id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.326 Rolnummer: A. 152121/IX-4540 Zaak: Arrest 207326 - Tucht (openbaar ambt) - 13/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:08 Fiche Arrest nr 207.326 van 13 september 2010 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 207.326 van 13 september 2010 in de zaak A. 152.121/IX-4540 In zake : Claude VAN RENTERGHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van der Gucht kantoor houdend te Gent Voskenslaan 34-36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de Politiezone HARELBEKE-DEERLIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Arnoud Declerck en Eva Roels kantoor houdend te Harelbeke kortrijksesteenweg 387 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 mei 2004, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Harelbeke-Deerlijk van 29 maart 2004 waarbij aan Claude Van Renterghem de zware tuchtstraf van de schorsing van één dag wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 200.242 van 28 januari 2010 worden de debatten heropend en is het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat ermee belast het onderzoek van de zaak voort te zetten. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-4540-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2010. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Franky De Mil, die loco advocaat Willy Van der Gucht verschijnt voor de verzoeker, en advocaat Séverine Vermeire, die loco advocaten Arnoud Declerck en Eva Roels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Voor de feitelijke gegevens van de zaak wordt verwezen naar het arrest nr. 200.242 van 28 januari 2010. IV. Onderzoek van het eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. De verzoeker voert de schending aan van het recht van verdedi- ging, van artikel 38quinquies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet) en van de beginselen van behoorlijk bestuur doordat hem een aanvullend getuigenverhoor geweigerd werd. Hij heeft in zijn verweerschrift tegen het inleidend verslag om een bijkomend getuigenverhoor gevraagd in het kader van zijn verweer tegen de derde tenlastelegging (het niet doorgeven van belangrijke informatie aan de postoverste) omdat hij met dat verhoor de rol van postoverste Verbinnen wenste aan te tonen en te bewijzen dat vooral zij in de fout gegaan is. Het politiecollege heeft het getuigenverhoor geweigerd omdat de getuigen in het kader van het strafonderzoek IX-4540-2/8 gehoord waren, maar dat verhoor had geen betrekking op de instructies die de postoverste gegeven heeft en op de uitgevoerde onderzoeksverrichtingen. 5. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het middel en werpt desbetreffend een exceptie op. Zij stelt dat de verzoeker nagelaten heeft de vraag naar een aanvullend getuigenverhoor in zijn verweer voor de tuchtraad te doen gelden en dat kan gezien worden als een afstand van zijn rechten. Ten gronde stelt zij dat de tuchtoverheid in de bestreden beslissing uiteengezet heeft waarom het bijkomend getuigenverhoor geweigerd werd -met name dat het verhoor in het kader van het strafonderzoek gebeurd was- en dat uit het dossier blijkt dat zij de tenlastelegging voor terdege bewezen kon houden. De verzoeker heeft het gesprek van de postoverste met zijn collega’s gehoord; dat hij uit dat gesprek niet kon uitmaken of de vrouw aan het sportcentrum zelf verkracht was is nonsens, want wezenlijk is in deze zaak dat de verzoeker wist dat een andere ploeg naar het sportcentrum werd gestuurd en dat de verzoeker geen enkel initiatief genomen heeft zodat de verklaringen van het slachtoffer niet geverifieerd zijn kunnen worden aan de hand van beeldmateriaal. Het gevraagde getuigenverhoor strekte er niet zozeer toe de tenlastelegging te weerleggen, maar eerder om andere personeelsleden van tekortkomingen te kunnen beschuldigen. 6. De verzoeker repliceert wat betreft de ontvankelijkheid van het middel dat hij aan de tuchtraad wel degelijk gevraagd heeft een getuigenverhoor te houden. Wat de grond van de zaak betreft, herhaalt hij dat de getuigen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek wel gehoord werden maar niet over de vragen die hij hen alsnog wenste te stellen. De postoverste heeft nagelaten onmiddellijk de nodige onderzoeken te laten verrichten. Hij heeft geenszins de bedoeling andere personeelsleden te beschuldigen, maar wenst vastgesteld te zien dat de postoverste tijd heeft laten verloren gaan. Er wordt hem verweten niet onmiddellijk het bestaan van camerabeelden te hebben gemeld, maar dat is onterecht, omdat de postoverste toch geen onderzoeksverrichtingen bevolen heeft. In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker dat zijn vraag er zeker niet toe strekte de fouten van de postoverste vastgesteld te zien maar wel een correct zicht op de feiten te krijgen: er wordt hem verweten geen initiatief genomen te hebben door niet spontaan medegedeeld te hebben dat het sportcentrum een videobewaking had en dat hij eerder zelf contact gehad had met een vrouw. Het getuigenverhoor en de confrontatie had duidelijkheid kunnen brengen ten aanzien IX-4540-3/8 van zijn stelling dat de oproep niet toeliet uit te maken dat de vrouw verkracht was aan het sportcentrum zelf zodat er geen reden was om het bestaan te melden van de videobewaking aan het sportcentrum en het feit dat hij voordien een vrouw aan het sportcentrum had gesproken. Beoordeling 7. Uit het proces-verbaal van de zitting van de tuchtraad en de vraag tot verbetering van het verslag blijkt duidelijk dat de verzoeker wel degelijk voor de tuchtraad aangedrongen heeft op een getuigenverhoor. De exceptie mist bijgevolg feitelijke grondslag. 8. Artikel 38quinquies van de tuchtwet laat de tuchtoverheid toe “de nuttige getuigenverklaringen die zij nodig acht” te horen, ambtshalve of op verzoek. Zij beslist daar discretionair over in functie van haar verplichting om een zorgvuldig feitenonderzoek te voeren en de feiten die zij aldus bewezen acht, gepast te beoordelen. De rechten van de verdediging garanderen de verzoeker dat hij zich kan verweren ten aanzien van de gegevens die het bestuur in aanmerking neemt om hem te straffen. 9. Het door de verzoeker aangevraagd getuigenverhoor had betrekking op de derde tenlastelegging, die in het inleidend verslag en in het bestreden besluit als volgt wordt omschreven: “(
- c)de ploeg Vanrenterghem/Vanhecke, waarvan Vanrenterghem als ploegoverste fungeerde, ontwikkelde geen enkel initiatief toen zij op het radionet het bericht hoorde dat een andere ploeg een dame moest ophalen die beweerde verkracht te zijn. Zij beschikken over belangrijke informatie m.b.t. het bestaan van een video-bewakingssysteem, doch geven dit niet door aan de postoverste. Evenmin melden zij dat ze korte tijd eerder op die plaats een vrouw gesproken hebben;” en die steunde op de volgende feiten die het bestuur uit het dossier had gehaald: “Tijdens hun voetpatrouille in het domein De Gavers - die blijkbaar ongeveer 2 uur duurde - hebben zij radiofonisch de oproepen inzake deze feiten kunnen volgen. Op geen enkel ogenblik neemt de ploeg Vanrenterghem/ Vanhecke contact op met de postoverste en/of de tussenkomende inspecteurs om hen in te lichten over hun eerdere tussenkomst aldaar en bvb. over het bestaan van een videobewakingssysteem. Op deze beelden zou belangrijke info IX-4540-4/8 kunnen staan en het vrijwaren ervan is essentieel. INP Vanrenterghem zegt dat dit niet zijn taak is maar de taak van de postoverste. Hij heeft evenwel zelf de postoverste niet gemeld dat er een video-bewakingssysteem is en/of dat door hen een dronken dame aangetroffen werd. Verder ontwikkelt hij nog de bizarre logica dat hij als interventieinspecteur op de baan geen initiatief mag nemen.” De verzoeker vroeg aldus het bijkomend verhoor van de volgende personen: “De heer Vanrenterghem vraagt dat de inspecteurs Six en Carteur zouden gehoord worden nopens de tussen hem en de postoverste gevoerde radiocommunicatie en de door de postoverste gegeven opdrachten, dit ten einde te kunnen nagaan welke informatie hij heeft kunnen vernemen via de radiocommunicatie. Hij vraagt tevens hoofdinspecteur Verbinnen te horen nopens de gevoerde radiocommunicatie en de verrichtingen die zij heeft gedaan tot de komst van hoofdinspecteur Servaege. Tevens vraagt hij hoofdinspecteur Servaege te horen betreffende het telefoongesprek waardoor hij in kennis werd gesteld van de feiten, of hij bijkomende opdrachten heeft gegeven aan de postoverste nopens het verder te voeren onderzoek en nopens zijn bevindingen in het door hem gevoerde onderzoek.” Het politiecollege heeft de vraag verworpen omdat: “Overwegende dat de genoemde leden van de lokale politie Gavers reeds eerder, met name in het kader van het strafonderzoek, werden gehoord; Overwegende dat het strafbundel zich in afschrift in het tuchtdossier bevindt en daarvan reeds kopie aan de heer Vanrenterghem werd afgeleverd; Overwegende dat, gelet op de omschrijving van de tuchtrechtelijke tenlaste- leggingen en de stukken zich reeds bevindend in het tuchtdossier, een bijkomend verhoor van voormelden niets wezenlijks kan bijbrengen in verband met de tuchtrechtelijke tenlasteleggingen en aansluitende tuchtprocedure waarin de heer Vanrenterghem betrokken is; Dat er dan ook geen reden is om op het verzoek tot getuigenverhoor in te gaan nu het politiecollege het getuigenverhoor - op voormelde gronden - niet nodig acht”. 10. De regelmatigheid van de weigering om een bijkomend getuigenverhoor te organiseren hangt af van de vraag of de tuchtoverheid op grond van de haar voorliggende gegevens de tenlasteleggingen voor bewezen kon houden. De Raad van State doet wat dat betreft de beoordeling van het bestuur niet over; hij gaat enkel na of de tuchtoverheid met de gegevens waarover zij beschikte in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat de feiten bewezen zijn. Wordt die vraag IX-4540-5/8 bevestigend beantwoord, dan heeft de opgelegde tuchtstraf een deugdelijke grondslag en heeft de weigering om bijkomend getuigen te verhoren geen invloed op de regelmatigheid van de bestreden beslissing. 11. Het tuchtfeit betreft het verwijt aan de verzoeker dat hij geen initiatief genomen heeft om, toen hij vernam dat een andere ploeg een dame moest ophalen die beweerde verkracht te zijn, zijn eigen wedervaren in het sportcentrum Maes - zijn kennis van het videobewakingssysteem en het feit dat hij daar een vrouw gesproken had- ter kennis te brengen van de postoverste of van zijn collega’s die ter plaatse werden gezonden. Het gaat om “een gebrek aan ijver en efficiëntie” en “inertie en gebrek aan initiatief”. 12. De bestreden beslissing overweegt wat het bestaan van de feiten betreft het volgende: “BETREFFENDE HET FEIT (c): Overwegende dat het boven iedere betwisting staat dat de patrouille Vanrenterghem/Vanhecke tijdens haar voetpatrouille in ‘De Gavers’ een oproep hoorde van de postoverste aan de andere ploeg met verzoek zich te begeven naar het Sportcentrum waar een vrouw zou zitten die beweerde verkracht te zijn (zie het verweerschrift van 19.09.2003 en herhaald in het verweerschrift van 02.10.2003) ; Dat in het navolgend PV 101193/03 van 16.03.2003 bijblad 2 de heren Vanrenterghem en Vanhecke duidelijk aangeven dat ze goed begrepen dat het ging over het sportcentrum Maes, sportcentrum waar Vanrenterghem eerder Mevr. Davy Terrijn had ontmoet; Overwegende dat de heer Vanrenterghem in zijn verklaring tegenover de verbalisanten van de Dienst Enquêtes van het comité P stelt ‘Ik herinner me nog dat ik tegen mijn collega de opmerking maakte dat wij net vandaar kwamen.’; Dat er gelet op het voorgaande, uit de eigen verklaring van de heer Vanrenterghem alleen al, blijkt dat: de radiocommunicatie door betrokkene werd gehoord en het essentiële ervan begrepen : er werd een andere ploeg voor een verkrachting naar het Maes Sportcentrum gestuurd; betrokkene niet kon twijfelen aan het feit dat het over het Maes Sportcentrum ging; betrokkene onmiddellijk zichzelf de bedenking maakt in de zin van: eigenaardig ... wij komen net van daar; Dat het gelet op het voormelde niet noodzakelijk was in te gaan op de vraag tot verhoor van de zgn. getuigen Six, Carteur, Verbinnen en Servaege, gezien uit het voorgaande - blijkend uit de eigen verklaring van Vanrenterghem - blijkt dat hij voldoende elementen had om te oordelen te moeten tussenkomen, hetgeen een verhoor van de genoemde getuigen overbodig maakte”. IX-4540-6/8 De verwerende partij beschikte met de eigen verklaringen van de verzoeker over een gedegen bewijs dat hij de radiocommunicatie tussen de postoverste en de andere interventieploeg heeft gehoord en dat hij wist dat die ploeg zich moest verplaatsen naar de plaats waar hij vandaan kwam en waar hijzelf reeds informatie had verzameld. Verder getuigenverhoor was wat dat betreft niet nodig. 13. Het politiecollege toetst vervolgens deze feiten aan de beroeps- plichten van zijn politieambtenaren. De bestreden beslissing overweegt wat volgt: “Overwegende dat de heer Vanrenterghem het ondanks zijn eigen verklaring hiervoor niet noodzakelijk vond om enig initiatief te ontwikkelen en daarbij stelt dat men uit het bericht niet wist waar de verkrachting plaats greep, men het verband niet legde met Terrijn - omdat niets erop wees dat ze verkracht was, en de infodrager reeds bij de postoverste was - zodoende dat deze zeer goed op de hoogte was van de aanwezigheid van een videobewakingssysteem, iets wat wellicht algemeen bekend was; Overwegende dat de aanwezigheid van videobewakingssystemen van openbare gebouwen op de gemeente of op de politiezone niet centraal geregistreerd wordt en aldus niet algemeen bekend is; Overwegende dat moet worden aangenomen dat een ervaren inspecteur die een radiocommunicatie zoals voormeld hoort en bij zichzelf de bedenking maakt zoals voormeld, zich er niet mee mag vergenoegen geen initiatief te nemen, en zich niet mag verschuilen achter de postoverste; Dat het politiecollege van oordeel is dat wanneer betrokkene zich de bedenking maakt in de zin van: wij komen net van daar, hij dan ook de volgende logische stap moet zetten en - ongeacht wat ook op de infodrager zou kunnen staan (nl. een schriftelijke melding of er aan het sportcentrum Maes een videobewakingssysteem is of niet) - betrokkene initiatief moet nemen nu hij bovendien inderdaad ter plekke is geweest en ongetwijfeld een beter zicht heeft op de plaatselijke gesteldheid dan een postoverste die niet ter plaatse is geweest; Dat de verklaring van de heer Vanrenterghem tijdens zijn verhoor voor het comité P ‘Wij als ploeg op de baan mogen geen initatief nemen’ om te verantwoorden dat hij geen inlichtingen verstrekte over zijn kennis van de camerabewaking- als verklaring van een ploegoverste ! - toch wel alles slaat; Dat er inderdaad op geen enkele wijze onderrichtingen zijn die van de politieambtenaar verwachten dat hij een zuiver reactieve houding zou gaan aannemen, zonder enig recht op initiatief ”. Een getuigenverhoor kon het bestuur niets bijbrengen voor die beoordeling. Het gevraagde verhoor betrof immers de vraag of de verzoeker wel voldoende informatie had om zelf een initiatief te nemen en of de postoverste zelf ook geen fouten gemaakt heeft. De eigen verklaring van de verzoeker volstond voor IX-4540-7/8 het antwoord op de eerste vraag. Een antwoord op de tweede vraag was niet relevant om de inbreuk op de beroepsplichten door de verzoeker te beoordelen. 14. De verwerende partij beschikte met de verklaring van de verzoeker over een voldoende bewijskrachtig gegeven om te stellen dat hij over de nodige informatie beschikte om te handelen. Op basis daarvan kon zij een inschatting maken van de tuchtinbreuk en in dat kader was het gevraagde getuigenverhoor niet relevant. 15. Het middel is niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverkla- ring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 13 september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-4540-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.326 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.242 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div