id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.384 Rolnummer: A. 195522/XII-6137 Zaak: Arrest 207384 - Overheidsopdrachten - 16/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-28 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Arrest nr 207.384 van 16 september 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 207.384 van 16 september 2010 in de zaak A. 195.522/XII-6137 In zake: de NV K.F.C. GERMINAL-BEERSCHOT ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stef Vinckx en Johan Mommaerts kantoor houdend te Leuven Philipslaan 20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Muls kantoor houdend te Brussel Antoine Dansaertstraat 92 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
(1)zich onthouden hebben wat de onontvankelijkheidsverklaring betreft, waardoor deze onontvankelijkheidsverklaring de facto is uitgesproken door de voorzitter en drie afgevaardigden van de Vlaamse Regering; Terwijl - Uw Raad in het arrest-Schollaert nr. 23.950 van 7 februari 1984 gesteld heeft dat aan de verplichting om een advies in te winnen ‘elke zin en betekenis ontzegd [zou] worden, indien zou worden aangenomen dat het advies niet met voldoende zekerheid moet aanduiden wat het standpunt is van [het adviesorgaan], als collegiaal orgaan’ over de voorgenomen beslissingen; Zodat - het advies van de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur een (marginale) deugdelijkheidstoets niet doorstaat, zodanig dat het niet betrokken kon worden bij de besluitvorming in de schoot van de Vlaamse Regering”. Beoordeling 12.1. Verzoekende partij neemt aanstoot aan het feit dat de afgevaardigden van de Profliga en de Voetbalfederatie Vlaanderen in de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur zich op 4 december 2009 onthouden hebben op het punt van de ontvankelijkheid van het dossier van verzoekende partij. De Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur bestaat evenwel uit zeven leden waarvan er vier -dus een meerderheid- hebben gestemd om het dossier van verzoekende partij niet ontvankelijk te verklaren. Die beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring werd derhalve genomen door de Overlegcommissie als zodanig. Hierbij kan nog ten overvloede worden opgemerkt dat de afgevaardigden van de Profliga en de Voetbalfederatie Vlaanderen zich ‘slechts’ hebben onthouden en niet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het dossier van verzoekende partij hebben gestemd. 12.2. Het derde middel is niet ernstig. XII-6137- 11/19 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 13. Het vierde middel wordt geput uit de schending van “het decreet van 13/07/2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid”. Dit middel wordt als volgt uitgewerkt: “Doordat - de bestreden beslissing het dossier van Germinal Beerschot onontvankelijk verklaart exclusief op grond van ‘het advies van de Overlegcommissie’ die geformaliseerd is bij de regerings- beslissingen van 23/01/2009 en 23/10/2009 met het oog op de advisering van de Vlaamse Regering over de in het kader van het selectieproces te weerhouden dossiers; - het advies van de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur, toegevoegd als bijlage bij de nota aan de Vlaamse Regering, ondertekend is door enkel mannelijke leden; Terwijl - de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur een adviesorgaan uitmaakt in de zin van art. 2 van het decreet van 13/07/2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid, naar luid waarvan dit decreet van toepassing is ‘op alle advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid’, daaronder begrepen ‘alle strategische adviesraden, raden, commissies, comités, en andere organen, ongeacht de benaming ervan, die voldoen aan elk van de volgende voorwaarden : 1 ° opgericht zijn : - hetzij bij wet, wetskrachtig besluit, koninklijk besluit of ministerieel besluit om te adviseren in aangelegenheden die thans tot de bevoegdheid van de gewesten of gemeenschappen behoren; - hetzij bij decreet, bij besluit van de Vlaamse Regering, bij besluit van een Vlaamse minister; 2° hun opdracht bestaat er hoofdzakelijk in advies te verlenen, ongeacht de benaming ervan, uit eigen beweging of op verzoek; 3° ze verlenen advies aan onder meer het Vlaams Parlement, de Vlaamse Regering, een Vlaamse minister of de Vlaamse administratie’; XII-6137- 12/19 - art. 3 van voormeld decreet van 13/07/2007 stipuleert als volgt: ‘Om een meer evenwichtige participatie van mannen en vrouwen te bevorderen mag ten hoogste twee derde van de stemgerechtigde leden van een advies- of bestuursorgaan van de Vlaamse overheid van hetzelfde geslacht zijn’; - uit geen enkel dossierstuk blijkt dat op het principe van art. 3 van voormeld decreet van 13/07/2007 een formele uitzondering in de zin van art. 5 van dat decreet werd toegestaan; - aldus toepassing moet worden gemaakt van art. 6 van voormeld decreet van 13/07/2007, waarvan het eerste lid luidt als volgt: ‘Behalve als conform artikel 5 een uitzondering werd toegestaan, kan een advies- of bestuursorgaan van de Vlaamse overheid alleen geldig beraadslagen en beslissen als het conform artikel 3 samengesteld is’; Zodat - de bestreden beslissing exclusief gegrond is op een advies, gegeven in strijd met de substantiële beginselen inzake de evenwichtige samenstelling van adviesorganen zoals neergelegd in het decreet van 13/07/2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid, waardoor de bestreden beslissing zelf aangetast is door een onregelmatigheid”. Beoordeling 14. Artikel 2, § 2, van het decreet van 13 juli 2007 houdende bevordering van een meer evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in advies- en bestuursorganen van de Vlaamse overheid, omschrijft adviesorganen als “alle strategische adviesraden, raden, commissies, comités, en andere organen, ongeacht de benaming ervan”. In het decreet van 18 juli 2003 tot regeling van strategische adviesraden, wordt een strategische adviesraad omschreven als een permanent orgaan. In de voorbereidende werken bij dat decreet wordt zelfs expliciet verklaard dat “tijdelijke adviesraden en adhoc-adviesraden [...] buiten deze kaderregeling [vallen]” (Parl. St. Vl. Parl., 2002-2003, 1607, nr. 1, 4). XII-6137- 13/19 Het lijkt aldus dat de adviesorganen die aan de toepassing van het decreet van 13 juli 2007 zijn onderworpen als permanente organen moeten zijn ingericht. Te dezen lijkt de Overlegcommissie Voetbalinfrastructuur specifiek opgericht ter beoordeling van de aanvraagdossiers voor de aanleg van voetbalstadions in het kader van het de kandidatuur van België en Nederland voor de organisatie van het wereldkampioenschap voetbal in 2018/2022. Van het vereist permanent karakter lijkt dan ook geen sprake. Die vaststelling volstaat om het vierde middel niet ernstig te bevinden. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 15. Verzoekende partij leidt het vijfde middel af uit de schending van de hoorplicht. Dit middel wordt als volgt aangebracht: “Doordat - Verzoekende partij voorafgaand aan de bestreden beslissing niet werd gehoord; Terwijl - Uw Raad oordeelt dat ‘wanneer het bestuur het voornemen heeft om ten aanzien van een bestuurde een maatregel te nemen die hem op meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen raakt’, datzelfde bestuur ‘ertoe gehouden (
- is)- vooraleer de kwestieuze maatregel te nemen - de bestuurde de mogelijkheid te geven om op nuttige wijze zijn standpunt daarover te doen kennen’; - Het horen van verzoekende partij in casu niet enkel dienstig ware geweest in het licht van het naar voren brengen van haar XII-6137- 14/19 ‘verdediging’ doch ook bij kon dragen aan een zorgvuldige feitenvinding, waarbij verwezen kan worden naar de rechtspraak conform dewelke ‘handelingen die de rechtstoestand van de burger negatief beïnvloeden alleen (mogen) worden gesteld indien het bestuur volledig op de hoogte is van de feitelijke en juridische situatie. En eigenlijk kan het bestuur op voorhand nooit weten of het wel kennis heeft van alle relevante feiten en gegevens. Bijgevolg moet het bestuur, met het oog op een vollediger onderzoek, de burger normaliter de mogelijkheid bieden zijn standpunt toe te lichten’; Zodat - De bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand is gekomen met schending van het principe van de hoorplicht”. Beoordeling 16. Te dezen lijkt te kunnen worden vastgesteld dat de genomen beslissing gesteund is op het voor eenvoudige constatering vatbare feit dat verzoekende partij geen akkoord van de gemeente kon voorleggen in haar dossier, zodat op het eerste gezicht moeilijk wordt ingezien welk nut het horen van de verzoekende partij zou hebben. Het vijfde middel is dan ook niet ernstig. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 17. Het zesde en laatste middel wordt genomen uit de schending van “het staatssteunverbod neergelegd in art. 107 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (oud art. 87 VEG), io. art. 2.1.1, tweede lid, van het decreet van 27/03/2009 betreffende het grond- en pandenbeleid”. XII-6137- 15/19 Verzoekende partij ontwikkelt dit middel als volgt: “Doordat - de bestreden beslissing genomen is door de overheid op grond van een niet-marktconform criterium (instemming lokale overheid) dat de facto private dossierindieners uitsluit van betrokkenheid bij de selectieprocedure, nu de overblijvende dossiers ingediend zijn door lokale overheden en het dossier van verzoeker het enige dossier is dat werd ingediend door een voetbalclub-private rechtspersoon; - de bestreden beslissing kadert in een ondersteuningsprocedure waarbij aan de weerhouden clubs en lokale overheden een goedkope lening ten belope van ten hoogste 10 mio euro met rentesubsidie wordt verleend; Terwijl - de nota aan de Vlaamse Regering bij de initiële regeringsbeslissing van 23/01/2009 (p. 12), waarvan de essentialia werden herbevestigd door de regeringsbeslissing van 23/10/2009, expressis verbis de keuze heeft uitgedrukt voor ‘een ESR-neutraal, marktconform scenario, en niet voor een subsidiëringsmechaniek’ waarbij de autonomie van PMV om investeringsbeslissingen te nemen van primordiaal belang is om de ESR-neutraliteit te vrijwaren; - het optreden van een marktconform handelende actor in casu inderdaad noodzakelijk is in het licht van het Europeesrechtelijke staatssteunverbod, conform hetwelk sprake is van verboden staatssteun wanneer steunmaatregelen worden verstrekt die toerekenbaar zijn aan de overheid en verleend worden aan bepaalde ondernemingen of specifieke producties, de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden; - de rechtspraak en de rechtsleer effectief stellen dat de mededinging slechts niet kan worden vervalst wanneer een overheidsorgaan zich bij het verlenen van een bepaalde financiële input in een project gedraagt als een privé-investeerder; meer bepaald wordt ‘nagegaan (...) of ‘een voorzichtig particulier investeerder die qua omvang vergelijkbaar is met de betrokken overheidsorganen en die zich laat leiden door het uitzicht op rendement op langere termijn, in vergelijkbare omstandigheden ertoe gebracht zou kunnen worden eenzelfde kapitaalsinbreng te verrichten of lening toe te staan, en dit beoordeeld op het ogenblik van de bewuste maatregel en mede gelet op de ten tijde van die maatregel beschikbare informatie en de te verwachten evolutie’. Is dit het geval, dan handelt de overheid als XII-6137- 16/19 een privé-investeerder, wordt er geen voordeel toegekend en kan er ook geen sprake zijn van staatssteun’; - de onverhoedse invoering door een politieke overheid, de Vlaamse Regering, van een uitsluitingscriterium dat op geen enkele wijze in verband staat met een marktconforme beoordeling, ja zelfs de participatie aan het selectieproces afhankelijk maakt van een (lokale) overheidsactor waardoor -klaarblijkelijk- private clubs uitgesloten worden, niet geacht kan worden een ‘gedrag als privé-investeerder’ uit te maken; - het toegevoegde uitsluitingscriterium conflicteert met art. 2.11, tweede lid, van het decreet van 27/03/2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, naar luid waarvan directe overheidsinterventies op de vastgoedmarkt (in casu de verplichting van overheidswege tot het verkrijgen van een akkoord van een andere, lokale, overheid) slechts gerechtvaardigd zijn indien de privésector kennelijk niet (alleen) bij machte is om de vooropgestelde (publieke) doelstellingen te halen; Zodat - de bestreden beslissing gegrond is op een uitsluitingscriterium dat kennelijk strijdt met de Europeesrechtelijke staatssteunregelingen en de gewestelijke decreetgeving op het vlak van overheidsinterventies op de markt van gronden en panden”. Beoordeling 18.1. Het geschonden geachte artikel 2.1.1. van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, luidt als volgt: “Titel 1. — Missie Artikel 2.1.1 Het Vlaamse Gewest voert in samenwerking met de provincies en de gemeenten een grond- en pandenbeleid dat bestaat uit de aansturing, de coördinatie, de ontwikkeling en de aanwending van ruimtelijke en sectorale beleidsstrategieën en instrumenten om de grond- en pandenmarkt te faciliteren, te stimuleren, te bevorderen en desnoods te corrigeren. De gewestelijke, provinciale en gemeentelijke overheden richten zich bij de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het grond- en pandenbeleid op het stellen van doelstellingen van algemeen nut en het regisseren en faciliteren van het bereiken daarvan. Directe overheidsinterventie in de grond- en pandenmarkt is evenwel gerechtvaardigd en noodzakelijk XII-6137- 17/19 wanneer private actoren niet, of niet alleen, bij machte zijn om de gestelde publieke doelen te bereiken, of wanneer zulks noodzakelijk is om kwetsbare maatschappelijke groepen gelijke kansen te bieden om vrij aan die markt te participeren. Dergelijke directe overheidsinterventie is eveneens gerechtvaardigd indien het optreden van de overheid ten opzichte van private initiatieven kennelijk sociale, economische, financiële, ruimtelijke of milieugebonden voordelen of minderkosten inhoudt”. 18.2. Bij de beoordeling van het eerste middel is vastgesteld dat het criterium “akkoord van de gemeente” reeds van in het begin door verwerende partij werd vooropgesteld als een uitsluitingscriterium. Dat criterium werd opgelegd om reden dat de impact van de betrokken projecten op de lokale omgeving dusdanig groot is dat een dergelijk akkoord noodzakelijk is om het project tot een goed einde te kunnen brengen. Eerder dan te strijden met het door verzoekende partij aangehaalde artikel 2.1.1. van het decreet van 27 maart 2009 lijkt het opgelegde criterium veeleer bij deze missie aan te sluiten. 18.3. Voorts valt op het eerste gezicht niet in te zien hoe een dergelijk criterium een schending zou kunnen uitmaken van het staatssteunverbod neergelegd in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De bestreden beslissing houdt bovendien enkel de selectie in van dossiers met projecten die mogelijkerwijze zullen worden ondersteund. Uit de punten 3 en 4 van de bestreden beslissing blijkt immers dat vooraleer daartoe kan worden beslist of overgegaan nog een aantal voorwaarden dienen te worden vervuld. 18.4. Het zesde middel is evenmin ernstig. VII. Besluit 19. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan de eerste van de door het voormelde artikel 17, § 2, gestelde voorwaarden, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. XII-6137- 18/19 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 16 september 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6137- 19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.384 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.891 ECLI:BE:RVSCE:2013:ARR.223.610 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div