van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, - art. 7 §§1 en 2 van het Koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Doordat in het bestreden arrest het volgende wordt geoordeeld: - Het arrest zet onder de hoofding "4. Gegrondheid van het beroep" vooreerst uiteen wat de grieven van huidig verweerder zijn en — zeer summier — welke de repliek van huidig verzoeker is. - Vervolgens citeert de rechter in vreemdelingenzaken de inhoud van de bepalingen van art.
15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. XIV-31.175-2/13 - Het oordeel van de rechter in vreemdelingenzaken luidt verder als volgt: (...) De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst aldus naar de inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen die terzake van toepassing zijn, en naar de inhoud van het medisch getuigschrift opgesteld door de Belgische arts, en besluit op basis hiervan: "De stelling van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid dat verzoeker nagelaten heeft een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel
, § 1, van de Vreemdelingenwet en de nuttige inlichtingen aangaande haar ziekte over te maken, vindt derhalve geen steun in het administratief dossier." In casu dient evenwel te worden vastgesteld dat uit de initieel bestreden administratieve beslissing duidelijk blijkt dat deze genomen werd op grond van volgend determinerend motief: "De aanvraag ging niet vergezeld van volgende inlichtingen: in de aanvraag wordt geen specifieke diagnose gesteld, noch is er sprake van een specifieke medische behandeling die gegeven wordt of noodzakelijk is." De rechter in vreemdelingenzaken gaat hierop niet in. Hij verwijst naar de summiere vermeldingen in het medisch attest, en besluit hieruit kennelijk dat dit wel een medisch attest is in de zin van artikel
voormeld en dit — het weze benadrukt — zonder hierbij rekening te houden met, of zelfs maar melding te maken van het hierboven vermelde determinerende motief van de initieel bestreden administratieve beslissing. Uit de diverse passages van het arrest, zoals onder meer: - "Door verder de inhoud van het voorgelegde medische attest te bespreken beperkt de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid zijn onderzoek niet tot de ontvankelijkheid van de aanvraag van verzoeker, maar neemt hij een standpunt in over de gegrondheid van deze aanvraag en miskent hij hierbij de bepalingen van artikel
(...)" - "De appreciatie van de aangevoerde medische problematiek komt immers, overeenkomstig artikel
, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet, alleen toe aan een ambte- naar-geneesheer. Enkel deze ambtenaar-geneesheer kan de medische attesten inhoudelijk beoordelen en - indien de medische situatie van de aanvrager onvoldoende duidelijk blijkt uit de overgemaakte medische attesten - een aanvullend onderzoek (laten) doorvoeren (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2478/001, 35). In casu werd de bestreden beslissing echter genomen zonder dat het advies van de ambtenaar- geneesheer werd ingewonnen." blijkt verder dat de rechter in vreemdelingenzaken kennelijk de mening is toegedaan dat in de bestreden beslissing de inhoud van het medisch getuigschrift wordt beoordeeld, terwijl de beoordeling van zulke inhoud niet toekomt aan de gemachtigde, doch wel aan de ambtenaar- geneesheer. Verzoeker betwist geenszins dat de beoordeling en de appreciatie van de inhoud van het medische getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer toekomt. Verzoeker merkt evenwel op dat de gemachtigde op geen enkel ogenblik een inhoudelijke beoordeling van het medisch getuigschrift heeft gemaakt. Dit blijkt allerminst uit de initieel bestreden administratieve beslissing en het is volstrekt onduidelijk — en ongemotiveerd, zie daartoe ook verzoekers tweede middel — waar de rechter in vreemdelingenzaken dit meent te lezen in de initieel bestreden administratieve beslissing. Hoger werd reeds verwezen naar het duidelijke determinerend motief van de initieel bestreden administratieve beslissing, met name dat de aanvraag niet ontvankelijk is conform art. 7 §2 van het K.B. dd. 17.05.2007 gezien de in §1 van dit artikel vermelde documenten en inlichtingen slechts gedeeltelijk werden gevoegd, meer bepaald is er geen sprake van een specifieke diagnose, noch van een specifieke medische behandeling. Dit motief is in rechte onderbouwd, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat hier op geen enkel ogenblik nader op in. Het determinerende motief van de bestreden beslissing vindt nochtans duidelijk steun in de wet en in het K.B., terwijl de rechter in vreemdelingenzaken een verkeerde toepassing heeft gemaakt van deze wettelijke en reglementaire bepalingen, zoals hierna ook zal blijken. Artikel
van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 stipuleert immers dat: "§
, §1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen 1/ hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel
, § 1, derde lid, van de wet,. 2/ een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel
, §1, van de wet; 3/ enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag,. § 2. Onverminderd artikel
, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven." De vreemdeling dient aldus een medisch stuk voor te brengen aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel
. Gezien de concrete inhoud van art.
, noopt de gezamenlijke lezing van art.
7 §1 van het K.B. voormeld tot de vaststelling dat uit het voorgelegde medisch stuk moet blijken dat: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit; OF - de ziekte een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling; EN - er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft. Indien deze stukken niet of slechts gedeeltelijk voorliggen, wordt de aanvraag onontvankelijk verklaard. De door de vreemdeling voorgelegde stukken dienen immers van aard te zijn aan de ambtenaar-geneesheer toe te laten een medisch onderzoek ten gronde te voeren en een appreciatie te doen van de ziekte van de betrokkene, van de ernst van deze ziekte en van de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst. De gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid dient derhalve vooreerst na te gaan of de bij de aanvraag voorgelegde stukken voldoende zijn om aan de ambte- naar-geneesheer toe te laten een inhoudelijk onderzoek te voeren, en verklaart de aanvraag onontvankelijk indien hij vaststelt dat dit niet het geval is. Zowel de wet als het K.B. zijn terzake zeer duidelijk en laten geen appreciatiemarge. Indien aldus op geen enkele wijze wordt vermeld welke de ziekte is van betrokkene en al evenmin welke behandeling de betrokkene dient te volgen, is de ambtenaar-geneesheer in de onmogelijkheid om desbetreffend enig onderzoek te voeren, meerbepaald is deze alsdan niet in staat te beoordelen of er inderdaad voor de betrokkene een 'reëel risico' bestaat in de zin van de wet. Hoe kan de ambtenaar-geneesheer immers een inhoudelijk onderzoek voeren naar de risico's die de ziekte inhoudt en naar de behandelingsmogelijkheden in het land van herkomst op basis van een stuk waar zelfs niet uit blijkt welke deze ziekte is en welke de behandeling is? Welnu, de vaststelling of dergelijke essentiële informatie al dan niet wordt vermeld in het medisch getuigschrift, maakt uiteraard geen deel uit van de appreciatie van het 'reëel risico' door de ambtenaar-geneesheer, maar wél van het onderzoek of alle nuttige inlichtingen `aangaande de ziekte bedoeld in artikel
Vanzelfsprekend hoeft men geen arts te zijn om vast te stellen dat de noodzakelijke informatie over de ziekte en de behandeling in het medisch getuigschrift ontbeert. Het is evident dat zulks niet de beoordeling van de inhoud van het medisch getuigschrift uitmaakt. Indien men de stelling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou doortrekken, zou dit impliceren dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid over geen enkele mogelijkheid zou beschikken om vast te stellen of de betrokkene een medisch getuigschrift heeft voorgebracht aangaande zijn ziekte 'bedoeld in artikel
'. XIV-31.175-4/13 Immers zou de gemachtigde alsdan niet kunnen / mogen lezen of er in het medisch getuigschrift wel alle noodzakelijke informatie vermeld wordt die de ambtenaar-geneesheer nodig heeft. Zodoende zou de gemachtigde nagenoeg geen enkele aanvraag onontvankelijk kunnen verklaren, dit van zodra een medisch getuigschrift — ook al staat er niets in — wordt voorgelegd. Dit is duidelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest en strookt ook niet met de interpretatie en de toepassing die verzoeker sedert het in voege treden van artikel
van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft gemaakt van het ontvankelijkheidsvereiste van een aanvraag o.g.v. artikel
voormeld, in deze interpretatie en toepassing ook gevolgd door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uit het medische getuigschrift dat door verweerster werd voorgelegd, blijkt bijzonder summier: - 'aandoening: chronische kwaal' - 'medische behandeling bezig: ja'; - 'voorziene behandeling: nee'. De inhoud van dit stuk is in het bestreden arrest, op pg. 4, overgenomen, zonder er op enigerlei wijze te worden tegengesproken of in twijfel te worden getrokken, en vermag als zodanig ook in graad van administratieve cassatie te worden vastgesteld. Dit stuk wordt ook als bijlage 3 aan dit verzoekschrift gehecht. Uit dit stuk blijkt derhalve geenszins op duidelijke wijze welke diagnose werd gesteld noch welke behandeling betrokkene dient te volgen, zodat de ambtenaar-geneesheer dan ook onmogelijk kan vaststellen of: - de ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling (welke ziekte?); - er een adequate behandeling voorhanden is in het land van oorsprong (welke behandeling?). Besluitend dient dan ook te worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest met miskenning van de nochtans expliciete inhoud van de wettelijke en reglementaire bepalingen terzake heeft geoordeeld dat het gegeven dat geen enkele diagnose wordt gesteld noch een medische behandeling wordt vermeld niet van aard is om een aanvraag om machtiging tot verblijf o.g.v. art.
van de Wet dd. 15.12.1980 onontvankelijk te verklaren. De verwijzing naar de voorbereidende werkzaamheden in het bestreden arrest is in casu niet dienstig, gezien deze verwijzing betrekking heeft op het medisch onderzoek dat ten gronde wordt gevoerd door de ambtenaar-geneesheer en op de appreciatie van de inhoud van het medisch getuigschrift, aspecten die allen de gegrondheid van de aanvraag betreffen, terwijl dit in casu niet aan de orde is. Aldus miskende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de duidelijke inhoud van de artikelen
van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 door te oordelen dat er wel een medisch getuigschrift in de zin van art.
voorligt en aldus de aanvraag ontvankelijk dient te worden verklaard en door te oordelen dat de gemachtigde van de Minister 'een standpunt inneemt over de gegrondheid van deze aanvraag', ook al laat het voorgelegde medisch getuigschrift aan de ambtenaar-geneesheer niet toe na te gaan welke de diagnose is en of er voor de betrokkene een behandeling voorhanden is. Het eerste middel is gegrond.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In een eerste middel is de verzoekende partij van oordeel dat het bestreden arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, art.
van de Vreemdelingenwet en/of art 7§§1 en 2 van het Koninklijk Besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet, zou hebben geschonden. XIV-31.175-5/13 Het arrest van 30 maart 2009 verwierp de stelling van de verzoekende partij dat geen medisch attest werd ingediend bij haar aanvraag om toepassing van het art
van de Vreemdelingenwet als volgt : (...) In het middel herhaalt de verzoekende partij haar standpunt dat de aanvraag die door de verzoekende partij werd ingediend overeenkomstig art.
van de Vreemdelingenwet, onontvankelijk zou geweest zijn omdat in de aanvraag geen specifieke diagnose zou gesteld zijn en omdat er geen sprake zou zijn van een specifieke medische behandeling, die gegeven wordt of noodzakelijk zou zijn. In de door de verzoekende partij aangehaalde wettelijke bepalingen, met name art.
van de Vreemdelingenwet en art. 7 van het K.B. van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingen- wet, worden deze vereisten allerminst gesteld, zoals terecht wordt geargumenteerd in het bestreden Arrest. Het komt uitsluitend toe aan de Ambtenaar-geneesheer, dienaangaande een advies te verstrekken en in casu werd terecht vastgesteld dat er tot op heden geen advies werd verstrekt, of zelfs maar gevraagd aan de bevoegde Ambtenaar-geneesheer. Het medische attest dat door de verzoekende partij werd ingediend door Dr. Devriendt verwijst uitdrukkelijk naar het attest van Dr. Soatova en dit vermeldt de volgende: diagnose: Ischemische cardioyopatie - onstabiele angora - hartfalen II voorkamerfibrillatie - arteriële hypertensie - nierstenen - Patiënt krijgt behandeling bij cardioloog. (...) laatste behandeling in oktober
, §1 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde. De vreemdeling dient alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte over te maken. De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer [of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde] die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zo nodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen”; Overwegende dat artikel 7, §1 en §2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet, luidt als volgt: “§1 De aanvraag van de machtiging tot verblijf, bedoeld in artikel
, § 1, van de wet, moet ingediend worden door middel van een aangetekend schrijven gericht aan de gemachtigde van de minister. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende documenten en inlichtingen: 1/ hetzij een afschrift van zijn nationaal paspoort of van zijn identiteitskaart, hetzij de motivering die toelaat betrokkene vrij te stellen van deze voorwaarde op grond van artikel
, § 1, derde lid, van de wet; 2/ een medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel
, § 1, van de wet; 3/ enige andere dienstige informatie of enig ander dienstig stuk met betrekking tot zijn ziekte waarover hij beschikt op het moment van de indiening van zijn aanvraag; 4/ het adres van zijn feitelijke verblijfplaats in België. §2 Onverminderd artikel
, § 3, van de wet, verklaart de gemachtigde van de minister de aanvraag onontvankelijk indien de in § 1 vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag werden gevoegd, of indien deze aanvraag niet werd ingediend door middel van een aangetekend schrijven. In het tegenovergestelde geval geeft de gemachtigde van de minister de instructie aan de gemeente om de betrokkene in te schrijven in het vreemdelingenregister, en hem in het bezit te stellen van een attest van immatriculatie model A. Dit attest wordt ingehouden indien de betrokkene zonder geldige reden geen gevolg geeft aan een uitnodiging van de behandelende ambtenaar-geneesheer of deskundige”; Overwegende dat uit de samenlezing van de voormelde bepalingen blijkt dat de verwerende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf in de volgende gevallen niet-ontvankelijk verklaart: - in de gevallen opgesomd in artikel
van de Vreemdelingenwet, - indien de in §1 van artikel 7 van het voornoemd koninklijk besluit vermelde documenten en inlichtingen niet of slechts gedeeltelijk bij de inleidende aanvraag zijn gevoegd, - indien de aanvraag niet met een aangetekend schrijven werd verstuurd; XIV-31.175-7/13 Overwegende dat de verzoekende partij de aanvraag om machtiging tot verblijf bijgevolg niet-ontvankelijk verklaart overeenkomstig artikel 7 § 1, van het koninklijk besluit van 17 mei 2007, indien bij de aanvraag van de vreemdeling geen “medisch getuigschrift aangaande zijn ziekte bedoeld in artikel
, §1, van de wet”, is gevoegd; dat de vraag evenwel rijst wat onder het medische getuigschrift omtrent de ziekte bedoeld in artikel
, §1, dient te worden verstaan, en meer in het bijzonder of dit attest reeds de medische behandeling dient te vermelden; Overwegende dat artikel
, eerste lid, van de Vreemdelingenwet melding maakt van een in België verblijvende vreemdeling die op zodanige wijze lijdt aan “een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of zijn fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft”; dat hieruit blijkt dat het moet gaan om een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit van de aanvrager of een ziekte die een reëel risico inhoudt voor een onmenselijke of vernederende behandeling én dat er geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar hij verblijft; Overwegende dat artikel
, tweede lid, van de Vreemdelingenwet stelt dat de vreemdeling alle nuttige inlichtingen omtrent zijn ziekte dient over te maken; dat deze bepaling enkel spreekt over “alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte”, maar dat zij niet preciseert over welke inlichtingen het gaat; dat artikel 7, §1, 2/ van het koninklijk besluit van 17 mei 2007 evenmin voorwaarden oplegt waaraan het medische getuigschrift dient te voldoen; dat bijgevolg noch uit de wet, noch uit het koninklijk besluit van 17 mei 2007 volgt dat uit het door de aanvrager neergelegde medische getuigschrift moet blijken welke behandeling wordt gevolgd of moet worden gevolgd; dat de verzoekende partij derhalve ten onrechte stelt dat haar stelling dat het medisch getuigschrift reeds dient te vermelden welke behandeling de betrokkene volgt of dient te volgen, steun vindt in zowel de wet als het koninklijk besluit; Overwegende dat in de memorie van toelichting betreffende het wetsontwerp tot wijziging van de Vreemdelingenwet, waarbij artikel
wordt ingevoegd, wordt uiteengezet dat “het onderzoek van de vraag of er een gepaste en voldoende toegankelijke behandeling bestaat in het land van oorsprong of verblijf (...) geval per geval (gebeurt), rekening houdend met de individuele situatie van de aanvrager, en wordt geëvalueerd binnen de limieten van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens” en dat “de appreciatie van de bovenvermelde elementen wordt overgelaten XIV-31.175-8/13 aan een ambtenaar-geneesheer die een advies verstrekt aan de ambtenaar die de beslissingsbevoegdheid heeft over de verblijfsaanvraag”; dat het bijgevolg de ambtenaar- geneesheer is die, naast de ernst van de ziekte, zal onderzoeken of er een adequate behandeling voor deze ziekte bestaat in het land van oorsprong of verblijf, desnoods na advies te hebben ingewonnen bij deskundigen; dat hij in dit kader zelf zal nagaan welke de gepaste behandeling is; dat het geenszins noodzakelijk is dat deze informatie reeds is vermeld in het medische getuigschrift; dat, indien de behandeling reeds zou moeten worden aangegeven in het medische attest, de ambtenaar-geneesheer zou zijn gebonden door de door de behandelende arts van de vreemdeling aangegeven behandeling, hetgeen onverenigbaar is met zijn ruimere appreciatiebevoegdheid; dat, aangezien de ambtenaar- geneesheer niet gebonden kan worden geacht door deze behandeling, het evenmin noodzakelijk is dat deze behandeling, hoewel het nuttige informatie kan zijn, reeds wordt vermeld; dat een bepaalde medische toestand bovendien in de loop van de behandeling van de aanvraag kan evolueren en dat zeker niet alleen de toestand en de eventuele behandeling of behandelingsplan op het ogenblik van de aanvraag in beschouwing moeten worden genomen; Overwegende dat uit artikel
, §1, tweede lid van de vreemdelingenwet blijkt dat de beoordeling van de mogelijkheid of de noodzaak van een medische behandeling alleen toekomt aan de ambtenaar-geneesheer; dat bijgevolg het ontbreken van informatie omtrent de medische behandeling op zichzelf geen aanleiding kan geven tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag overeenkomstig artikel 7, §2 van het koninklijk besluit van 17 mei 2007; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, evenals van art. 7 §§1 en 2 van het K.B. dd. 17.05.2007 voormeld. - Verder verwijst de rechter in vreemdelingenzaken naar de inhoud van het medisch attest, en besluit hij hieruit: "De stelling van de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid dat verzoekster nagelaten heeft een medisch getuigschrift aangaande haar ziekte bedoeld in artikel
, § 1, van de Vreemdelingenwet en de nuttige inlichtingen aangaande haar ziekte over te maken, vindt derhalve geen steun in het administratief dossier. " - De rechter in vreemdelingenzaken vervolgt: "Door verder de inhoud van het voorgelegde medische attest te bespreken beperkt de gemachtigde van de minister van Migratie- en asielbeleid zijn onderzoek niet tot de ontvankelijkheid van de aanvraag van verzoekster, maar neemt hij een standpunt in over de gegrondheid van deze aanvraag en miskent hij hierbij de bepalingen van artikel
van de Vreemdelingenwet." Over de opmerkingen en repliek van de oorspronkelijk verwerende partij (huidig verzoeker) in de nota met opmerkingen dd. 10 februari 2009 wordt met geen woord gerept. In fine van het bestreden arrest oordeelt de rechter in vreemdelingenzaken weliswaar: "Het feit dat verweerder nog aangeeft dat het toegelaten is om geen rekening te houden met een Oezbeeks medisch attest aangezien dit niet in originele vorm werd voorgelegd, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat wel degelijk ook een door een Belgisch arts opgesteld medisch getuigschrift werd voorgelegd waaruit een medische problematiek en de gevolgen van deze problematiek blijken." Deze vaststelling heeft evenwel betrekking op de repliek van toenmalig verweerder nopens het vertaalde Oezbeekse attest dat werd voorgelegd. De repliek van toenmalig verweerder nopens het medisch attest van de Belgische arts wordt door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volledig naast zich neergelegd. Op geen enkel ogenblik blijkt dat de rechter in vreemdelingenzaken het door verzoeker desbetreffend in zijn nota met opmerkingen gevoerde betoog heeft onderzocht, laat staan beoordeeld. In het arrest komt geen enkel motief naar voor dienaangaande. Bovendien is het bestreden arrest eveneens gebrekkig gemotiveerd waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder meer oordeelt dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid in de initieel bestreden administratieve beslissing 'de inhoud van het voorgelegde medisch attest bespreekt' en 'een standpunt inneemt over de gegrondheid van de aanvraag', terwijl allerminst blijkt hoe zulks valt af te leiden uit de inhoud van de initieel bestreden administratieve beslissing. Indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot bepaalde vaststellingen komt, dient hij duidelijk te motiveren waarom hij tot zulke vaststellingen komt, teneinde aan verzoeker toe te laten zich hierop te verweren. Uit geen enkel element of stuk blijkt om welke redenen de rechter in vreemdelingenzaken meent dat de gemachtigde van de federale Minister van Migratie- en Asielbeleid 'de inhoud van het medisch getuigschrift heeft beoordeeld. Deze motivering is bovendien onjuist en vindt steun in geen enkel stuk van het dossier. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient als administratief rechtscollege echter te voldoen aan de motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet, alsook van art. 39/65, eerste lid, van de Wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.) Als administratief rechtscollege heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een jurisdictionele motiveringsplicht, hetgeen inhoudt dat elk ontwikkeld middel afzonderlijk en pertinent dient te worden onderzocht en beantwoord. Als administratief rechtscollege dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te voldoen aan de strenge motiveringsvereisten van art. 149 van de Grondwet. (Cass. 9 oktober 1959, Arr. Verbr. 1960, concl. en Pas. 1960, I, 170 concl.; ALEN, A., Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1999, nr. 286 C: "De motiveringsplicht wordt beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel, dat moet worden nageleefd door elke rechter, niet alleen door de XIV-31.175-10/13 gewone hoven en rechtbanken, maar ook door de administratieve en andere rechtscolleges, zelfs wanneer de wetten er niet uitdrukkelijk een verplichting daartoe heeft opgelegd".) De motivering van vonnissen is een wezenlijke waarborg tegen willekeur en geldt als bewijs dat de rechter de hem voorgelegde middelen zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak beredeneerd heeft (Cass., 12 mei 1932, Pas. 1932, I, 166). De verplichting tot motiveren is een vormvereiste. Aan deze verplichting wordt evenwel niet voldaan, indien zij het Hof van Cassatie niet toelaat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen (Cass., 19 oktober 2000). Uit de motieven van het aangevochten arrest blijkt allerminst of de rechter in vreemdelingenzaken al dan niet het verweer van verzoeker, zoals uiteengezet in dé nota met opmerkingen van 10 februari 2009, in overweging heeft genomen, laat staan beoordeeld. De rechter in vreemdelingenzaken antwoordt niet eens op dit verweer, zelfs niet summier. Art. 780 Ger. W. schrijft voor dat een vonnis op straffe van nietigheid het antwoord op de conclusie of middelen van de partij bevat. Gezien art. 149 Grondwet, minstens het daaruit afgeleide algemeen beginsel van motivering, ook geldt voor administratieve rechtscolleges, dient een administratief rechtscollege een equivalente waarborg te bieden. Cfr. overigens specifiek art. 57/22 Wet van 15 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.