id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.324 Rolnummer: A. 186592/IX-5816 Zaak: Arrest 207324 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 13/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 05:08 Fiche Arrest nr 207.324 van 13 september 2010 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 207.324 van 13 september 2010 in de zaak A. 186.592/IX-5816 In zake : Roland JADOUL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alda Romain kantoor houdend te Tongeren 18de Oogstwal 37, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 7 januari 2008, strekt tot de nietigverkla- ring van het besluit van 9 oktober 2007 van de minister van Landsverdediging waarbij Roland Jadoul definitief uit zijn ambt ontslagen wordt. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september
- IX-5816-1/11 Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Alda Romain, die verschijnt voor de verzoeker, en kolonel-militair administrateur Arnaud De Decker, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verzoeker is beroepsvrijwilliger bij de krijgsmacht. Hij is benoemd in de graad van korporaal-chef bij de militaire politie (MP). 3.
- Op 6 oktober 2006 stelt de procureur des konings van Brugge de minister van Landsverdediging ervan in kennis dat verzoeker op 29 september 2006 onder aanhoudingsmandaat werd geplaatst “wegens zedenfeiten”. Op de opsluitingsfiche, in bijlage bij die brief, worden de feiten als volgt gekwalificeerd: “37.45 Verkrachting op kind onder de 14 jaar ## Art. 375 al.1+6-378 SWB## 37.47A Verkrachting-verzwarende omstandigheden - als bloedverwant in opgaande lijn van het slachtoffer ## Art. 377SWB 37.05 Aanranding van de eerbaarheid-met geweld en bedreiging-op een minderjarige jonger dan 16 jaar ## Art. 373 al. 3-374-3 37.06A aanranding van de eerbaarheid - verzwarende omstandigheden - bloedverwant in opgaande lijn zijnde ##Art. 377 SWB”. 3.
- Op 2 oktober 2006 schrijft de verzoeker de Koning aan. In die brief erkent hij “een fout” te hebben begaan waarvoor hij gestraft moet worden, maar hij verzoekt de Koning om hem niet te ontslaan, en hem op non-activiteit te plaatsen zodat hij terug aan het werk kan bij het leger bij zijn vrijlating. Hij verwijst naar de benarde sociale situatie van hemzelf en van zijn gezin. Hij schrijft ook naar IX-5816-2/11 de minister van Landsverdediging met een gelijkaardige vraag. In die brief stelt hij wel dat de feiten, waarvoor hij in voorhechtenis zit, niets te maken hebben “met de feiten gebeurd in Leopoldsburg of drugs. Ook niets wat de veiligheid van het leger in gevaar brengt”. Op 10 oktober 2006 herhaalt de verzoeker nogmaals zijn vraag aan de minister om hem niet te ontslaan, maar hem op non-activiteit te plaatsen voor de periode van zijn gevangenschap. Op 30 november 2006 antwoordt de minister aan de verzoeker dat zijn aanvraag ernstig en objectief zal onderzocht worden. Hij wijst tevens op de toepasselijke reglementaire bepalingen en de consequenties daarvan. 3.
- Bij ministerieel besluit van 13 november 2006 wordt de verzoeker preventief, door schorsing bij ordemaatregel, uit zijn ambt ontzet voor een termijn van drie maanden. Het besluit overweegt “dat betrokkene opgesloten is in de gevangenis van Brugge sinds 29 september 2006 op verdenking van verkrachting op een kind onder de 14 jaar en aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging op een minderjarige jonger dan 16 jaar”. De verzoeker ondertekent deze nota voor kennisneming en ontvangst op 31 januari
- 3.
- Op 16 maart 2007 wordt de verzoeker onder bepaalde voorwaar- den voorlopig in vrijheid gesteld. Op die dag krijgt de voormelde preventieve schorsing haar uitwerking. 3.
- Op 19 maart 2007 stelt de korpscommandant van de verzoeker voor hem te laten verschijnen voor de onderzoeksraad met het oog op zijn definitieve ambtsontheffing, in toepassing van artikel 4 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht. Hij acht de feiten -waarvoor hij verwijst naar een “fax HRG A/D van 05 11 13 oktober 2006”, welk stuk zich evenwel niet in het dossier bevindt- onverenigbaar met de staat van militair in het algemeen en deze van MP in het bijzonder, omdat zij de goede werking van de dienst in gevaar brengen. 3.
- Op 19 april 2007 beslist de minister dat de verzoeker voor de onderzoeksraad moet verschijnen met het oog op zijn eventueel ontslag uit de krijgsmacht. Hij overweegt: “Betrokkene werd van 29 sep 06 tot 16 mar 07 van zijn vrijheid beroofd op verdenking van verkrachting op een kind onder de 14 jaar en aanranding van IX-5816-3/11 de eerbaarheid, met geweld of bedreiging, op een minderjarige jonger dan 16 jaar.” 3.
- Op 4 juni 2007 beslist de minister om de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van de verzoeker te verlengen. 3.
- Op 29 juni 2007 verschijnt de verzoeker voor de onderzoeksraad. Uit dit verhoor blijkt dat de verzoeker aangaande de feiten waarvoor hij in verdenking is gesteld niets wenst te verklaren omdat hij “zijn verklaring bij de politie heeft afgelegd en dat hij afwacht wat er zal beslist worden”. Aangaande “de fout” die hij vermeld heeft in zijn brief aan de Koning stelt de verzoeker dat deze fout geen verband houdt met de feiten waarvoor hij in verdenking is gesteld. Hij wenst verder niet te verduidelijken waarmee die fout dan wel verband houdt. De advocaat van de verzoeker legt wel een verweerschrift neer. Daarin betwist de verzoeker de kwalificatie van de verkrachting en de aanranding der eerbaarheid, wijst hij erop dat het onderzoek nog loopt, dat de korpscommandant in zijn verslag geen melding maakt van de feiten die hij in aanmerking neemt en stelt hij dat de feiten niet bewezen zijn. 3.
- Op 17 juli 2007 spreekt de onderzoeksraad zich uit over de vraag of de feiten bewezen zijn, of zij ernstig zijn en of zij onverenigbaar zijn met de staat van beroepsvrijwilliger. De raad oordeelt bij drie stemmen tegen twee dat de feiten bewezen zijn. Met vijf stemmen tegen nul wordt geoordeeld dat de feiten ernstig zijn en onverenigbaar met de staat van vrijwilliger. Voor het bewijs der feiten wordt geen enkele motivering gegeven. Voor de twee andere antwoorden wel: “a. Ernst der feiten: Het spreekt vanzelf dat de hem ten laste gelegde feiten zeer ernstig zijn: verkrachting (van) een kind onder de veertien jaar (bloedverwant), aanranding van de eerbaarheid op een jongere jonger dan 16 jaar (bloedverwant) en dit met geweld of bedreiging. De periode van hechtenis bedraagt bijna 6 maanden. In de brief aan Z.K.H. Albert II geeft betrokkene zelf toe dat hij, voor de fout die hij begaan heeft, gestraft moet worden. b. Onverenigbaarheid met de staat van vrijwilliger De feiten, waarvan sprake, zijn zeker onverenigbaar met de staat van militair en van Militair Politieagent in het bijzonder.” 3.
- In een nota aan de minister van 27 september 2007 geeft de chef van de divisie personeel het volgend advies: IX-5816-4/11 “Gelet op de brieven gericht door betrokkene aan enerzijds MOD en anderzijds aan Zijne Majesteit de koning meen ik te mogen stellen dat betrokkene wel degelijk zedenfeiten heeft gepleegd. De omvang van de feiten speelt meer een rol voor de gerechtelijke beslissing dan voor een statutaire maatregel (indien de betichting al overdreven zou zijn). Zedenfeiten zijn voor een Mil hoe dan ook ernstig en het vertrouwen in hem gaat hierdoor teloor. Het risico om hem tijdens Mil opdrachten in contact te brengen met kinderen (Hum Ops) is te groot.” 3.
- Op 9 oktober 2007 beslist de minister van Landsverdediging dat de verzoeker van ambtswege uit zijn ambt ontslagen wordt. Dit is de bestreden beslissing. Inzake het bewijs van de feiten is deze beslissing als volgt gemotiveerd: “(...) Overwegende dat ik mij aansluit bij het advies van de onderzoeksraad dat er zedenfeiten op minderjarigen zijn gepleegd door betrokkene; Overwegende dat ik mij hiervoor baseer op volgende elementen: Dat de raadsman van betrokkene in het verweerschrift opgemaakt op 28 juni 2007, naar aanleiding van de zitting van de onderzoeksraad gehouden op 29 juni 2007, stelt dat betrokken militair op 29 september 2006 werd aangehouden door de onderzoeksrechter te Brugge op verdenking van feiten; Dat betrokken militair in zijn schrijven van 3 oktober 2006 gericht aan Zijne Majesteit de Koning een paar dagen na de aanhouding spreekt over een fout die hij heeft begaan en waarvoor hij vraagt niet te worden ontslagen; Dat in alle redelijkheid kan aangenomen worden dat het hier handelt over dezelfde feiten voor welke hij enkele dagen voordien onder aanhoudingsman- daat werd geplaatst; Dat de betrokken militair in zijn schrijven van 2 oktober 2006 gericht aan de Minister van Landsverdediging erkent te zijn geplaatst in voorhechtenis doch opmerkt dat deze aanhouding niets te maken heeft met drugs, extreem- rechts gedachtengoed of met het in gevaar brengen van de veiligheid van Defensie en hij wederom vraagt om niet te worden ontslagen; Dat hieruit in alle redelijkheid volgt dat betrokkene het weer heeft over ernstige feiten die hij heeft gepleegd en waarvan hijzelf oordeelt dat zij eventueel zouden kunnen leiden tot zijn ontslag; Dat gelet op de datum van dit schrijven ook hier in alle redelijkheid aangenomen kan worden dat het handelt over de feiten die aanleiding gaven tot de voorlopige hechtenis; IX-5816-5/11 Dat op 12 oktober 2006 betrokken militair opnieuw een schrijven heeft gericht aan de Minister van Landsverdediging met de vraag om hem niet te ontslaan voor de feiten naar aanleiding van de voorlopige hechtenis wat ten sterkste laat vermoeden dat er geen andere feiten dan de zedenfeiten worden bedoeld; Overwegende dat een gerechtelijk onderzoek, het nemen van statutaire maatregelen niet uitsluit, temeer het nemen van statutaire maatregelen gebonden is aan de redelijke termijneis; (...)”. De verzoeker neemt op 8 november 2007 kennis van de bestreden beslissing. 3.
- De strafvordering heeft het volgend verloop gekend: - op 31 maart 2008 heeft de verzoeker bijkomende onderzoeksdaden aangevraagd, zoals voorzien in artikel 61quinquies van het wetboek van Strafvordering. In dit stuk schrijft de verzoeker dat hij “van in den beginne bekentenissen heeft afgelegd omtrent het misbruik dat hij pleegde t.a.v. zijn zonen Patrick en Vincent Jadoul”, maar dat hij “de overige tenlastelegging” niet gepleegd heeft. - de strafzaak tegen de verzoeker is door de correctionele rechtbank te Brugge behandeld op 18 mei 2009; er is een getuigenverhoor gehouden op 29 juni
- De rechtbank heeft de zaak verder behandeld op 18 januari
- Bij vonnis van 29 juni 2010 is de verzoeker voor bepaalde tenlasteleggingen vrijgesproken. Het merendeel van de tenlasteleggingen wordt evenwel bewezen bevonden en de verzoeker wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar met onder meer terbeschikkingstelling van de regering en ontzetting uit de rechten bedoeld in artikel 31, lid 1 van het strafwetboek. Volgens de raadsvrouw van de verzoeker is tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
- De verzoeker voert de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en van artikel 10, §1, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (hierna: wet van 12 januari 2005), doordat hij ontslagen wordt op grond van feiten waarvoor nog een strafrechtelijk onderzoek loopt, terwijl artikel 6.2 van het EVRM bepaalt dat iedereen die wegens een IX-5816-6/11 strafbaar feit vervolgd wordt voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld bewezen wordt en artikel 10, §1, van de wet van 12 januari 2005 bepaalt dat verdachten geacht worden onschuldig te zijn zolang zij niet veroordeeld zijn door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling. Hij stelt dat de omstandigheid dat hij een brief naar de Koning gezonden heeft waarin hij fouten zou hebben toegegeven het vermoeden van onschuld niet kan tenietdoen en niet kan beletten dat het opleggen van een tuchtmaatregel geschorst is zolang het strafrechtelijk onderzoek loopt.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat de tuchtoverheid niet moet wachten met het opleggen van een tuchtstraf totdat de strafrechter uitspraak gedaan heeft en de feiten bewezen acht, zeker nu de tuchtoverheid binnen een redelijke termijn uitspraak moet doen; de tuchtoverheid kan zelf een onderzoek naar de feiten voeren en in dat verband kan te dezen vastgesteld worden dat de verzoeker in twee brieven, die na zijn aanhouding geschreven zijn, toegegeven heeft dat hij een fout begaan heeft die niets met drugs of extreem-rechts gedachtengoed te maken heeft en ook de veiligheid van defensie niet in het gedrang gebracht heeft, terwijl hij aan de minister ook gevraagd heeft hem niet te ontslaan voor de feiten naar aanleiding van de voorlopige hechtenis. Aldus diende de zaak zich voor haar niet complex aan en kon zij in redelijkheid aannemen dat “de begane fouten de feiten zijn waarvoor hij in hechtenis genomen werd, te weten de zedenfeiten”.
- De verzoeker repliceert dat de zaak wel degelijk complex is aangezien er op strafrechtelijk vlak bijkomend onderzoek gebeurd is en dat er geen sprake kan zijn van de overschrijding van de redelijke termijn, aangezien de brief waarop de verwerende partij haar beslissing steunt dagtekent van 10 oktober
- De verwerende partij gaat ervan uit dat hij over de gehele lijn schuldig is, maar dat is niet het geval en hij kan daarvan het bewijs niet leveren, aangezien het strafonder- zoek nog niet afgerond is.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat de verzoeker op 29 september 2006 aangehouden is voor zedenfeiten; hij schrijft vervolgens aan de Koning en de minister over een fout die hij begaan heeft. Op basis van die stukken heeft zij in redelijkheid kunnen oordelen dat de verzoeker toegegeven heeft een fout te hebben gemaakt, dat hij voor die fout aangehouden werd, dat de redenen van die aanhouding niets te maken hebben met drugs, veiligheidsproblemen of extreem-rechts gedachtengoed maar verband hielden met zedenfeiten. IX-5816-7/11 IX-5816-8/11 Beoordeling
- De wet van 12 januari 2005 regelt de situatie van de gedetineer- den. In dat kader stelt artikel 10, §1, van deze wet dat verdachten het vermoeden van onschuld genieten tot hun definitieve veroordeling. De bestreden beslissing betreft het opleggen van een tuchtstraf aan een ambtenaar-militair en situeert zich niet in de strafrechtelijke sfeer. De wet van 12 januari 2005 is niet van toepassing.
- De verzoeker plaatst zich blijkbaar op het standpunt dat, nu er tegen hem een strafrechtelijk onderzoek loopt, artikel 6.2 van het EVRM hem garandeert dat de afloop van dat onderzoek moet afgewacht worden om zijn schuld aan de tuchtrechtelijke verwijten vast te stellen. Die stelling is niet correct: het voor bewezen houden van een tuchtovertreding betekent niet dat het vermoeden van onschuld, waarvan de betrokkene tijdens het strafonderzoek geniet, miskend wordt of met andere woorden, de ontstentenis van strafrechtelijke uitspraak verhindert niet dat de tuchtinbreuk op grond van zelfstandig verzamelde gegevens voor bewezen wordt gehouden. Te dezen zijn die zelfstandig verzamelde gegevens de brieven die de verzoeker aan de Koning en aan de minister van Landsverdediging gezonden heeft en waarin hij toegegeven heeft “fouten” te hebben begaan, hetgeen door de verwerende partij opgevat is als een bekentenis van de zedenfeiten waarvoor hij aangehouden werd. Het middel roept dan de vraag op of de verwerende partij op grond van die gegevens de tenlasteleggingen voor bewezen kon houden. De verwerende partij heeft zich daarop ook verdedigd.
- De uitleg die de verzoeker in de vermelde brieven geeft is vaag maar niet onbegrijpelijk: pas onder aanhoudingsmandaat geplaatst wegens zedenfeiten, erkent de verzoeker fouten te hebben begaan die geen verband houden met drugs, noch met extreem-rechts gedachtengoed en die ook de veiligheid van het leger niet aantasten. Daargelaten de vraag of de verwerende partij op grond van die erkenning geredelijk kon besluiten dat de verzoeker bekend heeft zedenfeiten gepleegd te hebben, heeft zij daarin zeker niet kunnen lezen welke feiten de verzoeker dan wel echt bekende, noch of die bekentenis sloeg op het specifiek misdrijf dat de onderzoeksrechter hem in het aanhoudingsmandaat ten laste legde. Bij ontstentenis van verder eigen onderzoek naar de werkelijke toedracht van de zaak moet dan ook vastgesteld worden dat het bestuur geen zicht had op de feiten IX-5816-9/11 die het in aanmerking genomen heeft en dat zij die feiten dan ook niet voor bewezen kon houden.
- Er is zelfs meer. De bestreden tuchtstraf is genomen op aanzet van de korpscommandant van de verzoeker die, voor wat de feiten betreft, in het model B van 19 maart 2007 verwijst naar een “fax HRG A/D” van 5 oktober
- Deze fax is niet in het administratief dossier neergelegd, maar uit de latere beslissing van de minister van Landsverdediging om de verzoeker voor de onderzoeksraad te laten verschijnen, blijkt onmiskenbaar dat de tuchtprocedure opgestart is wegens de verdenking van “verkrachting op een kind onder de 14 jaar en aanranding van de eerbaarheid, met geweld of bedreiging, op een minderjarige jonger dan 16 jaar”. Die strafrechtelijke kwalificatie is ook in de bestreden beslissing aangehouden. De tuchtoverheid heeft aldus de tuchtvordering gekoppeld aan de strafrechtelijke kwalificatie: aan de verzoeker wordt een bepaald misdrijf, omschreven in het strafwetboek, ten laste gelegd. De tuchtrechtelijke bestraffing is slechts mogelijk wanneer alle componenten van het strafrechtelijk omschreven misdrijf bewezen zijn. Het bewijs van de tuchtfeiten valt aldus samen met het bewijs van de strafrechtelijk vervolgde feiten, waarvoor de gerechtelijke instanties instaan. Dit betekent dat de tuchtoverheid, voor het bewijs van de feiten, afhankelijk is van de uitkomst van het onderzoek van die gerechtelijke instanties. Zij kon op eigen gezag de feiten niet voor bewezen houden en de verzoeker op die grond op 9 oktober 2007 ontslaan.
- Het middel is in die zin gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van 9 oktober 2007 van de minister van Landsverdediging waarbij Roland Jadoul definitief uit zijn ambt ontslagen wordt.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. IX-5816-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-5816-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.324 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div