade stijgt evenredig met de vierde macht van de aslast’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2004-2005, nr. 334/1, p. 6). B.
- Uit de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij het voormelde artikel 9, 1/, van het Vlaamse decreet van 24 juni 2005 kan niet worden afgeleid dat er geen oorzakelijk verband zou bestaan tussen de overlading van het voertuig en wegbeschadiging. De decreetgever beoogt juist gevolg te geven aan wetenschappelijke studies waaruit blijkt dat die wegbeschadiging in hoofdzaak voortvloeit uit de overlading op een as. Gelet op die studies is de overlading op een as van het voertuig een verantwoorde aanwijzing dat het misdrijf, namelijk het veroorzaken van schade aan het wegdek, is gepleegd. B.
- Bovendien kan noch uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, noch uit de parlementaire voorbereiding ervan worden afgeleid dat in geval van overschrijding met meer dan vijf procent van de maximaal toegelaten massa op de grond onder één van de assen een onweerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging zou zijn ingesteld. De bepaling houdt slechts een verlichting in van de bewijslast van het openbaar ministerie. B.
- De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.”
- In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 slechts gedeeltelijk de opgeworpen problematiek beantwoordt. Het Grondwettelijk Hof gaat immers enkel de invloed na van de wijziging van het Aslastendecreet door het decreet van 24 juni 2005, waarbij het voorheen geldende vermoeden van wegdekbeschadiging door de overschrijding van zowel het totale toegelaten gewicht van het voertuig als van het toegelaten gewicht onder één van de assen, vervangen werd door het vermoeden van wegdekbeschadiging louter door overlading op één van de assen. IX-5445-10/13 De verzoeker voegt daaraan toe dat ondanks voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof, het vermoeden van wegdekbeschadiging nog steeds staat of valt met de wetenschappelijke studies waarnaar in dat arrest en in de voorbereidende werkzaamheden van het Aslastendecreet wordt verwezen. De verzoeker betoogt dat het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw tot op heden het Aslastendecreet poogt te verantwoorden met een studie van 1976, zodat de wetenschappelijke evoluties waarnaar het Grondwettelijk Hof verwijst blijkbaar onbestaande zouden zijn. Nog belangrijker is volgens de verzoeker dat die studie, alsook de nieuwe nota waarop het Opzoekingscentrum van de Wegenbouw zich baseert, enkel van toepassing is op bitumineuze mengsels. Met andere woorden speelt het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading niet op betonverhardingen. Dit wordt volgens de verzoeker ook uitdrukkelijk bevestigd in een persmededeling van de bevoegde minister naar aanleiding van een nieuw weegsysteem om overladen vrachtwagens te onderscheppen, waarin wordt gesteld dat betonverharding als voordeel heeft dat geen spoorvorming optreedt en dat het een langere levensduur heeft dan asfaltverharding. De verzoeker haalt voorts een Nederlandse wetenschappelijke studie aan die handelt over het oorzakelijk verband tussen de gebruikte vrachtwagenbanden en wegdekbeschadiging. Uit die studie zou blijken dat een bepaald bandengebruik bij een lagere asbelasting toch meer schade veroorzaakt en dat het bandengebruik het oorzakelijk verband tussen asbelasting en wegdekbeschadiging in werkelijkheid dus kan omdraaien. Het voorgaande toont aan, aldus de verzoeker, dat minstens het oorzakelijk verband tussen wegdekbeschadiging en overlading zoals dit blijkt uit het Aslastendecreet niet onverkort en in redelijkheid kan worden gehandhaafd. Hij volhardt bijgevolg in zijn verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, geformuleerd als volgt: “Is art. 56 van het Aslastendecreet, onder meer in samenhang gelezen met art. 57 e.v. van het Aslastendecreet, strijdig met art. 10 en 11 van de Grondwet in zo verre het een weerlegbaar vermoeden van wegdekbeschadiging afleidt uit een overlading van meer dan 5 % op de assen onder een voertuig, terwijl de wetenschappelijke studies waarop het Aslastendecreet is gebaseerd aantonen dat de mate van wegbeschadiging eigenlijk tevens afhankelijk is van andere factoren dan de overlading, zoals het type van wegverharding, de gebruikte banden of zelfs de bandenspanning?” Beoordeling
- De verzoeker beoogt de grondwettigheid van artikel 56 van het Aslastendecreet na te gaan door aan het Grondwettelijk Hof de in zijn verzoekschrift IX-5445-11/13 geformuleerde prejudiciële vraag te stellen aangaande het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading dat aan die bepaling ten grondslag ligt. De Raad van State heeft in zijn arrest nr. 196.325 van 24 september 2009 die prejudiciële vraag geherformuleerd en voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof heeft in het arrest nr. 61/2010 van 27 mei 2010 die prejudiciële vraag ontkennend beantwoord. Het Hof steunt onder meer op de overweging dat het vermoeden van wegdekbeschadiging door overlading, waarop het Aslastendecreet is gesteund, een weerlegbaar vermoeden uitmaakt. Het staat de verzoeker dan ook vrij dit vermoeden te ontkrachten door het leveren van het tegenbewijs. De verzoeker levert evenwel dit tegenbewijs niet. In zijn laatste memorie vraagt de verzoeker om de prejudiciële vraag opnieuw te stellen omdat het Grondwettelijk Hof “slechts gedeeltelijk de door verzoeker opgeworpen problematiek beantwoord”.
- Het beantwoorden van de prejudiciële vraag behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof. Als rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld is de Raad van State krachtens artikel 28 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof gebonden door het arrest van het Grondwettelijk Hof en komt het hem niet toe te oordelen over de argumenten die door de verzoeker tegen dat arrest worden aangevoerd. In dat kader komt het evenmin toe aan de Raad van State om een deskundigenonderzoek te bevelen dat finaliter beoogt kritiek te leveren op de inhoud van het arrest van het Grondwettelijk Hof. De studies die de verzoeker aanhaalt in zijn laatste memorie hebben dezelfde finaliteit en vallen bijgevolg buiten de beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State. Het middel wordt verworpen. IX-5445-12/13 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5445-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.315 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.325 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div