id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.397 Rolnummer: A. 188041/X-13760 Zaak: Arrest 207397 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Arrest nr 207.397 van 16 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.397 van 16 september 2010 in de zaak A. 188.041/X-13.
(4)woonlagen. De aanvraag voorziet een meergezinswoning met drie woonlagen. Gezien het perceel buiten de als stadscentrum afgebakende zone valt, is de aanvraag in strijd met artikel 8 van de aanvullende voorschriften van het gewestplan. Het goed is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. Het goed maakt geen deel uit van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. De aanvraag werd niet onderworpen aan een openbaar onderzoek, gezien de rechter aanpalende eigenaar de aanvraag en het plan voor akkoord ondertekende. De aanvraag is niet gelegen binnen een overstromingsgevoelige zone. Gezien de aanvraag een uitbreiding van de bebouwde oppervlakte inhoudt zal er een vermindering van de infiltratiecapaciteit van de bodem plaatsvinden. De aanvraag beantwoordt aan de geldende verordeningen omtrent het afkoppelen van dakoppervlaktes en verharde oppervlaktes. In deze omstandigheden kan in alle redelijkheid verwacht worden dat er geen schadelijk effect wordt veroorzaakt in de plaatselijke waterhuishouding, noch dat dit mag verwacht worden ten aanzien van het eigendom in aanvraag. In het kader van de wettelijke en reglementaire voorschriften is het ontwerp niet voor vergunning vatbaar gelet op de onverenigbaarheid met artikel 8 van de aanvullende voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. • Verenigbaarheid met een goede ruimtelijke ordening Het perceel maakt deel uit van het aaneengesloten woongebied ten zuidoosten van de stadskern Halle, tussen Buizingen en Sint-Rochus. De omgeving wordt gekenmerkt door residentiële bebouwing, met één- en X-13.760-6/12 meergezinswoningen, overwegend in gesloten en halfopen orde. De omgeving kent een vrij hoge woningdichtheid. De voorliggende Acacialaan is een pijpenkop van ongeveer 140m diep, waaraan een vijventwintigtal percelen palen. Door de bestaande bebouwing is de plaatselijke ordening bepaald. Er komen zowel één- als meergezinswoningen voor, het aantal bouwlagen bedraagt overwegend drie. Bij de meeste eengezinswoningen is de gelijkvloerse verdieping in gebruik als hall en garageberging. Een aantal meergezinswoningen heeft een bijkomende woonlaag op de benedenverdieping en twee meergezinswoningen hebben vier woonlagen. De voortuinen zijn veelal deels of volledig verhard. Op basis van de afmetingen van het bouwwerk, heeft de aanvraag betrekking op twee percelen, het aanvraagformulier en het inplantingsplan verwijst echter slechts naar één van de twee percelen. Het braak liggende terrein is ± 16.50m breed en 31.00m diep. Op het rechter aanpalende perceel staat een eengezinswoning - type belle-étage - in gesloten orde, met drie bouwlagen en een zadeldak. De-linker aanpalende percelen zijn gericht naar de Lindenlaan (de straat waarop de Acacialaan uitmondt). De achtergevels van deze woningen staan op ± 18m van de gemeenschappelijke perceelsgrens. Aan de achterzijde paalt het perceel aan een door tuinen versnipperd binnengebied. De aanvraag beoogt de bouw van een meergezinswoning met vijf woongelegenheden, meer bepaald één op de benedenverdieping, twee appartementen op de eerste verdieping en twee duplex-appartementen op de tweede verdieping en onder het zadeldak. De gelijkvloerse bouwdiepte bedraagt 15.00m, deze op de verdiepingen 12.00m. De kroonlijsthoogte en het voorste dakvlak sluiten aan op de rechter aanpalende woning. De achtergevel valt op verdiepingshoogte samen met de rechter aanpalende achtergevel, maar de gabarieten van het achterste dakvlak en de benedenverdieping wijken af van het aanpalende gabariet. Op de gelijkvloerse verdieping bedraagt de zijdelingse bouwvrije strook 3.00m. Op de verdieping kraagt het gebouw met 0.90m uit over zijn volledige diepte en tot in de nok. De fictieve bouwvrije strook bedraagt hier slechts 2.10m. Gelet op de planologische onverenigbaarheid is de ruimtelijke integratie en de goede plaatselijke ordening slechts een beoordelingselement van ondergeschikt belang. Zij kan de aanvraag niet verantwoorden. In het beroepschrift wordt verwezen naar een aantal relevante gebouwen in dezelfde straat, die de weigeringsmotieven moeten weerleggen. De aanwezigheid van acht gebouwen met gelijkaardige kenmerken als het gevraagde, toont volgens de beroepsindieners aan dat het ontwerp zich wel degelijk integreert in de onmiddellijke omgeving. De meeste gebouwen in de straat werden gebouwd in de jaren zestig en zeventig, wanneer andere stedenbouwkundige inzichten de ruimtelijke beoordeling bepaalden. Er wordt echter ook verwezen naar de vrij recente meergezinswoningen nrs. 10 en 25, met respectievelijk 4 en 8 woningen op 4 woonlagen. Beide woningen werden uitgevoerd volgens de vergunningen, die deels na regularisatie vergund werden in
- Niet tegenstaande deze verwijzingen terecht zijn, kunnen ze niet als afdoende reden ingeroepen worden om de afwijking van de gewestplanvoorschriften betreffende het maximum toegelaten aantal woonlagen te rechtvaardigen. De gewestplannen hebben immers verordenende kracht en de bestemmingsvoorschriften zijn bindend. Eventuele voorgaanden die in het verleden zouden zijn vergund kunnen niet in aanmerking komen om nieuwe afwijkingen te verantwoorden. De vergunningverlenende overheid heeft het recht, maar ook de plicht om zodanig te beslissen dat de goede plaatselijke ordening wordt gevrijwaard. Luidens het arrest van de Raad van State van 13/12/1966, inzake Mampaey kunnen vroegere tekortkomingen of vergissingen op dat vlak, ook die van andere overheden, hen niet van die plicht ontslaan. De toekenning van een X-13.760-7/12 bouwvergunning met miskenning van de eisen van de goede plaatselijke ordening kan een nieuwe vergelijkbare vergunning niet rechtvaardigen, noch kan het een recht doen ontstaan ten voordele van derden om, zelfs in dezelfde omstandigheden, ook vergunning te bekomen (...). Met de bouw van een meergezinswoning kan principieel akkoord gegaan worden. In de onmiddellijke omgeving zijn reeds verschillende meergezinswoningen aanwezig, en de gevraagde dichtheid sluit aan op de bestaande. De voorgestelde typologie sluit aan bij de bestaande bebouwing. De eengezinswoningen in de straat zijn allemaal van het type belle-étagewoning. Verhardingen in de voortuinstrook is een rechtstreeks gevolg van deze overwegende typologie. Ook ten opzichte van de rechter aanpalende woning vormt het voorgestelde gabariet een goede aansluiting. De lichte afwijkingen ter hoogte van het achterste dakvlak en de gelijkvloerse aanbouw achteraan, verstoren de aansluiting tussen de gebouwen niet. In tegenstelling tot de bouwhoogte en -diepte, zorgt de breedte van het gebouw voor een problematische inpassing in de omgeving. Volgens de huidige stedenbouwkundige inzichten en normen wordt algemeen aangenomen dat de zijdelingse bouwvrije strook van hoofdgebouwen minimaal 3.00m moet bedragen. Op de gelijkvloers verdieping bedraagt de bouwvrije strook 3.00m, maar door de zijdelingse uitkraging op de verdieping van 0.90m, over de volledige diepte (12.00m) en tot in de nok van het gebouw, bepaalt de te smalle zijdelingse bouwvrije strook van 2.10m de visuele uitstraling van het gebouw. Een bouwvrije strook van 2.10m is stedenbouwkundig niet verantwoord. In het beroepschrift wordt gesteld dat zijdelingse bouwvrije stroken bedoeld zijn als garantie voor de openheid tussen gebouwen en dat de openheid links van het gebouw verzekerd is dank zij de tuinen op de linker aanpalende percelen. Het is juist dat de openheid tussen gebouwen in voorliggende aanvraag niet in het gedrang komt, maar het is niet correct om de last van de openheid te leggen op de aanpalende percelen. Bovendien is het ook ten opzichte van tuinen van groot belang dat het gebouw voldoende afstand houdt tot de perceelsgrens. Vanuit de ramen op de verdiepingen (ter hoogte van intensief gebruikte leefruimten) heeft men immers een goed zicht op de aanpalende tuinen. De afstand van het bouwwerk tot de perceelsgrens, staat ook omgekeerd evenredig met mogelijkheid tot beplanten van de zijtuin. Het terras op de tweede verdieping bevindt zich op slechts 1.00m van de rechter zijdelingse perceelsgrens. Van op het terras heeft men bijgevolg rechtstreeks zicht op de aanpalende woning en tuin. Dit is in strijd met de bepalingen van artikel 678 van het Burgerlijk Wetboek. Tot op een afstand van 1.90m van een nabuur zijn geen rechtstreekse uitzichten of uitzicht gevende vensters, noch balkons of andere vooruitspringende werken toegelaten. De ten grondslag liggende redenen van de regels in het Burgerlijk Wetboek zijn tevens gericht op een goed nabuurschap en de verenigbaarheid van het gebouw met zijn omgeving. In die ten grondslag liggende redenen is dus ook een reële stedenbouwkundige ordeningsvisie terug te vinden, waarbij de als zodanig na te leven regels ook een stedenbouwkundige waarborg inhouden voor een goede aanleg. Een goed nabuurschap wordt niet meer gegarandeerd. Het ontwerp is, gelet op de voorgaande beschouwingen, niet verenigbaar met een goede ruimtelijke ordening. De voorgaande overwegingen in acht genomen kan de deputatie het beroep niet inwilligen om volgende redenen: - De aanvraag voorziet drie woonlagen. Dit is in strijd met de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan; - Door de zijdelingse uitkraging op de verdieping van 0.90m, over de volledige diepte (12.00m) en tot in de nok van het gebouw, ontstaat een X-13.760-8/12 te smalle zijdelingse bouwvrije strook van 2.10m, die de visuele uitstraling van het gebouw bepaalt. - De te smalle zijdelingse bouwvrije strook en het balkon op de tweede verdieping brengen het goed nabuurschap in het gedrang”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Ter terechtzitting doet de verwerende partij afstand van de door haar in de memorie van antwoord aangevoerde exceptie. V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- Het enig middel wordt als volgt uiteengezet: “Zoals blijkt uit wat hierna wordt weergegeven heeft de bestendige deputatie het zorgvuldigheidsbeginsel, waarbij een bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden en dient te stoelen op een correcte feitenvinding niet gerespecteerd. Bovendien heeft het bestuur zich onvoldoende geïnformeerd om met kennis van zaken een beslissing te nemen. (...) In de bespreking van haar beslissing zegt de bestendige deputatie (punt VII) onder de hoofding wettelijke en reglementaire voorschriften dat conform artikel 8 van de aanvullende voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (KB dd. 7 maart 1977) in aaneengebouwde gedeelten van steden en gemeenten mag zonder dat vier woonlagen worden overschreden, van de regel worden afgeweken o.m. : ‘wanneer in een straat meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen meer dan twee woonlagen tellen.’ In haar verzoekschrift heeft de BVBA Ide verwezen naar verschillende huizen die zich in dezelfde straat bevinden zodat de bestendige deputatie stelt dat er weliswaar nog meergezinswoningen voorkomen in de straat maar dat slechts 2 gebouwen die na de inwerkingtreding van het gewestplan dateren meerdere woonlagen zouden hebben. Hiervan wordt geen enkel bewijs naar voorgebracht en laat de bestendige deputatie na om aan te tonen dat daar waar verzoekster aantoont dat er in dezelfde straat verschillende appartementsgebouwen met vier woonlagen aanwezig zijn, die ongetwijfeld alle na 1950 opgetrokken zijn, dat de helft van deze woningen slechts 2 of minder dan 2 woonlagen zou tellen. Deze argumentatie voldoet zodoende niet aan het zorgvuldigheidsbeginsel aangezien de beslissing blijkbaar niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid vermits geen enkel gegeven wordt naar voorgebracht omtrent het aantal woningen dat meer dan 2 woonlagen heeft en dat na 1950 is opgetrokken. De bestendige deputatie spreekt van de inwerkingtreding van het gewestplan als datum terwijl in de aanvullende voorschriften van het gewestplan sprake is van woningen opgetrokken na
- De meeste woningen in deze straten zijn na hoger genoemde datum opgetrokken zodat er wel degelijk mag aangenomen worden dat meer dan de X-13.760-9/12 helft van deze gebouwen, meergezinswoningen met meerdere woonlagen, voldoen aan de gestelde voorwaarden. Ten onrechte wordt dan ook gesteld dat het ontwerp onverenigbaar zou zijn met artikel 8 van de aanvullende voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. De verenigbaar met een goede ruimtelijke ordening. Vooraf dient opgemerkt te worden dat er enige tegenspraak is in de motivering die gegeven wordt in verband met dit punt en die in verband met de toepassing van artikel 8 van de aanvullende voorschriften van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Immers in deze tekst wordt op de vierde pagina in de derde alinea gezegd : ‘de meeste gebouwen in de straat werden gebouwd in de jaren ’60 en ’70, wanneer andere stedenbouwkundige inzichten de ruimtelijke ordening bepaalden. .... Met de bouw van een meergezinswoning kan principieel akkoord gegaan worden. In de onmiddellijke omgeving zijn reeds verschillende meergezinswoningen aanwezig en de gevraagde dichtheid’. Blijkbaar gaat de deputatie ervan uit dat men dient te rekenen vanaf de datum van het gewestplan (K.B. van 7 maart 1977) om de helft van de woningen met meerdere verdiepingen te bepalen terwijl in ditzelfde gewestplan er duidelijk gezegd wordt dat het gaat over .... een straat meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen die meer dan twee woonlagen tellen. Uit deze redenering kan dan ook nog eens duidelijk a contrario bewezen worden dat de eerste redenering niet stoelt op correcte gegevens en dus het zorgvuldigheidsbeginsel niet eerbiedigt. In de motivering over de verenigbaarheid met een goede ruimtelijke ordening wordt door de bestendige deputatie gesteld : ‘gelet op de planologische onverenigbaarheid is de ruimte integratie en de goede plaatselijke ordening slechts een beoordelingselement van ondergeschikt belang. Zij kan de aanvraag niet verantwoorden.’ Aangezien echter er geen planologische onverenigbaarheid bestaat zoals hierboven wordt aangeduid dient wel degelijk omtrent de ruimtelijke integratie en de goede plaatselijke ordening geoordeeld te worden. Wat deze aspecten betreft worden de argumenten die door de gemachtigde ambtenaar werden aangebracht, overgenomen door het college van burgemeester en schepenen, blijkbaar niet weerhouden. Zo had deze ambtenaar gezegd dat : ‘de voorgestelde architectuur niet aanvaardbaar is en als banaal wordt ervaren. Het creëren van vier garages op de gelijkvloerse verdieping aan de straatzijde schaadt het straatbeeld ernstig. De volledige verharding van de achteruitbouwstrook brengt nog bijkomende visuele hinder naar de straatzijde met zich mee. De voorziene appartementen op de verdiepingen beschikken niet over een kwalitatieve buitenruimte.’ In haar beroepsschrift heeft verzoekster al deze argumenten weerlegd aan de hand van foto’s waaruit blijkt dat bijna alle gebouwen in deze straat op ongeveer dezelfde manier zijn gestructureerd zodat het schepencollege toch bijzonder slecht gekomen is om nu te stellen dat het hier zou gaan over ‘een banale architectuur’. De bestendige deputatie komt op deze, overigens erg subjectieve, appreciatie terug en beperkt zich tot het probleem van de bouwvrije strook. Samengevat komt het hierop neer dat daar waar op de gelijkvloerse verdieping de bouwvrije strook 3 meter bedraagt deze door een uitkraging op de verdieping van 90 cm beperkt wordt tot 2,10 meter. Ten onrechte wordt met het argument dat door verzoekster is naar voorgebracht geen rekening gehouden nl. het feit dat de afstand tussen de zijgevel van het gebouw en de achtergevel van het gebouw meer dan 21 meter is nl. 18,2 meter in de tuin bij de buur en 3 meter bij de BVBA Gebroeders Ide. X-13.760-10/12 Het argument dat men vanuit de ramen op de verdiepingen een goed zicht heeft op de aanpalende tuinen en dat hierdoor enig probleem zou kunnen ontstaan is niet alleen ver gezocht maar onjuist. Ten onrechte wordt gesteld dat het feit dat men van op het terras rechtstreeks zicht heeft op de tuin van de aanpalende woning in strijd zou zijn met artikel 678 B.W. Deze artikelen die gericht zijn, zoals de deputatie zegt op een goed nabuurschap en de verenigbaarheid van het gebouw met zijn omgeving hebben geen enkele opmerking uitgelokt bij de eigenaars en bewoners van de aanpalende huizen, maar worden bovendien op een identieke manier toegepast in zowat de ganse straat. Verzoekster kan dan ook niet inzien waarom haar beroep niet werd ingewilligd”. Beoordeling
- Ter terechtzitting doet de verwerende partij afstand van de door haar in de memorie van antwoord aangevoerde exceptio obscuri libelli.
- Het van toepassing zijnde artikel 8 van de aanvullende voorschriften bij het geldende gewestplan stelt dat, in afwijking van de regel dat woningen buiten de afgebakende stadscentra ten hoogste twee woonlagen mogen hebben, ten hoogste vier woonlagen toegestaan zijn in straten waar meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen meer dan twee woonlagen hebben, waarbij het maximum aantal woonlagen afgestemd wordt op de omringende woningen aan dezelfde kant van de straat.
- De verzoekende partij betwist niet dat aan de Acacialaan “een vijfentwintigtal percelen palen”. Zij betoogt in haar middel dat zij in haar beroepschrift voor de deputatie verwezen heeft “naar verschillende huizen die zich in dezelfde straat bevinden”. Concreet blijkt zij naar vier woningen verwezen te hebben. Daargelaten de vraag of al deze woningen uit meer dan twee woonlagen bestaan, toont de verzoekende partij hiermee niet aan dat, conform het voormelde artikel 8, meer dan de helft van de na 1950 opgetrokken woningen in de Acacialaan meer dan twee woonlagen tellen. De verwijzing naar de twee gebouwen in de Quetstroeyelaan is niet dienend, vermits deze gebouwen zich niet in dezelfde straat als het bouwperceel bevinden. De verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat het bestreden besluit, dat stelt dat “zeker niet meer dan de helft van de gebouwen (...) meergezinswoningen met meer dan twee woonlagen (omvat)”, gestoeld is op een foutieve feitenvinding. X-13.760-11/12
- Aangezien het weigeringsmotief aangaande de planologische onverenigbaarheid wettig is, zijn de overwegingen in het bestreden besluit omtrent de strijdigheid met de ruimtelijke ordening overtollige motieven. De kritiek van de verzoekende partij op deze motieven is niet ontvankelijk aangezien kritiek op overtollige motieven niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit kan leiden.
- In zoverre de verzoekende partij in haar laatste memorie opwerpt dat er sprake is van discriminatie aangezien niet wordt uitgelegd waarom haar geen vergunning wordt verleend en anderen wel, verruimt zij op onontvankelijke wijze de draagwijdte van haar middel.
- Het enig middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.760-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.397 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div