id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.376 Rolnummer: A. 188752/X-13824 Zaak: Arrest 207376 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:08 Fiche Arrest nr 207.376 van 15 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.376 van 15 september 2010 in de zaak A. 188.752/X-13.824. In zake: Sandra VAN LOOY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Lens kantoor houdend te 2800 MECHELEN Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Renate Proost kantoor houdend te 2018 ANTWERPEN Belegstraat 24 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 27 juni 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 20 maart 2008 van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij haar beroep ingesteld tegen het besluit van 24 september 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woning, op een perceel gelegen te Sint-Katelijne-Waver, Berlaarbaan 253A, kadastraal bekend sectie B, nr. 546/n2, niet wordt ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 187.183 van 20 oktober 2008 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-13.824-1/15 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juni 2010. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sarah Bogaerts, die loco advocaat Kris Lens verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Carlos De Wolf, die loco advocaat Renate Proost verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 17 augustus 1981 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver aan Willy Van Looy een verkavelingsvergunning (2 loten) voor een terrein gelegen aan de Berlaarbaan, kadastraal bekend sectie B, nr. 546/g2. Voornoemd terrein is, volgens het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen, gelegen in agrarisch gebied. X-13.824-2/15 4. Op 28 mei 1982 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver aan Van Looy-Olbrechts een vergunning voor het bouwen van een woning op lot 2 van voormelde verkaveling. 5. Blijkens een op 18 april 2005 verleden notariële akte verhuren Willy Van Looy en Maria Olbrechts aan de verzoekster, zijnde hun dochter, een perceel grond aan de Berlaarbaan, waaronder lot 1 van de voormelde verkaveling, kadastraal bekend sectie B, nr. 546/n2, voor een termijn van tien jaar, ingaand op 1 april 2005. In die akte “verklaart (de huurder) dat hij het gehuurde goed zal aanwenden met als bestemming weiland voor het houden van schapen, geiten, runderen en/of paarden en/of het aanleggen van bloemen-, sier-, groenten- en moestuin voor niet-commercieel gebruik”. 6. Op 21 juni 2007 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoekster aan het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een woning op lot 1 van de meergenoemde verkaveling. 7. Op 24 september 2007 weigert het college de gevraagde stedenbouwkundige vergunning omdat “de verkaveling vervallen (zou) zijn omdat zij niet zou voldoen aan de vereisten van vervreemding” en gelet op de onverenigbaarheid met de vigerende gewestplanbestemming. 8. Tegen die weigeringsbeslissing stelt de verzoekster een beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 9. Op 20 maart 2008 wordt de thans bestreden beslissing genomen, waarbij het voormelde beroep wordt verworpen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 10. De verzoekster roept in een eerste middel de schending in van “de artikelen 129 en 203 van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van X-13.824-3/15 de ruimtelijke ordening (...), van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel” en voert de “ontstentenis (aan) van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” : “DOORDAT in het bestreden besluit van de bestendige deputatie als argument wordt aangehaald dat de registratie van de huurovereenkomst (dd. 18 april 2005) conform art. 129 DRO binnen de 10 jaar na afgifte van verkavelingsvergunning moest gebeuren en dus reeds vóór 1992 (nu de verkavelingsvergunning dateert van 17 augustus 1981). DOORDAT dit argument pas voor het eerst werd opgeworpen in het bestreden besluit en voordien nooit werd opgeworpen door de bevoegde overheden. DOORDAT in het bestreden besluit hiervoor verwezen wordt naar artikel 129 Decreet Ruimtelijke Ordening dd. 18 mei 1999 (verder afgekort als DRO) hetwelk stelt dat : ‘De verkavelingsvergunning die geen aanleg van nieuwe verkeerswegen of wijziging van bestaande wegen inhoudt, vervalt van rechtswege voor het niet bebouwde, verkochte, verhuurde, verpachte of aan een opstalrecht onderworpen gedeelte, dat binnen vijf jaar na afgifte ervan, de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, of de vestiging van een erfpacht of opstalrecht van ten minste één derde van de kavels niet is geregistreerd, en indien binnen de tien jaar na afgifte ervan, de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, of de vestiging van een erfpacht of opstalrecht van ten minste twee derde van de kavels niet is geregistreerd. Het bewijs van de verkopen of verhuringen wordt geleverd door kennisgeving aan het college van burgemeester en schepenen van de uittreksels van de akten, die door de instrumenterende ambtenaar of de ontvanger van de registratie gewaarmerkt zijn vóór het verstrijken van voormelde termijnen. Met verkoop zoals bedoeld in het eerste lid, worden de nalatenschapsverdeling en de schenking gelijkgesteld met dien verstande dat slechts één kavel per deelgenoot of begunstigde in aanmerking komt. Het college van burgemeester en schepenen stelt het verval van de verkavelingsvergunning vast door middel van een procesverbaal, dat bij aangetekende brief aan de houder van de verkavelingsvergunning wordt meegedeeld.’ DOORDAT volgens het bestreden besluit de registratie op 18 april 2005 laattijdig is en dat dit één van de redenen is waarom de verkaveling zou zijn vervallen TERWIJL verzoekende partij dit argument niet heeft kunnen weerleggen gezien dit tevoren niet werd opgeworpen door de bevoegde overheden, in tegendeel de bevoegde overheden bevestigden in de periode 2001-2005 meermaals dat het betreffende lot onderdeel uitmaakte van een niet-vervallen verkaveling. TERWIJL inzake de toepassing van 129 DRO dient rekening te worden gehouden met de overgangsbepaling in artikel 203 DRO dat stelt dat : ‘De artikelen 129 tot en met 132 zijn van toepassing op verkavelingsvergunningen die verleend zijn vóór de inwerkingtreding van dit decreet. Onverminderd artikel 192 wordt de termijn van 10 jaar na afgifte van de verkavelingsvergunning bedoeld in artikel 129, eerste lid en artikel 130, §2, eerste lid, vervangen door een termijn van 5 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit decreet, voor niet-vervallen X-13.824-4/15 verkavelingsvergunningen die werden afgegeven meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van dit decreet. ...’ TERWIJL de termijn van 10 jaar (art. 129 DRO) waarnaar het bestreden besluit verwijst rechtens niet van toepassing kan zijn, nu de overgangsregeling van art. 203 DRO in acht dient genomen te worden en i.c. van toepassing is. TERWIJL het DRO in werking trad op 1 mei 2000 zodat deze termijn zoals omschreven in artikel 203 DRO liep tot 1 mei 2005. (cfr. artikel 204 DRO). TERWIJL het college van gemachtigde ambtenaren nog uitdrukkelijk heeft afgesproken dat een bebouwd perceel meetelt om te bepalen of een verkaveling niet vervalt en in toepassing van de voornoemde bepalingen de verkavelingsvergunning derhalve op 1 mei 2005 nog niet vervallen was en derhalve in uitvoering was voor het onbebouwde lot. En TERWIJL de registratie van de huur van meer dan 9 jaar op 28 april 2005 voor het resterende onbebouwde gedeelte van de verkaveling derhalve tijdig was. ZODAT de bestreden beslissingen de in het middel aangehaalde bepalingen schenden. Toelichting 1. In casu was in 1981 een verkavelingvergunning toegestaan en werd de kavel opgedeeld in twee percelen van resp. 33 are 68 ca en 32 are 97 ca (...). Voor de kavel van 32 are 97 ca werd op 28 februari 1982 een stedenbouwkundige vergunning verleend en dit lot werd binnen een periode van vijf jaar bebouwd. 2. Artikel 129 DRO is onmiddellijk van toepassing op bestaande verkavelingsvergunningen (met dien verstande dat de overgangsregeling van artikel 203 DRO in acht dient genomen te worden). Artikel 129 DRO stelt dat inzake het niet-bebouwde, verkochte, verhuurde, verpachte of aan een opstalrecht onderworpen gedeelte van de verkaveling er binnen de 10 jaar voor 2/3 een registratie inzake verkoop, verhuur voor meer dan negen jaar, erfpacht of opstal dient te zijn. Artikel 129 DRO stelt voor het eerst de 2/3-regel in (binnen een periode van 10 jaar), voordien gold enkel de 1/3-regel. Was eertijds aan deze 1/3-regel voldaan, dan kon de verkavelingsvergunning niet meer vervallen. 3. Gezien het i.c. een verkavelingsvergunning betreft van méér dan vijf jaar voor de inwerkingtreding van het DRO (op 1 mei 2000 - artikel 204 DRO), wordt de termijn voor de toepassing van de 2/3-regel conform artikel 203 DRO herleid tot 5 jaar na de inwerkingtreding van het DRO (en dus 1 mei 2005). Dit is logisch gezien de 2/3-regel voordien niet bestond. De verkavelingsvergunningen die meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van het DRO werden verleend en die geldig zijn gebleven, hebben noodzakelijkerwijze betrekking op verkavelingen, waarin meer dan 1/3 van de percelen verhandeld zijn, zo niet bebouwd zijn of waarin de nodige infrastructuurwerken werden uitgevoerd. (VEKEMAN, R., Ruimtelijke ordening en stedenbouw - planologie, (verordeningen) en vergunningen, Mechelen, Kluwer uitgevers, 2004, nr. 371, p. 347). In uitbreiding van het Coördinatiedecreet, blijft volgens het DRO de verkavelingsvergunning ook bestaan voor de kavels die bebouwd werden, ook al werden ze niet verkocht. (BOES, M., ‘Kroniek (ruimtelijke) ordening (1999-2007)(eerste deel)’, R.W., 2007-08,1771, onder nr. 106). Het college van gemachtigde ambtenaren heeft inzake de toepassing van deze artikelen ook - uitdrukkelijk bepaald dat een bebouwd perceel meetelt om te bepalen dat een verkaveling niet vervallen is (...). I.c. was meer dan 1/3 bebouwd en was de verkavelingsvergunning niet vervallen. X-13.824-5/15 4. In toepassing van artikel 129 juncto 203 DRO diende vóór 1 mei 2005 bijkomend tot minimaal 2/3 van de percelen een registratie te gebeuren inzake verkoop, verhuur voor meer dan negen jaar, erfpacht of opstal. De vader van verzoekende partij kreeg dienaangaande nog inlichtingen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver, stellende dat het volstond te verhuren voor meer dan negen jaar. (...) Op 18 april 2005 werd de verhuur (van het resterende onbebouwde lot) voor meer dan negen jaar geregistreerd. Er werd m.a.w. voldaan aan de voorwaarden van artikel 203 DRO. Was deze registratie niet gebeurd dan was de verkavelingsvergunning enkel vervallen voor de niet-bebouwde kavel. 5. Het bestreden besluit houdt thans voor dat de termijn van 10 jaar voorzien in artikel 129 DRO zonder meer van toepassing is. Zoals hoger uiteengezet miskent het bestreden besluit artikel 203 DRO. Iedere administratieve rechtshandeling moet gedragen worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn. (MAREEN D., ‘Het motiveringsbeginsel’ in Beginselen van behoorlijk bestuur, OPDEBEEK, I. & VAN DAMME M. (ed.), Brugge, Die Keure, 2006, 139 e.v.). Inzake de juridische juistheid van de motieven worden de motieven als onrechtmatig beschouwd wanneer ze in rechte niet kunnen aangevoerd worden. De rechtens vereiste juridische grondslag ontbreekt derhalve in het bestreden besluit nu het artikel 129 DRO foutief wordt toegepast zonder rekening te houden met de overgangsregeling voorzien in artikel 203 DRO. De controle van de administratieve rechter beperkt zich niet tot de controle van de duidelijke beoordelingsfout, maar omvat ook de controle van de juistheid, de relevantie en de toelaatbaarheid in rechte van de motieven. De bestendige deputatie is niet uitgegaan van de juiste juridische gegevens of heeft de voorliggende wetsbepalingen minstens niet correct toegepast/beoordeeld zodat zij niet in redelijkheid tot haar beslissing kon komen. 6. Het bestreden besluit is derhalve strijdig met de bepalingen opgenomen in het DRO en schendt de aangehaalde beginselen”. Beoordeling 11. Artikel 57, § 4, eerste lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, dat op het ogenblik van het nemen van de onder randnummer 3 vermelde verkavelingsvergunning van 17 augustus 1981 toepassing vond, luidt als volgt : “Indien de verkaveling geen aanleg van nieuwe verkeerswegen, noch tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentewegen omvat, vervalt de vergunning voor het overige gedeelte, indien binnen vijf jaar na de afgifte ervan, de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, de vestiging van een erfpacht- of opstalrecht van ten minste een derde van de kavels niet is geregistreerd. Het bewijs van de verkopen of de verhuringen wordt geleverd door kennisgeving aan het college van de uittreksel uit de akten, die door de notaris of de ontvanger van de registratie gewaarmerkt zijn vóór het verstrijken van voormelde termijn van vijf jaar”. X-13.824-6/15 12. Het verval van de verkavelingsvergunning treedt dus van rechtswege in door het louter verstrijken van bedoelde termijn. 13. Het wordt niet betwist dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver op 17 augustus 1981 aan Willy Van Looy een verkavelingsvergunning voor 2 loten heeft verleend, dat dit college op 28 mei 1982 aan Willy Van Looy en Maria Olbrechts een vergunning heeft verleend voor het bouwen van een woning op lot 2 van de voornoemde verkaveling, dat blijkens een op 18 april 2005 verleden notariële akte, de laatstgenoemde personen aan hun dochter, te weten de verzoekster, een perceel grond verhuren aan de Berlaarbaan, waaronder lot 1 van de voormelde verkaveling, voor een termijn van tien jaar, ingaand op 1 april 2005. 14. Aangezien niet blijkt dat binnen de termijn van vijf jaar na afgifte van de op 17 augustus 1981 verleende verkavelingsvergunning, een verkoop of verhuring voor meer dan negen jaar of de vestiging van een erfpacht- of opstalrecht van ten minste een derde van de kavels heeft plaatsgehad, is de voormelde verkavelingsvergunning voor wat het lot 1 betreft, in toepassing van de voormelde bepaling, van rechtswege vervallen. Noch de omstandigheid dat een perceel door de verkavelaar is bebouwd, noch de omstandigheid dat er een “afspraak” bestond in het college van gemachtigde ambtenaren “dat een bebouwd perceel meetelt om te bepalen of een verkaveling niet vervalt”, vermag aan het voormelde enige afbreuk te doen. 15. Het in dit middel geschonden geachte artikel 129, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), luidde toentertijd als volgt : “De verkavelingsvergunning die geen aanleg van nieuwe verkeerswegen of wijziging van bestaande wegen inhoudt, vervalt van rechtswege, voor het niet bebouwde, verkochte, verhuurde, verpachte of aan een opstalrecht onderworpen gedeelte, indien binnen vijf jaar na afgifte ervan, de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, of de vestiging van een erfpacht of opstalrecht van ten minste één derde van de kavels niet is geregistreerd en indien binnen de tien jaar na de afgifte ervan, de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, of de vestiging van een erfpacht of opstalrecht van ten minste twee derde van de kavels niet is geregistreerd. De termijn vangt aan op de dag waarop de verkavelingsvergunning definitief wordt verkregen. Het bewijs van de verkopen of de verhuringen wordt geleverd door kennisgeving aan het college van burgemeester en schepenen van de uittreksels uit de akten, die door de instrumenterende ambtenaar of de ontvanger van de registratie gewaarmerkt zijn vóór het verstrijken van voormelde termijnen”. X-13.824-7/15 Het eveneens in dit middel geschonden geachte artikel 203, eerste en tweede lid DRO, luidde toentertijd als volgt : “De artikelen 129 tot en met 132 zijn van toepassing op de verkavelingsvergunningen die verleend zijn vóór de inwerkingtreding van dit decreet. Onverminderd artikel 192 wordt de termijn van 10 jaar na afgifte van de verkavelingsvergunning bedoeld in artikel 129, eerste lid, en artikel 130, § 2, eerste lid, vervangen door een termijn van 5 jaar vanaf de inwerkingtreding van dit decreet, voor niet-vervallen verkavelingsvergunningen die werden afgegeven meer dan vijf jaar vóór de inwerkingtreding van dit decreet”. Aangezien de meer vermelde verkavelingsvergunning van 17 augustus 1981, voor wat het lot 1 betreft, reeds vóór de inwerkingtreding van het DRO vervallen was, zoals gezien onder randnummer 14, vinden de artikelen 129 en 203 DRO erop geen toepassing. De omstandigheid dat de verwerende partij zich, voor de vaststelling van het verval van de meer voormelde verkaveling voor wat lot 1 betreft, ten onrechte op het voornoemd artikel 129 DRO heeft gesteund, is niet van aard de bestreden beslissing te vitiëren, aangezien de verkavelingsvergunning, voor wat het lot 1 betreft, hoe dan ook vervallen was en de gewestplanbestemming agrarisch gebied toepassing vond, waarvan de verzoekster niet betwist dat het gevraagde er niet verenigbaar mee is. 16. In tegenstelling tot wat de verzoekster voorhoudt, diende de verwerende partij haar niet “in kennis te stellen van de juridische grondslag van de beslissing die zij in het vooruitzicht stelt, zodat de beroepdoende partij hierop kan argumenteren” en dit evenmin “wanneer het een juridische grondslag betreft dewelke nooit eerder werd ingeroepen door de administratieve overheid”. 17. In de laatste memorie voert de verzoekster nog aan dat het verval van de meer vermelde verkavelingsvergunning haar niet tegenstelbaar is op grond van artikel 4.6.4. § 6 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Deze bepaling luidt als volgt : “Onverminderd § 5, kan het verval van rechtswege niet worden tegengesteld aan personen die zich op de verkavelingsvergunning beroepen, indien zij kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, en ten aanzien van één of meer van hun kavels binnen de verkaveling, wijzigingen aan de verkavelingsvergunning heeft toegestaan, of stedenbouwkundige of bouwvergunningen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, in zoverre deze door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig werden bevonden”. X-13.824-8/15 De verzoekster toont niet aan dat de overheid, na het verval van de verkavelingsvergunning voor wat het lot 1 betreft, stedenbouwkundige of bouwvergunningen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend. Haar verwijzing naar een stedenbouwkundige inlichting van 6 februari 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver luidens hetwelk de verkaveling vervallen is voor het onbebouwde perceel, naar een mail van de Vlaamse overheid van 4 april 2001 aan de bouwdienst van de gemeente Sint- Katelijne-Waver waarin wordt gesteld dat “(i)n het college van gemachtigd(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.