id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.387 Rolnummer: A. 174190/X-12901 Zaak: Arrest 207387 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Arrest nr 207.387 van 16 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.387 van 16 september 2010 in de zaak A. 174.190/X-12.901. In zake: Hélène d’UDEKEM d’ACOZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Clive Van Aerde kantoor houdend te 8200 BRUGGE Rijselstraat 274 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 OOSTENDE Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 juni 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 25 april 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende inwilliging van het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 13 januari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij aan Hélène d’UDEKEM d’ACOZ de stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het herbouwen van een landwoning aan de Couthoflaan 36 te Proven-Poperinge, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 292/c. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 171.346 van 22 mei 2007 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-12.901-1/31 Bij arrest nr. 197.057 van 20 oktober 2009 worden de debatten heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Adjunct-auditeur Wouter De Cock heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 mei 2010. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Clive Van Aerde, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Wouter Declerck, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Wouter De Cock, daartoe gemachtigd bij advies van 1 september 2009 van de adjunct-auditeur-generaal, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Wat de uiteenzetting van de feiten betreft, wordt verwezen naar het gestelde in ’s Raads arrest nr. 197.057 van 20 oktober 2009. X-12.901-2/31 IV. Onderzoek van de middelen A. Tweede, derde en vijfde middel Uiteenzetting van de middelen 4. De verzoekster voert het volgende tweede middel aan: “Genomen uit de schending van de materiële motiveringsplicht, als op zich staand algemeen rechtsbeginsel en als beginsel van behoorlijk bestuur, evenals uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van de bewijsvoering; Alsmede uit de schending van de formele motiveringsplicht afgeleid uit art. 53 § 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (zoals diverse keren gewijzigd) dat stipuleert : ‘De beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering worden met redenen omkleed.’; en uit art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Alsmede uit de schending van art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen krachtens dewelke de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn; Alsmede uit de schending van art. 145bis van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat o.a. stipuleert dat om de gevraagde vergunning te kunnen bekomen de woning op het moment van de eerste vergunningsaanvraag niet verkrot mag zijn geweest en dat een woning als verkrot wordt beschouwd indien ze niet voldoet aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen. Doordat de bestreden beslissing om te komen tot het besluit dat de woning verkrot was ten tijde van de eerste aanvraag tot bouwvergunning van 30 augustus 1999 overweegt : ‘Overwegende dat door de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen op 18 juli 2002 een technisch onderzoek werd uitgevoerd waaruit is gebleken dat: ‘... De woning heeft te kampen met ernstige stabiliteitsproblemen. De linkergevel staat los van de woning, enkel de gordingen van het dak zijn ingemetseld. Deze gevel is recent gebouwd met snelbouwstenen op een fundering van betonstenen. Tussen voor- en achtergevel zijn hoekverbindingen voorzien om dit metselwerk verder uit te voeren. De volledige dakconstructie is onderstut met metsersschoren en voorzien van spanbanden om het wegduwen van de gevels te verhinderen. De nokbalk aan de linkerkant is onderstut met een metsersschoor die in de vensteropening op de bovenverdieping is geplaatst. Er zijn geen dragende binnenmuren en een tussenvloer ontbreekt. Een deel van de onderste draagvloer ontbreekt aan de linkergevel. Gelet op de stuttingswerken is (het) instortingsgevaar reëel.’; en verder : ‘Overwegende dat uit een plaatsbezoek op 9 juni 2003, naar aanleiding van de eerste vergunningsaanvraag voor het verbouwen van de woning, is gebleken dat de betrokken eerdere woning op relatief grote afstand van de straat is gelegen, bereikbaar langs een wegje, thans summier verhard X-12.901-3/31 met steenslag, wederrechtelijk aangebracht op de bedding van een kerkwegel (en derhalve verbreed ten opzichte van die vroegere toestand); Overwegende dat aangaande de voorwaarde dat de woning niet verkrot mag zijn uit voormeld plaatsbezoek reeds bleek dat de woning in een vrij ver gevorderde staat van verval verkeert, een toestand die alleszins het resultaat van meerdere jaren verdergaand verval blijkt te zijn; dat die verkrotte staat onder andere blijkt uit de staat van de voorgevel die bol en hol staat en op meerdere plaatsen grote scheuren en verzakkingen vertoont; dat de linkerhoek volledig weg is en de kopgevel overigens wederrechtelijk is herbouwd (vooralsnog enkel het binnenspouwblad); dat het complete binnengeraamte, op de dakstructuur na, in een vervallen staat blijkt te zijn en/of reeds verwijderd is; dat in het vroegere woongedeelte geen binnenmuren, noch een verdiepingsvloer, voorkomen; dat de dakstructuur thans wordt ondersteund door schoren; dat het gebouw niet gefundeerd is en consolidatie derhalve zware werken vergt; dat ter hoogte van de gesloopte zijmuur delen van het dak weg zijn; dat al deze tekortkomingen er op wijzen dat het verval reeds jaren aan de gang is, zodat dient besloten dat het gaat om een verkrotte woning, niet enkel nu, maar ook op het ogenblik van de eerste aanvraag; dat derhalve dient besloten dat het niet meer gaat om een bestaand gebouw zoals bedoeld in artikel 145 bis; Overwegende dat uit voormelde beschrijving de zeer bedenkelijke toestand van het gebouw moge blijken; dat hieruit, zoals reeds gesteld, moet besloten worden dat het gebouw verkrot is en niet voldoet aan de elementaire vereisten van stabiliteit; dat deze vaststelling ook reeds bleek uit het verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 25 maart 1999 waarbij een hoge graad van verkrotting (78 punten) werd vastgesteld; dat uit verder onderzoek van de zaak is gebleken dat de woning niet bewoond werd tot 16 december 1997; dat immers mevrouw Martha Vandenbussche niet in het betrokken huisje woonachtig was tot 16 november 1997, maar wel als dienster tewerkgesteld op het nabijgelegen kasteel en aldaar feitelijk woonde, tot ze er hoogbejaard stierf; dat op het hoevetje ze enkel officieel gedomicilieerd was; dat het hoevetje al decennia lang verlaten en volledig verwilderd was;’ Terwijl, Krachtens de voormelde beginselen moeten de motieven om te besluiten tot het verkrot zijn van de woning ten tijde van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen, o.a. afdoende en deugdelijk zijn en moeten ze o.a. : - feitelijk juist zijn en dus o.a. afdoende bewezen zijn en gestaafd zijn door stukken van het administratief dossier - juridisch juist zijn en bijgevolg o.a. afgeleid zijn uit stukken in het administratief dossier die in rechte bewijskrachtig zijn - en in redelijke verhouding staan tot de inhoud van de beslissing. Dit is hier niet het geval. % In het administratief dossier ligt geen verslag voor noch van het technisch onderzoek van ‘de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen op 18 juli 2002’, noch van het ‘plaatsbezoek op 9 juni 2003’, noch van ‘het verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 25 maart 1999’. Er wordt in de bestreden beslissing niet eens aangeduid welke specifieke ambtenaren deze plaatsbezoeken/onderzoeken hebben gedaan. Bijgevolg zijn de beschrijvingen die in de bestreden beslissing worden afgeleid uit de voormelde onderzoeken/plaatsbezoeken als motieven om te besluiten tot het verkrot zijn van de woning ten tijde van de X-12.901-4/31 eerste bouwaanvraag (30 augustus 1999) in de zin van art. 145bis, feitelijk onjuist en volstrekt onbewezen. Bovendien zijn deze motieven ook juridisch onjuist, omdat de argumenten van de verzoekende partij worden weggeveegd met verwijzingen die niet gestaafd worden noch geverifieerd kunnen worden aan de hand van stukken in het administratief dossier. % In het administratief dossier steken onder nummer 10 in kaft H (‘Dossier ASV onderzoek’) van het ‘Bundel ASV’ een groot aantal foto’s waaronder de tekst ‘Poperinge-Proven:Stedenbouwkundige vergunningsaanvraag d’Udekem d’Acoz — plaatsbezoek 9 juni 2003’ is bijgetikt. (zie ook stukken XII-3.3 bewijsbundel verzoekende partij). Op de inventaris die geschreven is op deze kaft H worden deze stukken omschreven als ‘10. foto’s bij plaatsbezoek 9 juni 2003’. Die foto's kunnen niet als verslag worden beschouwd (...). Voor zover die foto’s wel als een verslag zouden kunnen beschouwd, dan nog blijkt uit die foto’s geenszins de toestand die wordt beschreven in de bestreden beslissing namelijk : ‘dat de woning in een vrij ver gevorderde staat van verval verkeert, een toestand die alleszins het resultaat van meerdere jaren verdergaand verval blijkt te zijn; dat die verkrotte staat onder andere blijkt uit de staat van de voorgevel die bol en hol staat en op meerdere plaatsen grote scheuren en verzakkingen vertoont; dat de linkerhoek volledig weg is en de kopgevel overigens wederrechtelijk is herbouwd (vooralsnog enkel het binnenspouwblad); dat het complete binnengeraamte, op de dakstructuur na, in een vervallen staat blijkt te zijn en/of reeds verwijderd is; dat in het vroegere woongedeelte geen binnenmuren, noch een verdiepingsvloer, voorkomen; dat de dakstructuur thans wordt ondersteund door schoren; dat het gebouw niet gefundeerd is en consolidatie derhalve zware werken vergt; dat ter hoogte van de gesloopte zijmuur delen van het dak weg zijn; dat al deze tekortkomingen er op wijzen dat het verval reeds jaren aan de gang is, zodat dient besloten dat het gaat om een verkrotte woning, niet enkel nu, maar ook op het ogenblik van de eerste aanvraag; dat derhalve dient besloten dat het niet meer gaat om een bestaand gebouw zoals bedoeld in artikel 145 bis; Overwegende dat uit voormelde beschrijving de zeer bedenkelijke toestand van het gebouw moge blijken; dat hieruit, zoals reeds gesteld, moet besloten worden dat het gebouw verkrot is en niet voldoet aan de elementaire vereisten van stabiliteit;’ In elk geval tonen deze foto’s geen verkrotting in de zin van art. 145bis. Bovendien zeggen deze foto’s, volgens de voormelde ondertekst genomen op 9 juni 2003, al helemaal niets over de toestand ten tijde van de eerste bouwaanvraaq (op 30 augustus 1999). Bijgevolg zijn de beschrijvingen die in de bestreden beslissing worden afgeleid uit het plaatsbezoek van 9 juni 2003 als motief om te besluiten tot het verkrot zijn van de woning ten tijde van de eerste bouwaanvraag (30 augustus 1999) in de zin van art. l45bis, ook om die reden feitelijk onjuist en volstrekt onbewezen. % In het administratief dossier steken onder nummer 11 in kaft H (‘Dossier ASV onderzoek’) van het ‘Bundel ASV’ enerzijds een kopij van de beslissing tot onbewoonbaarverklaring van 13 april 1999 en anderzijds 6 foto’s (zie ook stukken XII-4.3 bewijsbundel verzoekende partij). Op de inventaris die geschreven is op deze kaft H worden deze stukken omschreven als ‘11. documenten cel huisvesting -> lijst X-12.901-5/31 leegstand + originele foto’s’. Hieruit kan worden afgeleid dat volgens de samenstellers van het administratief dossier het hier gaat om foto's die genomen zijn tijdens het plaatsbezoek van 25 maart 1999 dat door burgemeester Henri D'UDEKEM D'ACOZ werd gevraagd om zijn beslissing tot onbewoonbaarverklaring mogelijk te maken. Die foto’s kunnen niet als verslag worden beschouwd (...). Voor zover die foto's wel als een verslag zouden kunnen beschouwd, dan nog blijkt uit die foto’s geenszins dat het gebouw op 25 maart 1999 verkrot was in de zin van art. l45bis. In tegendeel tonen zij een gebouw dat in goede staat is. Bovendien tonen de foto’s 3 en 4 specifiek de kopgevel, die later werd vervangen door een nieuwe muur. Uit die foto’s blijkt dat ook deze muur in goede staat was toen deze foto’s werden getrokken. Vermits deze foto’s getrokken zijn op 25 maart 1999 is het motief dat uit het plaatsbezoek van die datum het verkrot zijn van de woning ten tijde van de eerste bouwaanvraag (30 augustus 1999) in de zin van art. 145bis kan worden afgeleid, ook om die reden feitelijk onjuist en volstrekt onbewezen. % Aan het in het administratief dossier niet voorliggende ‘verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 25 maart 1999’ kan geen enkele bewijskracht worden toegemeten. Minstens is dit verslag niet teqenstelbaar aan de verzoekende partij. Krachtens art. 5 derde alinea van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, had de betrokken ambtenaar zijn verslag ter kennis moet brengen van de ‘houder van het zakelijk recht van het gebouw’: ‘De ambtenaar die de gebreken of tekenen van verval vaststelt, geeft de houder van het zakelijk recht van het gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, kennis van het verslag in de vorm van een afschrift. De kennisgeving gebeurt aan de persoon, aan de woonplaats, of als de woonplaats niet bekend is, aan de verblijfplaats van de houder van het zakelijk recht. Als de kennisgeving niet kan plaatsvinden overeenkomst het vorige lid, wordt kennis gegeven door een afschrift van het verslag achter te laten op het adres van het gebouw en/of de woning, waarop het verslag betrekking heeft. Het origineel en het afschrift van het verslag vermeldt de naam van de bevoegde ambtenaar die het verslag heeft opgesteld, het adres van de afdeling of de gemeentelijke administratieve eenheid waartoe hij behoort en de datum en de plaats van de kennisgeving van het afschrift. De houder van het zakelijk recht beschikt over een termijn van 4 maanden vanaf de datum, bedoeld in het vorige lid, om de vastgestelde gebreken en tekenen van verval te herstellen of de juistheid van het verslag te weerleggen. ...’ Krachtens art. 1, 2/ is de ‘houder van het zakelijk recht’ de ‘persoon of personen met een recht van volle eigendom, een recht van opstal of van erfpacht, of een recht van vruchtgebruik met betrekking tot een gebouw en/of woning’. De betrokken ambtenaar had zijn verslag ter kennis moeten brengen van de houder van het zakelijk recht. Noch aan de verzoekende partij noch aan haar vader noch aan dhr. en mevr. DEVOS-VANDEPITTE, werd kennis gegeven van zijn verslag. Ongeacht wie van hen te beschouwen was als de houder van het zakelijk recht op dat moment, is deze kennisgeving niet gebeurd. Daardoor wisten zij niet af van het X-12.901-6/31 bestaan van dit verslag en konden zij er ook niet op reageren om het te weerleggen. Aan dit verslag kan bijgevolg thans, zoveel jaren later, geen enkele bewijskracht worden toegekend. Minstens is het bijgevolg niet tegenstelbaar aan de verzoekende partij. Doordat het aan dit verslag wel bewijswaarde toekent en ernaar verwijst tegen de verzoekende partij, is het motief dat uit dit verslag het verkrot zijn van de woning ten tijde van de eerste bouwaanvraag (30 augustus1999) in de zin van art. 145bis kan worden afgeleid, juridisch onjuist. % Eén van de geciteerde motieven luidt ‘dat uit verder onderzoek van de zaak is gebleken dat de woning niet bewoond werd tot op 16 december 1997; dat immers mevrouw Martha Vandenbussche niet in het betrokken huisje woonachtig was tot 16 november 1997, maar wel als dienster tewerkgesteld op het nabijgelegen kasteel en aldaar feitelijk woonde, tot ze er hoogbejaard stierf; dat op het hoevetje ze enkel officieel gedomicilieerd was; dat het hoevetje al decennia lang verlaten en volledig verwilderd was’ (...). De beslissing specificeert niet welk verder onderzoek hierover zou zijn gebeurd waaruit dit motief wordt afgeleid. Doordat dit motief aldus met een dergelijke vage verwijzing (een nietszeggende stijlclausule) het argument van de verzoekende partij van tafel veegt (namelijk haar argument dat het niet verkrot zijn van de woning ten tijde van de eerste bouwaanvraag blijkt uit het feit dat het tot 16 december 1997 was bewoond), is dit motief juridisch onjuist. Het is bovendien ook juridisch onjuist, omdat het het voormelde argument van tafel veegt met een verwijzing die niet gestaafd wordt noch geverifieerd kan worden aan de hand van stukken in het administratief dossier. % Het geciteerde motief ‘dat uit verder onderzoek van de zaak is gebleken dat de woning niet bewoond werd tot 16 december 1997; dat immers mevrouw Martha Vandenbussche niet in het betrokken huisje woonachtig was tot 16 november 1997, maar wel als dienster tewerkgesteld op het nabijgelegen kasteel en aldaar feitelijk woonde, tot ze er hoogbejaard stierf; dat op het hoevetje ze enkel officieel gedomicilieerd was; dat het hoevetje al decennia lang verlaten en volledig verwilderd was’, is mogelijk geïnspireerd door het na de hoorzitting van 10 april 2005 samen met de andere inhoud van de stukken sub 12 (‘Overtredingsdossier (Copie)’) in kaft H (‘Dossier ASV onderzoek’) aan het administratief dossier toegevoegde brief van 22 december 2003 van dhr. VANHOUTTE (ROHM afdeling Ruimtelijke Ordening) aan dhr. SWENNEN (ROHM afdeling Bouwinspectie) (zie ook stuk XII-5.21 bewijsbundel verzoekster). In deze brief wordt op p. 1 beweerd : ‘Ook maakt de deputatie in deze beslissing gewag van het feit dat de betrokken woning bewoond was tot 16 november 1997 door mevr. Martha Vandenbussche. Dit is een manifeste onwaarheid. Deze dame had vermoedelijk haar domicilie daar, maar werkte reeds jaren als dienster op het nabije kasteel van de heer burgemeester waar zij ook verbleef en sliep tot op het moment dat zij hoogbejaard is gestorven. Omwonenden kunnen bevestigen dat de constructie reeds decennialang verlaten en volledig verwilderd was. Zij was zelfs niet meer bereikbaar. Hoe kan een oude dame hier dan nog gewoond hebben.’ X-12.901-7/31 Deze brief, waarin overigens niet wordt aangeduid waar de ambtenaar die deze brief heeft geschreven (dhr. VANHOUTTE) deze informatie vandaan haalt, kan niet worden beschouwd als een bewijskrachtig resultaat van verder onderzoek. Dit is niet meer dan een bewering van een ambtenaar. De bewoordingen van de voormelde passus tonen bovendien aan dat het niet gaat om eigen vaststellingen van de ambtenaar die deze brief heeft geschreven. Enige bewijskracht hieruit afleiden is juridisch onjuist, omdat dit document op zich ook geen concrete verifieerbare bronnen aanduidt waaruit deze bewering wordt afgeleid. Deze bewering doet bovendien geweld aan de andere stukken waarvan de Minister in het administratief dossier kennis had, namelijk : • Het advies van de gemachtigde ambtenaar, dhr. R. BLIEK, zelf van 7 juli 2004 alwaar hij schreef (p. 4) (stuk VI-3 ; dit stuk steekt ook in het administratief dossier): ‘De woning was bewoond tot eind 1997.’ • Het door de verzoekende partij tijdens de hoorzitting van 10 april 2005 voorgelegde verslag van de inspecteur van het Ministerie van Financiën naar aanleiding van de berekening van het kadastraal inkomen (stuk VIII-1 ; dit stuk steekt ook in het administratief dossier) :’Uit plaatselijk en administratief onderzoek is volgende gebleken: 1/ Het perceel is volledig ongebruikt en onproductief gebleven gedurende het aanslagjaar 2000. Deze toestand dateert van 16.11.1997 (datum leegstaand).’ • De affirmatie door de Bestendige Deputatie bovenaan het voorlaatste blad van haar beslissing van 6 maart 2003 (stuk V-1) : ‘Overwegende dat volgens de gemeentelijke gegevens de betrokken woning bewoond was tot 16 november 1997 door mevr. Martha Vandenbussche.’ Deze bewering doet trouwens ook geweld aan de logica als men bedenkt dat mevr. Martha VANDENBUSSCHE 93 jaar oud was en sedert 20 jaren op pensioen was toe zij stierf. Uit haar gegevens in het Rijksregister blijkt inderdaad dat zij (stuk VIII-7) : - geboren is op 20 mei 1904 - op pensioen was sedert 1 januari 1977 - en overleden is op 16 november 1997 Vermits uit niets blijkt dat de zienswijze van de verzoekende partij, de gemachtigde ambtenaar, het Ministerie van Financiën en de Bestendige Deputatie onwaar is en vermits niets de hierboven uiteengezette logica tegenspreekt, is het hierboven geciteerde motief dat het desbetreffende argument van de verzoekende partij (namelijk haar argument dat het niet verkrot zijn van de woning ten tijde van de eerste bouwaanvraag blijkt uit het feit dat de woning tot 16 november 1997 bewoond was) op de voormelde wijze van tafel veegt, feitelijk onjuist. Bovendien is dit motief juridisch onjuist, onredelijk en onafdoende omdat het zonder de minste aanduiding van het vermeende tegenbewijs waarop het mogelijk gebaseerd zou kunnen zijn, de voorgelegde bewijzen van tafel veegt. Zodat de bestreden beslissing de bij de aanvang van dit middel opgesomde beginselen schendt. Het middel is gegrond”. 5. De verzoekster voert het volgende derde middel aan: “Genomen uit de schending van de materiële motiveringsplicht, als op zich staand algemeen rechtsbeginsel en als beginsel van behoorlijk bestuur, evenals X-12.901-8/31 uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de algemene beginselen van de bewijsvoering; Alsmede uit de schending van de formele motiveringsplicht afgeleid uit art. 53 § 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (zoals diverse keren gewijzigd) dat stipuleert : ‘De beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering worden met redenen omkleed.’; en uit art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Alsmede uit de schending van art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, krachtens dewelke de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en afdoende moet zijn; Alsmede uit de schending van art. 145bis van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat o.a. stipuleert dat om de gevraagde vergunning te kunnen bekomen de woning op het moment van de eerste vergunningsaanvraag niet verkrot mag zijn geweest en dat een woning als verkrot wordt beschouwd indien ze niet voldoet aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen ; Alsmede uit de schending van art. 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, dat o.a. stipuleert dat de ambtenaar die gebreken of tekenen van verval vaststelt aan de houder van het zakelijk recht van het gebouw kennis dient te geven van zijn verslag in de vorm van een afschrift. Doordat één van de motieven van de bestreden beslissing om de stelling van de verzoekende partij te verwerpen dat de woning ten tijde van de eerste bouwaanvraag van 30 augustus 1999 niet verkrot was, luidt als volgt : ‘dat hieruit, zoals reeds gesteld, moet besloten worden dat het gebouw verkrot is en niet voldoet aan de elementaire vereisten van stabiliteit; dat deze vaststelling ook reeds bleek uit het verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 25 maart 1999 waarbij een hoge graad van verkrotting (78 punten) werd vastgesteld;’ Terwijl het betrokken in het administratief dossier niet voorliggende ’verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 25 maart 1999’ (hierna ‘dit verslag’ genoemd) niet aan de houder van het zakelijk recht van de betrokken woning ter kennis werd gebracht. Opmerking :Verzoekende partij legt onder IV-1 van haar bewijsbundel een fotokopij voor van het klad van dit verslag. Dit klad heeft zij gevonden in het strafdossier betreffende de door dhr. Henri D’UDEKEM D’ACOZ gepleegde belangenneming (zie Hoofdstuk II paragraaf 9 hierboven). Het is dus niet ingevolge enige kennisgeving door de ROHM dat zij kennis heeft van dit verslag. Krachtens art. 5 derde alinea van het Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, had de betrokken ambtenaar dit verslag ter kennis moet brengen van de ‘houder van het zakelijk recht van het gebouw’: ‘De ambtenaar die de gebreken of tekenen van verval vaststelt, geeft de houder van het zakelijk recht van het gebouw, ongeacht of het dienst doet als woning, kennis van het verslag in de vorm van een afschrift. De kennisgeving gebeurt aan de persoon, aan de woonplaats, of als de woonplaats niet bekend is, aan de verblijfplaats van de houder van het zakelijk recht. Als de kennisgeving niet kan plaatsvinden overeenkomst het vorige lid, wordt kennis gegeven door een afschrift van het verslag achter te laten op X-12.901-9/31 het adres van het gebouw en/of de woning, waarop het verslag betrekking heeft. Het origineel en het afschrift van het verslag vermeldt de naam van de bevoegde ambtenaar die het verslag heeft opgesteld, het adres van de afdeling of de gemeentelijke administratieve eenheid waartoe hij behoort en de datum en de plaats van de kennisgeving van het afschrift. De houder van het zakelijk recht beschikt over een termijn van 4 maanden vanaf de datum, bedoeld in het vorige lid, om de vastgestelde gebreken en tekenen van verval te herstellen of de juistheid van het verslag te weerleggen. ...’ Krachtens art. 1, 2/ is de ‘houder van het zakelijk recht’ de ‘persoon of personen met een recht van volle eigendom, een recht van opstal of van erfpacht, of een recht van vruchtgebruik met betrekking tot een gebouw en/of woning’. Noch aan de verzoekende partij noch aan haar vader noch aan dhr. en mevr. DEVOS-VANDEPITTE, werd kennis gegeven van dit verslag. Minstens één van hen was op 25 maart 1999 te beschouwen als de houder van het zakelijk recht. Ongeacht wie van hen de houder van het zakelijk recht was : deze kennisgeving is niet gebeurd. Daardoor wisten zij niet af van het bestaan van dit verslag en konden zij er ook niet op reageren om het te weerleggen. Aan dit verslag kan bijgevolg thans, zoveel jaren later, geen enkele bewijskracht worden toegekend. Minstens is het bijgevolg niet tegenstelbaar aan de verzoekende partij. Doordat het naar dit verslag verwijst en er bewijswaarde aan toekent ten aanzien van het al dan niet verkrot zijn van de woning, schendt het hierboven geciteerde motief art. 5 van het voormelde Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 en de andere hierboven vermelde beginselen. Immers, krachtens de hierboven vermelde beginselen moeten de motieven om te besluiten tot het verkrot zijn van de woning ten tijde van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen, o.a. afdoende en deugdelijk zijn en moeten ze o.a. : - feitelijk juist zijn en dus o.a. afdoende bewezen zijn en gestaafd zijn door stukken van het administratief dossier - juridisch juist zijn en bijgevolg o.a. afgeleid zijn uit stukken in het administratief dossier die in rechte bewijskrachtig zijn - en in redelijke verhouding staan tot de inhoud van de beslissing. Dit is hier niet het geval omdat de beslissing tot dit besluit komt onder verwijzing naar dit verslag dat ingevolge de voormelde schending van art. 5 van het voormelde Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 geen enkele bewijswaarde heeft en niet tegenstelbaar is aan verzoekende partij. Zodat de bestreden beslissing de bij de aanvang van dit middel opgesomde beginselen schendt. Het middel is gegrond”. 6. De verzoekster voert het volgende vijfde middel aan: “Genomen uit de schending van de formele motiveringsplicht afgeleid uit art. 53 § 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 (zoals diverse keren gewijzigd) dat stipuleert : ‘De beslissingen van de bestendige deputatie en van de Vlaamse regering worden met redenen omkleed.’ ; en uit art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen Alsmede uit de schending van art. 145bis van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dat o.a. stipuleert dat om X-12.901-10/31 de gevraagde vergunning te kunnen bekomen de woning op het moment van de eerste vergunningsaanvraag niet verkrot mag zijn geweest en dat een woning als verkrot wordt beschouwd indien ze niet voldoet aan de elementaire eisen van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen. Doordat de bestreden beslissing de stelling van de verzoekende partij dat de woning ten tijde van de eerste bouwaanvraag van 30 augustus 1999 niet verkrot is, verwerpt onder de motivering : ‘Overwegende dat door de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen op 18 juli 2002 een technisch onderzoek werd uitgevoerd waaruit is gebleken dat: ‘... De woning heeft te kampen met ernstige stabiliteitsproblemen. De linkergevel staat los van de woning, enkel de gordingen van het dak zijn ingemetseld. Deze gevel is recent gebouwd met snelbouwstenen op een fundering van betonstenen. Tussen voor- en achtergevel zijn hoekverbindingen voorzien om dit metselwerk verder uit te voeren. De volledige dakconstructie is onderstut met metsersschoren en voorzien van spanbanden om het wegduwen van de gevels te verhinderen. De nokbalk aan de linkerkant is onderstut met een metsersschoor die in de vensteropening op de bovenverdieping is geplaatst. Er zijn geen dragende binnenmuren en een tussenvloer ontbreekt. Een deel van de onderste draagvloer ontbreekt aan de linkergevel. Gelet op de stuttingswerken is het instortingsgevaar reëel.’ ; en verder : ‘Overwegende dat uit een plaatsbezoek op 9 juni 2003, naar aanleiding van de eerste vergunningsaanvraag voor het verbouwen van de woning, is gebleken dat de betrokken eerdere woning op relatief grote afstand van de straat is gelegen, bereikbaar langs een wegje, thans summier verhard met steenslag, wederrechtelijk aangebracht op de bedding van een kerkwegel (en derhalve verbreed ten opzichte van die vroegere toestand); Overwegende dat aangaande de voorwaarde dat de woning niet verkrot mag zijn uit voormeld plaatsbezoek reeds bleek dat de woning in een vrij ver gevorderde staat van verval verkeert, een toestand die alleszins het resultaat van meerdere jaren verdergaand verval blijkt te zijn; dat die verkrotte staat onder andere blijkt uit de staat van de voorgevel die bol en hol staat en op meerdere plaatsen grote scheuren en verzakkingen vertoont; dat de linkerhoek volledig weg is en de kopgevel overigens wederrechtelijk is herbouwd (vooralsnog enkel het binnenspouwblad); dat het complete binnengeraamte, op de dakstructuur na, in een vervallen staat blijkt te zijn en/of reeds verwijderd is; dat in het vroegere woongedeelte geen binnenmuren, noch een verdiepingsvloer, voorkomen; dat de dakstructuur thans wordt ondersteund door schoren; dat het gebouw niet gefundeerd is en consolidatie derhalve zware werken vergt; dat ter hoogte van de gesloopte zijmuur delen van het dak weg zijn; dat al deze tekortkomingen er op wijzen dat het verval reeds jaren aan de gang is, zodat dient besloten dat het gaat om een verkrotte woning, niet enkel nu, maar ook op het ogenblik van de eerste aanvraag; dat derhalve dient besloten dat het niet meer gaat om een bestaand gebouw zoals bedoeld in artikel 145 bis; Overwegende dat uit voormelde beschrijving de zeer bedenkelijke toestand van het gebouw moge blijken; dat hieruit, zoals reeds gesteld, moet besloten worden dat het gebouw verkrot is en niet voldoet aan de elementaire vereisten van stabiliteit; dat deze vaststelling ook reeds X-12.901-11/31 bleek uit het verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 25 maart 1999 waarbij een hoge graad van verkrotting (78 punten) werd vastgesteld; dat uit verder onderzoek van de zaak is gebleken dat de woning niet bewoond werd tot 16 december 1997; dat immers mevrouw Martha Vandenbussche niet in het betrokken huisje woonachtig was tot 16 november 1997, maar wel als dienster tewerkgesteld op het nabijgelegen kasteel en aldaar feitelijk woonde, tot ze er hoogbejaard stierf; dat op het hoevetje ze enkel officieel gedomicilieerd was; dat het hoevetje al decennia lang verlaten en volledig verwilderd was;’ Terwijl, % In het administratief dossier geen verslag voorligt van het technisch onderzoek van ‘de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen op 18 juli 2002’ waaruit het eerste deel van deze overwegingen is afgeleid, namelijk het gedeelte luidende : ‘Overwegende dat door de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen op 18 juli 2002 een technisch onderzoek werd uitgevoerd waaruit is gebleken dat: ‘... De woning heeft te kampen met ernstige stabiliteitsproblemen. De linkergevel staat los van de woning, enkel de gordingen van het dak zijn ingemetseld. Deze gevel is recent gebouwd met snelbouwstenen op een fundering van betonstenen. Tussen voor- en achtergevel zijn hoekverbindingen voorzien om dit metselwerk verder uit te voeren. De volledige dakconstructie is onderstut met metsersschoren en voorzien van spanbanden om het wegduwen van de gevels te verhinderen. De nokbalk aan de linkerkant is onderstut met een metsersschoor die in de vensteropening op de bovenverdieping is geplaatst. Er zijn geen dragende binnenmuren en een tussenvloer ontbreekt: Een deel van de onderste draagvloer ontbreekt aan de linkergevel. Gelet op de stuttingswerken is (het) instortingsgevaar reëel.’; % In het administratief dossier ook geen verslag voorligt van het ‘plaatsbezoek op 9 juni 2003’ waaruit het tweede deel van deze overwegingen is afgeleid, namelijk het gedeelte luidende : ‘Overwegende dat uit een plaatsbezoek op 9 juni 2003, naar aanleiding van de eerste vergunningsaanvraag voor het verbouwen van de woning, is gebleken dat de betrokken eerdere woning op relatief grote afstand van de straat is gelegen, bereikbaar langs een wegje, thans summier verhard met steenslag, wederrechtelijk aangebracht op de bedding van een kerkwegel (en derhalve verbreed ten opzichte van die vroegere toestand); Overwegende dat aangaande de voorwaarde dat de woning niet verkrot mag zijn uit voormeld plaatsbezoek reeds bleek dat de woning in een vrij ver gevorderde staat van verval verkeert, een toestand die alleszins het resultaat van meerdere jaren verdergaand verval blijkt te zijn; dat die verkrotte staat onder andere blijkt uit de staat van de voorgevel die bol en hol staat en op meerdere plaatsen grote scheuren en verzakkingen vertoont; dat de linkerhoek volledig weg is en de kopgevel overigens wederrechtelijk is herbouwd (vooralsnog enkel het binnenspouwblad); dat het complete binnengeraamte, op de dakstructuur na, in een vervallen staat blijkt te zijn en/of reeds verwijderd is; dat in het vroegere woongedeelte geen binnenmuren, noch een verdiepingsvloer, voorkomen; dat de dakstructuur thans wordt ondersteund door schoren; dat het X-12.901-12/31 gebouw niet gefundeerd is en consolidatie derhalve zware werken vergt; dat ter hoogte van de gesloopte zijmuur delen van het dak weg zijn; dat al deze tekortkomingen er op wijzen dat het verval reeds jaren aan de gang is, zodat dient besloten dat het gaat om een verkrotte woning, niet enkel nu, maar ook op het ogenblik van de eerste aanvraag; dat derhalve dient besloten dat het niet meer gaat om een bestaand gebouw zoals bedoeld in artikel 145 bis; Overwegende dat uit voormelde beschrijving de zeer bedenkelijke toestand van het gebouw moge blijken; dat hieruit, zoals reeds gesteld, moet besloten worden dat het gebouw verkrot is en niet voldoet aan de elementaire vereisten van stabiliteit; % In het administratief dossier ook geen ‘verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 25 maart 1999’ voorligt waaruit het derde deel van deze overwegingen is afgeleid, namelijk het gedeelte luidende : ‘dat deze vaststelling ook reeds bleek uit het verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen dd. 25 maart 1999 waarbij een hoge graad van verkrotting (78 punten) werd vastgesteld;’ % In het administratief dossier ook geen verslag voorligt van enig ‘verder onderzoek’ waarop het vierde deel van deze overwegingen is afgeleid, namelijk het gedeelte luidende : ‘dat immers mevrouw Martha Vandenbussche niet in het betrokken huisje woonachtig was tot 16 november 1997, maar wel als dienster tewerkgesteld op het nabijgelegen kasteel en aldaar feitelijk woonde, tot ze er hoogbejaard stierf; dat op het hoevetje ze enkel officieel gedomicilieerd was; dat het hoevetje al decennia lang verlaten en volledig verwilderd was;’ En de bestreden beslissing op geen enkele wijze concretiseert waaruit zij afleidt dat mevr. Martha VANDENBUSSCH E ‘als dienster tewerkgesteld’ zou zijn geweest ‘op het-nabijgelegen kasteel en aldaar feitelijk woonde, tot ze er hoogbejaard stierf; dat op het hoevetje ze enkel officieel gedomicilieerd was; dat het hoevetje al decennia lang verlaten en volledig verwilderd was’. Dat de formele motiveringsplicht o.a. inhoudt dat de motivering niet mag verwijzen naar noch mag gebaseerd zijn op verslagen die niet in het administratief dossier steken ; dat doordat deze verslagen niet voorliggen in het administratief dossier, geen deugdelijke verificatie van deze motivering onmogelijk is ; Zodat de bestreden beslissing de bij de aanvang van dit middel opgesomde beginselen schendt. Het middel is gegrond”. Beoordeling 7. Gelet op het suppletoir karakter van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), moeten de middelen geacht worden enkel rechtsgeldig te zijn afgeleid uit de schending van het toentertijd geldende artikel 53, § 3, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), dat aan de Vlaamse minister, wanneer hij X-12.901-13/31 uitspraak doet over een bouwaanvraag, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze die is opgelegd in de eerstgenoemde wet. 8. Wanneer de Vlaamse regering op grond van het toentertijd geldende artikel 53, §3, eerste lid van het gecoördineerde decreet in beroep uitspraak doet over een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, treedt zij niet op als administratief rechtscollege maar als orgaan van het actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de haar opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe is gehouden om al de in het beroep aangevoerde middelen of argumenten rechtstreeks en punt na punt te beantwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeeft door welke, met de goede plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende, redenen zij is verantwoord, derwijze dat het de aanvrager of belanghebbende derde mogelijk is om met kennis van zaken tegen de beslissing op te komen en dat de Raad van State de hem opgedragen wettigheidscontrole kan uitoefenen, dat hij met andere woorden kan nagaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar bestreden besluit is kunnen komen. 9. In het bestreden besluit wordt onder meer overwogen wat volgt: “(...) Overwegende dat uit een plaatsbezoek op 9 juni 2003, naar aanleiding van de eerste vergunningsaanvraag voor het verbouwen van de woning, is gebleken dat de betrokken eerdere woning op relatief grote afstand van de straat is gelegen, bereikbaar langs een wegje, thans summier verhard met steenslag, wederrechtelijk aangebracht op de bedding van een kerkwegel (en derhalve verbreed ten opzichte van die vroegere toestand); Overwegende dat aangaande de voorwaarde dat de woning niet verkrot mag zijn uit voormeld plaatsbezoek reeds bleek dat de woning in een vrij ver gevorderde staat van verval verkeert, een toestand die alleszins het resultaat van meerdere jaren verdergaand verval blijkt te zijn; dat de verkrotte staat onder andere blijkt uit de staat van de voorgevel die bol en hol staat en op meerdere plaatsen grote scheuren en verzakkingen vertoont; dat de linkerhoek volledig weg is en de kopgevel overigens wederrechtelijk is herbouwd (vooralsnog enkel het binnenspouwblad); dat het complete binnengeraamte, op de dakstructuur na, in een vervallen staat blijkt te zijn en/of reeds verwijderd is; dat in het vroegere woongedeelte geen binnenmuren, noch een verdiepingsvloer, voorkomen; dat de dakstructuur thans wordt ondersteund door schoren; dat het gebouw niet gefundeerd is en consolidatie derhalve zware werken vergt; dat ter hoogte van de gesloopte zijmuur delen van het dak weg zijn; dat al deze tekortkomingen erop wijzen dat het verval reeds jaren aan de gang is, zodat dient besloten dat het gaat om een verkrotte woning, niet enkel nu, maar ook op het ogenblik van de eerste aanvraag; dat derhalve dient besloten dat het niet meer gaat om een bestaand gebouw zoals bedoeld in artikel 145bis; Overwegende dat uit voormelde beschrijving de zeer bedenkelijke toestand van het gebouw moge blijken; dat hieruit, zoals reeds gesteld, moet besloten worden dat het gebouw verkrot is en niet voldoet aan de elementaire vereisten X-12.901-14/31 van stabiliteit; dat deze vaststelling ook reeds bleek uit het verslag van de cel Huisvesting van de afdeling ROHM West-Vlaanderen d.d. 25 maart 1999 waarbij een hoge graad van verkrotting (78 punten) werd vastgesteld; dat uit verder onderzoek van de zaak is gebleken dat de woning niet bewoond werd tot 16 december 1997; dat immers mevrouw Martha Vandenbussche niet in het betrokken huisje woonachtig was tot 16 november 1997, maar wel als dienster tewerkgesteld op het nabijgelegen kasteel en aldaar feitelijk woonde, tot ze er hoogbejaard stierf; dat op het hoevetje ze enkel officieel gedomicilieerd was; dat het hoevetje al decennia lang verlaten en volledig verwilderd was; Overwegende dat in bijkomende orde dient verwezen naar het feit dat het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan op 4 november 2004 definitief werd goedgekeurd door de Bestendige Deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen; dat het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan uit drie delen bestaat, een informatief, een richtinggevend en een bindend gedeelte; dat in het bindend gedeelte onder andere het volgende wordt aangegeven: ‘Een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgesteld voor zonevreemde woningen die niet gelegen zijn in het RUP de woonlinten en woonkorrels of het RUP structurerende heuvelrug. Hierin krijgen alle bestaande, niet verkrotte woningen ontwikkelingsmogelijkheden op het vlak van verbouwingen en beperkte uitbreidingen’; dat volgens de gemeente het betrokken eigendom gelegen is binnen het gebied van de heuvelrug; dat voor dit gebied nog een ruimtelijk uitvoeringsplan dient opgemaakt te worden; dat alleszins binnen dit gebied, overeenkomstig de bindende bepalingen, geen verkrotte zonevreemde woningen voor bestendiging in aanmerking komen; Overwegende dat (omwille van) de aangehaalde redenen het ontwerp in strijd is met de decretale bepalingen en een goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt; dat de beslissing van de bestendige deputatie in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd”. 10. Uit het voormelde citaat blijkt dat in het bestreden besluit uitdrukkelijk de redenen zijn vermeld waarop de verwerende partij de vergunningsweigering steunt. Bijgevolg is voldaan aan de door artikel 53, §3 van het gecoördineerde decreet opgelegde formele motiveringsplicht. 11. De verzoekster betwist niet dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de planologische bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied van het betrokken perceel en dat het toentertijd geldende artikel 145bis DRO toepassing vindt. Die bepaling luidt onder meer als volgt: “§1. Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningsverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen of bestaande constructies. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : 1° (...); 2° het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw of een bestaande constructie binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw of de X-12.901-15/31 constructie behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen : 3° (...); 4° (...); 5° (...); 6° het uitbreiden van een bestaande woning; de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 1.000 m³; deze uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % echter niet overschrijden. De Vlaamse regering kan hiervoor de nadere regels vaststellen. De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 6°, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.