id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.381 Rolnummer: A. 188506/X-13804 Zaak: Arrest 207381 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:08 Fiche Arrest nr 207.381 van 15 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.381 van 15 september 2010 in de zaak A. 188.506/X-13.
- In zake: Martin GERNAEY wonende te 9930 ZOMERGEM Kleitstraat 33 waar woonplaats wordt gekozen tegen: de gemeente ZOMERGEM Tussenkomende partij: Rosette LAMBERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc D’Hoore kantoor houdend te 8200 BRUGGE Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 mei 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 7 april 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zomergem, waarbij aan Rosette LAMBERT de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het herbouwen van een garage en het regulariseren van een veranda en overdekt terras aan de Kleitstraat 31 te Zomergem, kadastraal bekend sectie D, nr. 912/a
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 juli
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. X-13.804-1/7 Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, en advocaat Pieter Van Aerschot, die loco advocaat Marc D’Hoore verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij beslissing van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 19 februari 2008 dient de tussenkomende partij een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning tot het herbouwen van een garage en het regulariseren van een veranda en een overdekt terras, op een perceel gelegen aan de Kleitstraat 31 te Zomergem. Op de plangegevens (doorsnede CD) wordt aangegeven dat de muur, die de scheiding vormt tussen het te regulariseren overdekt terras en de aanpalende garage die hoort bij de woning van de verzoeker gelegen aan de Kleitstraat nr. 33, een hoogte heeft van 3,40 m.
- Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek van 3 maart 2008 tot 2 april 2008 dient de verzoeker een bezwaarschrift in waarin onder meer een grief wordt geformuleerd met betrekking tot de totale hoogte van de muur tussen beide percelen. X-13.804-2/7
- Op 7 april 2008 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zomergem de bestreden stedenbouwkundige vergunning, onder de voorwaarde dat de scheidingsmuur esthetisch dient te worden afgewerkt “vb. door bezetting met crepi”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- De tussenkomende partij betoogt dat de verzoeker met een schrijven van “10 april 2008 (kennisname 11 april 2008) ... in kennis (werd) gesteld van de bestreden beslissing” en dat “het verzoekschrift de datum (dient te) krijgen van de eerste aangetekende zending die in het administratief dossier steekt”, te dezen 8 juli 2008 waaruit de eerstgenoemde afleidt dat het verzoekschrift “onontvankelijk (dient) te worden verklaard wegens laattijdigheid”.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het verzoekschrift op 27 mei 2008 met een ter post aangetekende zending naar de Raad van State werd verstuurd. De exceptie wordt verworpen.
- De tussenkomende partij betwist voorts dat de verzoeker het rechtens vereiste belang heeft. Zij stelt dat het feit dat de verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend in de loop van het openbaar onderzoek met betrekking tot de vergunningsaanvraag “niet impliceert dat verzoekende partij hierdoor een voldoende persoonlijk belang heeft”, uit het verzoekschrift van de verzoeker “op geen enkele wijze (kan) afgeleid worden welk nadeel de verzoekende partij lijdt door de bestreden beslissing”, de verzoeker “op geen enkele wijze aannemelijk (maakt) dat een gebeurlijke nietigverklaring (...) hem enig voordeel zou verschaffen”, “de argumentatie (van de verzoeker) (...) enkel (berust) op een eigen verkeerde lezing van de (...) bouwplannen”, door bepaalde feiten “de kans dat de gebouwen (...) zouden moeten worden afgebroken na een gebeurlijke vernietiging (...) onbestaande” is, “de geregulariseerde gebouwen (...) nauwelijks hoger (komen) dan de eigen garage” van de verzoeker “zodat bezwaarlijk sprake kan zijn van enige hinder”, de verzoeker “mondeling zijn instemming met de werken (heeft) betuigd”, de verzoeker “reeds zelf te kennen heeft gegeven een stedenbouwkundige vergunning te zullen aanvragen voor het oprichten van een nieuwe garage op de plaats van zijn bestaande garage” waarbij hij “gebruik (zou) maken van de hoogte X-13.804-3/7 van de bestaande muur om zijn garage een dergelijke hoogte te geven” en dat de beweringen van de verzoeker “louter hypothetisch zijn”.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de verzoeker het onroerend goed bewoont op het perceel dat paalt aan het bouwperceel en dat, zoals de tussenkomende partij zelf stelt, “de door de bestreden beslissing geregulariseerde gebouwen, zijn aangebouwd tegen de aanpalende garage van de verzoekende partij”. Deze vaststellingen volstaan om te besluiten dat de verzoeker over het rechtens vereiste belang beschikt. De exceptie wordt verworpen. Onderzoek van het enig middel
- De verzoeker voert aan wat volgt: “Onjuistheden in het dossier. In het uittreksel uit het register der Notulen van het Schepencollege, zitting van 07 april 2008 staat: ‘ - de afmetingen werden gemeten op het terrein van de aanvraag, de architect bevestigt dat de afmetingen correct zijn’ ‘ - Sinds het afbreken van de duiventillen had de muur de huidige hoogte. De bouwheer verklaart dat geen verhoging van de scheidingsmuur is gebeurd...’ Beide verklaringen zijn pertinent onjuist - de afmeting van een muur kan toch niet aan de binnenzijde anders zijn dan aan de buitenzijde. Eenvoudige meting aan de buitenzijde toont 3,85 meter hoogte. Tot heden wil niemand deze vaststelling doen. - de muur werd bij de afbraak van de duiventil wel degelijk tot 3,05 meter hoogte teruggebracht. Ter staving voeg ik 2 foto’s bij waarop de hoogte van de muur en het tijdstip van het nemen van de foto onbetwistbaar zijn. Op de eerste foto is de wagen van mijn partner te zien. De wagen werd voor het eerst ingeschreven op 29 april
- Eenvoudig tellen van de stenen en nameten op de plaats laat geen twijfel bestaan over de toenmalige hoogte. De tweede foto is genomen tijdens de laatste maanden van de laatste zwangerschap van mijn partner. De geboorte van Delphine en Arthur vond plaats op 20 maart
- Opnieuw is eenvoudig tellen van de stenen en nameten op de plaats overtuigend. Verder zijn, mede door de slechte buitenafwerking, duidelijk de verschillende stappen in de werkzaamheden zichtbaar. Ik kan niet aantonen dat er een verband bestaat tussen enerzijds het ontkennen / negeren van de feiten en het klakkeloos aannemen van een valse verklaring van de bouwheer en anderzijds het gegeven dat de bouwheer tevens ambtenaar is op de gemeentelijke administratie, maar ik heb hierover toch ernstige twijfel. De respons van het college (brief 28 april 2008) bevat geen enkel antwoord op mijn vragen en opmerkingen. Wel wordt in de brief duidelijk gesteld dat de genomen beslissing gebaseerd is op de, zoals hierboven aangetoond, vals verstrekte en verkeerde informatie. Het verschil tussen de situatie voor 2006, muur met hoogte 3,05 meter en heden, muur met hoogte 3,85 meter is toch wel zeer groot. Beide gegevens, begin - en eindsituatie worden door het college niet erkend. De beslissing moet X-13.804-4/7 herzien worden gezien de beslissing genomen is op basis van foutieve gegevens”.
- De tussenkomende partij werpt op dat de verzoeker geen wettelijke bepaling inroept die volgens hem zou geschonden zijn.
- De verzoeker repliceert dat hij “niet jurist” is die geen beroep wenst te doen op een raadsman en dat “de Raad van State niet (eist) dat die (wettelijke) bepaling uiterst nauwkeurig wordt gepreciseerd”.
- Artikel 2, §1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een rechtsmiddel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid dat volgens de verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Uit de uiteenzetting van de verzoeker in zijn verzoekschrift blijkt dat de verzoeker meent dat het bestreden besluit behept is met een motiveringsgebrek zoals de tussenkomende partij, weliswaar in ondergeschikte orde, dat ook, naast de verwerende partij, heeft begrepen. Het verzoekschrift voldoet aldus aan de voormelde vereiste.
- Om te voldoen aan de op haar rustende motiveringsverplichting dient de vergunningverlenende overheid in haar beslissing over de aanvraag de redenen te vermelden waarop zij haar beslissing steunt en waaruit blijkt dat zij is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, dat zij die correct heeft beoordeeld en dat zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State enkel na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. X-13.804-5/7
- De verzoeker bekritiseert de weerlegging van zijn bezwaar dat “de hoogte van de veranda (...) 3,85 m i.p.v. 3,40 m” zou zijn en dat “na het afbreken van de duiventillen, 10 jaar geleden, (...) de muurhoogte 3,05 m geweest (zou) zijn”. Het bezwaar wordt als volgt weerlegd in het bestreden besluit: “Er werd PV opgemaakt voor de bouw van een veranda en een overdekt terras. Vroeger bevonden zich op de locatie duiventillen. Deze werden een 10-tal jaren geleden gesloopt. De scheidingsmuur werd behouden op de huidige hoogte van 3,40 m. Er werd een veranda aangebouwd tegen de scheidingsmuur. Vorige zomer werd in het verlengde van de veranda een overdekt terras aangelegd. (...) - De afmetingen werden gemeten op het terrein van de aanvraag, de architect bevestigt dat de afmetingen correct zijn. - sinds het afbreken van de duiventillen had de muur de huidige hoogte. De bouwheer verklaart dat geen verhoging van de scheidingsmuur is gebeurd doch dat tegen de bestaande muur werd aangebouwd. (...)”. De verzoeker faalt in de bewijslast die op hem rust. Hij toont niet aan door het louter voorleggen van twee foto’s dat de kwestieuze muur voordien 3,05 m en na de werken 3,85 m hoog is of dat het bestreden besluit op dit punt zou uitgaan van onjuiste feitelijke gegevens of een onjuiste beoordeling van die feitelijke gegevens. Het middel is niet gegrond.
- In zoverre de verzoeker in de memorie van wederantwoord grieven met betrekking tot “het wegnemen van zicht en zonlicht, en dus het vermeerderen van schaduw” aanvoert, alsook opmerkingen met betrekking tot het karakter van de woning en de opgelegde voorwaarde om te voorzien in een esthetische afwerking van de muur formuleert, gaat het om een nieuw middel dat in het verzoekschrift had aangevoerd kunnen worden. In zoverre is het nieuw middel onontvankelijk. Geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep
- Het kennelijk onrechtmatig beroep is het beroep dat er kennelijk toe strekt om de tenuitvoerlegging van een duidelijk rechtmatige bestuurlijke beslissing te vertragen, of dat kennelijk niet is ingesteld met de bedoeling een uitspraak ten gronde over de aanspraak te verkrijgen. Een dergelijk misbruik kan afgeleid worden uit het bestaan in hoofde van de verzoeker van kwade trouw, van een bedoeling om te schaden of van een dilatoir oogmerk, of uit een uit de lucht gegrepen en kennelijk ongegronde argumentatie. Nog daargelaten dat het in beginsel X-13.804-6/7 niet aan de partijen toekomt te vragen dat de Raad van State een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep zou opleggen, blijkt het bestaan van een dergelijk misbruik te dezen niet. Het enkele feit dat de verzoeker voor zijn rechten opkomt en beslissingen bestrijdt die hij onwettig acht op grond van middelen die worden afgewezen, levert in elk geval geen kennelijk onrechtmatig beroep op. Er is te dezen dan ook geen aanleiding om een boete op te leggen wegens het zogezegd kennelijk onrechtmatig karakter van het beroep. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier De griffier De voorzitter Astrid Truyens Roger Stevens X-13.804-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.381 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div