id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.467 Rolnummer: A. 197547/XII-6319 Zaak: Arrest 207467 - Overheidsopdrachten - 21/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 05:10 Fiche Arrest nr 207.467 van 21 september 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 207.467 van 21 september 2010 in de zaak A. 197.547/XII-6319 In zake: de NV CLEAR CHANNEL BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pierre De Bandt, Peter Teerlinck en Muriel Vanderhelst kantoor houdend te 1000 Brussel Clovislaan 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Antoon Lust, Sabien Lust en Elke Casteleyn kantoor houdend te Assebroek-Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 31 augustus 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Brugge van 13 augustus 2010 waarbij beslist werd dat de offerte van de verzoekende partij ingevolge de algemene offerteaanvraag voor het leveren, plaatsen en onderhouden van halteaccommodatie voor het busvervoer op het grondgebied van de Stad Brugge (bestek ‘Mobiliteit02’) nietig is”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. XII-6319-1\13 Advocaten Peter Teerlinck en Muriel Vanderhelst, die verschijnen voor de verzoekende partij, en advocaat Elke Casteleyn, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De stad Brugge schrijft een algemene offerteaanvraag uit met als voorwerp “het leveren, plaatsen en onderhouden halteaccommodatie busvervoer op grondgebied Brugge”. De aankondiging van de opdracht wordt bekend gemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 5 mei 2010 en in het Publicatieblad van de Europese Unie van 7 mei 2010. 3.2. Op deze opdracht is het bijzonder bestek “Mobiliteit 02” van toepassing. Het bestek bepaalt de gunningscriteria als volgt (art. I.10): “De opdracht wordt gegund rekening houdend met de hierna vermelde gewogen criteria. Totale waarde: 100 De opdracht wordt gegund aan de inschrijver met het hoogste totaal voor alle criteria samen. 1. Het algemeen concept, de kwaliteit en de materialen van de voorgestelde wachthuisjes: a. esthetische en technische waarde (40% van de punten per type), b. vandalisme- en roestbestendigheid (20% van de punten per type), c. gebruikscomfort (40% van de punten per type) XII-6319-2\13 Totaal gewicht 30, verdeeld als volgt: - type 1: 15 - type 2: 15 2. jaarlijkse vergoeding: [...] In te dienen documenten voor de gunning: 1. alle documenten om een toetsing aan criterium 1 toe te laten (tekeningen, technische beschrijving, foto’s, enz....) 2. nota inzake de jaarlijkse vergoeding”. Onder “bij de offerte minimaal toe te voegen bijlagen” verwijst het bestek later nogmaals onder meer naar “alle documenten om een toetsing aan criterium 1 toe te laten (tekeningen, technische beschrijving, foto’s, enz...)”. Deel II van het bestek bevat de technische bepalingen. Artikel 2 bevat de technische fiche van de schuilinfrastructuur en bepaalt onder meer: “A. Algemeen [...] B. In te dienen schuilhuisjes Naast het algemeen standaardtype met 3 wanden voorziet de opdrachtgever tevens dat op enkele belangrijke haltes een ‘luxe-type’ wordt geplaatst; dit type geeft een extra-dimensie aan bijvoorbeeld het plein en/of aan de bushalte in kwestie. Dit type wordt in functie van de noodwendigheden geplaatst in het kader van specifieke projecten of locaties. De plaatsing van een dergelijk type schuilinfrastructuur wordt vooraf door de opdrachtgever besproken met de weerhouden inschrijver. De inschrijver dient bijgevolg op verplichte wijze, op straffe van nietigheid van de inschrijving, volgende types van schuilinfrastructuur aan te bieden: 1) een standaardtype met 3 wanden, zonder afsluiting aan de voorzijde: dit type is te plaatsen ter hoogte van het merendeel van de bushaltes (dit type biedt immers de meeste bescherming). De inschrijver dient ook te bevestigen dat hij voormeld standaardtype kan leveren voorzien van een gedeeltelijke afsluiting aan de voorzijde (te plaatsen op afroep ter hoogte van haltes in windgevoelige gebieden). In eerder uitzonderlijke gevallen kan een schuilhuisje gevraagd worden met slechts 1 zijwand of zelfs zonder zijwanden en publiciteit (cfr. halte Peerdeke); maar gelet op de minimale bescherming tegen weersomstandigheden worden dergelijke afwijkende standaardtypes maar in uitzonderlijke XII-6319-3\13 gevallen gevraagd (in functie van specifieke noodwendigheden/plaats-toestanden). 2) een luxe-type: te plaatsen in functie van specifieke projecten of locaties; te plaatsen op aanwijzing van het stadsbestuur (cfr supra). [...]”. 3.3. De offertes worden geopend op 24 juni 2010. Naast verzoekende partij dient ook J.C. Decaux een offerte in. 3.4. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge beslist op 13 augustus 2010 dat de offerte van verzoekende partij nietig is. Dit is de thans bestreden beslissing, die onder meer volgens het door verzoekende partij neergelegde stuk als volgt luidt: “Gelet op de bevindingen die opgenomen zijn in het ‘Administratief verslag van nazicht van de ingediende offerte van de firma Clear Channel Belgium NV voor het leveren, plaatsen en onderhouden van halteaccommodatie busvervoer op grondgebied Brugge’; [...] De firma Clear Channel Belgium NV diende 2 documenten in: een offerte en een aanvullend schrijven. In dat aanvullend schrijven worden een aantal ‘fundamentele kanttekeningen’ bij de bepalingen van het lastenboek van onderhavige opdracht geformuleerd. Er wordt gesteld in het schrijven dat het niet gaat om een leemte of vergissing (cfr. de bepaling terzake onder punt 1.13 van het bestek) en dat er advies gevraagd wordt op onderhavig dossier bij de toezichthoudende overheid. Inhoudelijk maakt dit schrijven op zich echter geen voorwerp uit van deze gunningsprocedure. Tevens werd een vrije variant ingediend door voor het standaardtype van busschuilhuisje een 2e ander type in te dienen. Met betrekking tot de ingediende offerte kan meegedeeld worden dat deze NIETIG is; de ingediende offerte blijkt immers onvolledig te zijn. Bij inhoudelijk nazicht van de offerte blijkt dat voor het luxe-type geen concrete documenten aangeboden worden die een beoordeling mogelijk maken zoals beschreven in en vereist door het bestek, met name:
- a)In artikel 2 van Deel II staat: [...]
- b)Daarmee samenhangend staat onder punt I.10 van Deel I: [...]
- c)Bovenstaand criterium wordt nog eens herhaald in het besluitend gedeelte van [het bestek] op pagina 14; onder punt 6 van ‘bij de offerte minimaal toe te voegen bijlagen’ staat nog eens uitdrukkelijk: ‘alle documenten om een XII-6319-4\13 toetsing aan criterium 1 toe te laten (tekeningen, technische beschrijving, foto's, enz...)’.
- d)Tot slot staat onder punt C (subverdeling a), van artikel 2 van Deel II nog het volgende vermeld: ‘
- a)afmetingen: volgens de gebruikelijke normen; de schuilinfrastructuur moet grosso modo dezelfde afmetingen hebben als degene die momenteel op Brugs grondgebied staan (ongeveer 4,00 m L x 1,60m B x 2,0m H); de inschrijver geeft in zijn technische beschrijving alle exacte afmetingen aan.’ In geen van de documenten ingediend in de offerte van Clear Channel Belgium NV zit ook maar enig document dat de toetsing aan criterium 1 toelaat voor type 2 (het luxe-type). Met betrekking tot het luxe-type vermeldt de inschrijver het volgende in de offerte: ‘Om te komen tot een passend ontwerp voor deze bijzondere locaties gaan wij een samenwerking aan met Robbrecht en Deam. Dit gerenommeerde architectenbureau krijgt de opdracht een specifieke halteinfrastructuur voor de stad Brugge te ontwerpen. Op dit ontwerp zal de stad volledige inspraak genieten om te komen tot het gewenste resultaat. In functie van de beoordeling van de offerte melden wij dat de te gebruiken materialen, het gebruikscomfort en de overige elementen minimaal gelijkwaardig zijn aan die van de Ecoline wachthuisjes, een garantie voor kwaliteit op het hoogste niveau als onderdeel van een Brugse creatie.’ Niet alleen werd voor type 2 precies een luxe-uitvoering gevraagd, dus duidelijk verschillend en comfortabeler dan het standaardtype 1, bovenstaande informatie is totaal onvoldoende en laat niet toe om, zoals expliciet gevraagd in het bestek, een toetsing van ‘type 2’ (het luxe-type) aan criterium 1 toe te laten, Er is o.a. geen vermelding van materialen, geen afmetingen, geen foto's, geen tekeningen of schetsen; er werden enkel enige tekeningen van dhr. Robbrecht getoond die projecten blijken te zijn die achter helemaal niets te maken hebben met busschuilhuisjes; er is bovendien ook geen enkel engagement ven de genoemde architecten dat ze effectief zo'n overeenkomst hebben met de inschrijver en bereid zijn in overleg met de stad Brugge dit type te ontwerpen. Stad Brugge vroeg daarenboven een concreet ontwerp met alle gegevens om het te kunnen beoordelen; de stad vroeg in het bestek niet om in gezamenlijk overleg een toekomstig type te ontwerpen. De inschrijver stelt bijgevolg duidelijk dat dit type nog niet bestaat; bijgevolg kan de stad geen luxe-type evalueren en de ingediende offerte van Clear Channel niet beoordelen zoals voorzien in het bestek. Conclusie: de ingediende offerte van Clear Channel Belgium NV is nietig. Gelet op het feit dat, zoals expliciet bepaald in artikel 2 van Deel II, de offerte van Clear Channel Belgium NV dus nietig is, Gelet op het begeleidend schrijven van Clear Channel Belgium NV, deel uitmakend van de ingediende offerte, waarin een aantal kanttekeningen gemaakt worden bij het lastenboek; XII-6319-5\13 BESLIST 1.Er wordt kennis genomen van het begeleidend schrijven dat deel uitmaakt van de offerte van de firma Clear Channel Belgium NV. 2.Het ‘Administratief verslag van nazicht van de ingediende offerte van de firma Clear Channel Belgium NV voor het leveren, plaatsen en onderhouden van de halteaccommodatie busvervoer op het grondgebied Brugge’ en bijgevolg de nietigverklaring van de offerte van Clear Channel Belgium NV worden goedgekeurd.” 3.5. Met een aangetekende brief van 16 augustus 2010 wordt verzoekende partij van deze beslissing op de hoogte gebracht. Uittreksels uit die gemotiveerde beslissing en het verslag van nazicht worden bijgevoegd. IV. De schorsingsvoorwaarden 4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 5. De aankondiging van de kwestieuze opdracht werd echter bekend gemaakt na 24 februari 2010. Dienvolgens is de wet van 23 december 2009 tot invoeging van een nieuw boek betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten te dezen van toepassing. De voornoemde wet van 23 december 2009 is immers in werking getreden op 25 februari 2010 krachtens artikel 76 van het koninklijk besluit van 10 februari 2010 tot wijziging van bepaalde koninklijke besluiten tot uitvoering van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Overeenkomstig artikel 7 van de voornoemde wet van 23 december 2009 bepaalt de Koning de datum van haar inwerkingtreding en zijn XII-6319-6\13 enkel overheidsopdrachten die zijn bekendgemaakt vanaf die datum, zoals de in het geding zijnde opdracht, onderworpen aan de nieuwe wet. Volgens het in de wet 24 december 1993, nieuw ingevoegde artikel 65/15, eerste lid, is aldus voor de schorsing van de thans bestreden beslissing het bewijs van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet vereist. Anderzijds verplicht artikel 65/15, tweede lid, verzoekende partij tot het instellen van de vordering tot schorsing volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 6. In een enig middel roept verzoekende partij de schending in van “de materiële motiveringsplicht” alsook van “het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel”. In essentie wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing er ten onrechte van uitgaat dat de offerte van verzoekende partij geen concreet ontwerp aangaande het type 2 van de busschuilhuisjes (het “luxe-type”) bevat terwijl haar offerte wel degelijk een concreet voorstel ter zake bevat. Op de vraag om een “luxe- type” van busschuilhuisjes aan te bieden, waarvan de te plaatsen hoeveelheden totaal onbekend is en waarvan het duidelijk is dat dit “maatwerk” in functie van de noodwendigheden evenals van projecten en locaties moet zijn, heeft verzoekende partij met een concreet voorstel geantwoord door te verwijzen naar de samenwerking met architectenbureau Robbrecht en Daem die, om te komen tot een passend ontwerp voor deze locaties, de opdracht krijgen specifieke halte- infrastructuur voor de stad Brugge te ontwerpen, waarbij de stad Brugge volledige inspraak krijgt. Dit is volgens verzoekende partij “manifest luxueus” - het gaat over maatwerk - en houdt rekening met de bijzonder “open” bepalingen van het bestek met betrekking tot dit type 2. Tevens wordt de minimale kwaliteit in de offerte op concrete wijze gegarandeerd (“... minimaal gelijkwaardig aan die van [de] ECOline wachthuisjes)”. Aldus is er een engagement om maatwerk te realiseren in functie van de aanvraag van het stadsbestuur, in samenwerking met het architectenbureau XII-6319-7\13 Robbrecht en Daem en in ieder geval middels naleving van technische specificaties die minimaal gelijkwaardig zijn aan deze van de ECOline wachthuisjes, die in de offerte beschreven waren want aangeboden als het standaardtype. Een toetsing aan het eerste gunningscriterium was bijgevolg wel mogelijk. Dat verwerende partij kon besluiten dat het voorstel van type 2 niet genoeg “verschillend en comfortabeler dan het standaardtype 1” is, houdt noodzakelijkerwijze in dat zij beide types kon vergelijken en dus dat zij over voldoende specificaties beschikte. Dat verwerende partij deze minimale garanties niet voldoende zou achten voor een luxe type, zijnde niet comfortabeler of verschillend genoeg in vergelijking met type 1, betreft niet de onvolledigheid van de offerte doch enkel desgevallend de toetsing van het eerste gunningscriterium. Het noodzakelijk “comfortabeler” en “verschillend karakter” van type 2 is bovendien noch uitdrukkelijk, noch op straffe van nietigheid, in het bestek voorgeschreven. Verzoekende partij stelt vervolgens: “Besluiten tot de onvolledigheid van de offerte van de verzoekende partij bij gebreke aan voorstel van type 2, en bijgevolg tot de nietigheid ervan, terwijl de offerte manifest een concreet voorstel bevatte, is een schending van de materiële motiveringsplicht”. Ten slotte voert zij aan dat de sanctie van nietigheid in ieder geval onevenredig is met het vastgestelde gebrek in de offerte, gelet ook op het feit dat er blijkbaar maar één andere inschrijver is. De mededinging zou totaal wegvallen. Zij herhaalt dat het bestek zelf geen indicatie inhoudt aangaande het aantal busschuilhuisjes van type 2 en/of met betrekking tot de specifieke locaties en meent dat het niet redelijk is bij de beoordeling van de offertes te eisen dat het voorstel heel precies en concreet is terwijl het bestek zelf totaal “open” en algemeen hieromtrent was en dit des te meer omdat het ontwikkelen van een luxueus model een belangrijke investering vereist. Verzoekende partij geeft in haar basisvoorstel uitdrukkelijk haar engagement, zodat eisen dat die investering reeds vóór de toewijzing van de opdracht wordt gedaan -op basis van een “open” bestek- onredelijk is. Beoordeling 7.1. De offerte van verzoekende partij wordt nietig verklaard omdat deze onvolledig is nu voor het gevraagde luxe type wachthuisje geen concrete XII-6319-8\13 documenten worden bijgevoegd die een beoordeling mogelijk maken zoals beschreven en vereist in het bestek. Om de volgende redenen toont verzoekende partij in de huidige stand van het geding niet met de vereiste prima facie ernst aan dat deze beoordeling niet steunt op voldoende draagkrachtige motieven, motieven die in feite juist zijn en de beslissing redelijkerwijze kunnen dragen. Het bestek bepaalt in artikel 2 van deel II “Technische bepalingen” uitdrukkelijk dat een inschrijver “op verplichte wijze, op straffe van nietigheid van de inschrijving,” een standaardtype schuilinfrastructuur (type 1) moet aanbieden en “een luxe type te plaatsen in functie van specifieke projecten en locaties; te plaatsen op aanwijzing van het stadsbestuur” (type 2). In artikel I.10 worden de in te dienen documenten voor de gunning opgesomd, waaronder “alle documenten om een toetsing aan criterium 1 toe te laten (tekeningen, technische beschrijving, foto’s, enz....)”, wat nadien nog herhaald wordt. Dit gunningscriterium 1 wordt als volgt omschreven: “Het algemeen concept, de kwaliteit en de materialen van de voorgestelde wachthuisjes: a. esthetische en technische waarde (40% van de punten per type), b. vandalisme- en roestbestendigheid (20% van de punten per type), c. gebruikscomfort (40% van de punten per type) Totaal gewicht 30, verdeeld als volgt: - type 1: 15 - type 2: 15”. Terwijl de offerte van verzoekende partij voor type 1 - het standaardtype wachthuisje - het model ECOline voorstelt, welk model met foto’s, tekeningen en technische specificaties omstandig omschreven wordt, bevat de offerte voor type 2 enkel het volgende : “Topdesign op maat: Met de ‘EcoLine-wachthuisjes’ bereiken we een eenheid in stijl in gans Brugge, bereiken we vernieuwing in het stadsbeeld en gebruikscomfort. Wij hebben gezocht naar een passend antwoord op uw vraag om afwijkende ‘luxe modellen’ te plaatsen op een aantal specifieke plaatsen. (waarvan de aantallen spijtig genoeg niet gespecifieerd werden) XII-6319-9\13 In plaats van een ‘luxueuse versie’ van de EcoLine voor te stellen, dat aanleiding kan zijn voor uw bevolking om zich meer- of minderwaardig te voelen in functie van de types wachthuisjes, menen wij dat het beter is om voor specifieke locaties te opteren voor een specifiek ontwerp. Het is onze wens u te verbazen, u een voorstel te formuleren dat de hoogste verwachtingen overtreft. Wij gingen dan ook op zoek naar het ontwerpbureau dat het best uw stad begrijpt. Wij zochten een bureau dat Brugge aanvoelt, wij zochten ook naar een bureau dat ervaring heeft met het ontwerp van stadsmeubilair. Wij zochten ‘top-ontwerpers’. De zoektocht duurde niet lang. Het bureau Robbrecht en Daem is u welgekend en ontwierp reeds tal van zaken voor uw stad. Het concertgebouw en de halte-uitrusting ernaast zijn de beste voorbeelden. Momenteel werken ze aan de parkeerhuisjes van het Zand. Paul Robbreht en Hilde Daem zijn onze partners in dit project en zullen instaan voor het ontwerp van de specifieke halte-uitrustingen, conform uw wensen. Robbrecht en Daem zijn de architecten die als eersten een vernieuwde look gaven aan de stad, ook voor het ontwerpen van deze halte-uitrusting menen wij dat zij de meest aangewezen partners zijn. [...] In uw bestek verzoekt u om wachthuisjes aan te bieden van een luxe type dat geplaatst kan worden op bijzondere plaatsen in de stad. De grote waarde die wij hechten aan het imago van de stad als Wereld Erfgoed verplicht ons tot maatwerk. Brugge is in 2000 door UNESCO geplaatst op de prestigieuze Wereld Erfgoed lijst en wij wens dat graag zo te houden, installaties die afbreuk kunnen doen aan het goede imago dienen te worden uitgesloten. Om te komen tot een passend ontwerp voor deze bijzondere locaties gaan wij een samenwerking aan met Robbrecht en Daem. Dit gerenommeerde architectenbureau krijgt de opdracht een .specifieke halte infrastructuur voor de stad Brugge te ontwerpen. Op dit ontwerp zal de stad volledige inspraak genieten om te komen tot het gewenste resultaat. In functie van de beoordeling van de offerte melden wij dat de te gebruiken materialen, het gebruikscomfort en overige elementen van minimaal gelijkwaardig zijn aan die van de ECOline wachthuisjes, een garantie voor kwaliteit op het hoogste niveau als onderdeel van een Brugse creatie”. In de huidige stand van het geding blijkt niet dat verwerende partij niet redelijkerwijze van oordeel mocht zijn dat hiermee geen voldoende beschrijving is gegeven van het type 2 of luxe type dat voorgesteld wordt. De offerte bevat ter zake enkel een aantal algemeenheden en een verwijzing dat de materialen, het gebruikscomfort en overige elementen minimaal gelijkwaardig zijn aan die van de XII-6319-10\13 ECOline wachthuisjes, voorgesteld als het standaardtype of type 1, maar geen concrete beschrijving van dit type 2. Het open karakter van het bestek, noch het feit dat het aantal type 2 wachthuisjes en de locatie ervan in het bestek niet zouden zijn bepaald, noch het feit dat deze geplaatst zullen worden in functie van specifieke projecten en locaties op aanwijzing van het stadsbestuur, doen, zo lijkt het, afbreuk aan het feit dat een concreet voorstel van dit type 2 werd gevraagd en niet -zo lijkt het- een aanbod dit type na gunning in overleg met de stad Brugge te laten ontwerpen of een maatwerk per locatie. Verzoekende partij toont evenmin prima facie aan dat het bestek een aanpassing van het model vereist in functie van de noodwendigheden en specifieke projecten en/of locaties. In de mate dat zij nog stelt dat duidelijk niet één precies omschreven model wordt gevraagd, blijkt dit , zoals gezegd, niet prima facie uit het bestek; minstens lijkt dit anders geen afbreuk te doen aan het feit dat concrete voorstellen dienden bijgevoegd en niet een algemene verwijzing naar een nog in overleg uit te werken model of - in de redenering van verzoekende partij diverse modellen - voor dit type 2. In de mate dat verzoekende partij in dit verband nog aanvoert dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn omtrent de technische specificaties van dit type 2, lijkt zij eraan voorbij te gaan dat enerzijds een luxe type wordt gevraagd en anderzijds dat de in het voornoemde artikel 2 opgesomde vereisten eisen zijn waaraan “de schuilinfrastructuur” moet voldoen en, zo lijkt het, dus deze van type 1 en 2. De verwijzing in de offerte dat de materialen, het gebruikscomfort en overige elementen minimaal gelijkwaardig zijn aan die van de ECOline wachthuisjes, lijkt nog steeds niet te verduidelijken wat concreet wordt aangeboden als luxe type, hoogstens dat dit minstens gelijkwaardig zal zijn terwijl het bestek, door naast type 1 een luxe type 2 te vragen, lijkt in te houden dat dit type anders is dan type 1. In de mate dat de bestreden beslissing vermeldt “Niet alleen werd voor type 2 precies een luxe-uitvoering gevraagd, dus duidelijk verschillend en comfortabeler dan het standaardtype 1”, lijkt dit niet in te houden, zoals verzoekende partij meent, dat een vergelijking mogelijk was. Het feit dat het bestek niet uitdrukkelijk voorschrijft dat type 2 verschillend moet zijn en comfortabeler zoals verzoekende partij opmerkt, doet geen afbreuk aan het feit dat een concreet voorstel werd verwacht van een luxe type dat, vergeleken met het standaardtype, XII-6319-11\13 redelijker-wijze ook verschillend en van hoger niveau diende te zijn. Verzoekende partij verwijst in haar offerte in dit verband trouwens zelf naar de vraag “afwijkende ‘luxe-modellen’” te plaatsen. Ook de tussen deze teksten opgenomen foto’s van projecten van Robbrecht en Daem lijken het euvel niet goed te maken, alleen al omdat niet blijkt dat daarop steeds halteschuilplaatsen zijn afgebeeld en evenmin dat het hier datgene wat concreet wordt voorgesteld betreft. Verwerende partij voegt bij haar nota trouwens een e-mail van Robbrecht & Daem die onder meer bevestigen dat hun door verzoekende partij gevraagd werd een portfolio op te sturen, dat haar een portfolio met gelijksoortige projecten werd opgestuurd van “allerlei vrijstaande kleine projecten, paviljoenen, e.d.” die zij verwerkte in haar offerte en met daarin een kleine busluifel in Brugge naast het Concertgebouw, maar dat het gewoon een bestaand referentieproject is, maar geen ontwerp voor een nieuwe luifel en dat er ook niet gevraagd werd een voorontwerp te maken. 7.2. Evenmin toont verzoekende partij prima facie aan dat de bestreden beslissing onevenredig of onredelijk is omdat ze tot gevolg heeft dat er nog slechts één inschrijver is. De opdracht werd immers Europees aangekondigd en het feit dat er slechts twee inschrijvers zijn lijkt niet in te houden dat het bestuur dan offertes moet of zelfs kan aanvaarden die niet voldoen aan de in het bestek voorgeschreven eisen. Het argument dat het niet redelijk noch evenredig is een heel precies en concreet voorstel te verwachten terwijl het bestek zelf open en algemeen is en zelf geen indicatie inhoudt aangaande het aantal type 2 bushokjes en/of de specifieke locaties of noodzakelijke kenmerken, overtuigt evenmin prima facie. Zulks lijkt immers niet te beletten dat een concreet voorstel werd gevraagd en er wordt niet aangetoond dat dit niet kon worden ingediend; het tegendeel blijkt trouwens uit de offerte van J.C. Decaux. Het tegendeel vloeit niet voort uit de vereiste investering voor het ontwikkelen van een luxueus model. Niet alleen houdt het bestek niet in dat een nieuw model moest worden ontwikkeld maar bovendien is het eigen aan het inschrijven op een offerteaanvraag dat hiervoor investeringen gedaan worden bijvoorbeeld door het opstellen van een ontwerp indien men kiest voor een volledig nieuw model. 7.3. Het enig middel is bijgevolg niet ernstig. XII-6319-12\13 8. Nu het enig middel niet ernstig werd bevonden dient de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te worden verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 21 september 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6319-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.467 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div