id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.400 Rolnummer: A. 168939/X-12628 Zaak: Arrest 207400 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Arrest nr 207.400 van 16 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.400 van 16 september 2010 in de zaak A. 168.939/X-12.
- In zake:
- Paul DE ROUCK
- Marleen DE BAERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Boelens kantoor houdend te 9300 AALST Molendries 11 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Van Damme kantoor houdend te 9230 WETTEREN Florimond Leirensstraat 53 tegen: de gemeente HAALTERT Tussenkomende partijen:
- Jurgen WOUTERS
- Ineke GONZALEZ Y VALERIANO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 1040 BRUSSEL Galliërslaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Krist’l De Paepe kantoor houdend te 9320 EREMBODEGEM Industrielaan 27, bus 3 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 december 2005, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 19 september 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een bestaande eengezinswoning op een perceel gelegen te Haaltert, Achterstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 1627/s
- X-12.628-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 153.217 van 29 december 2005 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. De eerste verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De eerste verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 28 maart
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Adjunct-auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De eerste verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
- Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Boelens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Philippe Winderickx, die loco advocaat Konstantijn Roelandt verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-12.628-2/9 III. Feiten
- Op 26 juli 2005 (datum van het ontvangstbewijs) dienen de tussenkomende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een bestaande eengezinswoning op een perceel gelegen te Haaltert, Achterstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 1627/s
- Het voornoemde perceel is overeenkomstig het gewestplan Aalst- Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei 1978, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, of van een vergunde verkaveling.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel met woning, links palend aan het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft.
- Tijdens het openbaar onderzoek dat wordt georganiseerd van 12 augustus 2005 tot 10 september 2005 dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. Op 19 september 2005 brengt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert een gunstig advies uit waarin het bezwaar gedeeltelijk gegrond wordt bevonden.
- Op 19 september 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert de gevraagde vergunning. Dit is de bestreden beslissing. IV. Afstand
- De Hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van het arrest houdende verwerping van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit, aan de verzoekende partijen melding gemaakt van artikel 17, § 4ter van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15ter, § 1 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. Naar luid van het voornoemde artikel 17, § 4ter geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat X-12.628-3/9 de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
- De verzoekende partijen zijn er ieder afzonderlijk, bij aangetekend schrijven (met ontvangstmelding van 4 januari 2006), door de griffie van de Raad van State op gewezen dat het verzoek tot voortzetting van de procedure dient te worden vergezeld van fiscale zegels ter waarde van 175 euro. Vastgesteld dient te worden dat het origineel verzoek tot voortzetting van de procedure, dat is ingediend door beide verzoekende partijen, gezegeld is voor een bedrag van 175 euro. Gezien beide verzoekende partijen om de voortzetting van de procedure hebben verzocht, dienden zij, met toepassing van het destijds van kracht zijnde artikel 70, §1, tweede lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, elk het recht van 175 euro te voldoen zodat op het origineel verzoekschrift tot voorzetting 350 euro aan fiscale zegels diende te worden aangebracht.
- Een niet van de nodige fiscale zegels voorzien verzoek tot voortzetting moet worden gelijkgesteld met de afwezigheid van een verzoek tot voortzetting. Het verzoek tot voorzetting moet derhalve geacht worden enkel ten aanzien van de eerst in het verzoekschrift vermelde verzoekende partij ontvankelijk te zijn. Met toepassing van artikel 15ter van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, geldt ten aanzien van de tweede verzoekster een vermoeden van afstand van geding. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen
- De tussenkomende partijen werpen de volgende exceptie van laattijdigheid op: “III. ONTVANKELIJKHEID RATIONE TEMPORIS In de rechtsleer wordt hieromtrent gesteld: ‘De termijn voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring van een handeling die noch bekendgemaakt, noch aan de verzoeker betekend X-12.628-4/9 moet worden, gaat in op de dag waarop hij er in feite kennis van heeft.’ (...) Zoals reeds hoger gesteld, zijn tussenkomende partijen reeds op 19 oktober 2006 begonnen met de afbraak van de achterbouw. Tussenkomende partijen dienden een aanvraag in voor het stallen van een container van 20 oktober 2005 tot 22 oktober 2005 en van 5 november 2005 tot 6 november 2005 voor het verwijderen van het afbraakmateriaal. Deze aanvraag werd door de politiediensten goedgekeurd (...). M.a.w. verzoekende partijen wisten reeds op 19 oktober 2005 dat aan tussenkomende partijen een vergunning was afgeleverd. Niettemin wachtten zij tot 24 december 2005 om een beroep tot nietigverklaring in te dienen. Dit is meer dan zestig
(60)dagen”.
- De eerste verzoeker stelt in de toelichtende memorie dat het beroep tot nietigverklaring tijdig is ingesteld, “aangezien (het) werd ingesteld binnen de 60 dagen na kennisname van de vergunning dd. 19 september 2005, met name de kennisname op 3 november 2005”. Beoordeling
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er kennis van te hebben gehad.
- Het beginsel volgens hetwelk moet worden voorkomen dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft en dat aan het voormelde artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengt met zich mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de hem ter beschikking staande middelen om kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn verstreken, neemt de termijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te stellen, een aanvang. Het is zaak van de partijen die aanvoeren dat het beroep laattijdig is ingesteld, het bewijs te leveren van het tijdstip waarop de verzoekende partij X-12.628-5/9 kennis had of kon hebben van de mogelijke afgifte van de bestreden vergunning, bijvoorbeeld door aan te tonen wanneer de kwestieuze werken werden aangevat. Het is dan weer zaak van de verzoekende partij in voorkomend geval aan te tonen dat zij binnen de redelijke termijn, via de geëigende middelen de nodige inlichtingen over de bestreden vergunning heeft proberen in te winnen.
- Uit het louter plaatsen van een bouwafvalcontainer blijkt op zich niet dat de eerste verzoeker er moest van uitgaan dat een bouwvergunning was afgeleverd. De exceptie gaat niet op. VI. Onderzoek van het derde en het vierde middel Standpunt van de partijen
- In het derde middel voert de eerste verzoeker onder meer aan dat de verwerende partij de formele motiveringsplicht heeft geschonden door niet te antwoorden op relevante vragen in verband met de verkeersveiligheid. Het vierde middel luidt onder meer als volgt: “Vierde middel : Schending de behoorlijke-goede ruimtelijke orde (...) Verzoekers hebben aangehaald in bezwaar van 24 februari dat thans een bijzonder gevaarlijke verkeerssituatie wordt bestendigd. Voetgangers, rolstoelgebruikers, kinderwagens kunnen geen gebruik maken van het voetpad dat er niet is, of dat veel te smal is. Het kan niet dat de gemeente deze verkeersonveilige situatie bestendigt, welke geen behoorlijke-goede ruimtelijke orde is. Verzoekers hadden nochtans verzocht om advies in te winnen nopens de verkeersonveilige situatie aan verkeerscommissie en/of openbare werken, quod non. Het middel is gegrond”.
- De verwerende partij laat na een memorie van antwoord in te dienen binnen de vastgestelde termijn.
- In de memorie repliceren de tussenkomende partijen aangaande het derde middel dat de verwerende partij “wel degelijk (heeft) gemotiveerd waarom de aanvraag voor vergunning vatbaar is”. Meer bepaald voeren zij aan dat de bestaande (vergunde) toestand niet zal wijzigen “gelet op de weinig ingrijpende aard van de verbouwingen” zodat de verwerende partij “geredelijk kon besluiten dat de verkeerssituatie niet wordt gewijzigd en de verbouwingswerken alsnog voor X-12.628-6/9 vergunning vatbaar zijn”. De motivering is bijgevolg niet kennelijk onredelijk, minstens dient te worden vastgesteld dat de eerste verzoeker “dit zelfs niet (beweert), laat staan (aantoont)”. Aangaande het vierde middel verwijzen de tussenkomende partijen naar hun uiteenzetting bij het derde middel en antwoorden vervolgens dat de eerste verzoeker voorbijgaat “aan het gegeven dat het om een vergund gebouw gaat” en dat “de vernietiging van het bestreden besluit (...) de onveilige verkeerssituatie niet (zal kunnen wegwerken)” waardoor de eerste verzoeker volgens hen dan ook geen belang bij het middel heeft.
- In de laatste memorie stellen de tussenkomende partijen dat de eerste verzoeker het derde en het vierde middel niet op een concrete en duidelijke wijze uiteenzet, met uitzondering voor wat betreft “de kritiek op de verkeersveiligheid”, die volgens hen evenmin overtuigt. Tot slot is volgens hen de motivering afdoende aangezien de eerste verzoeker genoegzaam doet blijken dat hij “het motief inzake de mobiliteit” kent en “(heeft hij) in wezen kritiek (...) op een beleidskeuze van de overheid”. Beoordeling
- Het gegeven dat de eerste verzoeker volgens de tussenkomende partijen zijn belang zou formuleren vanuit het oogpunt van de verkeerssituatie, ontneemt hem het belang niet bij het middel afgeleid uit de schending van de formele motiveringsplicht en de goede ruimtelijke ordening.
- De eerste verzoeker voert onder meer aan dat de vergunningverlenende overheid het bestreden besluit diende te motiveren, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de site en dat er niet werd geantwoord op de vragen betreffende de verkeersveiligheid. De vergunningverlenende overheid diende, nu het betrokken perceel niet is gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, noch binnen een vergunde verkaveling, te onderzoeken of de bouwaanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, overeenkomstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit artikel 43, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- X-12.628-7/9
- Het bestreden besluit motiveert de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning als volgt: “De aanvraag is principieel in overeenstemming met de planologische voorschriften van woongebied volgens het gewestplan. Overwegende dat de woning getroffen is door de rooilijn, maar dat de voorgestelde werken aan het hoofdgebouw minder ingrijpend zijn dan in het vorige dossier. Overwegende dat aan de verkeersonveilige situatie geen oplossing geboden is maar door de minder ingrijpende aard van de verbouwingen alsnog een vergunning kan afgeleverd worden mits afstand van meerwaarde. Gelet op het bezwaar ingediend door de buur. Om deze redenen brengt de aanvraag de goede plaatselijke ruimtelijke ordening niet in het gedrang”. De vaststelling dat de aanvraag “principieel” in overeenstemming is met de bestemming woongebied houdt geen beoordeling in van de stedenbouwkundige verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving. De “beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project” bevat evenmin concrete gegevens omtrent de onmiddellijk aan het bouwperceel palende percelen, doch stelt slechts in algemene bewoordingen dat “het goed is gelegen in de kern van Haaltert”. Het bestreden besluit bevat geen concrete gegevens ter verantwoording voor de conclusie dat de aanvraag “om deze redenen (...) de goede plaatselijke ruimtelijke ordening niet in het gedrang (brengt)”. De omstandigheid dat de aanvraag minder ingrijpend is dan in het vorige dossier, doet aan deze vaststelling geen afbreuk.
- Bovendien werd in het bezwaar van de eerste verzoeker gewezen op de verkeersonveilige situatie ter plaatse. Deze vaststelling wordt door de vergunningverlenende overheid onderschreven in het bestreden besluit waar zij stelt dat “aan de verkeersonveilige situatie geen oplossing geboden is maar door de minder ingrijpende aard van de verbouwingen alsnog een vergunning kan afgeleverd worden mits afstand van meerwaarde”. Het feit dat de verbouwingswerken minder ingrijpend zijn dan in een vorige aanvraag kan evenwel niet beschouwd worden als een afdoende antwoord op het ingediende en gegrond bevonden bezwaar om te besluiten tot afgifte van de vergunning. Het derde en het vierde middel zijn in de aangegeven mate gegrond. X-12.628-8/9 BESLISSING
- De Raad van State stelt de afstand van het geding vast in hoofde van de tweede verzoekende partij.
- De Raad van State vernietigt het besluit van 19 september 2005 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Haaltert houdende afgifte van de stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een bestaande eengezinswoning op een perceel gelegen te Haaltert, Achterstraat, kadastraal bekend sectie A, nr. 1627/s
- De tweede verzoekende partij wordt verwezen in de helft van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. De verwerende partij wordt verwezen in de helft van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.628-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.400 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div