id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.340 Rolnummer: A. 182626/X-13255 Zaak: Arrest 207340 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:08 Fiche Arrest nr 207.340 van 14 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.340 van 14 september 2010 in de zaak A. 182.626/X-13.255. In zake: de n.v. CONOCOPHILLIPS BELGIUM, thans de n.v. LUKOIL BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Mallien kantoor houdend te 2000 ANTWERPEN Meir 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Claes kantoor houdend te 2550 KONTICH Mechelsesteenweg 160 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 april 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 19 februari 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende toekenning aan het “Ministerie Vlaamse Gemeenschap Afdeling Wegen en Verkeer” van de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning tot het uitvoeren van wegeniswerken in het kader van het “Wegwerken van gevaarlijke kruispunten en weg(vakken) in Vlaanderen” op een goed met als ligging “Ringlaan-Geelseweg-Aarschotseweg-Vennen” te Herentals, kadastraal bekend sectie C, nrs.564/r, 572/a2, 572/c2, 572/d, 573/f, 565/l3, 565/d4, 565/s3, 565/p3, 566/e, 567/c, 579/w, 578/h, 596/d, 595/f, 716/v2, 716/e, 722/c, 724/n, 576/f, 596/c en 721/k, en sectie D, nr. 727/k. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.255-1/11 Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Natasja De Splenter, die loco advocaat Pascal Mallien verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Anneleen Claes, die loco advocaat Johan Claes verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij beslissing van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is, als rechtsopvolger van de n.v. SOCIETE EUROPEENNE DE CARBURANTS (hierna : n.v. SECA), huurder van een perceel grond gelegen aan de Aarschotseweg/Hannekenshoek, kadastraal bekend sectie C, nr. 721/f. Aan de n.v. SECA wordt op 27 juni 1996 een milieuvergunning toegekend voor het exploiteren van een benzinestation op het voormelde perceel, en dit voor een termijn van 20 jaar. Het betrokken perceel waarop het tankstation is gevestigd, ligt aan de Aarschotseweg, waarop het bestreden besluit betrekking heeft. 3.2. Op 31 maart 2006 (datum van het ontvangstbewijs) ontvangt de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, in toepassing van artikel 127 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, X-13.255-2/11 vanwege de afdeling Wegen en Verkeer - Antwerpen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de aanvraag tot een stedenbouwkundige vergunning voor de herinrichting van de volgende kruispunten te Herentals : “N13 Geelseweg - N152 Aarschotseweg N153 Ringlaan - N13 Geelseweg N152 Aarschotseweg - Vennen”. De percelen waarop de aanvraag betrekking heeft zijn volgens het bij koninklijk besluit van 28 juli 1978 vastgestelde gewestplan Herentals-Mol gelegen in gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en ambachtelijke bedrijven, woongebied, parkgebied, bufferzone, waterweg en langsheen een hoofdverkeersweg. De betrokken percelen zijn niet gelegen binnen een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling. 3.3. De werken waarvoor de vergunning wordt gevraagd kaderen in het project “Wegwerken gevaarlijke kruispunten en wegvakken in Vlaanderen”. Wat de Aarschotseweg betreft, wordt het wegsegment teruggebracht van een 2x2- profiel naar een 1x2-profiel. Bij de herprofilering van deze weg is geopteerd voor een scheiding van het doorgaand verkeer en het bestemmingsverkeer. Dit impliceert dat gewerkt wordt met ventwegen. Voor de ontsluiting van de aangelanden geldt het principe van een éénrichtingsventweg. Dit betekent dat er dient voorzien te worden in keerbewegingen op de Aarschotseweg. 3.4. Na het inwinnen van de relevante adviezen en na de organisatie van twee openbare onderzoeken, verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 19 februari 2007 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden. Dit is het thans bestreden besluit. IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen 4.1. De verzoekende partij omschrijft haar belang als volgt in het verzoekschrift : “Verzoekster heeft een persoonlijk, rechtstreeks, actueel, geoorloofd en materieel belang bij de vernietiging van het aangevochten besluit. X-13.255-3/11 Verzoekster is immers eigenares van het handelsfonds van het brandstoffenstation te Herentals, Aarschotseweg 22/2 en is dan ook aanpalend aan het perceel waarop de stedenbouwkundige vergunning is verleend. Zoals reeds aangehaald onder de punt 1 (feiten en voorgaanden) zal de Aarschotseweg, Hannekenshoek en de brug over het Albertkanaal heraangelegd worden. Over het belang van verzoekster kan derhalve niet geredetwist worden met betrekking tot het aanvechten van de stedenbouwkundige vergunning van 19 februari 2007”. 4.2. De verwerende partij werpt de volgende exceptie op in de memorie van antwoord : “Betreffende het belang dient evenwel het volgende opgemerkt te worden: Verzoekster, die haar zetel heeft in Vilvoorde stelt zich voor als eigenares van het handelsfonds van het brandstoffenstation te Herentals (...); Zij zou de exploitant (niet de gerant) zijn van het benzinestation (...); Een beroep tegen een stedenbouwkundige vergunning kan enkel uitgaan van de eigenaar of de bewoner van het perceel, waarvan de toestand door de vergunde werken nadelig zou beïnvloed worden; Het belang moet van stedenbouwkundige aard zijn; Zo verzoekster in casu al een belang zou hebben, komt het voor dat haar belang niet van stedenbouwkundige aard is, doch enkel en alleen van commerciële aard; Verzoekster omschrijft haar belang immers aldus (...): Verzoekster werd nu geconfronteerd met eerst de aanleg van een fietspad, een herinrichting van de Aarschotseweg en de aansluiting van Hannekenshoek - Aarschotseweg op de brug over het Albertkanaal. Hierdoor dient zelfs een gedeelte van het perceel van verzoekster onteigend te worden zodat de aansluiting op de brug van Albertkanaal nog kan gebeuren. Het laatste gedeelte van groen dat nog aanwezig is op het perceel van verzoekster wordt nu vervangen door een weg. Eveneens zal door de verhoging van de boogbrug over het Albertkanaal verzoekster een ander uitzicht krijgen en vermoedelijk ook toename van de geluidshinder. Deze aspecten werden geenszins onderzocht door de vergunningverlenende overheid in de bestreden vergunning. Verder zullen de wagens afkomstig van het benzinestation niet meer de Aarschotseweg kunnen oversteken zoals nu het geval is, wat dus een bijkomende probleem vormt ten aanzien van de uitbating van het benzinestation. Hierbij dient eveneens opgemerkt dat voor geen van deze elementen enig (begin van) bewijs wordt voorgebracht, minstens geen enkele concrete verduidelijking, t.t.z. vergelijking met de huidige toestand (b.v. het cliënteel van het benzinestation kan ook in de huidige toestand niet zomaar om het even waar van op de hoofdweg het benzinestation oprijden, laat staan de hoofdweg oversteken), terwijl anderzijds het verwonderlijk is te moeten vaststellen dat een exploitant van een benzinestation zich komt beklagen over de vermindering ven groen, de toename van geluids- (dus verkeers-)overlast, e.d.”. X-13.255-4/11 Beoordeling 5.1. In het verzoekschrift vermeldt de verzoekende partij bij de uiteenzetting van haar belang bij de gevraagde vernietiging, dat zij “eigenares (
- is)van het handelsfonds van het brandstoffenstation te Herentals, Aarschotseweg 22/2 (...) aanpalend aan het perceel waarop de stedenbouwkundige vergunning is verleend”. Bij de feitenuiteenzetting en de uiteenzetting van het derde middel in het verzoekschrift vermeldt zij dat zij exploitant is van het voormelde brandstoffenstation. Deze hoedanigheid wordt door de verwerende partij niet betwist. 5.2. Uit de feitenuiteenzetting blijkt dat het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning verleent voor de herinrichting van onder meer de Aarschotseweg, waarbij er voorzien wordt in een herprofilering van het wegsegment, met de aanleg van ventwegen. De gevraagde herinrichting impliceert dus een wijziging van de bestaande plaatselijke ordening van het betrokken gebied. Aangezien het bestreden besluit een wijziging aanbrengt in de ordening van de onmiddellijke omgeving van het tankstation, grenzend aan de Aarschotseweg, waarvan de verzoekende partij de exploitant is en zij zich door die wijziging gegriefd weet, beschikt zij over het rechtens vereiste belang om het bestreden besluit aan te vechten. De exceptie wordt verworpen. V. Gegrondheid Standpunt van de partijen 6. De verzoekende partij voert een eerste middel aan dat als volgt luidt : “6.1. Eerste middel : Schending van het artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en artikel 5.1.0 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen 6.1.1. Algemeen Doordat, De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar kennelijk heeft nagelaten te onderzoeken welke de impact is van de heraanleg van de Aarschotseweg, de X-13.255-5/11 aansluiting van de Aarschotseweg - Hannekenshoek op de brug over het Albertkanaal en de aanleg van een fietspad in KMO - zone op de goede plaatselijke aanleg; dat het in bestreden besluit de Aarschotseweg en het fietspad gelegen zijn in woongebied en gebied voor ambachtelijke bedrijven. Terwijl, De vergunningverlenende overheid steeds moet nagaan of een aanvraag verenigbaar en bestaanbaar is met de goede aanleg van de plaats, in casu het woongebied, en de Raad van State moet beoordelen of de overheid die appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, d.w.z. of de inwilliging van de aanvraag steunt op een correcte beoordeling van haar gegevens en van de gesteldheid van de plaats; in woongebieden geen fietspaden, bijkomende aanleg van aansluiting op de brug toegestaan worden, tenzij zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving (artikel 5.1.0. van het koninklijk besluit van 28 december 1972). De vergunningverlenende overheid mag geen onevenredige lasten of beperkingen opleggen en zij zowel belangen van de rechtsonderhorigen moet ontzien als het algemeen belang dit toelaat en zij op een zorgvuldige wijze haar besluit tot stand moet brengen. 6.1.2. Toelichting 6.1.2.1. Eerste onderdeel Het artikel 5.1.0. van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 omschrijft de woongebieden als volgt: ‘De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in daartoe aangewezen gebied moet worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving’. Het artikel 5.1.0. van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 voorziet in twee voorwaarden om bepaalde voorzieningen en inrichtingen toe te laten met name bestaanbaar zijn met het woongebied en verenigbaar zijn met de onmiddellijk omgeving. Volgens de bestreden stedenbouwkundige vergunning zijn de werken gelegen in woongebied, in gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en ambachtelijke bedrijven, parkgebied, bufferzone, waterweg volgens het Gewestplan Herentals - Mol. De bestreden beslissing stelt vast dat : ‘De aanvraag principieel in overeenstemming is met het geldende plan, zoals hoger omschreven. De infrastructuur wordt voorzien langsheen de hoofdverkeersweg. De aanleg van een fietspad hoort bij de bestemming van hoofdverkeersweg. De aanleg van de fietshellingen naar de tunnels nemen meer ruimte in beslag maar werden gesitueerd binnen de KMO - zone en zijn hiermee in overeenstemming’. De bestreden beslissing kent een vergunning toe voor onder meer de aanleg van een fietspad in KMO -zone, met zelf grondinnames, de heraanleg van verschillende wegen in woongebied en de aansluiting van de Hannekenshoek - Aarschotseweg op de brug over het Albertkanaal gelegen in woongebied. Allereerst dient opgemerkt te worden dat de vergunningverlenende overheid geenszins in het bestreden besluit vaststelt dat de geplande werken vallen onder openbare nutsvoorzieningen en dat dus dient vastgesteld te worden dat de aanleg van een fietspad gebeurt in KMO zone zonder dat een fietspad onder de algemeen aanvaarde definitie van een ambacht en kleinbedrijf zou vallen. Vervolgens had de vergunningverlenende overheid moeten nagaan of de geplande werken wel verenigbaar zijn met de onmiddellijk omgeving. Door het X-13.255-6/11 stellen dat de aanvraag principieel in overeenstemming is met het geldende plan en de infrastructuur voorzien wordt langsheen een hoofdverkeersweg is niet voldoende om aan te tonen dat de werken verenigbaar zijn met de onmiddellijk omgeving. Verzoekster werd nu geconfronteerd met eerst de aanleg van een fietspad, een herinrichting van de Aarschotseweg en de aansluiting van Hannekenshoek - Aarschotseweg op de brug over het Albertkanaal. Hierdoor dient zelfs een gedeelte van het perceel van verzoekster onteigend te worden zodat de aansluiting op de brug van Albertkanaal nog kan gebeuren. Het laatste gedeelte van groen dat nog aanwezig is op het perceel van verzoekster wordt nu vervangen door een weg. Eveneens zal door de verhoging van de boogbrug over het Albertkanaal verzoekster een ander uitzicht krijgen en vermoedelijk ook toename van de geluidshinder. Deze aspecten werden geenszins onderzocht door de vergunningverlenende overheid in de bestreden vergunning. Verder zullen de wagens afkomstig van het benzinestation niet meer de Aarschotseweg kunnen oversteken zoals nu het geval is, wat dus een bijkomende probleem vormt ten aanzien van de uitbating van het benzinestation. De hinder door de aanleg van een ventweg met een 2 x1 strook van verkeer, fietspaden, tunnels voor fietsen, verhogen van de boogbrug over het Albertkanaal, ... veroorzaakt dus bijkomende hinder die niet bestaanbaar is met de woonfunctie of de functie van KMO en ambtelijke bedrijven en is dus in strijd met artikel 5.1.0 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972. Bovendien is de verenigbaarheid van de vergunde werken met de onmiddellijke omgeving niet onderzocht geweest. Het eerste onderdeel is gegrond. 6.1.2.2. Tweede onderdeel Tevens dient gesteld te worden dat de bestreden vergunning in strijd is met het evenredigheidsbeginsel- en proportionaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat de vergunningverlenende overheid aan de rechtsonderhorigen, gelet op het nagestreefde doel van algemeen belang, geen onevenredige lasten of beperkingen mag opleggen. De vergunningverlenende overheid heeft de taak om de belangen van de rechtsonderhorige te ontzien als het algemeen belang dit toelaat. Nu werden door het toekennen van de stedenbouwkundige vergunning de belangen van verzoekster geschaad aangezien de toegankelijkheid van het perceel kennelijk wordt verminderd door de geplande heraanleg, in het bijzonder de herinrichting van de Aarschotseweg als ventweg. De vergunningverlenende overheid heeft geenszins de impact hiervan ingeschat voor verzoekster, wat op z’n minst in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. In de stedenbouwkundige vergunning is geenszins rekening gehouden met de realiteit, zodat deze op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Het evenredigheidsbeginsel, proportionaliteitsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel zijn derhalve geschonden waardoor het tweede onderdeel van het eerste middel gegrond is. 6.1.2.3. Derde onderdeel Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 moet voor elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor een of meer bestuurden in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en moet deze motivering tevens afdoende zijn. Toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede ruimtelijke ordening volgt dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband X-13.255-7/11 houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt. De stedenbouwkundige vergunning stelt dat de werken gelegen zijn in woongebied, gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en ambachtelijke bedrijven, parkgebied, bufferzone, waterweg. De stedenbouwkundige vergunning overweegt met betrekking tot de ruimtelijke ordening het volgende: ‘Het is duidelijk dat door de concepten en ingrepen, artikel 4 van het decreet van ruimtelijke ordening en artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 niet word(
- en)geschonden. Dit houdt in dat rekening houdend met alle elementen: inrichting, ontwerpconcepten, materiaal, vormgeving, omgevingsfactoren e.d. de goede plaatselijke ruimtelijk ordening niet wordt geschaad’. Terwijl de vergunningverlenende overheid had moeten nagaan of de aanvraag verenigbaar is met de goede aanleg van de plaats, in casu woongebied, bufferzone, parkgebied, waterweg en KMO zone. Vermits Uw Raad zijn beoordeling van de eisen van de plaatselijke aanleg of goede ruimtelijke ordening niet vermag in de plaats te stellen van die van de vergunningverlenende overheid, dat hij in de uitvoering van zijn wettigheidtoezicht enkel bevoegd is na te gaan of de vergunningverlene(nde) overheid bij het verlenen of het weigeren van de vergunning is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, in het bijzonder of zij deze correct heeft beoordeeld en zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de geplande werken al dan niet verenigbaar zijn met de eisen van de goede plaatselijke aanleg of een behoorlijke ruimtelijke ordening, is een afdoende motivatie in rechte en in feite absoluut noodzakelijk. De bestreden beslissing kent onder meer de aanleg van fietspaden, tunnels voor de fietspaden toe in woongebieden en KMO - zone maar eveneens ook de heraanleg van de wegen in bufferzone, parkgebied. Aangezien er geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en het gebied evenmin gelegen is binnen een vergunde verkaveling, is het de taak van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening (...). Dat (...) het louter stellen dat ‘rekening houdend met alle elementen: inrichting, ontwerpconcepten, materiaal, vormgeving, omgevingsfactoren e.d. de goede plaatselijke ruimtelijk ordening niet wordt geschaad’ niet afdoende is. Het bestreden besluit heeft geenszins de impact van de bouwaanvraag onderzocht op de bestaande woningen in de onmiddellijk omgeving, de bestaande handelszaken waaronder die van verzoekster, het parkgebied, de bufferzone en de waterweg. Het bestreden besluit is geenszins gesteund op voldoende concrete gegevens en is ook niet zorgvuldig gebeurd. Dit valt eveneens af te lezen uit het advies van de afdeling Agentschap Natuur en Bos van 26 (april) 2004: ‘In de voorliggende plannen gebeurt ons inziens een bijkomende grondinname op bepaalde locaties in parkgebied, bufferzone en een bestaande bosje in industriegebied. In principe zijn dergelijke werken niet verenigbaar met de gewestplanbestemming. Uit de voorliggende plannen kan niet duidelijk worden opgemaakt over welke oppervlaktes het gaat en welke compenserende beplantingen voorzien zijn voor de te rooien groenelementen’. Het verwijzen naar de inrichting en ontwerpconcepten is dus niet afdoende aangezien deze blijkbaar voor interpretatie vatbaar zijn. De Raad van State zal moeten besluiten dat de bestreden vergunning van 19 februari 2007 niet afdoende gemotiveerd is. X-13.255-8/11 Een afdoende motivering is immers ‘een motivering die haar doel bereikt’, nl. een motivering die verzoekster in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de beslissing is genomen (...). Zo wordt nergens in de stedenbouwkundige vergunning van 19 februari 2007 aangehaald dat de werken betrekking hebben op openbare voorzieningen of wordt nergens het artikel 20 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 ingeroepen door de vergunningverlenende overheid. Verder dient ook nog vastgesteld te worden dat de juridische feiten evenmin correct worden gesteld. Zoals reeds hierboven geciteerd zijn de werken gelegen in woongebied, KMO-zone, bufferzone, parkgebied en waterweg volgens het Gewestplan. Nu stelt de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar in de motivering omtrent de grondinnames vast dat deze gelegen zijn in industriegebied. Nochtans wordt bij de beschrijving van de ligging van het goed volgens het gewestplan geenszins industriegebied vermeld. Hierdoor zijn de feiten dus niet correct weergegeven en is de toegekende stedenbouwkundige vergunning geenszins afdoende gemotiveerd. Het derde onderdeel is dan ook gegrond. 6.1.2.4. Besluit Het eerste middel is in al haar onderdelen gegrond”. Beoordeling 7.1. De verzoekende partij voert in het derde onderdeel van het eerste middel aan dat de motivering in het bestreden besluit aangaande de toetsing van de aanvraag aan de goede ruimtelijke ordening niet afdoende is. 7.2. Zolang er voor het gebied geen bijzonder plan van aanleg bestaat of geen verkavelingsvergunning is verleend, is de vergunningverlenende overheid ertoe gehouden geval per geval te onderzoeken of de vergunning de goede aanleg van de plaats niet in het gedrang brengt. 7.3. Luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Die motivering moet “afdoende” zijn. Wat betreft de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede plaatselijke ordening, moet de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt. X-13.255-9/11 Het komt aan de Raad van State niet toe zijn beoordeling van een goede plaatselijke aanleg in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de aangevraagde vergunning verenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg. 7.4. Het bestreden besluit bevat ter zake de volgende relevante motivering : “Het is duidelijk dat door de concepten en de ingrepen, artikel 4 van het decreet op de ruimtelijke ordening en artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 niet word(
- en)geschonden. Dit houdt in dat rekening houdend met alle elementen: inrichting, ontwerpconcepten, materiaal, vormgeving, omgevingsfactoren e.d. de goede plaatselijke ruimtelijke ordening niet wordt geschaad”. De verwijzing, in algemene zin, naar “de concepten en de ingrepen”, evenals de vermelding, op een niet-limitatieve wijze, van de elementen “inrichting, ontwerpconcepten, materiaal, vormgeving, omgevingsfactoren e.d.”, zonder in het bestreden besluit een concrete verduidelijking te geven betreffende deze elementen en zonder deze te toetsen aan de ordening in de onmiddellijke omgeving, maken dat de motivering van het bestreden besluit beperkt is tot een loutere stijlformule. Het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt het besluit van 19 februari 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende toekenning aan het “Ministerie Vlaamse Gemeenschap Afdeling Wegen en Verkeer” van de voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning tot het uitvoeren van wegeniswerken in het kader van het “Wegwerken van gevaarlijke kruispunten en weg(vakken) in Vlaanderen” op een goed met als ligging “Ringlaan- Geelseweg-Aarschotseweg-Vennen” te Herentals, kadastraal bekend sectie C, nrs.564/r, 572/a2, 572/c2, 572/d, 573/f, 565/l3, 565/d4, 565/s3, 565/p3, 566/e, X-13.255-10/11 567/c, 579/w, 578/h, 596/d, 595/f, 716/v2, 716/e, 722/c, 724/n, 576/f, 596/c en 721/k, en sectie D, nr. 727/k. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.255-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.340 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div