← België

Arrest 207384 - Overheidsopdrachten - 16/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.384 Rolnummer: A. 195522/XII-6137 Zaak: Arrest 207384 - Overheidsopdrachten - 16/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-28 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Arrest nr 207.384 van 16 september 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 207.384 van 16 september 2010 in de zaak A. 195.522/XII-6137 In zake: de NV K.F.C. GERMINAL-BEERSCHOT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stef Vinckx en Johan Mommaerts kantoor houdend te Leuven Philipslaan 20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Muls kantoor houdend te Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 15 februari 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Vlaamse Regering van 11/12/2009 inzake de ‘verwezenlijking van multifunctionele voetbalstadions in het Vlaamse en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest in het licht van de kandidatuurstelling voor het WK Voetbal 2018/2022’”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-6137- 1/19 Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 september
  3. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stef Vinckx, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Ward Gyselinck, die loco advocaat Walter Muls verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 23 januari 2009 beslist de Vlaamse regering om de verwezenlijking van multifunctionele voetbalstadions in Vlaanderen en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad te ondersteunen. Op financieel vlak houdt deze beslissing in dat via de nv ParticipatieMaatschappij Vlaanderen 50 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld voor hefboomfinanciering, via kapitaals- participatie of achtergestelde lening, aan multifunctionele voetbalstadionprojecten. 3.
  6. Met dezelfde beslissing hecht de Vlaamse regering haar goedkeuring aan de werkwijze van de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur Vlaanderen en de door haar voorgestelde selectiecriteria. XII-6137- 2/19 3.
  7. Op 17 april 2009 vraagt verwerende partij aan de voorzitters van de voetbalclubs om projectaanvragen in te dienen. Verscheidene voetbalclubs, waaronder ook verzoekende partij, dienen een aanvraag in. 3.
  8. De Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur Vlaanderen overloopt en quoteert de verschillende ingediende aanvragen. Het dossier van verzoekende partij krijgt een score van 140/
  9. Met betrekking tot het akkoord van de gemeente wordt gesteld dat “tot bewijs van een akkoord met de stad/lokale overheden wordt alleen verwezen naar de opmaak van het GRUP waarin de locatie ‘Petroleum Zuid’ wordt weerhouden. Een gemeenschappelijke visie terzake wordt niet gegeven. Bovendien diende de stad Antwerpen een eigen aanvraagdossier in voor dezelfde locatie”. 3.
  10. Op 23 oktober 2009 neemt de Vlaamse regering onder meer de volgende beslissingen: “Betreft: Verwezenlijking van multifunctionele voetbalstadions in het Vlaamse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in het licht van de kandidatuurstelling voor het WK Voetbal 2018/2022 […] Beslissing: Mits voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het bij bovengenoemde nota gevoegde akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, beslist de Vlaamse Regering:
  11. haar beslissing van 23 januari 2009 […] inzake de selectiecriteria voor de voetbalstadions te handhaven en, gelet op de procedure en de afspraken rond het BID-proces, aan te vullen met de selectiecriteria zoals opgelegd door de FIFA voor WK wedstrijd- en oefenstadions; […]
  12. haar goedkeuring te hechten aan het in bovengenoemde nota geformuleerde voorstel om de procedure op te starten zodat de rangschikking van de wedstrijdstadions, zoals opgesteld door de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur Vlaanderen, op XII-6137- 3/19 11 december 2009 en deze voor de oefenstadions half februari 2010 aan de Vlaamse Regering kan worden voorgelegd; […]”. 3.
  13. Hierop lanceert de Vlaamse regering een nieuwe projectoproep die er komt in het licht van de kandidatuurstelling van België en Nederland voor het organiseren van het wereldkampioenschap voetbal 2018/
  14. 3.
  15. Verzoekende partij dient opnieuw een aanvraagdossier in. 3.
  16. Op 4 december 2009 brengt de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur Vlaanderen het volgende advies uit: “
  17. De Overlegcommissie heeft kennis genomen van de vijf ingediende dossiers en verklaart vier dossiers (Stad Antwerpen, Stad Brugge, KRC Genk en KAA Gent) ontvankelijk. Het dossier ingediend door GBA wordt onontvankelijk verklaard op grond van het ontbreken in het ingediende dossier van het minimale ‘vereiste akkoord van de gemeente/lokale overheid’ zoals vermeld op pagina 2 van het aanvraagformulier ‘Algemene gegevens’. […] Bovengenoemd advies wordt unaniem gegeven behalve beoordeling van de ontvankelijkheid waarvoor de leden van de Pro League en de VFV zich onthielden”. 3.
  18. Op 11 december 2009 neemt de Vlaamse regering de thans bestreden beslissing. Deze luidt als volgt: “Betreft: Verwezenlijking van multifunctionele voetbalstadions in het Vlaamse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in het licht van de kandidatuurstelling voor het WK Voetbal 2018/2022 […] Beslissing: De Vlaamse Regering:
  19. neemt kennis van het advies van de Overlegcommissie en bevestigt dat het dossier van GBA onontvankelijk is; XII-6137- 4/19
  20. beslist dat zij de resterende 4 dossiers (steden Antwerpen, Brugge, Genk en Gent) wenst te ondersteunen in hun kandidatuurstelling voor het WK 2018/2022;
  21. raadt de betrokken steden aan om hun dossier verder te versterken;
  22. voorziet dat zij voor elk dossiers, in de mate dat het door het bidcomité en de Fifa wordt weerhouden als wedstrijd- stadion, een goedkope lening ten belope van max. 10 mln. euro ter beschikking zal stellen met een rentesubsidie. Indien, ook zonder WK, een stadion wordt gebouwd dat voldoet aan de Fifanorm (+40.000) blijft de ondersteuning met een goedkope lening van max. 10 mln. euro (met rentesubsidie) behouden;
  23. * beslist dat, indien een club beslist om een kleiner stadion te bouwen, de ondersteuning beperkt wordt tot een goedkope lening van max 5 mln. euro met rentesubsidie, * dit is geen voorafname t.a.v. andere mogelijke oefenstadions;
  24. beslist dat, de stad Antwerpen, overeenkomstig het akkoord afgesloten met de Vlaamse Regering rond de ontwikkeling van IPZ, moet instaan voor het afsluiten van een overeen- komst tussen de 2 clubs”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  25. Verwerende partij betwist in een exceptie het belang van verzoekende partij bij de vordering. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over deze exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak daarover zou alleen nodig zijn indien zou worden vastgesteld dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. XII-6137- 5/19 V. De schorsingsvoorwaarden
  26. Overeenkomstig artikel 17, ' 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VI. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde
  27. Verzoekende partij voert zes middelen aan tegen de bestreden beslissing. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  28. Verzoekende partij neemt een eerste middel uit “de schending van het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel”. Zij ontwikkelt dit middel in het verzoekschrift als volgt: “Doordat - de bestreden beslissing het dossier van Germinal Beerschot onontvankelijk verklaart onder verwijzing naar ‘het advies van de Overlegcommissie’ dat toegevoegd is aan de nota aan de Vlaamse Regering en dat vermeldt dat ‘het dossier ingediend door GBA onontvankelijk [wordt] verklaard op grond van het ontbreken van het ingediende dossier van het minimale ‘vereiste akkoord van de gemeente/de lokale overheid’ zoals vermeld op pagina 2 van het aanvraagformulier ‘Algemene gegevens’’; Terwijl XII-6137- 6/19 - de oproep die geleid heeft tot de bestreden beslissing gebaseerd is op de beslissing van de Vlaamse Regering van 23/10/2009 waarbij de Regering in het bijzonder beslist ‘om haar beslissing van 23/01/2009 (VR 2009 2301 DOC.0079 - punt 5) inzake de selectiecriteria voor de voetbalstadions te handhaven en, gelet op de procedure en de afspraken rond het BID-proces, aan te vullen met de selectiecriteria zoals opgelegd door de FIFA voor WK wedstrijd- en oefenstadions’; - de aangehaalde beslissing van 23/01/2009 in het vijfde beslispunt instemt met ‘de werkwijze van de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur Vlaanderen en de door haar voorgestelde selectiecriteria zoals bijgevoegd aan deze nota’; - deze uitdrukkelijk als ‘selectiecriteria’ omschreven toetsstenen vermelden dat het akkoord van de gemeente c.q. lokale overheden een (beperkt) facet vormt van het selectiecriterium ‘maatschappelijk draagvlak’, met een maximumgewicht van 10 punten; Zodat - de bestreden beslissing ten onrechte een eerder in de procedure vastgelegd selectiecriterium zonder enige vorm van motivering omgezet heeft in een uitsluitingscriterium, daarbij het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ schendend”. Beoordeling 8.
  29. Op 23 januari 2009 beslist de Vlaamse regering om de verwezenlijking van multifunctionele voetbalstadions in Vlaanderen en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad te ondersteunen. Daarbij hecht zij onder meer haar goedkeuring aan de werkwijze van de Overlegcommissie Voetbal- infrastructuur Vlaanderen en de door haar voorgestelde selectiecriteria. Het document somt “algemene criteria” en “projectgebonden criteria” op. Van de “algemene criteria” wordt gesteld dat zij “worden gehanteerd om te bepalen of een project ontvankelijk kan verklaard worden voor verdere studie”. Eén van die “algemene criteria” -ook wel uitsluitingsgronden genoemd- is het “akkoord van de gemeente”. XII-6137- 7/19 In de tweede projectoproep, brief van de Vlaamse minister van Sport van 30 oktober 2009 aan de voetbalclubs, die er komt in het licht van de kandidatuurstelling van België en Nederland voor het wereldkampioenschap voetbal 2018/2022 worden eveneens criteria opgesomd. In die brief en het bij de brief gevoegde aanvraagformulier wordt het akkoord van de lokale overheid vereist. Na die oproep dient verzoekende partij een aanvraagdossier in, doch het ‘akkoord van de lokale overheid’ is daarin niet ingevuld. Op 4 december 2009 adviseert de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur het dossier van verzoekende partij niet ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan akkoord van de lokale overheid. 8.
  30. Gelet op de voorgaande feitelijke vaststellingen kan verzoekende partij op het eerste gezicht niet ernstig volhouden dat niet reeds van in het begin van de procedure het criterium van het akkoord van de gemeente als absolute voorwaarde -en dus als uitsluitingsgrond- werd vooropgesteld door verwerende partij. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag. 8.
  31. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  32. In het tweede middel roept verzoekende partij de schending in van “de formele motiveringsplicht jo. art. 6, §1, en 15, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/01/2001 houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak”. XII-6137- 8/19 Dit middel wordt in het verzoekschrift als volgt uitgewerkt: “Doordat - de bestreden beslissing, evenals de daarbij horende nota aan de Vlaamse Regering, op geen enkele wijze aangeeft om welke bijzondere redenen afgeweken wordt van de diverse wettigheidsbezwaren die hebben geleid tot het ongunstig advies van de Inspectie van Financiën, inzonderheid het gegeven dat plotsklaps een uitsluitingscriterium aan de dossierbeoordeling toegevoegd wordt; - de nota aan de Vlaamse Regering wat het begrotingsakkoord betreft enkel vermeldt dat ‘het begrotingsakkoord werd gevraagd op donderdag 03/12/2009’ en dergelijk akkoord (behoudens fout) niet in het dossier terug te vinden is; Terwijl - het voorafgaand advies van de Inspecteur van Financiën krachtens art. 15, §4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/01/2001 houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak verplicht is voorgeschreven voor ieder voorstel dat ter beslissing aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd en een afwijking van dergelijk verplicht voorgeschreven niet-bindend advies een niet voor de hand liggende beslissing uitmaakt waarvan de formele motivering exact dient aan te geven op grond van welke precieze, juiste, pertinente en wettige motieven de afwijking verantwoord wordt; - art. 6, §1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19/01/2001 houdende regeling van de begrotingscontrole en -opmaak stipuleert dat ten aanzien van elk voorstel dat ter beslissing aan de Vlaamse Regering wordt voorgelegd en waardoor ofwel de ontvangsten ofwel de uitgaven beïnvloed kunnen worden, het gemotiveerd begrotingsakkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, moet worden ingewonnen; Zodat - in strijd met de Formele Motiveringswet op geen enkele wijze, noch in het ontbrekende begrotingsakkoord noch in de bestreden beslissing en de daarbij horende nota aan de Vlaamse Regering, gewag wordt gemaakt van de motieven die - overigens per impossibile - een afwijking ten aanzien van het advies van de Inspectie van Financiën zouden kunnen wettigen”. XII-6137- 9/19 Beoordeling 10.
  33. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken heeft verwerende partij het akkoord van de gemeente van bij de aanvang van de procedure als criterium vooropgesteld waaraan absoluut voldaan diende te zijn. De eerste in dit middel aangebrachte grief, namelijk dat de Vlaamse regering niet heeft gemotiveerd waarom er “plotsklaps een uitsluitingscriterium aan de dossierbeoordeling toegevoegd wordt”, berust dan ook evenzeer als het eerste middel op een onjuist feitelijk uitgangspunt. 10.
  34. Ongeacht de vraag naar het belang van de verzoekende partij bij de tweede in dit middel aangebrachte grief -deze inzake het ontbreken van een begrotingsakkoord-, lijkt, zoals blijkt uit stuk 11ter van het administratief dossier en dit in tegenstelling tot wat verzoekende partij aanvoert, wel degelijk een begrotingsakkoord gegeven op 10 december 2009, zodat ook dit middelonderdeel steunt op een onjuist feitelijk uitgangspunt. 10.
  35. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  36. Het derde middel wordt gesteund op de schending van “de algemene beginselen van collegiale beraadslaging”. Verzoekende partij ontwikkelt dit middel als volgt: “Doordat - het advies van de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur waarop de bestreden beslissing zich steunt om het dossier van Germinal Beerschot onontvankelijk te verklaren expliciet aangeeft dat de XII-6137- 10/19 afgevaardigden van de Profliga

(2)en de Voetbalfederatie Vlaanderen
(1)zich onthouden hebben wat de onontvankelijkheidsverklaring betreft, waardoor deze onontvankelijkheidsverklaring de facto is uitgesproken door de voorzitter en drie afgevaardigden van de Vlaamse Regering; Terwijl - Uw Raad in het arrest-Schollaert nr. 23.950 van 7 februari 1984 gesteld heeft dat aan de verplichting om een advies in te winnen ‘elke zin en betekenis ontzegd [zou] worden, indien zou worden aangenomen dat het advies niet met voldoende zekerheid moet aanduiden wat het standpunt is van [het adviesorgaan], als collegiaal orgaan’ over de voorgenomen beslissingen; Zodat - het advies van de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur een (marginale) deugdelijkheidstoets niet doorstaat, zodanig dat het niet betrokken kon worden bij de besluitvorming in de schoot van de Vlaamse Regering”. Beoordeling 12.1. Verzoekende partij neemt aanstoot aan het feit dat de afgevaardigden van de Profliga en de Voetbalfederatie Vlaanderen in de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur zich op 4 december 2009 onthouden hebben op het punt van de ontvankelijkheid van het dossier van verzoekende partij. De Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur bestaat evenwel uit zeven leden waarvan er vier -dus een meerderheid- hebben gestemd om het dossier van verzoekende partij niet ontvankelijk te verklaren. Die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring werd derhalve genomen door de Overlegcommissie als zodanig. Hierbij kan nog ten overvloede worden opgemerkt dat de afgevaardigden van de Profliga en de Voetbalfederatie Vlaanderen zich ‘slechts’ hebben onthouden en niet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het dossier van verzoekende partij hebben gestemd. 12.2. Het derde middel is niet ernstig. XII-6137- 11/19 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 13. Het vierde middel wordt geput uit de schending van “het decreet van 13/07/2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid”. Dit middel wordt als volgt uitgewerkt: “Doordat - de bestreden beslissing het dossier van Germinal Beerschot onontvankelijk verklaart exclusief op grond van ‘het advies van de Overlegcommissie’ die geformaliseerd is bij de regerings- beslissingen van 23/01/2009 en 23/10/2009 met het oog op de advisering van de Vlaamse Regering over de in het kader van het selectieproces te weerhouden dossiers; - het advies van de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur, toegevoegd als bijlage bij de nota aan de Vlaamse Regering, ondertekend is door enkel mannelijke leden; Terwijl - de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur een adviesorgaan uitmaakt in de zin van art. 2 van het decreet van 13/07/2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid, naar luid waarvan dit decreet van toepassing is ‘op alle advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid’, daaronder begrepen ‘alle strategische adviesraden, raden, commissies, comités, en andere organen, ongeacht de benaming ervan, die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden : 1 ° opgericht zijn : - hetzij bij wet, wetskrachtig besluit, koninklijk besluit of ministerieel besluit om te adviseren in aangelegenheden die thans tot de bevoegdheid van de gewesten of gemeenschappen behoren; - hetzij bij decreet, bij besluit van de Vlaamse Regering, bij besluit van een Vlaamse minister; 2° hun opdracht bestaat er hoofdzakelijk in advies te verlenen, ongeacht de benaming ervan, uit eigen beweging of op verzoek; 3° ze verlenen advies aan onder meer het Vlaams Parlement, de Vlaamse Regering, een Vlaamse minister of de Vlaamse administratie’; XII-6137- 12/19 - art. 3 van voormeld decreet van 13/07/2007 stipuleert als volgt: ‘Om een meer evenwichtige participatie van mannen en vrouwen te bevorderen mag ten hoogste twee derde van de stemgerechtigde leden van een advies- of bestuursorgaan van de Vlaamse overheid van hetzelfde geslacht zijn’; - uit geen enkel dossierstuk blijkt dat op het principe van art. 3 van voormeld decreet van 13/07/2007 een formele uitzondering in de zin van art. 5 van dat decreet werd toegestaan; - aldus toepassing moet worden gemaakt van art. 6 van voormeld decreet van 13/07/2007, waarvan het eerste lid luidt als volgt: ‘Behalve als conform artikel 5 een uitzondering werd toegestaan, kan een advies- of bestuursorgaan van de Vlaamse overheid alleen geldig beraadslagen en beslissen als het conform artikel 3 samengesteld is’; Zodat - de bestreden beslissing exclusief gegrond is op een advies, gegeven in strijd met de substantiële beginselen inzake de evenwichtige samenstelling van adviesorganen zoals neergelegd in het decreet van 13/07/2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid, waardoor de bestreden beslissing zelf aangetast is door een onregelmatigheid”. Beoordeling 14. Artikel 2, § 2, van het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid, omschrijft adviesorganen als “alle strategische adviesraden, raden, commissies, comités, en andere organen, ongeacht de benaming ervan”. In het decreet van 18 juli 2003 tot regeling van strategische adviesraden, wordt een strategische adviesraad omschreven als een permanent orgaan. In de voorbereidende werken bij dat decreet wordt zelfs expliciet verklaard dat “tijdelijke adviesraden en adhoc-adviesraden [...] buiten deze kaderregeling [vallen]” (Parl. St. Vl. Parl., 2002-2003, 1607, nr. 1, 4). XII-6137- 13/19 Het lijkt aldus dat de adviesorganen die aan de toepassing van het decreet van 13 juli 2007 zijn onderworpen als permanente organen moeten zijn ingericht. Te dezen lijkt de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur specifiek opgericht ter beoordeling van de aanvraagdossiers voor de aanleg van voetbalstadions in het kader van het de kandidatuur van België en Nederland voor de organisatie van het wereldkampioenschap voetbal in 2018/2022. Van het vereist permanent karakter lijkt dan ook geen sprake. Die vaststelling volstaat om het vierde middel niet ernstig te bevinden. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 15. Verzoekende partij leidt het vijfde middel af uit de schending van de hoorplicht. Dit middel wordt als volgt aangebracht: “Doordat - Verzoekende partij voorafgaand aan de bestreden beslissing niet werd gehoord; Terwijl - Uw Raad oordeelt dat ‘wanneer het bestuur het voornemen heeft om ten aanzien van een bestuurde een maatregel te nemen die hem op meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen raakt’, datzelfde bestuur ‘ertoe gehouden (
  1. is)- vooraleer de kwestieuze maatregel te nemen - de bestuurde de mogelijkheid te geven om op nuttige wijze zijn standpunt daarover te doen kennen’; - Het horen van verzoekende partij in casu niet enkel dienstig ware geweest in het licht van het naar voren brengen van haar XII-6137- 14/19 ‘verdediging’ doch ook bij kon dragen aan een zorgvuldige feitenvinding, waarbij verwezen kan worden naar de rechtspraak conform dewelke ‘handelingen die de rechtstoestand van de burger negatief beïnvloeden alleen (mogen) worden gesteld indien het bestuur volledig op de hoogte is van de feitelijke en juridische situatie. En eigenlijk kan het bestuur op voorhand nooit weten of het wel kennis heeft van alle relevante feiten en gegevens. Bijgevolg moet het bestuur, met het oog op een vollediger onderzoek, de burger normaliter de mogelijkheid bieden zijn standpunt toe te lichten’; Zodat - De bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen met schending van het principe van de hoorplicht”. Beoordeling 16. Te dezen lijkt te kunnen worden vastgesteld dat de genomen beslissing gesteund is op het voor eenvoudige constatering vatbare feit dat verzoekende partij geen akkoord van de gemeente kon voorleggen in haar dossier, zodat op het eerste gezicht moeilijk wordt ingezien welk nut het horen van de verzoekende partij zou hebben. Het vijfde middel is dan ook niet ernstig. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 17. Het zesde en laatste middel wordt genomen uit de schending van “het staatssteunverbod neergelegd in art. 107 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (oud art. 87 VEG), io. art. 2.1.1, tweede lid, van het decreet van 27/03/2009 betreffende het grond- en pandenbeleid”. XII-6137- 15/19 Verzoekende partij ontwikkelt dit middel als volgt: “Doordat - de bestreden beslissing genomen is door de overheid op grond van een niet-marktconform criterium (instemming lokale overheid) dat de facto private dossierindieners uitsluit van betrokkenheid bij de selectieprocedure, nu de overblijvende dossiers ingediend zijn door lokale overheden en het dossier van verzoeker het enige dossier is dat werd ingediend door een voetbalclub-private rechtspersoon; - de bestreden beslissing kadert in een ondersteuningsprocedure waarbij aan de weerhouden clubs en lokale overheden een goedkope lening ten belope van ten hoogste 10 mio euro met rentesubsidie wordt verleend; Terwijl - de nota aan de Vlaamse Regering bij de initiële regeringsbeslissing van 23/01/2009 (p. 12), waarvan de essentialia werden herbevestigd door de regeringsbeslissing van 23/10/2009, expressis verbis de keuze heeft uitgedrukt voor ‘een ESR-neutraal, marktconform scenario, en niet voor een subsidiëringsmechaniek’ waarbij de autonomie van PMV om investeringsbeslissingen te nemen van primordiaal belang is om de ESR-neutraliteit te vrijwaren; - het optreden van een marktconform handelende actor in casu inderdaad noodzakelijk is in het licht van het Europeesrechtelijke staatssteunverbod, conform hetwelk sprake is van verboden staatssteun wanneer steunmaatregelen worden verstrekt die toerekenbaar zijn aan de overheid en verleend worden aan bepaalde ondernemingen of specifieke producties, de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden; - de rechtspraak en de rechtsleer effectief stellen dat de mededinging slechts niet kan worden vervalst wanneer een overheidsorgaan zich bij het verlenen van een bepaalde financiële input in een project gedraagt als een privé-investeerder; meer bepaald wordt ‘nagegaan (...) of ‘een voorzichtig particulier investeerder die qua omvang vergelijkbaar is met de betrokken overheidsorganen en die zich laat leiden door het uitzicht op rendement op langere termijn, in vergelijkbare omstandigheden ertoe gebracht zou kunnen worden eenzelfde kapitaalsinbreng te verrichten of lening toe te staan, en dit beoordeeld op het ogenblik van de bewuste maatregel en mede gelet op de ten tijde van die maatregel beschikbare informatie en de te verwachten evolutie’. Is dit het geval, dan handelt de overheid als XII-6137- 16/19 een privé-investeerder, wordt er geen voordeel toegekend en kan er ook geen sprake zijn van staatssteun’; - de onverhoedse invoering door een politieke overheid, de Vlaamse Regering, van een uitsluitingscriterium dat op geen enkele wijze in verband staat met een marktconforme beoordeling, ja zelfs de participatie aan het selectieproces afhankelijk maakt van een (lokale) overheidsactor waardoor -klaarblijkelijk- private clubs uitgesloten worden, niet geacht kan worden een ‘gedrag als privé-investeerder’ uit te maken; - het toegevoegde uitsluitingscriterium conflicteert met art. 2.11, tweede lid, van het decreet van 27/03/2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, naar luid waarvan directe overheidsinterventies op de vastgoedmarkt (in casu de verplichting van overheidswege tot het verkrijgen van een akkoord van een andere, lokale, overheid) slechts gerechtvaardigd zijn indien de privésector kennelijk niet (alleen) bij machte is om de vooropgestelde (publieke) doelstellingen te halen; Zodat - de bestreden beslissing gegrond is op een uitsluitingscriterium dat kennelijk strijdt met de Europeesrechtelijke staatssteunregelingen en de gewestelijke decreetgeving op het vlak van overheidsinterventies op de markt van gronden en panden”. Beoordeling 18.1. Het geschonden geachte artikel 2.1.1. van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, luidt als volgt: “Titel 1. — Missie Artikel 2.1.1 Het Vlaamse Gewest voert in samenwerking met de provincies en de gemeenten een grond- en pandenbeleid dat bestaat uit de aansturing, de coördinatie, de ontwikkeling en de aanwending van ruimtelijke en sectorale beleidsstrategieën en instrumenten om de grond- en pandenmarkt te faciliteren, te stimuleren, te bevorderen en desnoods te corrigeren. De gewestelijke, provinciale en gemeentelijke overheden richten zich bij de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het grond- en pandenbeleid op het stellen van doelstellingen van algemeen nut en het regisseren en faciliteren van het bereiken daarvan. Directe overheidsinterventie in de grond- en pandenmarkt is evenwel gerechtvaardigd en noodzakelijk XII-6137- 17/19 wanneer private actoren niet, of niet alleen, bij machte zijn om de gestelde publieke doelen te bereiken, of wanneer zulks noodzakelijk is om kwetsbare maatschappelijke groepen gelijke kansen te bieden om vrij aan die markt te participeren. Dergelijke directe overheidsinterventie is eveneens gerechtvaardigd indien het optreden van de overheid ten opzichte van private initiatieven kennelijk sociale, economische, financiële, ruimtelijke of milieugebonden voordelen of minderkosten inhoudt”. 18.2. Bij de beoordeling van het eerste middel is vastgesteld dat het criterium “akkoord van de gemeente” reeds van in het begin door verwerende partij werd vooropgesteld als een uitsluitingscriterium. Dat criterium werd opgelegd om reden dat de impact van de betrokken projecten op de lokale omgeving dusdanig groot is dat een dergelijk akkoord noodzakelijk is om het project tot een goed einde te kunnen brengen. Eerder dan te strijden met het door verzoekende partij aangehaalde artikel 2.1.1. van het decreet van 27 maart 2009 lijkt het opgelegde criterium veeleer bij deze missie aan te sluiten. 18.3. Voorts valt op het eerste gezicht niet in te zien hoe een dergelijk criterium een schending zou kunnen uitmaken van het staatssteunverbod neergelegd in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De bestreden beslissing houdt bovendien enkel de selectie in van dossiers met projecten die mogelijkerwijze zullen worden ondersteund. Uit de punten 3 en 4 van de bestreden beslissing blijkt immers dat vooraleer daartoe kan worden beslist of overgegaan nog een aantal voorwaarden dienen te worden vervuld. 18.4. Het zesde middel is evenmin ernstig. VII. Besluit 19. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan de eerste van de door het voormelde artikel 17, § 2, gestelde voorwaarden, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. XII-6137- 18/19 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 september 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6137- 19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.384 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.891 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.223.610 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.