← België

Arrest 207408 - Plannen van aanleg - 17/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.408 Rolnummer: A. 187188/X-13676 Zaak: Arrest 207408 - Plannen van aanleg - 17/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Arrest nr 207.408 van 17 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.408 van 17 september 2010 in de zaak A. 187.188/X-13.

  1. In zake:
  2. Jacqueline van CROMBRUGGHE van LEERNE
  3. Carlos van CROMBRUGGHE van LEERNE
  4. Eveline van CROMBRUGGHE van LEERNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 1050 BRUSSEL Louizalaan 137, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
  5. de gemeente WAASMUNSTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Lindemans en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 BRUSSEL Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen
  6. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 GENT Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  7. Het beroep, ingesteld op 22 februari 2008, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 30 november 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Dorp aan de Durme” van de gemeente Waasmunster, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een plan van de juridische toestand, een bestemmingsplan, een onteigeningsplan en stedenbouwkundige voorschriften met uitsluiting van de in blauw omrande delen, “in zoverre dit plan betrekking heeft op de eigendommen van beroepers gelegen aan de Pontravelaan te Waasmunster”. X-13.676-1/19 II. Verloop van de rechtspleging
  8. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 mei
  9. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leen Vanbrabant, die loco advocaat Philippe Van Wesemael verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Inneke Bockstaele, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Frans De Buel heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten 3.
  11. De verzoekende partijen zijn eigenaar van een aantal percelen gelegen aan de Pontravelaan te Waasmunster. Een deel daarvan, met name de percelen kadastraal bekend sectie C, nrs. 977, 978, 979/a, 984/a, 985, 986 en 987/b, is volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren gelegen in industriegebied. De andere percelen, kadastraal X-13.676-2/19 bekend sectie C, nrs. 946, 948, 949/a, 950/a, 952/a, 960/b, 961/a, 962, 963, 964 en 965, zijn volgens het voormelde gewestplan gelegen in valleigebied. 3.
  12. Op 27 april 2001 besluit de gemeenteraad van de gemeente Waasmunster “zich akkoord te verklaren tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, conform de richtlijnen van het decreet van 18.05.1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening”. 3.
  13. Op 29 juni 2006 besluit de gemeenteraad “zich akkoord te verklaren en over te gaan tot de voorlopige aanvaarding van het ingediend Bijzonder Plan van Aanleg genaamd ‘Dorp aan de Durme’ nr. 28, bestaande uit een bestemmingsplan, de bestaande toestand, de stedenbouwkundige voorschriften, een plan met afwijkingen ten overstaan van het gewestplan, een plan met administratieve gegevens, het onteigeningsplan, planologische gegevens en de memorie van toelichting, alsmede de motivering van de afwijkingen ten overstaan van het gewestplan”. 3.
  14. Volgens het ontwerp van bijzonder plan van aanleg worden de voormelde percelen van de verzoekende partijen bestemd als “strook voor natuurgebied” en als “gemengde strook voor natuurgebied en ondergrondse nutsvoorzieningen” en wordt het onteigenen ervan voorzien. 3.
  15. De memorie van toelichting geeft de “Planologische gegevens” weer, waaronder onder meer de “Structuurplanning”, waarin het volgende wordt gesteld: “1.2.1 Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen De gemeente Waasmunster wordt in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen niet geselecteerd als (klein-)stedelijk gebied, en behoort bijgevolg tot het ‘buitengebied’. Het plangebied hoort daarbij gezien zijn aard en situering ongetwijfeld tot de (op provinciaal niveau) af te bakenen kern. 1.2.
  16. Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Oost-Vlaanderen Hoofddorpen en woonkernen zijn buitengebiedkernen die van structureel belang zijn binnen de provinciale nederzettingsstructuur. Het zijn centrale plaatsen op lokaal niveau. Waasmunster werd geselecteerd als hoofddorp. Hoofddorpen zijn de groeipolen van de nederzettingsstructuur van het buitengebied, waar de lokale groei inzake wonen, voorzieningen en lokale bedrijvigheid gebundeld wordt. Handelszaken kunnen zich enkel naar het hoofddorp herlocaliseren en slechts in zoverre dat de ruimtelijke draagkracht van het hoofddorp en de omgeving niet overschreden wordt. X-13.676-3/19 Hoofddorpen en woonkernen zijn die kernen in het buitengebied die van structureel belang zijn binnen de provinciale nederzettingsstructuur. Zij vullen de stedelijke gebieden aan als centrale plaatsen op lokaal niveau. - Hoofddorpen zijn de groeipolen van de nederzettingsstructuur van het buitengebied, waar de lokale groei inzake wonen, voorzieningen en lokale bedrijvigheid gebundeld wordt. Hoofddorpen onderscheiden zich van woonkernen omdat zij als een mogelijke locatie voor een lokaal bedrijventerrein beschouwd worden. Inzake wonen en voorzieningen is er geen verschil in de taakstelling tussen de hoofddorpen en de woonkernen. - Meerkernige hoofddorpen zijn de woonkernen binnen eenzelfde gemeente die samen het statuut van één hoofddorp hebben. - Woonkernen hebben een woonfunctie binnen de gemeente. Zij staan in voor opvang en bundeling van de eigen groei van de kern en (een deel van) de bijkomende woonbehoeften die ontstaan in de verspreide bebouwing in de gemeente. Het voorzieningenniveau is gericht op de ondersteuning van de woonfunctie. De lokale groei inzake wonen en werken in het buitengebied moet worden geconcentreerd in de hoofddorpen en woonkernen. Als algemene ontwikkelingsperspectieven gelden: - Maximaal 39% van de bijkomende woningen in de periode 1991-2007 kan in de kernen van het buitengebied voorzien worden en minimum 61 % in de stedelijke gebieden. - Enkel in de hoofddorpen en woonkernen kan ruimte voorzien worden om bijkomende woningen, lokale diensten en kleinhandel in het buitengebied op te vangen. Nieuwe bedrijventerreinen in het buitengebied kunnen enkel voorzien worden in de hoofddorpen voor zover ze het lokale niveau niet overschrijden. - De aard en omvang van de ontwikkelingen moeten afgestemd zijn op het niveau van de kern. - Er wordt gestreefd naar een multifunctionele ontwikkeling, verweving van functies, een gedifferentieerde woningvoorraad en een woningdichtheid van 15 woningen/ha. - Inbreiding staat voorop bij het creëren van bijkomende ontwikkelingsmogelijkheden inzake wonen, woonondersteunende voorzieningen of bedrijvigheid. - In de buitengebiedkernen (zowel de hoofddorpen en woonkernen als de ‘gehuchten’ die niet als woonkern of hoofddorp zijn geselecteerd) is werken aan kwaliteit belangrijker dan kwantiteit. 1.2.
  17. Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Waasmunster Volgens het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Waasmunster - Richtinggevend Deel - Artikel 3.2.2.2: De gemeente wenst de woonfunctie in het centrum van de gemeente te versterken, enerzijds door een herwaardering van de ‘as’ Vierschaar - Kerkstraat - Kerkomgeving, anderzijds door het introduceren van enkele in omvang beperkte bijkomende zones voor (groeps)woningbouw. Niet centrumgebonden functies (industrie, werk- en stapelplaats) en de bestaande verbrokkelde ruimte worden op korte of lange termijn herbestemd als woon- en centrumgebied. Tegelijk wordt een oplossing geboden voor de kerkomgeving: de ‘leegte’ ten oosten en ten zuiden van de kerk, worden reeds lang als ruimtelijk en functioneel onaanvaardbaar ervaren. Door de oprichting van gebouwen (met een voor het dorpscentrum passende menging van woon-, commerciële en openbare functies), en door de heraanleg van de openbare ruimte wordt de kerk ‘ingekaderd’, en wordt tegelijk een nieuw dorpsplein gecreëerd. Een aantal nieuwe projecten konden reeds gerealiseerd worden. Voor de verdere X-13.676-4/19 ontwikkeling van het gebied is de opmaak van een RUP (of anticiperend op het GRS een BPA) noodzakelijk, vermits deze doelstellingen afwijken van het gewestplan. In de onmiddellijke omgeving van de kerk bevinden zich 2 bedrijven: tapijtweverij DESSO en keukenbedrijf Scheldecub. Deze bedrijvigheid kan behouden worden op het huidige niveau tot op het moment dat de bedrijven deze sites verlaten. Op langere termijn zullen beide locaties een herbestemming tot wonen dienen te krijgen. Ten oosten van de kerk kunnen verschillende in omvang beperkte woonontwikkelingen worden voorzien (dit gebied bevindt zich vandaag volledig in openbaar nut). Binnen het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Waasmunster wordt de gewenste structuur van de kern Waasmunster uiteengezet (Richtinggevend Deel - Art. 4.1). Deze omvat: - Versterken van de ruimtelijke relatie met de Durmevallei en de cuesta - Verdere uitbouw van vier sites ten behoeve van gemeenschapsvoorzieningen binnen het hoofddorp - Versterken van de pleinfunctie, inrichting van de publieke ruimte - Historisch patrimonium als baken voor de toekomst - Ontwikkeling van een groene ruimte binnen de dorpskern, in relatie tot de Durmevallei - Woonverdichting in het hart van Waasmunster - Oostelijk woonuitbreidingsgebied”. De “Doelstellingen” van het ontwerpplan worden in de voormelde memorie als volgt omschreven: “In hoofdzaak wenst het bestuur door de opmaak van het B.P.A. ‘Dorp aan de Durme’ drie hoofddoelstellingen te realiseren : een versterking van de centrum- en woonfuncties in de kern van de gemeente, de verdere bescherming en uitbreiding van het groengebied rond het Kasteel Blauwendael, en de vervanging van het grootste deel van de inmiddels achterhaalde openbare bestemming voorzien op het gewestplan.
  18. Versterking van de centrum- en woonfuncties ... In de onmiddellijke omgeving van de kerk bevinden zich een 2 bedrijven: tapijtweverij Desso en keukenbedrijf Scheldecub. Het is de wens van het Gemeentebestuur, de bestaande bedrijfsactiviteiten op het huidige niveau (qua omvang en aard) te behouden tot het moment dat de bedrijven deze sites verlaten. Op (langere) termijn zullen beide locaties door een herziening van dit plan de bestemming wonen krijgen. ...
  19. Bescherming en uitbreiding van het groengebied rond het Kasteel Blauwendael Het domein Blauwendael is in het gewestplan als park bestemd. Bij MB van 16.07.1987 zijn het Kasteel Blauwendael en het bijhorende Koetshuis beschermd als monument. Tegelijk is het Kasteelpark opgenomen in het beschermd dorpsgezicht (samen met de woningen en tuinen langs de Vierschaar en Kerkstraat). Met het Kasteelpark als ‘kern’ wenst de gemeente een ruimer groengebied te realiseren in het hart van de gemeente. De oppervlakte van het parkgebied op het gewestplan is momenteel 3 à 4 Ha. Dit gebied sluit ruimtelijk volledig aan bij het ten zuiden ervan gelegen natuurgebied en het ten westen gesitueerde valleigebied. Daarenboven is ruim 50 % van het industriegebied langs de Pontravelaan nog niet aangesneden. X-13.676-5/19 Door deze samenhangende open en groene ruimte als één geheel te beschouwen kan de Gemeente deze belangrijke groene ruimte, met een oppervlakte van ca. 14 Ha, vrijwaren en maximale ontwikkelingskansen geven”. In de “Vertaling van de doelstellingen in het bestemmingsplan” wordt onder meer het volgende gesteld: “
  20. Park Blauwendael en omgeving Het Kasteel Blauwendael en het bestaande park er rond vormen de ‘kern’ van de door het Bestuur gewenste uitbreiding van de groenzone nabij het centrum van de gemeente. Het Kasteel, de Oranjerie en het Koetshuis worden opgenomen in een ‘strook voor (gebouwen met) openbare bestemming’. Deze gebouwen zijn de historische basis voor het ontstaan van het park. Het park zelf wordt opgenomen als een ‘strook voor openbaar en/of privaat park’. Deze strook is iets ruimer dan het parkgebied op het gewestplan: de begrenzing aan de oostelijke zijde wordt in overeenstemming gebracht met bestaande kavelgrenzen. De bestaande toegang vanuit de Kerkstraat naar het park wordt in de parkbestemming opgenomen met het doel het park zichtbaarder en gemakkelijker bereikbaar te maken. Langs de Spaanse Poort wordt een nieuwe toegang voorzien, het terrein van de voormalige superette wordt hiervoor herbestemd. De groene open ruimte gesitueerd ten westen en ten zuiden van het park Blauwendael worden verenigd tot één aaneengesloten natuurgebied. In oorsprong betreft het een geïsoleerd deel van het valleigebied en een met populieren aangeplante weide. Het niet aangesneden deel van de industriebestemming langs de Pontravelaan wordt aan deze bestemming onttrokken en toegevoegd aan het voorgestelde omvangrijke natuurgebied. Een uitgebreide industriezone gesitueerd tussen de dorpskern en een groen aaneengesloten gebied wordt voor de toekomst niet verder gehandhaafd. Het hele gebied tussen de Gentstraat en de Pontravelaan, bestaande uit park- en natuurgebied, wordt dus samengebracht tot één grote groene ruimte, die een grote meerwaarde betekent voor het aanliggende gemeentecentrum. Langs de Pontravelaan is een 15 meter brede strook afgebakend waarin noodzakelijke ondergrondse nutsleidingen kunnen aangelegd worden. In het verlengde hiervan is een strook voor ondergrondse nutsleidingen voorzien ter hoogte van het bedrijfsterrein DESSO. Teneinde de bestemming ‘natuurgebied’ te realiseren, wenst de gemeente alle gronden die nog niet tot het publiek patrimonium behoren te onteigenen. Daartoe zijn de betrokken percelen opgenomen in het bijgevoegde ‘Onteigeningsplan’ en de bijhorende ‘Onteigeningslijst’. (...)
  21. Tapijtweverij DESSO en omgeving Het bedrijfsterrein Desso wordt opgenomen in een ‘strook voor bedrijventerrein’. De omvang van deze strook komt nagenoeg volledig overeen met het huidige terrein van het bedrijf. Langs de noordzijde wordt de Vandeveldestraat verschoven en wordt een bufferzone voorzien. Langs de westzijde, tegenover de strook natuurgebied wordt eveneens een bufferstrook en ontsluitingsweg naar de Pontravelaan voorzien. Door het bedrijf zijn recent aan gebouwen renovatiewerken uitgevoerd met het oog op een betere visuele en akoestische inpassing in de woonomgeving. Het bedrijf heeft op deze locatie geen noemenswaardige expantiebehoefte. X-13.676-6/19 Het is de wens van het Gemeentebestuur, de bestaande bedrijfsactiviteiten op het huidige niveau (qua omvang en aard) te behouden tot het moment dat het bedrijf deze site verlaat. Op lange termijn zal mits herziening van dit plan de volledige strook, inclusief buffer, woonzone worden. Hierbij is de verdere versterking van de woonfunctie in het centrum een herkenbare doelstelling. Bij de ontwikkeling van deze toekomstige woonzone zal de nieuwe ontsluitingsweg een onmisbare rol gaan spelen. Bovenstaande opties en doelstellingen zijn in de versie juni ’06 nader uitgewerkt in een nieuwe formulering van de stedenbouwkundige voorschriften voor de stroken 10 en
  22. Langs de Pontravelaan is een strook afgebakend waarin noodzakelijke ondergrondse nutsleidingen kunnen aangelegd worden. Met het oog op het vlotter laten verlopen van het verkeer is er op het kruispunt van de Pontravelaan en de Abdij van Roosenberglaan een rond punt gepland (...). Om met het BPA deze aanleg niet in de weg te staan is ter hoogte van het terrein DESSO en de strook 12* de grens met strook 1 licht aangepast”. De “Motivering van de afwijkingen ten overstaan van het gewestplan” stelt onder meer wat volgt: “
  23. Valleigebied Op het gewestplan is ten zuidwesten van het centrum van Waasmunster een groter gebied ingekleurd als ‘Valleigebied’. Een klein deel hiervan, met name gelegen ten oosten van de Pontravelaan, ligt binnen de grenzen van het B.P.A. 1a Valleigebied -› strook voor natuurgebied 1b Valleigebied -› gemengde strook voor natuurgebied en ondergrondse nutsvoorzieningen In verhouding tot het gewestplan is er geen onderscheid tussen de deelzones 1a en 1 b. Beide bestemmingen vormen een afwijking van het gewestplan. De bestemming van het gewestplan is achterhaald. Door de aanleg van de op een hoge berm gesitueerde Pontravelaan is deze deelzone geïsoleerd van de rest van het valleigebied. Hierdoor is dit gebied voor wat betreft de waterhuishouding, de functie en het gebruik onttrokken aan het valleigebied en een weide geworden ten westen van het Park Blauwendael. Het Gemeentebestuur wenst in het centrum van de gemeente, aansluitend op het bestaande park Blauwendael, een omvangrijke groene ruimte als park en natuurgebied te vrijwaren en te ontwikkelen. De voorgestelde bestemming beantwoordt aan de planologische noden en mogelijkheden. De huidige bestemming Valleigebied is achterhaald, het is noodzakelijk deze strook als open ruimte te behouden en een bestemming te geven die aansluit bij de essentiële kenmerken van de omgeving. De bestemming ‘strook voor natuurgebied’ geeft de best mogelijke garantie om deze doelstelling te bereiken, om deze doelstelling te realiseren zal deze strook door de Gemeente onteigend worden. De planologische redenen zijn duidelijk omschreven en goed gelokaliseerd. De inplanting en de omvang van de afwijkende bestemmingen is exact aangegeven in het bestemmingsplan, aangevuld met de bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, zodat een herziening van het gewestplan niet aangewezen is.
  24. Industriegebied ... 4b Industriegebied -> strook voor natuurgebied X-13.676-7/19 4c Industriegebied -> gemengde strook voor natuurgebied en ondergrondse nutsvoorzieningen De bestemming van het gewestplan is achterhaald. Een mogelijke uitbreiding van het bestaande bedrijf (DESSO), noch de inplanting van nieuwe bedrijven in het centrum van de gemeente worden opportuun geacht. Daarenboven heeft het daar gevestigde bedrijf geen uitbreidingsbehoefte op deze locatie. De voorgestelde bestemming beantwoordt aan de planologische noden en mogelijkheden. Zoals aangegeven onder la en b wenst de gemeente in dit gebied een ruim park- en natuurgebied te ontwikkelen. In het bestemmingsplan wordt dit gebied als natuurgebied bestemd. Om deze doelstellingen te realiseren zullen de hierbij betrokken gronden onteigend worden. De planologische redenen zijn duidelijk omschreven en goed gelokaliseerd. De inplanting en de omvang van de afwijkende bestemming is exact aangegeven in het bestemmingsplan, aangevuld met de bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, zodat een herziening van het gewestplan niet aangewezen is”. 3.
  25. Tijdens het openbaar onderzoek dienen de verzoekende partijen een bezwaar in. Wat betreft de percelen die volgens het gewestplan gelegen zijn in valleigebied, doen de verzoekende partijen in hun bezwaarschrift gelden dat zij “zich niet principieel (verzetten) tegen de onteigening en planologische wijziging van deze percelen, doch (...) uiteraard aanspraak (wensen) te maken op een billijke en volledige vergoeding”. Met betrekking tot de percelen die volgens het gewestplan gelegen zijn in industriegebied, betwisten de verzoekende partijen onder meer het “achterhaald” karakter van deze gewestplanbestemming en wijzen ze op het verschil in behandeling met het naastgelegen industriegebied waarop een tapijtweverij is gevestigd en waarvoor het ontwerpplan op lange termijn de bestemming woonzone voorziet. 3.
  26. In het advies van 21 december 2006 stelt Gecoro onder meer het volgende omtrent de bezwaren van de verzoekende partijen: “Deze bezwaren zijn niet gegrond omdat de redenen vermeld in de memorie van toelichting en in de verantwoording voor de afwijkingen tegenover het Gewestplan zeer duidelijk de beleidsdoelstellingen van de Gemeente aangegeven zijn. Met name: het realiseren van een betekenisvolle en onmisbare groene ruimte, bestaande uit park- en natuurgebied, ten westen van de bestaande bebouwing gelegen langs de Kerkstraat. Daarenboven is er door de Gemeente voor gekozen om de bestemming industrie, al te nadrukkelijk in het centrum van de Gemeente aanwezig (in de schaduw van de kerktoren) in fases af te bouwen. Dit standpunt vindt ondermeer zijn gegrondheid in de sinds de opmaak van de Gewestplannen gewijzigde maatschappelijke visie en consensus rond het voorzien en lokaliseren van open (groene) ruimte en industriezones in relatie tot dorpskernen. X-13.676-8/19 In eerste instantie wordt met dit plan het niet bebouwde deel van de strook voor industrie herbestemd, in tweede instantie zal bij een wijziging van de aanwezige activiteiten of bij het stopzetten ervan de bestemming industrie gewijzigd worden. Deze doelstellingen zijn ondubbelzinnig omschreven en uitgewerkt in de documenten die tot het B.P.A. behoren. Als ondersteuning voor deze argumentatie en om de consequente houding aan te duiden verwijzen we naar de doelstellingen vervat in het bestemmingsplan voor het deelgebied ten oosten van de Kerkstraat, daar wordt een zeer omvangrijke zone, volgens het Gewestplan bestemd voor openbaar nut, in grote mate herbestemd voor park, een klein deel wordt aansluitend met het nieuw aangelegde kerkplein bestemd als nog te ontwikkelen woongebied (kernversterking). In het bezwaarschrift wil men een parallel trekken tussen het bebouwde en niet bebouwde deel van de strook voor industrie. Dit is totaal ten onrechte, niet alleen omdat het gebruik en de inrichting totaal verschillend zijn doch ook omwille van de aanwezigheid van het bedrijf van voor de opmaak van het Gewestplan. Met andere woorden het Gewestplan heeft de bestaande situatie bestendigd en (naar alle waarschijnlijkheid) uitbreidingsmogelijkheden voorzien. Daarenboven is in de afgelopen decennia gebleken dat geen enkele nood bestaat aan de invulling van de industriële bestemming”. 3.
  27. Op 31 mei 2007 sluit de gemeenteraad van de gemeente Waasmunster zich aan bij de voormelde weerlegging van de bezwaren door Gecoro en “wordt overgegaan tot de definitieve aanvaarding van het BPA ‘Dorp aan de Durme’ nr. 28 met het hieraan gekoppeld onteigeningsplan”. 3.
  28. Met het bestreden besluit van 30 november 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het bijzonder plan van aanleg “Dorp aan de Durme” van de gemeente Waasmunster, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een plan van de juridische toestand, een bestemmingsplan, een onteigeningsplan en stedenbouwkundige voorschriften goedgekeurd met uitsluiting van de in blauw omrande delen. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp van het beroep
  29. Hoewel de verzoekende partijen enkel de nietigverklaring vorderen van het goedkeuringsbesluit van 30 november 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, is het duidelijk, en de verwerende partijen blijken dit ook als zodanig te hebben begrepen, dat zij tevens de nietigverklaring beogen van het besluit tot definitieve aanvaarding van het voormelde bijzonder plan van aanleg. In die omstandigheden dient het annulatieberoep geacht te worden mede gericht te zijn tegen het besluit van 31 maart 2007 van de gemeenteraad van de gemeente Waasmunster waarbij het bijzonder X-13.676-9/19 plan van aanleg “Dorp aan de Durme” nr. 28 met het daaraan gekoppeld onteigeningsplan definitief wordt aanvaard. V. Ontvankelijkheid van het beroep 5.
  30. De verzoekende partijen vragen de nietigverklaring van het bestreden besluit “in zoverre dit plan betrekking heeft op de eigendommen van beroepers gelegen aan de Pontravelaan te Waasmunster”. 5.
  31. Met betrekking tot dit beperkt voorwerp doet de eerste verwerende partij het volgende gelden: “
  32. De verzoekende partijen beperken het voorwerp van het beroep in het verzoekschrift uitdrukkelijk tot de percelen die hun eigendom zijn. Aangezien de verzoekende partijen niet om een ruimere vernietiging vragen kan uw Raad die ook niet uitspreken.
  33. In hun bezwaarschrift hebben de verzoekende partijen gesteld dat zij zich, voor de percelen gelegen in een valleigebied, principieel niet wensen te verzetten tegen de onteigening en planologische wijzigingen, maar enkel aanspraak wensen te maken op een billijke en volledige vergoeding. De bestreden beslissing spreekt zich niet uit over de onteigeningsvergoeding. Ze spreekt zich enkel uit over de beslissing tot onteigening en de wijziging van de bestemming. Die elementen werden door de verzoekende partijen uitdrukkelijk aanvaard, zodat ze op dit punt geen belang kunnen hebben bij het beroep”. 5.
  34. De tweede verwerende partij stelt dienaangaande wat volgt: “Verzoekende partijen vorderden de nietigverklaring van het Ministerieel Besluit van 30 november 2007 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende de goedkeuring van het BPA ‘Dorp aan de Durme’ van de gemeente Waasmunster ‘in zoverre dit plan betrekking heeft op de eigendommen van beroepers gelegen aan de Pontravelaan te Waasmunster’. Een eventuele gedeeltelijke vernietiging van een plan van aanleg is slechts mogelijk indien de economie van een plan hierdoor niet zou worden aangetast. De middelen en bezwaren van verzoekende partijen zijn enkel gericht met betrekking tot hun eigendom gelegen aan de Pontravelaan te Waasmunster. Nu verzoekende partijen hun annulatieberoep zelf beperken tot hun eigendommen aldaar gelegen, bestaat er geen enkele reden om het annulatieberoep hier niet toe te beperken”. 5.
  35. Zowel uit het tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschrift als uit het verzoekschrift, en meer bepaald uit de uiteenzetting van de feiten en uit de aangevoerde middelen, blijkt dat de verzoekende partijen zich enkel verzetten tegen de bestemming als “strook voor natuurgebied” en “gemengde X-13.676-10/19 strook voor natuurgebied en ondergrondse nutsvoorzieningen” van de percelen die volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren gelegen zijn in industriegebied. Het feit dat de verzoekende partijen zich in hun memorie van wederantwoord en in hun laatste memorie onthouden van enige repliek ten aanzien van hetgeen daarover reeds werd opgeworpen door de eerste verwerende partij en de auditeur, bevestigt deze vaststelling. Volgens het “Plan administratieve gegevens” van de eerste verwerende partij ligt het perceel nr. 977 reeds in natuurgebied en uit het “Plan met afwijkingen ten overstaan van het gewestplan” van de eerste verwerende partij blijkt dat de toestand van dit perceel niet werd gewijzigd door het bestreden bijzonder plan van aanleg. 5.
  36. Het belang van de verzoekende partijen is derhalve beperkt tot de percelen kadastraal bekend sectie C, nrs. 978, 979/a, 984/a, 985, 986 en 987/b. Dergelijke partiële nietigverklaring is mogelijk zonder afbreuk te doen aan de algemene economie van het plan. De excepties zijn gegrond. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel Uiteenzetting van de middelen 6.1.
  37. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 2, §1 en 14, derde en vierde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren, van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet. De verzoekende partijen doen gelden dat een afwijking door een bijzonder plan van aanleg van een bestemming die door het gewestplan wordt vastgesteld ontegensprekelijk indruist tegen de hiërarchie der rechtsnormen en dat de mogelijkheid voorzien in artikel 14 van het gecoördineerde decreet om door middel van een bijzonder plan van aanleg af te wijken van een gewestplan een uitzonderlijk karakter heeft en beperkend dient te worden geïnterpreteerd. Ze voeren X-13.676-11/19 aan dat in casu niet blijkt dat aan de vijf door de rechtspraak gestelde voorwaarden voor een dergelijke afwijking werd voldaan. Ze betogen dat de wijziging van de bestemming van hun percelen “duidelijk wordt gemotiveerd vanuit de veronderstelling dat men indertijd, bij de vaststelling van het gewestplan, deze gronden heeft ingekleurd als industriegebied ten behoeve van de uitbreiding van het naastgelegen bedrijf, doch thans vaststelt dat deze uitbreidingsbehoefte is verdwenen”, dat “de redenen die worden ingeroepen ter verantwoording van de wijziging (...) hun grondslag vinden, niet in een wijziging van de toestand sedert de totstandkoming van het gewestplan, doch in een beweerde onjuiste beoordeling van die toestand op het tijdstip dat het gewestplan werd vastgesteld” en dat “een op grond van dergelijke redenen vastgestelde wijziging van de bestemming neerkomt op een correctie van het gewestplan, hetgeen wettelijk alleen mogelijk is door een herziening van het gewestplan en niet door het aannemen en goedkeuren van een afwijkend bijzonder plan van aanleg”. 6.1.
  38. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 14, derde en vierde lid van het gecoördineerde decreet en van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet. Ze doen gelden dat uit het bestreden besluit blijkt dat het bijzonder plan van aanleg wordt opgemaakt met de bedoeling af te wijken van het gewestplan in toepassing van artikel 14, derde lid van het gecoördineerde decreet, maar dat noch in het bestreden besluit, noch in de overige stukken van het dossier de dwingende noodzaak tot afwijking duidelijk wordt gemaakt. Ze betogen dat de minister zich dienaangaande beperkt tot de overweging dat het bijzonder plan van aanleg “voldoet aan de voorwaarden tot afwijking op het gewestplan, zoals vermeld in artikel 14 van bovenvermeld decreet op de ruimtelijke ordening” en dat voorts nog wordt overwogen dat “het voorliggende plan in de toelichtingsnota afdoende verantwoord wordt vanuit een gemeentelijke visie op het functioneren van het gemeentelijk centrum”, zodat “het bestreden besluit (...) zelf niet motiveert waarom de bestemming in het gewestplan achterhaald is of niet meer verwezenlijkt kan worden”. Voorts stellen de verzoekende partijen dat de toelichtingsnota en het verslag van Gecoro enkel verwijzen naar de beleidsdoelstellingen om een “betekenisvolle en onmisbare groene ruimte te creëren”, dat deze argumenten niet dienend zijn en dat voor het overige nergens in het administratief dossier enige concrete afweging terug te vinden is waaruit kan worden afgeleid dat de bestemming volgens het gewestplan niet meer kan worden gerealiseerd en er een X-13.676-12/19 dwingende behoefte en noodzaak bestaan voor een afwijkende ordening. Volgens de verzoekende partijen is er dan ook niet voldaan aan de formele motiveringsplicht. Beoordeling 6.1.
  39. Het toentertijd geldende artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet bepaalde wat volgt: “Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken”. Het toentertijd geldende artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet luidde als volgt: “Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd voor 1 november
  40. Bijzondere plannen van aanleg die afwijken van het gewestplan en die voorlopig worden aangenomen na 1 november 2006, kunnen tot 1 mei 2008 slechts definitief aangenomen worden door de gemeenteraad indien de bepalingen ervan in overeenstemming zijn met een minstens voorlopig vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Na 1 mei 2008 kunnen geen afwijkende bijzondere plannen van aanleg meer definitief door de gemeenteraad aangenomen worden”. 6.1.
  41. Op 19 april 1999 heeft de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening in zijn “Inleidende uiteenzetting” in de bevoegde commissie van het Vlaams parlement het volgende verklaard met betrekking tot het ontwerp dat de laatst geciteerde bepaling is geworden: “(...) Wat de van het gewestplan afwijkende, al dan niet ‘sectorale’ BPA’s betreft, wordt voorzien in een decretale verankering: het huidige ‘desnoods afwijken’ wordt vervangen door afwijken zonder meer, op voorwaarde dat de gemeente gestart is met het structuurplanningsproces en op voorwaarde dat de principes van het RSV worden gerespecteerd”. (Parl. St., Vl.Parl., 1998-1999, nr. 1332/8, 8) Hieruit kan enerzijds worden afgeleid dat artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet andere voorwaarden oplegt om met een bijzonder plan van aanleg te kunnen afwijken van de bestemmingsvoorschriften van een gewestplan dan die vermeld in artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet X-13.676-13/19 en anderzijds dat de afwijkingsmogelijkheid van artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet een afzonderlijke afwijkingsgrond vormt met afzonderlijke voorwaarden, naast de “reguliere” afwijkingsmogelijkheid bedoeld in artikel 14, vierde lid van het gecoördineerde decreet. 6.1.
  42. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de gemeenteraad van de gemeente Waasmunster op 27 april 2001 beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, dat het op 29 juni 2006 voorlopig aanvaarde bijzonder plan van aanleg “Dorp aan de Durme” nr. 28 afwijkt van het vigerend gewestplan en dat blijkens de bij de voorlopige aanvaarding van dit bijzonder plan van aanleg horende memorie van toelichting dit plan getoetst werd aan het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, het provinciaal ruimtelijk structuurplan Oost- Vlaanderen en aan het (voorontwerp) van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Daaruit blijkt dat aan de in het voormelde vijfde lid gestelde dubbele voorwaarde is voldaan, met name dat de betrokken gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en dat bij de opmaak van het bijzonder plan van aanleg een ruimtelijke afweging gebeurd is mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Aldus werd het bestreden bijzonder plan van aanleg opgemaakt, aangenomen en goedgekeurd overeenkomstig de in artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet voorziene mogelijkheid met een bijzonder plan van aanleg af te wijken van de gewestplanbestemming. Het betoog van de verzoekende partijen dat nergens in het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Waasmunster tot voorlopige en definitieve aanvaarding, noch in het goedkeuringsbesluit uitdrukkelijk wordt gesteld dat het bijzonder plan van aanleg dient te worden aanzien als een “voorafname” op het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, doet aan deze conclusie geen afbreuk. 6.1.
  43. Nu, zoals reeds gesteld, de voorwaarden van het vierde lid van het voormelde artikel 14 van het gecoördineerde decreet niet gelden bij de opmaak van een plan in toepassing van het vijfde lid van deze decretale bepaling, kunnen de eerste twee middelen niet tot de nietigverklaring leiden. Het eerste en het tweede middel zijn ongegrond. X-13.676-14/19 B. Derde middel Uiteenzetting van het middel 6.2.
  44. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending van artikel 8, §1 en §2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid (hierna: D.I.W.B.) en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Volgens de verzoekende partijen gaat het bijzonder plan van aanleg volledig voorbij aan de opgelegde watertoets, nu in het bestreden besluit wordt overwogen dat “in het voorliggende plan geen specifiek onderzoek is gebeurd naar de waterhuishouding”. Ze voeren aan dat de minister in de bestreden beslissing minstens de resultaten van de watertoets had dienen te vermelden, zeker nu “de minister zelf in het bestreden besluit stelt dat bepaalde delen van het bestemmingsgebied van het BPA ‘zeer kwetsbaar gebied betreft op vlak van grondwater’”. Beoordeling 6.2.
  45. Artikel 8, §§ 1 en 2 D.I.W.B. bepaalt wat volgt: “§
  46. De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in §5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. De overheid die oordeelt over de afgifte van een stedenbouwkundig of planologisch attest, vermeld in artikelen 135, §2, en 145ter, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, dient in redelijkheid na te gaan of de aanvraag door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen de watertoets kan doorstaan. §
  47. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voorzover die bestaan. X-13.676-15/19 De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid”. Hieruit volgt dat een beslissing waarbij een plan wordt goedgekeurd een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in artikel 8, §1 van het voormelde decreet bedoelde watertoets is uitgevoerd en dat uit die motivering meer bepaald moet blijken, hetzij dat uit de ordening die met het plan wordt beoogd geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 3, §2, 17/ van het voormelde decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. 6.2.
  48. Het bestreden besluit bevat ter zake de volgende relevante motivering: “Overwegende dat in het voorliggende plan geen specifiek onderzoek is gebeurd naar de waterhuishouding; dat weliswaar binnen het plangebied geen gekende risicozones voor overstromingen voorkomen; dat de herbestemming van het zuidelijke gedeelte van het huidige gebied voor gemeenschapsvoorzieningen toch in vraag kan worden gesteld gezien het momenteel een zeer kwetsbaar gebied betreft op vlak van grondwater; dat in het ontwerp van deelbekkenplan ‘Ledebeek en Durme’ van het bekken van de Benedenschelde wordt voorzien in het uitvoeren van herstel- en inrichtingsmaatregelen voor waterlopen met onder meer een uitloper naar het betrokken gebied; dat op basis van het huidig gebruik met name hooiland (wat typerend is voor ‘natte’ zones) kan geoordeeld worden dat een grondig onderzoek naar de waterhuishouding noodzakelijk is vooraleer men tot een herbestemming kan overgaan; dat voor de andere zones waar de bebouwingsgraad nauwelijks wijzigt, in alle redelijkheid kan geoordeeld worden dat de van toepassing zijnde gewestelijke verordening voldoende garanties biedt op vlak van waterbeheersing; Overwegende dat het ontwerp van deelbekkenplan ‘Ledebeek en Durme’ ook voorziet in een bovengemeentelijk project dat betrekking heeft op riolering en afvalwaterzuivering; dat de aanleg van een riolering via de zones 12* ‘gemengde strook voor achteruitbouw en ondergrondse nutsvoorzieningen’ en in de zone 17 ‘gemengde strook voor natuurgebied en ondergrondse nutsvoorzieningen’ mogelijk wordt gemaakt, weliswaar op een tracé dat beperkt afwijkt van dat voorzien in het ontwerp van deelbekkenplan; dat het in het BPA voorziene tracé echter volledig aansluit bij de openbare weg; dat hierdoor de open ruimte beter gevrijwaard blijft dan het alternatief dat voorzien is in het ontwerp van deelbekkenplan dat de strook voor natuurgebied in sterkere mate aansnijdt”. 6.2.
  49. Bij het beoordelen van de ontvankelijkheid van het annulatieberoep werd reeds vastgesteld dat het belang van de verzoekende partijen beperkt is tot de percelen die volgens het gewestplan gelegen zijn in industriegebied en die door het betrokken bijzonder plan van aanleg bestemd worden als “strook X-13.676-16/19 voor natuurgebied” en “gemengde strook voor natuurgebied en ondergrondse nutsvoorzieningen”. Het middel is dan ook slechts ontvankelijk in zoverre de verzoekende partijen kritiek leveren op die overwegingen uit de geciteerde passage die betrekking hebben op de voormelde percelen. 6.2.
  50. Dienaangaande overweegt het bestreden besluit dat “binnen het plangebied geen gekende risicozones voor overstromingen voorkomen” en dat “in alle redelijkheid kan geoordeeld worden dat de van toepassing zijnde gewestelijke verordening voldoende garanties biedt”. De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze vaststelling onjuist of onzorgvuldig zou zijn, laat staan dat ze aannemelijk maken dat het bijzonder plan van aanleg, door de percelen die volgens het gewestplan gelegen zijn in industriegebied thans te bestemmen als “strook voor natuurgebied” en “gemengde strook voor natuurgebied en ondergrondse nutsvoorzieningen”, een schadelijk effect kan veroorzaken in de zin van het voormelde decreet. Het derde middel is ongegrond. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 6.3.
  51. De verzoekende partijen voeren in een vierde middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet en van het redelijkheids- en het gelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ze doen gelden dat het bijzonder plan van aanleg “een fundamentele ongelijkheid in behandeling” instelt tussen de percelen van de verzoekende partijen, enerzijds, die worden bestemd tot natuurgebied, en de naastgelegen percelen, anderzijds, die niet alleen de bestemming industriegebied behouden, maar waarvoor “tevens in het vooruitzicht wordt gesteld dat deze worden herbestemd als woonzone, eenmaal het bestaande bedrijf de site verlaat”. De verzoekende partijen betogen dat deze percelen “deel uitmaken van een zelfde compact industriegebied” en “net dezelfde bestemming en kenmerken” hebben en dat “nergens in het bestreden besluit, noch in het administratief dossier wordt gemotiveerd waarom deze andere gronden wél in aanmerking komen voor herbestemming tot woongebied, en de gronden van beroepers hiervoor niet in aanmerking komen”. X-13.676-17/19 Beoordeling 6.3.
  52. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. De verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden moet dit in haar verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aantonen. 6.3.
  53. De verzoekende partijen tonen niet aan dat hun situatie voldoende vergelijkbaar is met die van de naastliggende percelen, nu de percelen van de verzoekende partijen, in tegenstelling tot de percelen waarnaar verwezen wordt, niet effectief zijn aangewend als industriegebied, doch volgens het plan “bestaande toestand” bestaan uit “weide, grasland”. Ten overvloede kan nog verwezen worden naar de memorie van toelichting, waarin het verschil in bestemming als volgt wordt verantwoord: “
  54. Versterking van de centrum- en woonfuncties (...) In de onmiddellijke omgeving van de kerk bevinden zich (...) 2 bedrijven: tapijtweverij Desso en keukenbedrijf Scheldecub. Het is de wens van het Gemeentebestuur, de bestaande bedrijfsactiviteiten op het huidige niveau (qua omvang en aard) te behouden tot het moment dat de bedrijven deze sites verlaten. Op (langere) termijn zullen beide locaties door een herziening van dit plan de bestemming wonen krijgen (...)
  55. Bescherming en uitbreiding van het groengebied rond het Kasteel Blauwendael Het domein Blauwendael is in het gewestplan als park bestemd. Bij MB van 16.07.1987 zijn het Kasteel Blauwendael en het bijhorende Koetshuis beschermd als monument. Tegelijk is het Kasteelpark opgenomen in het beschermd dorpsgezicht (samen met de woningen en tuinen langs de Vierschaar en Kerkstraat). Met het Kasteelpark als ‘kern’ wenst de gemeente een ruimer groengebied te realiseren in het hart van de gemeente. De oppervlakte van het parkgebied op het gewestplan is momenteel 3 à 4 Ha. Dit gebied sluit ruimtelijk volledig aan bij het ten zuiden ervan gelegen natuurgebied en het ten westen gesitueerde valleigebied. Daarenboven is ruim 50 % van het industriegebied langs de Pontravelaan nog niet aangesneden. Door deze samenhangende open en groene ruimte als één geheel te beschouwen kan de Gemeente deze belangrijke groene ruimte, met een oppervlakte van ca. 14 Ha, vrijwaren en maximale ontwikkelingskansen geven”. In die omstandigheden kan niet tot een schending van het gelijkheidsbeginsel besloten worden. Het vierde middel is niet gegrond. X-13.676-18/19 BESLISSING
  56. De Raad van State verwerpt het beroep.
  57. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 525 euro, elk voor een derde. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.676-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.