← België

Arrest 207342 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.342 Rolnummer: A. 184708/X-13401 Zaak: Arrest 207342 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:08 Fiche Arrest nr 207.342 van 14 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.342 van 14 september 2010 in de zaak A. 184.708/X-13.

  1. In zake:
  2. Joseph GROUWELS
  3. Bernadette MIGNON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kevin Loyens kantoor houdend te 3770 RIEMST Tongersesteenweg 36, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Lieve Dehaese kantoor houdend te 3500 HASSELT Luikersteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de stad HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 HASSELT de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 7 augustus 2007, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 21 maart 2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de provincie Limburg houdende toekenning van de stedenbouwkundige vergunning aan de stad Hasselt voor het bouwen van jeugdlokalen en afbreken van een oud lokaal te Kuringen, Prinsenhofweg, kadastraal bekend sectie B, nr. 118/d. X-13.401-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 179.522 van 12 februari 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 september
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
  7. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valerie Schippers, die loco advocaat Kevin Loyens verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Nicolas D’haenens, die loco advocaat Lieve Dehaese verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. X-13.401-2/7 III. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 3.
  9. Aangaande de tijdigheid van het beroep tot nietigverklaring stellen de verzoekende partijen het volgende in het verzoekschrift: “De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring moeten ingesteld worden binnen de termijn van zestig dagen nadat de bestreden beslissing, reglement of besluit werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden, gaat de termijn slechts in met de dag waarop de verzoeker er (feitelijk) kennis van heeft. In casu diende de bestreden beslissing noch bekendgemaakt noch betekend te worden aan verzoekers. De vordering van verzoekers werd aldus ingesteld binnen de termijn van zestig dagen na feitelijke kennisname van de bestreden beslissing. De vordering is derhalve tijdig”. 3.
  10. De verwerende partij werpt dienaangaande het volgende op in de memorie van antwoord: “Bij besluit van 21.03.2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar werd aan de stad HASSELT een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het bouwen van jeugdlokalen en afbreken van een oud jeugdlokaal. Bij verzoekschrift, ingediend op 07.08.2007, vorderen de verzoekende partijen de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21.03.2007 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. In het verzoekschrift stellen de verzoekende partijen inzake de tijdigheid van hun vordering : ‘(...) De vordering van verzoekers werd aldus ingesteld binnen de termijn van zestig dagen na feitelijke kennisname van de bestreden beslissing.’ Zij laten evenwel na enige verduidelijking te verschaffen inzake de wijze waarop zij kennis genomen hebben van het bestreden besluit. Evenmin wordt aangegeven op welk tijdstip zij kennis genomen hebben van de bestreden beslissing. Het verzoekschrift werd ruim 4 maanden na het tijdstip van het besluit dd. 21.03.2007 ingediend”. 3.
  11. De verzoekende partijen repliceren hierop in de memorie van wederantwoord dat de “termijn van 60 dagen (...) slechts (kan) beginnen te lopen op (het) moment dat verzoekers voldoende kennis hadden van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissing”, dat hun vordering “tijdig (werd) ingesteld” en dat “verweerder het tegendeel (niet) (bewijst)”. X-13.401-3/7 3.
  12. In de memorie tot tussenkomst werpt de tussenkomende partij de volgende exceptie op: “De tussenkomende partij heeft in het kader van de schorsingsprocedure in de loop van de procedure een aanvullend stuk toegevoegd aan haar dossier (...). Het betreft een schrijven d.d. 28 mei 2007 van de verzoekende partij gericht aan de Burgemeester van de Stad Hasselt. Deze brief werd niet per post verzonden en werd dan ook niet gerepertorieerd in de administratie van tussenkomende partij. De brief werd allicht afgegeven aan de Burgemeester van de stad Hasselt naar aanleiding van een persoonlijk onderhoud. De brief werd niet in het dossier geklasseerd en is pas in de loop van de behandeling van de schorsingsprocedure opgedoken. Uit het betreffende stuk blijkt dat verzoekende partij reeds meer dan 60 dagen feitelijk kennis had van de bestreden beslissing op het ogenblik dat zij het verzoekschrift tot schorsing en vernietiging bij Uw Raad neerlegde. De vordering is dan ook onontvankelijk ratione temporis en de vordering dient dan ook om die reden te worden verworpen”. Beoordeling 4.
  13. De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partijen er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Opdat de termijn voor een derde zou beginnen lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis heeft van een vergunning, is enkel vereist dat die derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, niet dat hij op dat ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aan kleven. De beroepstermijn is voldoende ruim om verzoekende partijen toe te laten verder kennis te nemen van de volledige inhoud van de beslissing en met voldoende kennis van zaken een beroep in te stellen. Het mag niet in de macht van potentiële verzoekende partijen liggen, wanneer zij in de mogelijkheid zijn om kennis te nemen van een bestuurshandeling die zij eventueel met een annulatieberoep wensen te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de termijn van beroep willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling buiten weten, zowel van de X-13.401-4/7 overheid van wie zij uitgaat, als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse wordt gehouden, met alle nadelige gevolgen van dien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die menen te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moeten vermoeden, de verplichting hebben om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hen ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn is verstreken, neemt de termijn van 60 dagen om annulatieberoep in te dienen, een aanvang. Het is zaak van de partij die aanvoert dat het beroep laattijdig is, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partijen kennis hadden of konden hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning. Het is dan weer zaak van de verzoekende partijen in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning hebben proberen in te winnen. 4.
  14. Het dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen noch in het verzoekschrift, noch in de memorie van wederantwoord, na een exceptie van de verwerende partij dienaangaande, enige precieze gegevens verstrekken omtrent het tijdstip en de wijze waarop zij van het bestreden besluit feitelijke kennis hebben gekregen. Zij beperken hun betoog in de voormelde procedurestukken omtrent de tijdigheid van het beroep tot de loutere beweringen dat “de bestreden beslissing noch bekendgemaakt noch betekend” diende te worden aan de verzoekende partijen en dat het beroep “aldus (werd) ingesteld binnen de termijn van zestig dagen na feitelijke kennisname van de bestreden beslissing”. 4.
  15. De tussenkomende partij legt een kopie neer van een brief van de verzoekende partijen gericht aan de burgemeester van de stad Hasselt. De verzoekende partijen betwisten het bestaan, noch de inhoud ervan. Deze brief luidt als volgt : “Aan de Heer Burgemeester H.Reynders Hasselt 28/05/2007 Geachte heer Burgmeester X-13.401-5/7 Wij zijn zo vrij u te contacteren i.v.m. volgend probleem Wij zijn de familie Grouwels en wonen op de Prinsenhofweg nr 4 ,3511 Kuringen. Wij hebben sinds kort vernomen dat er voor onze woning een jeugdhuis zal gebouwd worden. De bouw van een jeugdhuis vinden wij op zich een goed initiatief en hiertegen hebben wij geen bezwaar doch wel met de plaats waar dit gebouw komt. Via een architect die mij om inlichtingen verzocht nopens vochtigheid, vernamen wij dat dit jeugdhuis pal voor onze woning zal gebouwd worden. Voor onze deur bevindt zich een uitgestrekt natuurgebied dat enorm veel plaats biedt voor het bouwen van een jeugdhuis. Waarom moet deze mooie open pleinruimte opgedeeld worden, langs de rustige straatzijde en natuurlijke aansluiting met het dorp. De beste oplossing is, het voormalige lokaal herop te bouwen of op de plaats waar nu het bouwvallig alleenstaand huis staat en thuishaven voor drugverslaafden, vlak achter de kerk. Wij werden niet in kennis gesteld van de bouw van dit jeugdhuis alhoewel wij toch het meest betrokken zijn qua ligging ,er werd volgens ons nergens in de buurt een bekendmaking uitgehangen vandaar ook onze laattijdige reactie. De laatste weken wordt er overal door de diverse gemeentebesturen gehamerd op het belang van een mooie leefomgeving met veel groen en parken voor de bevolking. Geldt dit dan niet voor Kuringen(?) Best zou u en liefst zo snel mogelijk eens samen met de bevoegde schepen ter plaatse de toestand komen bekijken zodat u zich rekenschap kan geven van onze ontevredenheid. In afwachting van uw bericht tekenen wij met de meeste hoogachting”. 4.4.
  16. Uit de voormelde brief blijkt dat de verzoekende partijen, minstens op 28 mei 2007, een voldoende kennis hadden van de inhoud en de draagwijdte van het bestreden besluit, met name dat er “pal voor” hun woning een jeugdhuis zou gebouwd worden, zodat de beroepstermijn daags nadien is beginnen te lopen, en dus niet nadat de verzoekende partijen, op 11 juni 2007, zijnde meer dan veertien dagen later, gebruik hebben gemaakt van de hun geboden mogelijkheid om het bouwdossier in te zien. De bewering van de verzoekende partijen in de laatste memorie dat zij op 28 mei 2007 “via via vernomen dat de Stad Hasselt van zins was een jeugdhuis te bouwen op het domein Prinsenhof”en dat zij “op dat ogenblik (...) geen kennis (hadden) of er al een beslissing zou zijn en wat de juiste draagwijdte hiervan zou zijn” noopt niet tot een andere conclusie, gelet op de gebruikte bewoordingen in de brief van 28 mei 2007 dat zij “sinds kort vernomen (hebben) dat er voor onze woning een jeugdhuis zal gebouwd worden” en dat zij “via een architect die (...) om inlichtingen verzocht nopens vochtigheid, vernamen (...) dat dit jeugdhuis pal voor onze woning zal gebouwd worden”. X-13.401-6/7 4.4.
  17. Het beroep, ingesteld op 7 augustus 2007, zijnde meer dan vier maanden na het nemen van het bestreden besluit, is bijgevolg laattijdig. De exceptie is gegrond. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 700 euro, ieder voor de helft. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.401-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.342 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.522 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.