← België

Arrest 207321 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 13/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.321 Rolnummer: A. 196705/IX-6835 Zaak: Arrest 207321 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 13/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:08 Fiche Arrest nr 207.321 van 13 september 2010 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 207.321 van 13 september 2010 in de zaak A. 196.705/IX-6835 In zake: Remi ZEEUWS wonend te Huldenberg Nijvelsebaan 31 A alwaar woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GE WE ST, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Peeters kantoor houdend te Brussel Terhulpsesteenweg 120 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingediend op 3 juni 2010, strekt ertoe “de verwerende partij een dwangsom op te leggen van 15.000 euro per dag dat zij voort in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 en deze dwangsom verbeurd te verklaren met ingang van de dertigste kalenderdag te rekenen vanaf de dag waarop het te dezen tussen te komen arrest aan verwerende partij zal betekend worden en dit tot op de dag dat het eindbesluit bekendgemaakt wordt in het Belgisch Staatsblad”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Adjunct-auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september
  3. IX-6835-1/11 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. De verzoeker en advocaat Patrick Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De verzoeker is attaché (rang A1) bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 3.
  6. Op 11 februari 2002 stelt hij bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij Philippe Dehaut wordt benoemd tot eerste attaché, expert van hoog niveau (rang A2), bij de Directie Onderzoek en Innovatie van het Bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (zaak A.116.651/IX-3212). Bij arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 vernietigt de Raad van State het voormelde benoemingsbesluit. Het middel waarin de verzoeker onder meer aanvoert dat geen deugdelijke vergelijking van zijn titels en verdiensten met deze van Philippe Dehaut heeft plaatsgevonden, wordt gegrond bevonden. De Raad van State vernietigt tevens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 juni 2004 waarbij Philippe Dehaut van rechtswege vanaf 1 juli 2004 in de graad van eerste attaché, expert van hoog niveau, wordt overgeheveld van de Directie Onderzoek en Innovatie van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest naar het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel (hierna: IWOIB). IX-6835-2/11 3.
  7. Op 1 juli 2002 stelt de verzoeker bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 3 juli 1998 houdende de benoeming van Philippe Dehaut tot bestuurssecretaris bij het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met ingang van 1 mei 1998 (zaak A. 123.249/IX-3411). Bij arrest nr. 187.958 van 17 november 2008 vernietigt de Raad van State ook dat benoemingsbesluit. Het middel waarin de verzoeker de schending aanvoert van artikel 39 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, doordat het benoemingsbesluit uitsluitend in de Franse taal is opgesteld, terwijl het ook in de Nederlandse taal had moeten zijn opgesteld, wordt gegrond bevonden. 3.
  8. Op 3 maart 2008 stelt de verzoeker bij de Raad van State een vordering in tot het opleggen van een dwangsom aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, omdat deze partij in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni
  9. Bij arrest nr. 187.959 van 17 november 2008 willigt de Raad van State deze vordering in. Aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt een dwangsom opgelegd van 1.500 euro voor elke dag dat het nalaat uitvoering te geven aan het genoemde vernietigingsarrest. De dwangsom zal worden verbeurd na verloop van één maand, te rekenen van de dag waarop het arrest waarbij de dwangsom wordt opgelegd, aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is betekend. 3.
  10. Op 19 december 2008 hervat de directieraad van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de procedure die heeft geleid tot de vernietigde benoeming van Philippe Dehaut tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de Directie Onderzoek en Innovatie. Op 14 januari 2009 onderzoekt de directieraad opnieuw de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten. Hij baseert zich daarvoor op de dossiers van de kandidaten zoals ze werden ingediend in
  11. Hij rangschikt Philippe Dehaut als eerste kandidaat, M.-H. Charles als tweede kandidaat en de verzoeker als derde kandidaat. IX-6835-3/11 De verzoeker wordt daarvan met een brief van 24 februari 2009 in kennis gesteld. 3.
  12. Met een aangetekende brief van 28 februari 2009 dient de verzoeker een bezwaarschrift in tegen de rangschikking van de kandidaten door de directieraad. Hij betoogt dat de directieraad geen rekening had mogen houden met de benoeming van Philippe Dehaut tot bestuurssecretaris bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 januari 2009, ook al werd aan dat besluit terugwerkende kracht verleend. Voorts laat hij gelden dat de directieraad niet antwoordt op zijn bezwaarschrift van 11 november 2001 en kritiek formuleert op zijn houding, terwijl dat in 2001 niet het geval was, zodat hij zich niet heeft kunnen aanpassen. Hij vraagt de “exacte feiten” waarop die kritiek is gesteund. Hij wijst er ook op dat hij sedert 2001 ervaring heeft opgedaan en inzicht heeft verworven in administratieve procedures. Hij vermeldt een reeks opleidingen die hij heeft gevolgd. Hij stelt ten slotte dat het voor hem onduidelijk blijft welke criteria door de directieraad werden gebruikt bij het opstellen van de rangschikking en hij vraagt om door de directieraad te worden gehoord. 3.
  13. Met een aangetekende brief van 1 maart 2009 maant de verzoeker de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan om “de aangevatte benoemingsprocedure af te sluiten”. Hij stelt dat hij “het blijven stilzitten zal [...] interpreteren als een weigering om [hem] te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau”. Hij verwijst daarbij naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Met een brief van 7 april 2009 deelt de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan de verzoeker mee dat hij diens aanmaning overmaakt aan de bevoegde staatssecretaris. 3.
  14. Op 27 maart 2009 wordt de verzoeker door de directieraad gehoord. Na de opmerkingen en de bezwaren van de verzoeker te hebben onderzocht, besluit de directieraad met unanimiteit dat de verzoeker geen nieuwe gegevens aanbrengt die een wijziging van de opgestelde rangschikking rechtvaardigen. Met een brief van 29 april 2009 worden de notulen van de vergadering van de directieraad aan de verzoeker ter kennis gebracht. IX-6835-4/11 3.
  15. Volgens de verwerende partij is het dossier op 29 april 2009 aan de bevoegde staatssecretaris overgemaakt voor het nemen van een beslissing over de kwestieuze bevordering tot eerste attaché. 3.
  16. Op 13 juli 2009 stelt de verzoeker bij de Raad van State een vordering in tot schorsing van de tenuitvoerlegging van “de afwijzende beslissing zoals die blijkt uit het niet afronden van de in 2001 aangevatte bevorderingsprocedure”, alsook van “de daaruit blijkende weigering om verzoeker te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel”. Hij leidt die beslissingen af uit het stilzitten van de verwerende partij gedurende vier maanden vanaf zijn aanmaning van 1 maart
  17. De verzoeker vordert terzelfder tijd het opleggen van een dwangsom aan de verwerende partij (zaak A. 193.362/IX-6441). Bij arrest nr. 197.684 van 10 november 2009 verwerpt de Raad van State deze vorderingen tot schorsing en tot het opleggen van een dwangsom, omdat de aanmaning die de verzoeker op 1 maart 2009 naar de verwerende partij heeft gezonden, slechts in die zin kan worden begrepen dat de verwerende partij de procedure tot benoeming van een eerste attaché, expert van hoog niveau, op een zodanige wijze moet afsluiten dat ze resulteert in de benoeming van de verzoeker, terwijl uit niets blijkt dat de verwerende partij verplicht zou zijn de verzoeker tot eerste attaché te benoemen. 3.
  18. Met een op 23 november 2009 ter post aangetekend verzonden brief maant de verzoeker de Brusselse Hoofdstedelijke Regering opnieuw aan om “de aangevatte benoemingsprocedure af te sluiten”. Hij verwijst andermaal naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Anders dan in zijn aanmaning van 1 maart 2009 vermeldt hij nu niet dat hij het stilzitten van de verwerende partij zal beschouwen als een weigering om hem te benoemen. Aangezien de verwerende partij ook op deze aanmaning niet reageert, stelt de verzoeker op 2 april 2010 bij de Raad van State andermaal een vordering in tot schorsing van “de afwijzende beslissing zoals die blijkt uit het niet afronden van de in 2001 aangevatte bevorderingsprocedure”, alsook van “de daaruit blijkende weigering om verzoeker te bevorderen tot eerste attaché, expert van hoog IX-6835-5/11 niveau, bij het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel” (zaak A. 196.123/IX-6767). Bij arrest nr. 207.320 van heden wordt deze vordering verworpen, omdat de verwerende partij inmiddels een uitdrukkelijke eindbeslissing heeft genomen over de bedoelde benoemingsprocedure, waardoor het voorwerp van de vordering is teloorgegaan. 3.
  19. Met een aangetekende brief van 15 april 2010 richt de verzoeker de volgende aanmaning tot de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die het Openbaar Ambt onder zijn bevoegdheid heeft: “[…] Op 19 juni 2006 heeft de Raad van State bij arrest 160.268 vernietigd: - de beslissing van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 december 2001 waarbij Philippe Dehaut wordt benoemd tot eerste attaché (rang A2 expertbetrekking van hoog niveau) bij het Bestuur Economie en Werkgelegenheid - Directie Onderzoek en Innovatie - het besluit van 24 juni 2004 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering waarbij Philippe Dehaut van rechtswege vanaf 1 juli 2004 in de graad van eerste attaché, expert van hoog niveau, wordt overgeheveld van de Directie Onderzoek en Innovatie van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest naar het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 20 augustus
  20. Ik voldoe aan de statutaire benoemingsvereisten. Bijgevolg verzoek ik u en maan ik u, indien nodig, aan de aangevatte benoemingsprocedure af te sluiten door de twee vernietigde beslissingen door nieuwe te vervangen. Deze brief moet beschouwd worden als een aanmaning overeenkomstig artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. […]” Bij ontstentenis van enig antwoord vanwege de verwerende partij, stelt de verzoeker op 3 juni 2010 de voorliggende vordering tot het opleggen van een dwangsom in. 3.
  21. Met een aangetekende brief van 25 juni 2010 deelt de genoemde staatssecretaris aan de verzoeker evenwel mede: “[…] Ingevolge de ordonnantie van 26 juni 2003 houdende oprichting van het Instituut ter bevordering van het Wetenschappelijk Onderzoek en de Innovatie van Brussel (in werking getreden op 1 januari 2004), werden de bevoegdheden van de Directie Onderzoek en Innovatie overgeheveld aan het IX-6835-6/11 IWOIB. De personeelsleden van de Directie Onderzoek en Innovatie werden van rechtswege overgeheveld naar het nieuwe Instituut. Sedert de inwerkingtreding van voormelde ordonnantie op 1 januari 2004 is de functie van eerste attaché, expert hoog niveau, dan ook gesitueerd binnen het IWOIB en heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest geen bevoegdheid meer om over te gaan tot voormelde benoeming. Middels onderhavig schrijven sluit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de benoemingsprocedure af en geeft het dan ook uitvoering aan het arrest nr. 160.268 van de Raad van State. […]” IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie van de verwerende partij
  22. De verwerende partij werpt op dat de vordering niet ontvankelijk is, omdat de verzoeker zich in zijn verzoekschrift beperkt tot een verzoek tot het opleggen van een dwangsom wegens het niet uitvoeren van het vernietigingsarrest. Een dergelijk verzoek is evenwel niet precies genoeg. De verzoeker dient te verduidelijken welke handelings- of onthoudingsplicht volgens hem uit het vernietigingsarrest voortvloeit en door de verwerende partij niet wordt nagekomen. Beoordeling
  23. De handeling waartoe de verzoeker met zijn aangetekende brief van 15 april 2010 de verwerende partij aanmaant, is “de aangevatte benoemingsprocedure af te sluiten door de twee vernietigde beslissingen door nieuwe te vervangen”. Aldus streeft de verzoeker ernaar te verkrijgen dat de verwerende partij de nodige stappen zet om de procedure voor het begeven van de betrekking van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de Directie Onderzoek en Innovatie van het Bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te hernemen en die betrekking toe te wijzen. Verzoekers aanmaning geeft derhalve voldoende duidelijk weer welke handelingsplicht volgens hem voor de verwerende partij uit het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State voortvloeit. Uit het voorliggende verzoekschrift blijkt genoegzaam dat de verzoeker met zijn vordering beoogt dat aan de verwerende partij een dwangsom wordt opgelegd wegens het niet nakomen de genoemde handelingsplicht. De IX-6835-7/11 vordering kan dan ook niet als onontvankelijk worden afgewezen omdat ze niet precies genoeg zou zijn. De exceptie is niet gegrond. V. Onderzoek van de vordering Standpunten van de partijen
  24. De verzoeker voert aan dat zijn aanmaning om het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State uit te voeren en de twee vernietigde besluiten te vervangen, er niet toe heeft geleid dat de verwerende partij een besluit heeft genomen, zodat voldaan is aan de vereisten van artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  25. De verwerende partij antwoordt dat zij sinds de inwerkingtreding van de ordonnantie van 26 juni 2003 houdende oprichting van het IWOIB op 1 januari 2004, niet langer bevoegd is om tot benoeming over te gaan. Die bevoegdheid berust thans bij het IWOIB zelf, aangezien de genoemde ordonnantie onder meer de betrokken functie heeft overgeheveld naar het IWOIB. De verwerende partij stelt dat zij op een correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State doordat zij aan de verzoeker met een aangetekende brief van 25 juni 2010 ter kennis heeft gebracht dat zij niet langer bevoegd is voor de kwestieuze benoeming. Bijgevolg moet volgens haar de vordering tot het opleggen van een dwangsom worden verworpen. Beoordeling
  26. Artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat, wanneer het herstel van de wettigheid inhoudt dat de vernietiging van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 14 moet worden gevolgd door een nieuwe overheidsbeslissing of overheidshandeling, de persoon op wiens verzoek de nietigverklaring is uitgesproken, bij in gebreke blijven van de overheid de Raad van State kan verzoeken aan de betrokken overheid een dwangsom op te leggen. Het opleggen van een dergelijke dwangsom is bedoeld om de overheid IX-6835-8/11 onder druk te zetten om het vernietigingsarrest uit te voeren, nadat gebleken is dat zij weigert een nieuwe beslissing te nemen.
  27. De handeling waartoe de verzoeker met zijn aangetekende brief van 15 april 2010 de verwerende partij aanmaande, is “de aangevatte benoemingsprocedure af te sluiten door de twee vernietigde beslissingen door nieuwe te vervangen”. Zoals hiervóór gesteld, beoogt de verzoeker aldus te verkrijgen dat de verwerende partij de nodige stappen zet om de procedure voor het begeven van de betrekking van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de Directie Onderzoek en Innovatie van het Bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te hernemen en die betrekking toe te wijzen.
  28. Aangezien een dwangsom slechts kan worden opgelegd om de nakoming van de verplichtingen af te dwingen die voor het bestuur voortvloeien uit een vernietigingsarrest, moet vooreerst worden nagegaan welke te dezen de verplichtingen zijn die voor de verwerende partij volgen uit het vernietigingsarrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State. Die verplichtingen blijken uit het dictum van het vernietigingsarrest en de onlosmakelijk daarmee verbonden motieven, dit zijn de dragende motieven die het dispositief ondersteunen.
  29. Het dictum van het genoemde arrest vernietigt de beslissing waarbij Philippe Dehaut wordt benoemd tot eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de Directie Onderzoek en Innovatie van het Bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, alsook de aan deze beslissing voorafgaande rangschikking van de kandidaten door de directieraad. Het onlosmakelijk daarmee verbonden motief is dat geen deugdelijke vergelijking heeft plaatsgevonden van de titels en verdiensten van de verzoeker met deze van Philippe Dehaut. Het dictum van het genoemde arrest vernietigt tevens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 juni 2004 waarbij Philippe Dehaut van rechtswege vanaf 1 juli 2004 wordt overgeheveld naar het IWOIB, als gevolgakte van de vernietigde aanwijzingsbeslissing. Ingevolge de voormelde vernietigingen is de verwerende partij teruggeplaatst in de situatie dat de procedure met het oog op het begeven van de IX-6835-9/11 betrekking van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de Directie Onderzoek en Innovatie van het Bestuur Economie en Werkgelegenheid niet is afgesloten, vermits de eindbeslissing is vernietigd en dus geacht moet worden nooit te zijn genomen. De procedure is derhalve opnieuw hangende bij de verwerende partij. Uit het gezag van gewijsde van het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State volgt niet dat de verwerende partij de procedure moet afsluiten met de benoeming van een eerste attaché, expert van hoog niveau, maar wel dat zij niet opnieuw mag overgaan tot de benoeming van Philippe Dehaut zonder een deugdelijke vergelijking door te voeren van diens titels en verdiensten met deze van de verzoeker. Het staat de verwerende partij voorts vrij om na het vernietigingsarrest en ter verwezenlijking van het rechtsherstel hetzij de procedure te hernemen vanaf het ogenblik waarop de door de Raad van State vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan, maar ook, althans indien zij daarvoor wettige redenen heeft, om de procedure van meet af aan te hernemen of zelfs ervan af te zien, maar dit neemt niet weg dat zij verplicht is om één van deze wegen te bewandelen.
  30. Met een aangetekende brief van 25 juni 2010 heeft de staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de verzoeker meegedeeld dat “sedert de inwerkingtreding van voormelde ordonnantie [van 26 juni 2003 houdende oprichting van het IWOIB] de functie van eerste attaché, expert van hoog niveau [...] gesitueerd [is] binnen het IWOIB en [...] het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen bevoegdheid meer [heeft] om over te gaan tot voormelde benoeming”. De staatssecretaris vermeldt voorts: “Middels onderhavig schrijven sluit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de benoemingsprocedure af en geeft het dan ook uitvoering aan het arrest nr. 160.268 van de Raad van State”. De verwerende partij heeft aldus een eindbeslissing genomen over de in 2001 opgestarte procedure tot benoeming in de betrekking van eerste attaché, expert van hoog niveau, bij de Directie Onderzoek en Innovatie van het Bestuur Economie en Werkgelegenheid van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze eindbeslissing houdt in dat de verwerende partij zich onbevoegd acht om nog een beslissing te nemen over de toewijzing van de genoemde betrekking en dat zij om die reden van die toewijzing afziet. IX-6835-10/11 Daargelaten of deze eindbeslissing wettig is, wat door de verzoeker kan worden betwist met de middelen die het recht hem verschaft, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de verwerende partij inmiddels wel degelijk een beslissing heeft genomen met betrekking tot het rechtsherstel waartoe het arrest nr. 160.268 van 19 juni 2006 van de Raad van State haar verplicht.
  31. Te dezen is er dan ook geen aanleiding om aan de verwerende partij een dwangsom op te leggen wegens de niet-uitvoering van het genoemde arrest. De vordering is niet gegrond. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6835-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.321 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.