id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.405 Rolnummer: A. 197662/XII-6335 Zaak: Arrest 207405 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 17/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-20 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Arrest nr 207.405 van 17 september 2010 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 207.405 van 17 september 2010 in de zaak A. 197.662/XII-6335 In zake: Sylvester DECLERCQ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Vanlerberghe en Bert Verhaeghe kantoor houdend te Izegem Kasteelstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW SCHOLENGROEP SINT-MICHIEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Jochen Honnay kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 10 september 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “- het besluit van 25 augustus 2010 van de Raad van Bestuur (schoolbestuur) van vzw Scholengroep Sint-Michiel, waarbij wordt beslist om de delibererende klassenraad van het Vrij Technisch Instituut Roeselare, studierichting Bouwtechnieken TSO, 2e leerjaar van de 3e graad, niet opnieuw samen te roepen [...]; - de daardoor definitief geworden beslissing (van eind juni 2010, precieze datum voor verzoekende partij niet gekend) van de delibererende klassenraad van het Vrij Technisch Instituut Roeselare, studierichting Bouwtechnieken TSO, 2e leerjaar van de 3e graad, waarbij aan [Sylvester Declercq] een oriënteringsattest C wordt toegekend”. Met hetzelfde verzoekschrift vordert verzoeker ook nog dat de Raad van State onder verbeurte van een dwangsom zou bevelen dat de delibererende klassenraad zou samenkomen om over hem een nieuwe beslissing te nemen en wel uiterlijk acht dagen na het schorsingsarrest. XII-6335-1\11 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2010, om 9.45 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bert Verhaeghe, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jochen Honnay, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2009-2010 leerling in het tweede leerjaar van de derde graad, studierichting Bouwtechnieken TSO, aan het Vrij Technisch Instituut te Roeselare. Einde juni 2010 behaalt verzoeker een jaartotaal van 57%, met drie onvoldoendes: wiskunde (45%), organisaties (48%) en technologie (45%). Het rapport vermeldt tevens: “Geïntegreerde proef [hierna ook: GIP]: niet geslaagd Niettegenstaande de georganiseerde stage en begeleiding is Sylvester niet geslaagd voor de gip.” XII-6335-2\11 De delibererende klassenraad kent verzoeker een oriënterings- attest C toe. De motivering daarvan luidt : “Ondanks alle opmerkingen en remediëringen, blijkt er nog altijd te weinig inzet en gebrek aan motivatie. Dit blijkt ook uit het onvoldoende bereiken van de leerplandoelstellingen en het niet geslaagd zijn voor de gip.” 3.
- Nadat overleg de directeur er niet toe kan brengen om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen wordt beroep aangetekend bij de beroepscommissie. In een betoog van ongeveer zes bladzijden wordt gewezen, onder meer, op een positieve evolutie voor het vak wiskunde die “blijkbaar niet naar waarde [wordt] geschat”, op het ontbreken van concrete remediëringsvoorstellen of waarschuwingen, op “een positieve evolutie en positieve studiehouding na een dip”, op “een zwijm van wazigheid” van de beoordeling van het GIP-eindwerk “in al zijn facetten”, op een onregelmatige samenstelling van de GIP-jury zowel bij de tussentijdse verdediging als tijdens de eindverdediging, op het ontbreken van een “gefundeerde, transparante en controleerbare motivatie” van de beoordeling van de geïntegreerde proef op het eindrapport. Ook wordt inzage gevraagd van tal van documenten uit het “pedagogisch schooldossier” van verzoeker (taken, toetsen, leerplannen, klassenraadverslagen, beschrijving van het evaluatiesysteem voor de GIP en andere opleidingsonderdelen en dergelijke meer). 3.
- “Rekening houdende met de cijfers en de motivering op het eindrapport”, adviseert de beroepscommissie op 23 augustus 2010 “om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen”. 3.
- Op 25 augustus 2010 beslist het schoolbestuur, zonder verdere motivering dan “gelet op de conclusies [...] van de beroepscommissie”, om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
- Verwerende partij merkt in haar nota met opmerkingen op dat het beroep enkel ontvankelijk kan zijn, voor zover het betrekking heeft op de beslissing van het schoolbestuur om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. XII-6335-3\11 4.
- De Raad van State bevestigt ook voor deze zaak de redengeving die hij heeft ontwikkeld, onder meer in de arresten nr. 103.155, Labaere, van 5 februari 2002, en nr. 126.481, Verlende, van 16 december 2003, dat de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatie- besluit) een beroep binnen de school organiseren tegen beslissingen van de delibererende klassenraad, dat de beslissing waarmee de desbetreffende procedure wordt afgesloten, de eindbeslissing is, vatbaar voor beroep voor de Raad van State en dat die eindbeslissing kan zijn, ofwel de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” van de delibererende klassenraad (artikel 74 van het organisatiebesluit), ofwel de beslissing van het schoolbestuur dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit). De eindbeslissing in deze zaak is de weigering van het schoolbe- stuur om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. De vordering is niet ontvankelijk wat het tweede voorwerp betreft. De exceptie is gegrond. V. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Uiterst dringende noodzakelijkheid en moeilijk te herstellen ernstig nadeel
- Wat de derde schorsingsvoorwaarde betreft, doet verzoeker gelden dat hij door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een studiejaar dreigt te verliezen en verwijst hij naar de vaste rechtspraak van de Raad van State die het verlies -of dreigend verlies- van een schooljaar als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel erkent. XII-6335-4\11 Wat de eerste schorsingsvoorwaarde betreft, voert verzoeker onder meer aan dat een vordering volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zal komen. Hij stelt zich te willen inschrijven in een hogeschool en dat een gewone schorsing maar zal te verwachten zijn nadat het nieuwe schooljaar reeds ver gevorderd is of zelfs helemaal afgesloten.
- Verwerende partij verklaart zich, wat het nadeel betreft, naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen maar merkt op dat wel vragen rijzen bij de diligentie van verzoeker bij het instellen van huidig beroep, waar hem reeds bij aangetekende brief van 27 augustus 2010 van de bestreden beslissing kennis werd gegeven.
- Verzoeker mag zich wat de hier besproken schorsingsvoorwaar- den betreft terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State beroepen. Het dreigend verlies van een schooljaar maakt voor de betrokken leerling een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure zal te laat komen om het dreigend verlies van een schooljaar te keren. De bestreden beslissing dateert van 25 augustus 2010 en is op vrijdag 27 augustus met aangetekend schrijven aan verzoeker meegedeeld. Verzoeker verklaart deze zending op maandag 30 augustus 2010 te hebben ontvangen. Het voorliggende verzoekschrift is ingediend op vrijdag 10 september
- Dit strookt met de vereiste van spoed en voortvarendheid, waarmee in het geval van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid door een verzoeken- de partij moet worden gehandeld. Er is bijgevolg aan de beide besproken schorsingsvoorwaarden voldaan. B. Ernst van de middelen Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert één middel aan, geput uit de schending van “de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 56 van het Organisatiebesluit en XII-6335-5\11 van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het (formeel en materieel) motiveringsbeginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwensbe- ginsel en van de regel patere leqem quam ipse fecisti”. Verzoeker doet in een eerste middelonderdeel onder meer gelden dat de bewering dat hij de leerplandoelstellingen niet heeft bereikt zonder bijbehorende toelichting een nietszeggende stijlformule is, dat hij geen individueel syntheseblad heeft gezien of gekregen, dat hem alleen is meegedeeld dat hij “niet geslaagd” is voor de geïntegreerde proef, dat het hem in het geheel niet duidelijk is waarom hij voor die GIP niet geslaagd is, dat hem geen enkel eindverslag is meegedeeld waaruit enige verantwoording blijkt voor het niet-geslaagd verklaren, dat hem zelfs geen enkel cijfer werd meegedeeld -laat staan een uitgeschreven beoordeling. Verzoeker noemt het absoluut onduidelijk waarom hij niet geslaagd is voor de GIP. Voorts betoogt hij nog dat de jury voor de beoordeling van de GIP onregelmatig was samengesteld, omdat de zogenaamde externe juryleden in strijd met artikel 56, § 2, van het organisatiebesluit in de meerderheid waren ten opzichte van de eigen leraren. Hij merkt op dat dit zelfs niet is betwist tijdens de beroepspro- cedure, maar toch flagrant is genegeerd door de beroepscommissie en het schoolbestuur. In een tweede middelonderdeel argumenteert verzoeker over de “cascade van ‘motiveringen’” van de beroepscommissie en het schoolbestuur dat een eigenlijke motivering zo goed als onbestaande is en dat aldus de onwettigheden waarmee de beslissing van de delibererende klassenraad is behept door het schoolbestuur zijn overgenomen. Verzoeker stelt vast dat er in de bestreden beslissing van 25 augustus 2010 geen enkel antwoord wordt gegeven op zijn vele argumenten die hij in de klacht ten aanzien van de deliberatiebeslissing had geformuleerd.
- Verwerende partij antwoordt dat het afdoende karakter van de motivering in concreto beoordeeld moet worden, rekening houdend met alle gegevens van het administratief dossier waarbij ook rekening moet worden gehouden met de gegevens die los van deze motivering, bekend zijn aan de rechtsonderhorige. Van belang daarbij is dat verzoeker een beoordeling en feedback kreeg over de vorderingen van de GIP, zodat de aangehaalde motivering geenszins in het luchtledige hangt. Er staat zelfs 80% van de punten van de GIP op deze “procesevaluatie” tijdens het schooljaar en slechts 20% van de beoordeling is XII-6335-6\11 “productevaluatie”. Verwerende partij verwijst naar stuk 9 van haar administratief dossier, waaruit blijkt dat verzoeker in de loop van het schooljaar tot wel zeven keer toe een min of meer uitgebreide schriftelijke beoordeling heeft ontvangen met betrekking tot deze GIP over de technisch-inhoudelijke kant van de proef, over de planning, de aanpak, zijn houding enzovoorts. Zowel in de maand januari 2010 als in mei 2010 werd deze beoordeling in een quotering uitgedrukt. Het staat aldus volgens verwerende partij vast dat verzoeker wel degelijk zeer goed weet waarom en op basis waarvan hij niet geslaagd is voor de geïntegreerde proef. Volgens verwerende partij heeft de beroepscommissie voorts op de argumenten van verzoeker geantwoord door middel van de samenvatting van de argumenten van de directeur, die eveneens in het advies is opgenomen. Dat verzoeker de leerplandoelstellingen niet heeft bereikt wordt inderdaad in de klassenraadbeslissing niet nader gespecificeerd, zo geeft verwerende partij toe, maar blijkt uit de punten van het rapport en de punten voor de verschillen- de onderdelen van de GIP. Wat dan de samenstelling betreft van de GIP-jury, merkt verwerende partij op dat de totale jury bestond uit tien leden: vijf leerkrachten en vijf externen. De groep werd in deelgroepen opgesteld op zo een manier dat ieder leerling drie vaste juryleden had (twee leerkrachten plus een extern jurylid, ofwel twee externen plus een leerkracht) plus één extra leerkracht die pendelde tussen de groepjes. Beoordeling
- Artikel 56, § 1, 2°, van het organisatiebesluit luidt : “Een geïntegreerde proef wordt georganiseerd in: […] 2° het tweede leerjaar van de derde graad van het technisch, het kunst- en het beroepssecundair onderwijs”. Artikel 56, § 2, van het organisatiebesluit bepaalt: “De onder § 1 bedoelde proef slaat op vakken van het fundamenteel gedeelte van de optie, dat de gekozen studierichting bepaalt, zoals bedoeld in artikel 48, 7°, van voornoemd decreet van 31 juli
- XII-6335-7\11 Deze proef, die ook de vorm van een eindwerk mag aannemen, wordt beoordeeld door de leraars die de betrokken vakken onderwijzen evenals door deskundigen op het vlak van de te beoordelen kwalificatie, die in aantal het aantal leraars niet mogen overschrijden en die niet tot de betrokken onderwij- sinstelling behoren. De deskundigen worden in de loop van het schooljaar aangeduid door de inrichtende macht of haar afgevaardigde. Het resultaat van de proef zal een belangrijk element betekenen in de beslissing van de delibererende klassenraad.”
- Op het eerste gezicht heeft verzoeker in de loop van de beroeps- procedure inderdaad geen enkel antwoord gekregen op zijn concrete bezwaren die hij overheen zes bladzijden uitschreef voor de beroepscommissie. Het schoolbestuur heeft in de bestreden beslissing louter verwezen naar “de conclusies” van de beroepscommissie. De beroepscommissie van haar kant heeft, zeer summier, de argumenten van verzoeker en van de directie op een rijtje gezet en -zonder nadere overwegingen te besteden aan die argumenten- vervolgens geadviseerd om geen nieuwe klassenraad samen te roepen “[r]ekening houdende met de cijfers en de motivering op het eindrapport”. Na zo een verregaande achteloosheid die de negatie inhoudt van een beroepsprocedure, kan de gevorderde schorsing van de bestreden beslissing enkel worden vermeden, zo lijkt, indien, eensdeels, de argumenten van verzoeker geheel irrelevant zouden zijn voor de betwisting en, anderdeels, de beslissing van de klassenraad voor eenieder zo vanzelfsprekend moet zijn dat er geen nadere woorden aan besteed hoeven te worden.
- Mogelijk kan worden geargumenteerd, met de beroepscommissie, dat met drie jaartekorten én een onvoldoende voor de GIP -met andere woorden “de cijfers” waarvan sprake in het advies- alles is gezegd als grondslag van een C-attest. Te dezen lijkt de delibererende klassenraad immers het niet slagen voor de GIP in verzoekers geval ook -mede- te hebben aangegrepen om hem het C-attest uit te reiken. Daarmee doet de delibererende klassenraad in wezen niets anders dan bevestigen wat artikel 56, § 2, van het organisatiebesluit leert, namelijk dat het resultaat van de GIP “een belangrijk element [betekent] in de beslissing van de delibererende klassenraad”.
- Wanneer dan echter het motief van het niet slagen voor de GIP faalt, kan de beslissing van de klassenraad prima facie niet langer stand houden. Het XII-6335-8\11 probleem te dezen is nu net dat verzoeker er het raden naar heeft, zo lijkt, waarom hij dan wel voor die GIP een onvoldoende heeft behaald. Onbetwistbaar is dat de GIP géén examen is waarbij slechts op kennisvragen dient geantwoord. Een GIP veronderstelt een praktische, technische realisatie van de zijde van de leerling. In zo een geval dient, op het eerste gezicht, aangenomen dat niet kan worden volstaan met het louter toekennen van een cijfer -wat verwerende partij zelfs nog lijkt te verzuimen. Alvast wordt noch op het rapport, noch op eender welk ogenblik van de beroepsprocedure aan verzoeker meegedeeld wat nu het door hem behaalde cijferresultaat is. In het administratief dossier berust thans wel een amper leesbaar afschrift, dat erop lijkt te wijzen dat verzoeker 49,3% behaalde voor de procesevaluatie en 48,6% voor de productevaluatie, of een gewogen totaal van 49%. Dit cijfer, indien correct, leert dat het tekort van verzoeker een randgeval is. De stukken waarop de Raad in de huidige stand van de procedure vermag acht te slaan tonen echter niet aan dat dit document al eerder aan verzoeker was meegedeeld. De motiveringsplicht lijkt evenwel voor een proef als de voorliggende méér dan een louter cijfer, en wel een onder woorden gebrachte verantwoording voor het toegekende cijfer te vereisen, waarbij die verantwoording meer moet zijn dan een vage beoordeling en, bijvoorbeeld, de criteria moet vermelden die werden beoordeeld en hoe het werk van de leerling in concreto aan die criteria voldoet of tekort schiet. Een motivering die beperkt is tot de enkele mededeling dat de leerling niet geslaagd is voor de GIP, zonder daarbij een onder woorden gebrachte verantwoording voor dat niet slagen te geven, zonder zelfs nog maar een cijfer mee te delen, voldoet niet aan de motiveringsplicht. Zelfs indien nog rekening gehouden mag worden met de beoordelingen van de procesevaluatie opgenomen in stuk 9 van het administratief dossier -waarvan verzoeker immers betwist dat hij er kennis van had, en waar op sommige documenten alleszins ook te lezen is dat het resultaat “geen invloed [heeft] op het eindresultaat maar [...] enkel sturend [is]”- dan nog ontbreekt elke motivering voor de finale productevaluatie. Die vaststelling had voor het schoolbestuur een reden moeten zijn om de delibererende klassenraad alsnog opnieuw bijeen te roepen. XII-6335-9\11 Het middel is in die mate ernstig.
- Verzoeker heeft reeds tijdens de administratieve beroepsprocedure de vermeend onregelmatige samenstelling van de jury aangeklaagd. Deze grief overvalt verwerende partij dus niet als een verrassing, ook al heeft zij er in diezelfde beroepsfase niet op geantwoord. De Raad van State moet niettemin vaststellen dat in het administratief dossier geen behoorlijk ondertekend beoordelingsverslag is terug te vinden, of enig ander nuttig stuk dat uitsluitsel geeft omtrent de samenstel- ling van de jury en dat de rechter in staat stelt deze grief te beoordelen. Om die reden moet in de huidige stand van de procedure ook dit middelonderdeel ernstig worden geacht.
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VI. Voorlopige maatregelen
- Verzoeker vordert in het inleidend verzoekschrift “dat de Raad van State aan verwerende partij beveelt dat de delibererende klassenraad opnieuw moet samenkomen om een nieuwe deliberatiebeslissing met betrekking tot verzoekende partij te nemen en dit uiterlijk binnen de acht dagen na het schorsings- arrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid”. Hij vordert tevens een dwangsom van 250 euro per dag dat er geen nieuwe beslissing wordt genomen door de delibereren- de klassenraad. Verwerende partij antwoordt dat er geen objectieve aanleiding is om deze maatregel te vorderen en dat er geen reden is om te veronderstellen dat zij zich aan de uitvoering van een schorsingsarrest zou onttrekken.
- Verzoeker maakt inderdaad niet op goede gronden aannemelijk dat de verwerende partij zich niet naar het dictum en de motieven van het tussen te komen arrest zal schikken of zich op een of andere wijze aan het gezag van gewijsde van de uitspraak zou onttrekken. Het verzoek wordt afgewezen. BESLISSING XII-6335-10\11
- De Raad van State beveelt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid van de tenuitvoerlegging van het besluit van 25 augustus 2010 van de raad van bestuur van de vzw Scholengroep Sint-Michiel, waarbij wordt beslist om de over Sylvester Declercq delibererende klassenraad van het Vrij Technisch Instituut Roeselare niet opnieuw samen te roepen.
- De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 17 september 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, met bijstand van Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6335-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.405 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.573 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.