id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.411 Rolnummer: A. 186103/X-13555 Zaak: Arrest 207411 - Plannen van aanleg - 17/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:09 Fiche Arrest nr 207.411 van 17 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.411 van 17 september 2010 in de zaak A. 186.103/X-13.
- In zake: Lucrèce TIJTGAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Van Wesemael kantoor houdend te 1050 BRUSSEL Louizalaan 137, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de n.v. ROLVAPLAST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim De Cuyper kantoor houdend te 9100 SINT-NIKLAAS Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 november 2007, strekt tot de nietigverklaring van “een besluit dd. 11 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg ‘sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - deelplan Rolvaplast’ van de stad Deinze”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-13.555-1/20 De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 19 februari
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Leen Vanbrabant, die loco advocaat Philippe Van Wesemael verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Elsbeth De Vylder, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Tom Huygens, die loco advocaat Wim De Cuyper verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De tussenkomende partij baat een kunststofverwerkend bedrijf uit in de gebouwen van een voormalige vlasfabriek gelegen te Deinze (Gottem), Pelsestraat
- De verzoekster woont in de onmiddellijke omgeving van het betrokken bedrijf. X-13.555-2/20 3.
- Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde is het bedrijf gelegen in woonuitbreidingsgebied. 3.
- In de toelichtingsnota van het bestreden bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven “Deelplan Rolvaplast” wordt melding gemaakt van de volgende bouw- en exploitatievergunningen of milieuvergunningen: Stedenbouwkundige vergunningen: - 2 augustus 1973: vergunning voor het bouwen van een werkplaats; - 15 januari 1991: stedenbouwkundige vergunning voor het uitbreiden van een bestaande werkplaats; - 14 januari 1992: stedenbouwkundige vergunning voor het uitbreiden van een bestaande werkplaats; - 2 augustus 1994: stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van twee mobiele silo’s; - 12 november 1996: stedenbouwkundige vergunning voor het uitbreiden van een werkplaats en het bouwen van een magazijn voor stockage; - 9 april 2002: stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van twee bijgebouwen en een schouw van de vlasroterij, het plaatsen van twee silo’s en het uitbreiden van het magazijn. Exploitatie- en milieuvergunningen: - 29 maart 1990: exploitatievergunning voor een termijn van vijf jaar voor het verder exploiteren van een werkplaats voor het vervaardigen van PVC-profielen; - 26 april 1994: milieuvergunning voor het verder uitbaten van een kunststofverwerkend bedrijf voor de productie van PVC-profielen voor een geldigheidsduur van 20 jaar (tot 25 april 2014); - 21 augustus 1997: milieuvergunning voor het uitbreiden van een kunststofverwerkend bedrijf voor de productie van PVC-profielen voor een geldigheidsduur tot 25 april
- Deze vergunning wordt na een administratief beroep bevestigd bij besluit van 2 maart 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, met dien verstande dat er een wijziging wordt aangebracht aan de opgelegde voorwaarden. Bij arrest nr. 125.138 van 6 november 2003 wordt het voormelde besluit van 2 maart 1998 ten verzoeke van de huidige verzoekster evenwel vernietigd; - na het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen het besluit van 21 augustus 1997 hernomen, hetgeen resulteert in een besluit van 6 april 2004 van de X-13.555-3/20 Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, waarmee andermaal een vergunning wordt verleend, zij het mits aanvulling van de opgelegde milieuvoorwaarden. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat ook dit besluit ten verzoeke van de huidige verzoekster wordt vernietigd bij arrest nr. 180.545 van 6 maart 2008, dat na dit vernietigingsarrest de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur bij besluit van 18 april 2008 een nieuwe milieuvergunning heeft verleend, dat de huidige verzoekster hiertegen eveneens een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld en dat dit beroep thans nog hangende is (zaak A. 188.665/VII-37.212). 3.
- Op 25 maart 2004 neemt de gemeenteraad van de stad Deinze de beslissing houdende goedkeuring van het principe tot het opmaken van een sectoraal bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven 2e fase” en wordt een stedenbouwkundig ontwerper voor dit plan aangesteld. 3.
- Op 10 februari 2006 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen advies inzake het voorontwerp van dit sectoraal bijzonder plan van aanleg. In de algemene bemerkingen bij dit plan wordt verwezen naar de omzendbrief van 29 september 2000 RO 2000/01 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA-zonevreemde bedrijven waarin onder meer wordt gesteld dat het sectoraal bijzonder plan van aanleg vooral bedoeld is als een voorafname op het gemeentelijk structuurplanningsproces ten behoeve van dringende ruimtelijke problematieken die niet kunnen wachten op het afronden van het gemeentelijk structuurplanningsproces. In het advies wordt er op gewezen dat het niet de bedoeling kan zijn bedrijven die geen uitbreidingsbehoefte op korte termijn hebben, op te nemen in het sectoraal bijzonder plan van aanleg. In het advies worden ook de deelplannen besproken, onder meer het deelplan Rolvaplast, waarbij onder meer wordt gesteld wat volgt: “Uit het document kan niet worden opgemaakt dat er behoeften zijn op korte termijn. Bijgevolg lijkt het dat het bedrijf niet kan worden opgenomen in het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven. Het bestendigen van bedrijven is een problematiek die na de opmaak van het GRS kan worden opgelost, aan de hand van een gebiedsgericht beleidskader voor zonevreemde bedrijven”. 3.
- Op 15 maart 2006 brengt de afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap advies uit over het voorontwerp van sectoraal bijzonder plan van aanleg. In het advies worden onder meer een aantal X-13.555-4/20 opmerkingen gemaakt over de relatie met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Zo wordt aangestipt dat het belangrijk is te motiveren waarom bedrijven nu reeds worden opgenomen in een bijzonder plan van aanleg en niet in een gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan. Wat het deelplan Rolvaplast betreft wordt gesteld: “Het bedrijf is gelegen in woonuitbreidingsgebied. Klasse 2 beperkte uitbreiding zonder schaalvergroting en beperking nieuwe activiteiten. Gelet op de bestaande toestand en het mobiliteitsprofiel van het bedrijf en diens ruimtelijke ligging is bestendiging van de huidige situatie bespreekbaar. Op deze locatie is echter verdere uitbreiding, zoals in de lange termijn behoefte vermeld, niet aanvaardbaar Conclusie: een bestendiging van het bedrijf op deze locatie is aanvaardbaar”. In de algemene conclusie van het advies wordt onder meer vermeld dat voor alle bedrijven de deelplannen meer maatwerk dienen te bevatten, zowel naar stedenbouwkundige inrichting als naar bijbehorende voorschriften. 3.
- Op 29 maart 2006 wordt een “plenaire vergadering” gehouden omtrent het sectoraal bijzonder plan van aanleg. Wat betreft het bedrijf Rolvaplast oordelen de respectieve administraties dat het bestendigen van het bedrijf op deze locatie aanvaardbaar is, doch een verdere uitbreiding ervan niet. 3.
- Op 7 juni 2006 brengt GECORO met eenparigheid van stemmen een gunstig advies uit met betrekking tot het ontwerp van sectoraal bijzonder plan van aanleg. 3.
- Bij besluit van 22 juni 2006 van de gemeenteraad van de stad Deinze wordt het sectoraal bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven 2e fase - deelplan Rolvaplast” voorlopig aangenomen en wordt het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze gelast met het organiseren van een openbaar onderzoek. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 17 juli 2006 tot en met 22 augustus 2006, dient de verzoekster een bezwaarschrift in. 3.
- Op 10 oktober 2006 brengt GECORO andermaal een gunstig advies uit. Daarin worden de bezwaren van de verzoekster met betrekking tot het deelplan Rolvaplast onderzocht doch ongegrond bevonden. X-13.555-5/20 3.
- Bij besluit van 23 november 2006 sluit de gemeenteraad van de stad Deinze zich aan bij het gemotiveerd advies van GECORO en wordt het ontwerp van sectoraal bijzonder plan van aanleg “zonevreemde bedrijven 2e fase - deelplan Rolvaplast” definitief aangenomen. 3.
- Op 14 december 2006 maakt de stad Deinze het definitief aangenomen ontwerp van bijzonder plan van aanleg met het oog op ministeriële goedkeuring over aan de Vlaamse Overheid, departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed. 3.
- Op 1 maart 2007 wordt het ontwerp van bijzonder plan van aanleg gunstig geadviseerd door de deputatie, mits rekening wordt gehouden met een aantal opmerkingen. 3.
- In een nota van het agentschap Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed Vlaanderen worden een aantal algemene opmerkingen gemaakt met betrekking tot het sectoraal bijzonder plan van aanleg en wordt met betrekking tot het deelplan Rolvaplast onder meer overwogen wat volgt: “Gezien de bestaande stedenbouwkundig behoorlijk vergunde toestand, het mobiliteitsprofiel van het bedrijf, de ruimtelijke ligging van het bedrijf en het feit dat in het deelplan enkel de bestendiging binnen de huidige schaal voorziet, wordt dit deelplan in zijn huidige vorm gunstig geadviseerd. Het voorliggende voorstel dient evenwel als ruimtelijk maximum te worden aanzien”. 3.
- Bij het thans bestreden besluit van 11 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het bijzonder plan van aanleg “sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - deelplan Rolvaplast” van de gemeente Deinze, bestaande uit een plan van de bestaande en juridische toestand, een bestemmingsplan met stedenbouwkundige voorschriften en de memorie van toelichting, goedgekeurd. X-13.555-6/20 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een eerste middel voert de verzoekster de schending aan van de artikelen 2, §1 en 14, vierde en vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van het koninklijk besluit van 24 februari 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Oudenaarde, van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en “met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet”, “Doordat het bestreden besluit goedkeuring verleent aan de indeling van de percelen van de NV Rolvaplast in vier verschillende bestemmingen, die alle in hoge mate afwijken van de bestemming als woonuitbreidingsgebied, zoals vastgesteld in het gewestplan Oudenaarde. Terwijl uit de parlementaire voorbereiding van het DRO, evenals uit de Omzendbrief RO 2000/01 van 29 september 2000 duidelijk blijkt dat men bij wege van een sectoraal BPA slechts mag afwijken van het gewestplan wanneer zulks wordt ingegeven door ‘dringende, ruimtelijke problematieken, welke niet kunnen wachten op de afronding van het gemeentelijk structuurplanningsproces’. En terwijl tijdens deze parlementaire voorbereiding (...)en in bovenvermelde Omzendbrief eveneens beklemtoond wordt dat een sectoraal BPA nooit kan opgemaakt worden met als enige doel een bouwmisdrijf te regulariseren (cf. de twee onvergunde extra silo’s die werden bijgebouwd). En terwijl een sectoraal BPA a fortiori evenmin als enig doel mag hebben om voor een bedrijf dat sinds geruime tijd gedeeltelijk op illegale wijze zonder milieuvergunning wordt geëxploiteerd (cf. de vier bedrukkingslijnen die werden bij gecreëerd zonder vergunning en de extra opslagcapaciteit van gevaarlijke producten die zonder enige vergunning werd gerealiseerd), de mogelijkheid te creëren om alsnog een milieuvergunning te bekomen. En terwijl de tijdelijke mogelijkheid voor gemeenten om af te wijken van een gewestplan, zoals ingevoerd door artikel 165 DRO, is gecreëerd voor gemeenten die nog niet beschikken over een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (gemRSP). En terwijl deze afwijking, die ontegensprekelijk indruist tegen de hiërarchie der rechtsnormen, zoals zij duidelijk blijkt uit artikel 14, 4e lid Coördinatiedecreet en de daaraan gelieerde vaste rechtspraak van de Raad van State, dan ook beperkend moet worden geïnterpreteerd (...). En terwijl dit standpunt eveneens wordt bevestigd in bovenvermelde Omzendbrief van 29 september 2000, waarin letterlijk wordt gesteld dat een sectoraal BPA bedoeld is ‘als een voorafname op het gemeentelijk structuurplanningsproces ten behoeve van dringende, ruimtelijke problematieken, welke niet kunnen wachten op de afronding van het gemeentelijk structuurplanningsproces’. En terwijl tevens wordt gesteld dat enkel die bedrijven in aanmerking komen die zijn opgenomen in de gemeentelijke inventaris van zonevreemde bedrijven, X-13.555-7/20 en dus bedrijven zijn die ‘geconfronteerd worden met hoogdringende problemen en waarover de gemeente een uitspraak wenst te doen’. En terwijl noch uit de bestreden beslissing, noch uit de verschillende gemeenteraadsbesluiten, noch uit de motiveringsnota bij het BPA deze hoogdringendheid blijkt, en integendeel in het bestreden besluit wordt bevestigd dat er geen behoefte is aan uitbreiding, doch enkel aan ‘definitieve regularisatie’. En terwijl reeds in een advies van februari 2006 van de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen werd opgemerkt dat uit het voorontwerp van BPA ‘niet kan worden opgemaakt dat er behoeften zijn op korte termijn’, en bijgevolg ‘het bedrijf niet kan worden opgenomen in het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven’. En terwijl ook de afdeling RO Oost-Vlaanderen in haar advies dd. 4 april 2007 tot de vaststelling is gekomen dat ‘de dringende ruimtelijke problematiek en dus de noodzaak voor opname in een BPA van de bedrijven niet of onvoldoende werd gemotiveerd’. En terwijl in ditzelfde advies even verder op tevens wordt verwezen naar de wensen van het bedrijf zelf dat heeft aangegeven dat het ‘op deze locatie op korte termijn niet verder wenst uit te breiden’. En terwijl deze visie reeds voorafgaandelijk werd bevestigd in het advies dd. 15 maart 2006 van de afdeling Ruimtelijke Planning die er terecht op wijst dat dient te worden gemotiveerd waarom bedrijven nu reeds worden opgenomen in een BPA en niet kan worden gewacht op de goedkeuring van het GRS om deze bedrijven dan achteraf op te nemen in een gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan. En terwijl ook deze adviesverlenende instantie er op wijst dat locaties werden opgenomen in het plan waar geen uitbreidingsbehoefte noch rechts(on)zekerheid vanuit milieuvergunningen spelen. En terwijl dan ook moet worden vastgesteld dat noch de bestreden beslissing, noch de gemeenteraadsbesluiten dd. 22 juni 2006 en 23 november 2006, noch de overige stukken in het administratief dossier ook maar enigszins de vereiste dringendheid en noodzaak aantonen die voorhanden dienen te zijn opdat een gemeente gebruik zou kunnen maken van de afwijkingsmogelijkheid geboden door artikel 14, 5e lid Coördinatiedecreet”. Beoordeling 4.
- Het toentertijd geldende artikel 14, vierde en vijfde lid van het gecoördineerde decreet bepaalt: “Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd voor 1 november
- Bijzondere plannen van aanleg die afwijken van het gewestplan en die voorlopig worden aangenomen na X-13.555-8/20 1 november 2006, kunnen tot 1 mei 2008 slechts definitief aangenomen worden door de gemeenteraad indien de bepalingen ervan in overeenstemming zijn met een minstens voorlopig vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Na 1 mei 2008 kunnen geen afwijkende bijzondere plannen van aanleg meer definitief door de gemeenteraad aangenomen worden”. 4.
- Het wordt niet betwist dat het bestreden bijzonder plan van aanleg werd opgemaakt, aangenomen en goedgekeurd overeenkomstig de in het vijfde lid van het voormelde artikel 14 bepaalde mogelijkheid om met een bijzonder plan van aanleg af te wijken van de voorschriften van het gewestplan, op voorwaarde dat de betrokken gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, dat bij de opmaak van het bijzonder plan van aanleg een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig werd aangenomen voor 1 november
- 4.
- Aangezien zoals hoger werd uiteengezet artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet een afwijkingsregeling inhoudt ten aanzien van het bepaalde in artikel 14, vierde lid van hetzelfde decreet, mist het middel, in de mate dat de verzoekster aanvoert dat de afwijking van het gewestplan strijdig is met “de hiërarchie der rechtsnormen, zoals zij duidelijk blijkt uit artikel 14, 4/ lid” juridische grondslag. 4.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de beslissing tot opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan werd genomen op 25 maart 2004 (zie randnummer 3.4) en dat het betrokken sectoraal bijzonder plan van aanleg voorlopig werd aangenomen op 22 juni 2006 (zie randnummer 3.9), zodat -hetgeen overigens niet wordt betwist- aan de eerste en de derde hiervoor vermelde voorwaarde is voldaan. In het tweede middel betwist de verzoekster dat is voldaan aan de enige overige voorwaarde om toepassing te kunnen maken van de afwijkingsregeling voorzien in artikel 14, vijfde lid, met name dat bij de opmaak van het bijzonder plan van aanleg een ruimtelijke afweging is gebeurd mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. 4.
- Noch de parlementaire voorbereiding, noch een ministeriële omzendbrief bezit enige rechtskracht. Een verzoekende partij kan zich dan ook niet met goed gevolg beroepen op de schending van bijkomende voorwaarden die hierin worden verbonden aan de mogelijkheid om toepassing te kunnen maken van X-13.555-9/20 artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet, voornamelijk wat betreft de voorwaarde dat het moet gaan om dringende ruimtelijke problematieken welke niet kunnen wachten op het afronden van het gemeentelijk structuurplanningsproces en de mogelijkheid tot het verlenen van vergunningen op grond van een sectoraal bijzonder plan van aanleg. Voorts brengt de verzoekster geen afdoende gegevens bij waaruit kan blijken dat de uitzonderingsregeling van artikel 14, vijfde lid van het gecoördinerde decreet van haar doel werd afgewend en werd gebruikt met het uitsluitende oogmerk een onwettig bestaande toestand ongedaan te kunnen maken. De verzoekster toont niet aan dat het betrokken bedrijf niet over de vereiste stedenbouwkundige vergunningen beschikt of exploiteert zonder hiertoe over de vereiste milieuvergunningen te beschikken. 4.
- Het middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een tweede middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 14, vierde en vijfde lid van het gecoördineerde decreet, van de artikelen 4 en 19, § 3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en “met toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet”, “Doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing vier van het gewestplan totaal afwijkende bestemmingen in het leven roept, zonder dat op gemotiveerde wijze een afweging wordt gemaakt op basis van de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). En doordat, tweede onderdeel, het bestreden besluit daarenboven bij de vaststelling van deze van het gewestplan afwijkende bestemmingen, afwijkt van het richtinggevend gedeelte van het RSV. En doordat, derde onderdeel, de minister, door zijn goedkeuring te verlenen aan het BPA, eveneens flagrant de doelstellingen van het DRO met de voeten is getreden, die uitdrukkelijk opleggen dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar moeten worden afgewogen, en daarbij rekening moet worden gehouden met de ruimtelijke draagkracht, alsmede de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Terwijl, eerste onderdeel, op grond van artikel 14, 4e en 5e lid Coördinatiedecreet, een gemeente geen sectoraal BPA kan aannemen en de minister die niet kan goedkeuren, wanneer er geen ruimtelijke afweging gebeurt op basis van de principes van het RSV. X-13.555-10/20 En terwijl uit de bestreden beslissing evenwel is op te maken dat het bestreden BPA is opgemaakt op grond van de bepalingen van artikel 14, 5e lid, maar dat verder in het bestreden besluit, noch in de beslissingen van de gemeenteraad enige concrete afweging gebeurt t.o.v. het RSV. En terwijl de minister zich immers beperkt tot de overweging dat ‘voor de planonderdelen van het voorliggende BPA, zoals blijkt uit de toelichting bij het plan, een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen’. En terwijl even verder ook nog wordt overwogen dat ‘met de ruimtelijke afweging in de sectorale visie enkel kan akkoord gegaan worden voor de opgenomen deelplannen voor zover geen strijdigheden met het RSV worden vastgesteld’. En terwijl uit deze zinsnede alleen reeds moet worden afgeleid dat de afweging t.o.v. het RSV niet naar behoren gebeurde, nu de minister blijkbaar in het ongewisse is aangaande eventuele strijdigheden. En terwijl tenslotte zelfs wordt gesteld dat (...) het algemeen principe die in de sectorale visie wordt aangenomen een strijdigheid inhoudt met het RSV. En terwijl echter voor het overige nergens in het bestreden besluit dd. 11 september 2007 enige concrete afweging is terug te vinden, behalve dan de gratuite overweging dat het BPA ‘globaal voldoet aan de formele en inhoudelijke eisen van de omzendbrief RO 2000/01’. En terwijl daarnaast zowel in het gemeenteraadsbesluit dd. 22 juni 2006, als in het gemeenteraadsbesluit dd. 23 november 2006 ook maar enig spoor ontbreekt van een verwijzing, laat staan een ruimtelijke afweging op basis van de principes van het RSV. En terwijl ook in de motiveringsnota bij het sectoraal BPA geen enkele verwijzing naar het RSV is terug te vinden. En terwijl er in casu dan ook geen voldoende en concrete ruimtelijke afweging is gebeurd op basis van de principes van het RSV, zodat de minister onterecht goedkeuring heeft verleend aan het bestreden sectoraal BPA. En terwijl, tweede onderdeel, het richtinggevend gedeelte van het RSV uitdrukkelijk voorschrijft dat bij de beoordeling van de uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijven, die niet zijn gelegen op bedrijventerreinen, de ruimtelijke implicaties van een herlocalisatie dienen te worden afgewogen tegenover de implicaties van een ontwikkeling op de bestaande site. En terwijl nergens in de motiveringsnota bij het BPA, noch in de gemeenteraadsbesluiten dd. 22 juni en 23 november 2006, noch in het bestreden besluit zelf deze afweging wordt gemaakt. En terwijl integendeel bv. in het advies dd. 1 maart 2007 van de Bestendige Deputatie wordt vastgesteld dat ‘in de algemeen uitgewerkte visie de verschillende structuren en deelruimten niet zozeer gebaseerd zijn op het ruimtelijk functioneren en op de samenhangende ruimten maar eerder op de huidige gewestplanbestemming en geografische elementen’. En terwijl het provinciebestuur dan ook tot de conclusie komt dat ‘hierdoor een ruimtelijke visie ontbreekt over waar en waarom zonevreemde bedrijven al dan niet mogen ontwikkelen’. En terwijl daarenboven ook nog eens in de motiveringsnota wordt bevestigd dat lokaal bijna 5 ha bedrijventerreinen beschikbaar zijn, en regionaal nog eens meer dan 25 ha, zonder dat ook maar op enige wijze wordt duidelijk gemaakt waarom een herlokalisatie in casu niet kan worden overwogen. En terwijl het bestreden besluit dan ook in die mate de in het middel aangehaalde bepalingen schendt. En terwijl, derde onderdeel, het bestreden besluit geenszins een afdoende afweging maakt van de ruimtelijke behoeften van het bedrijf t.o.v. de ruimtelijke behoeften van de omwonenden. X-13.555-11/20 En terwijl op geen enkele manier een afweging wordt gemaakt m.b.t. hinderlijke gevolgen die een verdere uitbreiding, zij het zelfs beperkte, van het bedrijf binnen de begrenzing van het BPA ongetwijfeld zal teweegbrengen, zowel voor het uitzicht en de woon- en leefkwaliteit van de omwonenden, als voor het omringend leefmilieu in het bijzonder. En terwijl de bestreden beslissing op die manier dan ook op flagrante wijze de doelstellingen van DRO, zoals verwoord in artikel 4, schendt”. Beoordeling 4.
- Zoals hoger reeds gesteld, bepaalt artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet onder meer dat een bijzonder plan van aanleg kan afwijken van de voorschriften van het gewestplan “op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. 4.
- In het bestreden besluit wordt hieromtrent overwogen “dat voor de planonderdelen van het voorliggende BPA, zoals blijkt uit de toelichting bij het plan, een ruimtelijke afweging gebeurde die strookt met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat daarmee voor de hierna goedgekeurde planonderdelen is voldaan aan de tweede voorwaarde voor de toepassing van artikel 14 van het decreet van 22 oktober 1996, zoals gewijzigd door het decreet van 18 mei 1999”. In de toelichtingsnota bij het plan wordt hieromtrent gesteld wat volgt: “
- Toetsing uitgangspunten Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. 5.
- Verweving van functies. Rolvaplast NV is gesitueerd in de Pelsestraat 1 op de hoek met de Oude Heirbaan (N440) die de verbinding vormt tussen Deinze en Dentergem. Rolvaplast NV is gelegen aan de rand van de kern van Gottem (deelgemeente Deinze); waardoor het bedrijf, ruimtelijk gezien, aansluit bij de bebouwing van de woonkern. Gezien de ligging van het bedrijf langs de N440 kunnen we spreken van gunstige ligging qua bereikbaarheid en functionaliteit. Momenteel is het bedrijf zeer compact georganiseerd en volledig geïntegreerd tussen de bestaande bebouwing gesitueerd langs de Oude Heirbaan en deze langs de Pelsestraat. De toegang tot het bedrijf sluit aan bij de bestaande bebouwing in de Oude Heirbaan. Het bedrijf leeft, behalve wat één buur betreft die woonachtig is langs de Oude Heirbaan op ongeveer 100 m afstand van het bedrijf (en die vanuit zijn tuin zicht heeft op het bedrijvencomplex), in goed nabuurschap met de aanpalenden en omwonenden. 5.
- Ruimtelijke implicaties bij herlocalisatie. Rolvaplast NV is op deze locatie sinds 1976 gevestigd (na stopzetting van de vlasactiviteiten in dit gebouw) en zoals vele soortgelijke bedrijven op zijn initiële locatie geleidelijk aan zowel economisch als ruimtelijk uitgegroeid tot zijn huidige ruimtelijke maar zeker ook economische betekenis. X-13.555-12/20 Momenteel bedraagt de ingenomen oppervlakte ongeveer 9.959 m², waarvan 3.741 m² bedrijfsverharding en 6.215 m² bedrijfsgebouwen. Het bedrijf is compact georganiseerd en geïntegreerd tussen de bestaande bebouwing gelegen langs de Oude Heirbaan. Een ruimtelijke herlocalisatie wordt niet overwogen en is in de huidige omstandigheden eveneens niet aangewezen wegens een te zware investeringslast (en tevens binnen de ruimtelijke voorzieningen niet haalbaar). Het bedrijventerrein is voldoende groot en het behoud van de bestaande toestand is aangewezen. Belangrijk is ook te vermelden dat Rolvaplast NV als een bedrijf van lokaal niveau kan beschouwd worden en dus tewerkstelling biedt aan mensen uit Deinze en de onmiddellijke omgeving. Het bedrijf heeft momenteel een 17-tal werknemers in dienst waaronder 14 arbeiders en 3 bedienden. Een eventuele, maar vooral niet nodig geachte, herlocalisatie impliceert dan ook een toename van het woon-werkverkeer en een afname van de locale werkgelegenheid in de stad Deinze. 5.
- Ruimtelijke draagkracht. Rolvaplast NV ligt, zoals reeds eerder vermeld, in de Oude Heirbaan (N440) die rechtstreeks aansluit op de gewestwegen N35 (Deinze-Tielt) en de Olsenesteenweg (N459). De ruimtelijke draagkracht van de omgeving wordt niet overschreden aangezien het bedrijf immers sinds de jaren ’60 actief is op de huidige locatie. In een tijdspanne van 40 jaar werden verschillende loodsen bijgebouwd aan de oorspronkelijke vlasloodsen. De gebouwen van de oude vlasfabriek werden gerenoveerd en zonodig verbouwd of gedeeltelijk afgebroken. Het bedrijf is bijgevolg vergroeid met zijn omgeving en veroorzaakt geen visuele hinder. Het bedrijf is voor gemotoriseerd verkeer en toeleveringen en/of ophalingen van bestellingen met vrachtwagens enkel toegankelijk langs de Oude Heirbaan en slechts beperkt toegankelijk langs de Pelsestraat vanwege zijn beperkte wegbreedte. Er dient evenwel opgemerkt te worden dat de bestaande buffer (dubbele rij dennenbomen) langs de Oude Heirbaan ervoor zorgt dat het bedrijf visueel wordt afgeschermd van de bestaande residentiële bebouwing rondom. De bestaande buffer langs de noordoostelijke zijde dient uitgebreid te worden met een overwegend hoogstammige beplanting om de impact op het nabijgelegen agrarische gebied rondom het bedrijf tot een minimum te herleiden. Ter hoogte van de buurwoningen dient de bestaande bufferzone meer op schaal van de residentiële bebouwing uitgebreid te worden. 5.
- Beleidszekerheid- en continuïteit. Sedert 1992 kent de markt van de PVC-onderdelen waarin Rolvaplast NV actief is een enorme groei waarvan het bedrijf eveneens kon mee profiteren. Dit blijkt ook uit de omzetcijfers uit die tijd. Vanaf 1999 kent de markt een opmerkelijke terugval naar aanleiding van de Russische crisis. Aangezien de omzet de laatste jaren bleef dalen was men genoodzaakt over te stappen naar de productie van andere producten zoals het recycleren van schuimprofielen en het produceren van schuimprofielen van de gootbekleding. - Omzet: 2000: i 9.650.000 - Omzet: 2001: i 7.725.000 - Omzet: 2002: i 5.318.000 - Omzet: 2003: i 4.474.203 Op grond van de huidige vergunningstoestand kunnen we vermelden dat de bedrijfscontinuïteit alvast verzekerd is tot 2014 (vervaldatum huidige milieuvergunning)”. X-13.555-13/20 4.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat er een afweging gebeurde mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. De verzoekster toont niet aan dat deze afweging feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk is. 4.
- Het eerste onderdeel van het middel kan niet worden aangenomen. 4.
- Uit de hoger aangehaalde ruimtelijke afweging vervat in de toelichtingsnota blijkt eveneens dat er een afweging werd gemaakt tussen een mogelijke herlocalisatie van het bedrijf en het bedrijf ter plaatse laten bestaan (punt 5.2). De verzoekster toont niet aan dat deze afweging feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk is. 4.
- Het tweede onderdeel van het middel kan niet worden aangenomen. 4.
- In de hoger aangehaalde ruimtelijke afweging in de toelichtingsnota worden ook de “verweving van functies” (punt 5.1) en de “ruimtelijke draagkracht” (punt 5.3) onderzocht. Aldus wordt een afdoende afweging gemaakt tussen enerzijds de ruimtelijke behoeften van het bedrijf en anderzijds die van de omwonenden. Voorts blijkt niet dat het de bedoeling is dat het bedrijf verder zou uitbreiden (een premisse waar de verzoekster blijkbaar van uitgaat), doch dat enkel de mogelijkheid wordt gecreëerd om het bedrijf ter plaatse verder te laten functioneren. Dit blijkt tevens uit het bestreden besluit waar wordt gesteld “dat het uitgewerkt voorstel evenwel als een ruimtelijk maximum moet worden aanzien”. 4.
- Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een derde middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 14, eerste lid van het gecoördineerde decreet en van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, X-13.555-14/20 “Doordat de minister in de bestreden beslissing goedkeuring verleent aan het bestreden sectoraal BPA stellende dat ‘de stedenbouwkundige voorschriften algemeen werden opgemaakt en beperkte bepalingen m.b.t. de verhardingen en opvang hemelwater bevatten’. Terwijl artikel 14, 1e lid, 2/ Coördinatiedecreet voorschrijft dat de stedenbouwkundige voorschriften van een BPA een gedetailleerde bestemming dienen aan te geven van de verschillende deelgebieden binnen de perimeter van het BPA. En terwijl ditzelfde artikel in het punt 4/ eveneens bepaalt dat het plan de nodige voorschriften dient de bevatten aangaande de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen. En terwijl in casu van een dergelijke gedetailleerde bestemming geenszins sprake is, zoals zelf door de minister met zoveel woorden in zijn goedkeuringsbesluit wordt vastgesteld. En terwijl ook verschillende adviesverlenende instanties, waaronder de afdeling RO Oost-Vlaanderen en de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen hebben gewezen op de te algemene draagwijdte van de stedenbouwkundige voorschriften. En terwijl eveneens herhaaldelijk in de verschillende adviezen wordt gewezen op het feit dat in zeer algemene bewoordingen alle ‘bedrijvigheid’ in de zones wordt toegelaten terwijl het nochtans nodig is dat de stedenbouwkundige voorschriften het type en de aard van de bedrijvigheid moeten specifiëren die zijn toegestaan. En terwijl door na te laten voldoende concrete stedenbouwkundige voorschriften in het plan op te leggen, het bestreden besluit de in het middel opgenomen bepalingen schendt”. Beoordeling 4.
- Artikel 14, eerste lid van het gecoördineerde decreet bepaalt: “Het bijzonder plan van aanleg geeft voor het deel van het gemeentelijk grondgebied aan: 1/ de bestaande toestand; 2/ de gedetailleerde bestemming van de in sub. 2/ van artikel 13 bedoelde gebiedsdelen; 3/ het tracé van alle in het bestaande verkeerswegennet te brengen wijzigingen; 4/ de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, alsmede die betreffende de binnenplaatsen en tuinen”. 4.
- De “Verordenende stedenbouwkundige voorschriften” van het bestreden bijzonder plan van aanleg omvatten met betrekking tot: - “Art. 1: Zone voor bedrijfsgebouwen en aanverwante voorzieningen”: “Bestemmingsvoorschriften” (1.1) met betrekking tot de “Hoofdbestemming” en de “Nevenbestemming”, evenals gedetailleerde voorschriften wat betreft de “Inplanting van de gebouwen” (1.2), de “Bouwhoogten” (1.3), de “Dakvorm” (1.4), de “Materialen” (1.5), het “Vloerpeil” (1.6) en “Publiciteit” (1.7); X-13.555-15/20 - “Art. 2: Zone voor verhardingen i.f.v. de interne mobiliteit”: “Bestemmingsvoorschriften” (2.1), evenals gedetailleerde voorschriften wat betreft de “Inplanting” (2.2), de “Volumes”(2.3), de “Materialen” (2.4) en “Publiciteit” (2.5); - “Art. 3: Zone voor groenbuffers”: “Bestemming” (3.1), evenals gedetailleerde voorschriften wat betreft de “Inrichting” (3.2), de “Afsluitingen” (3.3) en “Publiciteit” (3.4); - “Art. 4: Zone voor strook met aandacht voor landschappelijke inpassing”: “Bestemmingsvoorschriften” (4.1), evenals gedetailleerde voorschriften wat betreft de “Inrichting” (4.2). 4.
- Het middel mist derhalve feitelijke grondslag waar wordt gesteld dat het bestreden bijzonder plan van aanleg geen gedetailleerde bestemming zou bevatten van de verschillende deelgebieden binnen de perimeter ervan. 4.
- In zoverre de verzoekster specifiek verwijst naar de “Hoofdbestemming” van de “Zone voor bedrijfsgebouwen en aanverwante voorzieningen”, waar wordt bepaald dat deze uitsluitend is bestemd voor “de bedrijvigheid”, dient te worden vastgesteld dat deze notie in de voorschriften nader wordt gepreciseerd waar wordt gesteld: “Binnen de afbakening van dit Bijzonder Plan van Aanleg kan slechts één bedrijf zijn activiteiten ontplooien. De activiteiten binnen het bedrijf mogen de omgeving, op het vlak van het visuele-architecturale aspect van het bedrijf en op het vlak van de generatie van mobiliteit, geen abnormale stedenbouwkundige hinder bezorgen. De aard van de toekomstige bedrijfsactiviteiten dient minder hinderlijk of van gelijke hinder te zijn met betrekking tot de generatie van mobiliteit en tot het ruimtelijk functioneren van het bedrijf”. Voorts bepalen de “Bestemmingsvoorschriften”: “Nevenbestemming: De noodzakelijke kantoren, tentoonstellingsruimte, E.H.B.O., sociale uitrusting, gemeenschapsvoorzieningen in zoverre deze direct verbonden zijn aan de bestaande bedrijfsvoering en in zoverre ze in oppervlakte de 25% van deze zone niet overschrijden. Indien deze zone niet bebouwd wordt, kan ze eveneens aangewend worden voor toeritten, bedieningswegen, parkeerplaatsen, laad- en losplaatsen en stapelplaatsen in open lucht of als groenzone ingericht worden”. 4.
- In tegenstelling tot wat de verzoekster voorhoudt, bepaalt het bestreden besluit de gedetailleerde bestemming van de verschillende gebiedsdelen. X-13.555-16/20 4.
- Het middel mist feitelijke grondslag. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een vierde middel voert de verzoekster de schending aan van artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, evenals van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, “Doordat bestreden besluit volledig voorbijgaat aan de zogenaamde ‘watertoets’ die wordt opgelegd door de in de aanhef van het middel aangehaalde bepalingen. En doordat integendeel in de bestreden beslissing wordt bevestigd dat ‘de watertoets niet bedrijfsspecifiek werd uitgewerkt’ en voorts wordt verwezen naar de stedenbouwkundige verordening inzake lozing van afvalwater en hemelwater om bij de vergunningverlening een antwoord te bieden op de vraag vanuit het waterbeleid. Terwijl artikel 8 §1 van voormeld decreet bepaalt dat de overheid die zich moet uitspreken over de goedkeuring van een plan, ervoor moet zorgen dat door het plan geen schadelijk effect ontstaat aan het integraal waterbeleid. En terwijl §2 van hetzelfde artikel de overheid verplicht een dergelijke beslissing te motiveren, en deze in elk geval te toetsen aan de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid. En terwijl de minister in de bestreden beslissing dan ook minstens de resultaten van deze watertoets had moeten vermelden. En terwijl dit in casu des te meer prangt nu in de toelichting bij het BPA alsook in het bestreden besluit zelf uitdrukkelijk wordt verwezen naar de ligging van de NV Rolvaplast aan de rand van het valleigebied van de Oude Leie. En terwijl zodoende ondanks de vaststelling dat de begrenzing van het BPA achteraan wordt gevormd door een valleigebied en de Oude Leie, de minister het niet nodig vindt enige overweging te besteden aan de impact van het bedrijf en zijn eventuele latere (beperkte) uitbreiding op dit gebied. En terwijl zo bv. ook in het advies dd. 15 maart 2006 van de afdeling Ruimtelijke Planning valt te lezen dat de watertoets evenwel in ieder deelplan (in totaal werden door de stad Deinze 14 deelplannen opgemaakt voor evenveel zonevreemde bedrijven) wordt ‘aangehaald’, doch deze ‘niet als maatwerk in de stedenbouwkundige voorschriften wordt vertaald’. En terwijl het Decreet Integraal Waterbeleid nochtans aan de overheid oplegt na te gaan of door het plan geen schadelijk effect wordt toegebracht, waarbij schadelijk effect ondermeer wordt gedefinieerd als ‘ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit’. En terwijl de minister in het kader van de watertoets dan ook minstens de effecten van de industriële en hinderlijke activiteiten van het bedrijf en van de vele verhardingen op de bedrijfssite op de waterhuishouding van de Oude Leie en het achterliggende valleigebied had moeten nagaan”. X-13.555-17/20 Beoordeling 4.
- Artikel 8, § 1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid bepaalt: “De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in § 5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. (...)”. 4.
- Uit deze bepaling kan worden afgeleid dat de watertoets niet verder gaat dan het onderzoeken of een voorgenomen plan “schadelijke effecten” in de zin van artikel 3, § 2, 17/ van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid doet ontstaan en niet inhoudt dat ook moet worden onderzocht hoe het voorgenomen plan kan remediëren aan een reeds bestaande toestand. De watertoets strekt met andere woorden tot het onderzoeken van het causaal verband tussen het aan te nemen of goed te keuren plan van aanleg en de schadelijke effecten in de zin van het voornoemde artikel 3, § 2, 17/. Artikel 8, § 2, tweede lid van het genoemde decreet bepaalt dat de beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. Uit die bepaling volgt dat een beslissing waarbij een plan wordt aangenomen of goedgekeurd, een formele motivering dient te bevatten waaruit blijkt dat de in artikel 8, § 1 van het decreet bedoelde watertoets is uitgevoerd. Uit die motivering moet meer bepaald blijken, hetzij dat uit de ordening die met het plan wordt beoogd geen schadelijke effecten kunnen ontstaan als bedoeld in artikel 3, § 2, 17/ van het decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die X-13.555-18/20 door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. 4.
- In de bestreden beslissing wordt overwogen “dat de watertoets niet bedrijfsspecifiek werd uitgewerkt; dat het plangebied echter niet gelegen is in een risicogebied voor overstromingen; dat de stedenbouwkundige voorschriften algemeen werden opgemaakt en beperkte bepalingen met betrekking tot de verhardingen en opvang hemelwater bevatten; dat het plan in hoofdzaak voorziet in de bestendiging van de bestaande toestand; dat de feitelijke toename aan verhard oppervlakte beperkt blijft; dat de stedenbouwkundige verordening inzake lozing van afvalwater en hemelwater bij de vergunningverlening toepasbaar is en een antwoord biedt op de vraag vanuit het waterbeleid”. 4.
- Gelet op hetgeen hiervoor werd uiteengezet, dient te worden vastgesteld dat de voormelde overwegingen een voldoende motivering uitmaken met betrekking tot de watertoets. 4.
- Het middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. X-13.555-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Johan Bovin, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, met bijstand van Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-13.555-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.411 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div