← België

Arrest 207592 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.592 Rolnummer: A. 175764/X-12979 Zaak: Arrest 207592 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-04 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 05:10 Fiche Arrest nr 207.592 van 23 september 2010 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 207.592 van 23 september 2010 in de zaak A. 175.764/X-12.979. In zake: de v.z.w. MILIEUFRONT OMER WATTEZ gevestigd te 9700 OUDENAARDE Kattestraat 23 tegen: 1. de stad GERAARDSBERGEN 2. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 GENT Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. Theo CLEREBAUT 2. Gabriël VAN DEN BERGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Vekeman kantoor houdend te 9500 GERAARDSBERGEN Pastorijstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 augustus 2006, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 6 juni 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen waarbij aan Theo Clerebaut en Gabriël Van Den Berghe de vergunning wordt verleend voor het verkavelen van een perceel gelegen te Smeerebbe-Vloerzegem, Molendijk, kadastraal bekend sectie B, nr. 273/c. X-12.979-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 november 2006. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De tweede verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010. Kamervoorzitter Roger Stevens heeft verslag uitgebracht. Griet Van den Berghe, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Jonas Van Weyenberg, die loco advocaat Veerle Vekeman verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-12.979-2/16 III. Ontvankelijkheid van het beroep 3. Zowel de eerste als de tweede verwerende partij werpt ten aanzien van de verzoekende partij een exceptie van onontvankelijkheid op wegens het ontbreken van het rechtens vereiste persoonlijk belang bij het beroep en de rechtens vereiste kwaliteit. Zij menen dat niet voldaan is aan de vereisten voor een vereniging zonder winstoogmerk om in rechte op te treden voor de Raad van State vermits de doelstellingen van de verzoekende partij dermate algemeen en uitgebreid zijn dat er geen band van evenredigheid bestaat tussen het actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing, die geen verdere gevolgen heeft voor de onmiddellijke omgeving, anderzijds. 4. De tussenkomende partijen verwijzen in de memorie naar de excepties die door de verwerende partijen worden opgeworpen. 5. In haar verzoekschrift licht de verzoekende partij haar belang bij het beroep als volgt toe: “4. Het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging 1. De statuten van de vereniging werden op 8 november 2005 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (...). Milieufront Omer Wattez vzw werd opgericht op 16 juni 1981 onder de naam Stichting Omer Wattez (BS 3/12/1981). De Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen van 2 mei 2002 (BS 11/12/2002) maakte een gebruik van het woord Stichting niet meer mogelijk aangezien een Stichting een andere finaliteit heeft. Al 25 jaar tracht verzoekende partij zich op permanente wijze in te zetten voor de belangen waarvoor ze opkomt, vooral de kwaliteit van de natuur, landschap en alles wat er bij komt kijken, op peil te houden binnen haar werkgebied, voor haar 700-tal leden. Dit collectief van mensen kan allerlei redenen hebben om wel of niet op een bepaald terrein, zoals op het vlak van geluidshinder, op het vlak van overstromingsproblematiek of schade aan natuurwaarden, actief te zijn. 2. In artikel 1, § 4 van de statuten wordt het werkgebied omschreven. Dit omvat 21 gemeenten uit een aaneengesloten regio, m.n. de Vlaamse Ardennen, waaronder Geraardsbergen, waar de betwiste vergunning betrekking op heeft. De beschrijving en omschrijving van de streek van de Vlaamse Ardennen vat aan in 1908 bij de boeken van Omer Wattez: o.m. ‘Omer Wattez, 1926. De Vlaamsche Ardennen, Wandelingen en uitstapjes in het Land van Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen. Deel III. Geraardsbergen en omstreken. Nieuwe herziening druk (oorspronkelijke uitgave 1908). Gent.’ en ‘Omer Wattez, 1926. De Vlaamsche Ardennen, Wandelingen en uitstapjes in het Land van Oudenaarde, Ronse en Geraardsbergen. Deel II. Geraardsbergen en omstreken. Nieuwe herziening druk (oorspronkelijke uitgave 1908). Gent.’ Later volgen nog tal van wetenschappelijke publicaties over deze streek in het vakgebied van de Geografie. De recentste publicatie die ons bekend is luidt: X-12.979-3/16 ‘Dr. Vanmaercke-Gottigny M-C, 2005. Levend Landschap in de Vlaamse Ardennen. Oudenaarde.’ 3. De doelstellingen van de vereniging zijn omschreven in artikel 2 van de statuten. Het is ook door onder meer deze doelstellingen aan te nemen dat een VZW de rechtspersoonlijkheid verwerft. Binnen dit werkgebied worden de navolgende doelstellingen nagestreefd: ‘Artikel 2, § 1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat: - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert. - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz. § 3. De vereniging wil dit doel verwezenlijken, onder meer door: - het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden; - samenwerking met andere (milieu)verenigingen en koepels §4. De vereniging kan met alle wettelijke middelen de nuttige initiatieven nemen, steunen en coördineren, onder meer door: - het vertegenwoordigen in rechte en in feite van zijn leden, overal waar het belang van leefmilieu dit wenselijk en noodzakelijk maken; - de deelname aan de werking van advies- en overlegorganen; - rechtstreekse tussenkomsten bij officiële instanties en particulieren; X-12.979-4/16 - het realiseren van projecten en campagnes en het uitwerken van studies en publicaties; - het voeren van perscampagnes; - het organiseren van of meewerken aan openbare manifestaties; - de vrijwaring van het doel langs gerechtelijke weg; - het informeren en sensibiliseren van het brede publiek of van specifieke doelgroepen. - het vorderen voor de rechtbank wanneer inbreuken gepleegd worden op regelgeving inzake bijvoorbeeld ruimtelijke ordening, natuurbehoud en -bescherming, landschaps- en monumentenzorg, dorpsgezichten, waterlopen, water-, lucht- en bodemkwaliteit, licht, afval, verkeer en wegen, geluid, jacht, landinrichting, waterwinning, milieuaspecten van de landbouw, dierenwelzijn, energie (deze opsomming is niet limitatief). §5. Daarnaast kan de vereniging alle (types) rechtshandelingen stellen die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van voormelde ideële niet-winstgevende doelstellingen, met inbegrip van bijkomstige commerciële en winstgevende activiteiten binnen de grenzen van wat wettelijk is toegelaten en waarvan de opbrengsten te allen tijde volledig zullen worden bestemd voor de verwezenlijking van de ideële niet-winstgevende doelstellingen. Zij mag tevens hiertoe alle roerende goederen of onroerende goederen verwerven, behouden en van de hand doen in welke vorm dan ook (eigendom, naakte eigendom, vruchtgebruik, gebruik te bede, bruikleen, bezit...).’ 4. Milieufront Omer Wattez vzw streeft geen algemeen belang na, noch het persoonlijk, individualiseerbaar belang van haar leden. Zij voldoet aan het specialiteitsbeginsel. Milieufront Omer Wattez vzw is een milieuvereniging van een relatief beperkte groep van mensen. De vereniging wil niet de belangen van de ruime lagen van de bevolking dienen, zoals bv. een stadsbestuur, of het Vlaams Gewest kan voorhouden te doen. Aldus streeft zij niet het algemeen belang na, maar een collectief belang van al haar leden tezamen dat zij zich tot maatschappelijk doel heeft gesteld. Voor de milieuvereniging Milieufront Omer Wattez vzw ligt het persoonlijk belang uiteraard in het milieubelang waarvoor zij bestaat. Daarbij komt het belang van de vereniging als gemandateerde van haar leden. Dit belang bestaat niet in een loutere optelling of samenvoeging van de individuele belangen van haar leden, maar een belang dat voor alle leden van dezelfde aard is en dat hoewel het misschien niet door ieder van hen met dezelfde intensiteit wordt aangevoeld, toch aan allen gemeen is, samenhorigheid schept en aanzet tot samenwerking op grond van solidariteit met het oog op een grotere doeltreffendheid. Dit collectief van leden sloot zich aan bij de vereniging omdat ze - in eenvoudige bewoordingen uitgedrukt - het behoud van de esthetische (landschappelijke) waarden en de biologische waarden van het Vlaamse Ardennenlandschap met haar akoestische kwaliteiten belangrijk vinden. Het herstel van vernietigde en het behoud van de bestaande akoestische kwaliteiten in dit landschap is eveneens een gedeeld belang van de leden in hun streven naar een leefbare woonomgeving waarbij zo weinig mogelijk mensen te kampen hebben met geluidsoverlast. Het zijn deze belangen die met voorliggend verzoekschrift verdedigd worden. Een natuurlijke persoon kan geen of slechts een gering belang inroepen voor de achteruitgang van de som van deze waarden (i.c. landschappelijke, akoestische en biologische) in het Vlaamse Ardennenlandschap. Een groep mensen heeft zich daarom verenigd om deze waarden die zij appreciëren en die typisch zijn voor wat zij toeschrijven aan de regio de ‘Vlaamse Ardennen’ zoals beschreven door Omer Wattez te verdedigen. X-12.979-5/16 Het collectief van mensen beleeft en geniet met volle teugen van de Vlaamse Ardennen in al zijn facetten en ze observeren er de natuur. De betwiste verkavelingsvergunning zal een achteruitgang in de belevingswaarde van het landschap, van de biologische waarde van de naastliggende gebieden met hoge natuurwaarden en van de rust in een ruime omgeving bewerkstelligen. Al deze waarden kunnen niet toegeëigend worden aan een individu. Ze kunnen evenmin beschouwd worden als collectief bezit van de leden van onze vereniging. Maar opkomen voor het belang van deze waarden in de Vlaamse Ardennen is een zeer specifieke eigenschap van het collectief van al haar leden. 4. Dat een milieuvereniging in rechte kan optreden tegen het Vlaams Gewest voor de doelstellingen die zij wettig heeft ingeschreven in haar statuten, blijkt uit diverse rechtspraak onder meer van uw Raad. (...) 6. Verzoekende partij wil daarenboven vermelden dat zij met dit verzoekschrift de verkeerde toepassing en interpretatie van diverse rechtsnormen, die de bescherming van natuurlijke overstromingsgebieden en het Vlaams Ecologisch Netwerk kunnen garanderen, aanvecht. Het herhaaldelijk verkeerd hanteren van de bedoelde rechtsnormen, zal een cascade van schadelijke effecten voor gevolg hebben en tot een ernstige aantasting van het Vlaamse Ardennenlandschap leiden. Het is niet louter één enkele vergunning maar evenzeer de bedoelde cascade van effecten die de belangen waarvoor verzoekende partij staat, zeer ernstig in het gedrang brengen. Telkens opnieuw wordt met dergelijke vergunningen, door het niet toepassen van die bepalingen uit de vigerende wetgeving die in het belang staan van verzoekende partij, een stuk authentiek Vlaamse Ardennenlandschap aangetast. De decreetgever beseft ook meer en meer het belang van de samenhang van de elementen. Bvb. in artikel 8 van het decreet integraal waterbeleid staat in het 2e lid: ‘Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt (..)’; in artikel 36ter §3 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu staat ‘Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma’s, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken (..)’. De combinatie van vele kleine schadelijke effecten veroorzaakt een groot schadelijk effect. Natuurgebieden kan je niet als afzonderlijke strak begrensde gebieden aanschouwen; organismen zijn gedoemd om uit te sterven indien ze geïsoleerd zitten in een soort van ‘eilanden’. Je kan niet blijven stukjes ‘afknabbelen’ van de natuurgebieden tot je op den duur een geïsoleerde box overhoudt. Net zo is ieder stukje ruimte in natuurlijke overstromingsgebieden van essentieel belang om zoveel mogelijk mensen te sparen van wateroverlast. Als je verkaveling na verkaveling, ophoging na ophoging, bebouwing na bebouwing toestaat in overstromingsgebieden gaat de volgende generatie met een immens wateroverlastprobleem zitten. 7. Milieufront Omer Wattez vzw oefent duurzame activiteiten uit die haar werking als vereniging aantonen. De vereniging is ook als vereniging geloofwaardig in haar belang omdat zij ook daadwerkelijk actief is, zodat op dit punt geen bevraging naar ontvankelijkheid kan zijn. Een aantal belangrijke activiteiten zijn: De uitgifte van een tweemaandelijks tijdschrift ‘Onze Streek’ dat een oplage heeft van 1200 exemplaren (...). X-12.979-6/16 Het organiseren van tal van natuur- en milieu-educatieve activiteiten al of niet in samenwerking met andere verwante verenigingen voor de leden maar ook opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Het jaarlijks promoten van activiteiten die het landschap, de natuur, het milieu en de goede ruimtelijke ordening ten goede komen, zoals aanplanting van houtkanten, fruitbomen e.d., acties rond fietsgebruik, deelname aan de week van de ruimtelijke ordening, organisatie van de Dag van de Aarde, .. Het organiseren van tal van persacties (...). Actief via diverse plaatselijke werkgroepen zoals MOW-Leievallei, MOW-Maarkedal, MOW-Oudenaarde, MOW-Zingem, MOW-Ronse, MOW- Geraardsbergen en MOW-Horebeke. Door te beschikken over een secretariaat (Kattestraat 23, 9700 Oudenaarde), waar mensen uit de streek met hun vragen en oproepen terechtkunnen. Dit secretariaat functioneert ook als archief en documentatiecentrum met zorgvuldig bijgehouden informatie m.b.t. natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Dit documentatiecentrum is toegankelijk en raadpleegbaar voor het ruime geïnteresseerde publiek. Er is de vertegenwoordiging in milieu- en natuurraden en gemeentelijke commissies voor ruimtelijke ordening in diverse gemeenten in haar werkgebied. Verzoekende partij heeft vertegenwoordiging in de vzw Regionaal Landschap Vlaamse Ardennen. Verder is er samenwerking met andere natuur- en milieuverenigingen zoals met de vzw Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen, vzw Natuurpunt en vzw Vereniging voor Ecologische Leef- en Teeltwijze. 8. Verzoekende partij komt in tal van zaken op specifiek ter vrijwaring van de natuurwaarden en specifiek ter vrijwaring van de nog resterende overstromingsgebieden in een beperkt geografisch werkgebied dat 21 gemeenten omvat die grosso modo tot de Vlaamse Ardennen kunnen gerekend worden en waarin ondermeer de vallei van deze beek te Smeerebbe-Vloerzegem die in de Dender uitmondt gelegen is en waarin ook de grond gelegen is waar de betwiste verkavelingvergunning betrekking op heeft. Verzoekende partij spitst zich duidelijk toe op een welbepaalde streek met specifieke natuurwaarden en in het bijzonder valleiwaarden. Verzoekende partij diende ondermeer tal van bezwaren in ter vrijwaring van beide waarden, tijdens openbare onderzoeken omtrent bouw-, verkaveling- én milieuvergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg in valleigebieden. In bijlage 6 voegt verzoekende partij 15 bezwaarschriften toe van de laatste drie jaren, tegen vergunningsaanvragen en bijzondere plannen van aanleg (BPA’

  1. s)specifiek binnen dat deel van haar werkgebied die uitgaan van haar doel om de overstromingsgebieden, biologisch waardevolle gebieden en stiltebehoevende gebieden te beschermen en om de correcte toepassing van de bepalingen van het natuurdecreet, het decreet integraal waterbeleid, het milieuvergunningdecreet, de ruimtelijke ordeningswetgeving te vragen. Om dit naar de buitenwereld duidelijk te maken, geeft ze niet enkel een tijdschrift (...) maar voert ze ook af en toe acties en schrijft ook geregeld persberichten (...) om haar doelstellingen duidelijk te maken. Verder heeft verzoekende partij diverse zaken ingesteld bij uw Raad die betrekking hebben op de vrijwaring van valleigebieden waarvan hier enkele opgesomd worden ter aanvulling van de eerder genoemde zaken: ondermeer (...) inzake het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan dat ondermeer ontwikkelingsperspectieven voorziet voor de uitbreiding van een (verblijfs)recreatiegebied in de Dendervallei te Geraardsbergen (Onkerzele) en voor de uitbreiding van een recreatiegebied in een Europese Speciale Beschermingszone meer bepaald in het Kluisbos te Kluisbergen; (...) inzake de bouwvergunning voor de ontbossing en de afgraving van een terrein in de X-12.979-7/16 Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; (...) inzake de milieuvergunning voor de afgraving van een terrein in de Scheldevallei aan de Minderbroedersstraat in Oudenaarde; (...) inzake een verkavelingsvergunning in de Molenbeekvallei te Geraardsbergen (Goeferdinge); (...) en (...) inzake plannen voor dwarsdijken in de Dendervallei (Overboelare) waardoor veel overstromingsruimte verloren zou gaan; (...) en (...) inzake de aanleg van twee dijken in de Dendervallei te Geraardsbergen (Zandbergen) waarbij verzoekende partij ondermeer op basis van het motief dat zonder enige compensatie overstromingsruimte en natuur verloren gaat, besloten heeft tot het instellen van een annulatieverzoek. Verzoekende partij stelde zich burgerlijke partij voor de correctionele rechtbank Oudenaarde i.v.m. stort in de vallei van de Molenbeek te Lierde, i.v.m. de aanleg van dijklichamen rond een biologisch waardevol valleigebied te Geraardsbergen. Ook is er een procedure ingesteld op grond van de wet van 12 januari 1993 inzake het vorderingsrecht voor milieuverenigingen, om natuurherstel te bekomen van het Vijverbos te Zwalm, waar door een aannemer een stort werd aangelegd (zitting Hof van Beroep Brussel 6 oktober 2004). Hiermee toont verzoekende partij aan dat ze zeer specifiek opkomt ter vrijwaring van de valleigebieden binnen haar werkgebied en dit via de inroeping van de doelstellingen, de principes en de instrumenten van het decreet integraal waterbeleid en van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. 9. Ter aanvulling wenst verzoekende partij ook te verwijzen naar het Verdrag van Aårhus van 25 juni 1998 betreffende de toegang tot de informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Zowel het Belgisch (Wet van 17 december 2002) als het Vlaams parlement (Decreet van 6 december 2002) hebben dit verdrag goedgekeurd en verklaren hierbij dat het verdrag volkomen gevolg heeft. De verdragspartijen hebben zich verbonden dat conform art. 9, punt 2, van het verdrag: ‘Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b. Art. 2 vijfde lid bepaalt: ‘Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbende is bij milieubesluitvorming ; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor X-12.979-8/16 milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn.’ Art 3.9 van het verdrag bepaalt dat er geen discriminatie mag plaatsvinden al naar gelang o.a. het ‘feitelijk middelpunt van de activiteiten’ van de rechtspersoon. 10. Tot slot wenst verzoekende partij nog te wijzen op de Europese Richtlijn 2004/35/EG van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade. Conform artikel 21 van de Richtlijn trad deze in werking op 30 april 2004. Artikel 13 bepaalt: ‘1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen.(..)’. Artikel 12, lid 1 luidt: ‘1. Natuurlijke of rechtspersonen die
  2. a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
  3. b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
  4. c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van de nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. (..)’. In de aanhef van de richtlijn staat ‘Milieuschade omvat ook schade veroorzaakt door in de lucht aanwezige elementen voorzover zij schade veroorzaken aan water, bodem, of beschermde soorten of natuurlijke habitats.’. Door het verlenen van de litigieuze verkavelingsvergunning wordt eveneens milieuschade veroorzaakt, meer bepaald omdat er schade is aan het watersysteem en aan natuurlijke habitats. Om al hogernoemde redenen oordeelt verzoekende partij dat het persoonlijk en rechtstreeks belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot annulatie van deze milieuvergunning, samengevat een feit is. 5. Het actueel belang van Milieufront Omer Wattez vzw bij de vordering tot vernietiging Verzoekende partij heeft besloten deze vergunning aan te vechten en niet de voorgaande vervallen verkavelingsvergunningen die betrekking hadden op hetzelfde perceel, omdat er na 8 januari 2001 rechtsnormen werden geschapen die verzoekende partij toelaten op te komen voor haar rechten en doelstellingen m.b.t. deze verkaveling op deze locatie. Op 18 juli 2003 werd het decreet betreffende het integraal waterbeleid goedgekeurd (...) en werd besloten door de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van (..) de Vallei van de Molenbeek, (..), de Vallei van de Moenebroekbeek (..) (...) waarbij de afbakening deels overlapt met het perceel waar de verkavelingsvergunning betrekking op heeft. Het betreft een afbakening als Grote Eenheid Natuur, kortweg GEN (cfr. art. 2, 24/ van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu d.d. 21/10/1997 (BS 10/01/1998 en meermaals gewijzigd; verder natuurdecreet)). Het DIWB vereist een watertoets die er moet voor zorgen dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de X-12.979-9/16 vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Uw Raad vernietigde reeds enkele besluiten omdat deze werden genomen met miskenning van de vereisten van de watertoets (...). Het natuurdecreet bepaalt in artikel 17 ‘§ 1. Het Vlaams Ecologisch Netwerk is een samenhangend en georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd. (..) § 2. Het Vlaams Ecologisch Netwerk omvat de volgende onderdelen: 1/ Grote Eenheden Natuur (GEN) (..) 2/ Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO) (..)’, in artikel 25: ‘§1. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, de nodige maatregelen om in GEN, bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied, en in GENO, rekening houdend met de overige functies in het gebied, de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen. (..) § 3. In de GEN en de GENO gelden de volgende voorschriften: (..) 2/ behoudens individuele ontheffing, verleend door de administratie bevoegd voor het natuurbehoud of algemene ontheffing, is het verboden: (..) 3) het reliëf van de bodem te wijzigen; 4) werkzaamheden uit te voeren die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen, alsook maatregelen die de bestaande ont- en afwatering versterken’ en in artikel 26bis: ‘§ 1. De overheid mag geen toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken (..) § 2. De in § 1 bedoelde overheid vraagt in de gevallen bedoeld in § 1 advies aan de dienst bevoegd voor het natuurbehoud over de vraag of de betrokken activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.(..) §3. In afwijking van § 1 kan een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken, bij afwezigheid van een alternatief, toch worden toegelaten of uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. In dat geval dienen alle schadebeperkende en compenserende maatregelen genomen te worden.(..)’. Deze rechtsnormen en beginselen en doelstellingen van het DIWB en natuurdecreet sluiten nauw aan bij de doelstellingen of collectieve belangen van de leden van verzoekende partij. Deze recentere rechtsnormen impliceren bovendien dat de overheid die besliste over de betwiste rechtshandeling, in tegenstelling tot haar beslissing d.d. 8 januari 2001 nu diende rekening te houden met deze nieuwe bepalingen. Verzoekende partij heeft hierdoor een groter belang gekregen bij het aanvechten van vergunningen. Verzoekende partij is van oordeel dat de vergunningverlenende overheid de bepalingen van het DIWB en de bepalingen van het natuurdecreet na de afbakening van het VEN heeft miskend”. 6. In de memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij nog de volgende wezenlijke argumenten toe: “De aard van de activiteiten die de milieuvergunning toeliet waren uiteraard anders. Verwerende partijen laten na aan te tonen dat die ene milieuvergunning het hele werkgebied van verzoekende partij zou aantasten. De mogelijke gevolgen van die milieuvergunning bleven beperkt tot één natuurgebied. Ook met voorliggende verkavelingsvergunning is dat niet anders. Zoals hoger gesteld wordt het VEN dat bedoeld is om een samenhangend netwerk te vormen geleidelijk aan in twee stukken geknipt. Dit verhindert de migratie van bepaalde X-12.979-10/16 (minder mobiele, bvb. bepaalde zoogdieren, niet gevleugelde insecten) organismen waardoor ze geïsoleerd geraken. Organismen die geïsoleerd leven geraken door inteelt genetisch verarmd en lopen een groter risico om in die geïsoleerde gebieden op termijn uit te sterven. Daarenboven wordt toegelaten om 2 huizen te bouwen. Hiervoor moeten de gronden opgehoogd worden. De vergunning legt een ophoging van 50cm voor. Dit waren gronden die bij wateroverlast/overstromingen altijd onder water stonden. Dit betekent dat het water dat op deze opgehoogde gronden niet meer zal kunnen staan in de toekomst toch een weg zal zoeken (het water moet ergens staan) en de overstromingsdruk op de andere gebieden (en dus ook huizen [ook huizen die vroeger nooit wateroverlast hadden] in de nabijheid van valleien, en dus m.a.w. een aantasting van het leefmilieu van die mensen zal betekenen) zal toenemen. De stelling van de tweede verwerende partij dat de gevolgen beperkt blijven tot de te verkavelen gronden klopt dus geenszins. Gelet op het feit dat uit de recentste modellen van het Koninklijk Meteorologisch Instituut naar voren komt dat de intensiteit van de regenbuien de laatste jaren gestegen is, en verwacht wordt dat dit in de komende jaren nog zal toenemen en dat derhalve ook overstromingen in intensiteit en duur zullen toenemen in ons land, blijkt dat de verwerende partijen allerminst het zorgvuldigheidsbeginsel en het voorzorgsbeginsel in acht hebben genomen, zeker door het systematisch niet toepassen door beide verwerende partijen van de rechtsnormen die de bescherming van de overstromingsgebieden en de natuur- en VEN-gebieden voor ogen hebben. Verzoekende partij wenst tot slot nogmaals te wijzen op het verdrag van Aårhus en de goedkeuringswet (17 december 2002) en -decreet (6 december 2002) waarin de wet- resp. decreetgever stellen dat het Verdrag volkomen gevolg heeft in België resp. Vlaams Gewest. Samenvattend getuigt verzoekende partij dus van het vereiste persoonlijke belang en de hoedanigheid om de annulatie te vorderen van de verkavelingsvergunning”. 7. Verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer het ingestelde beroep kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met het behartigen van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van de bestreden beslissing anderzijds. X-12.979-11/16 8. Met betrekking tot het werkingsgebied van de verzoekende partij stelt artikel 1, §4 van de statuten, zoals deze golden op het ogenblik van het instellen van het beroep, het volgende: “De werking van de vereniging richt zich vooral op de fusiegemeenten Anzegem, Avelgem, Brakel, Deinze, De Pinte, Gavere, Geraardsbergen, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Lierde, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Waregem, Wortegem-Petegem, Zingem, Zottegem, Zulte en Zwalm. Zij kan evenwel ook daarbuiten activiteiten ontplooien indien dit wenselijk is voor de vervulling van het maatschappelijk doel”. In diezelfde statuten worden de doelstellingen van de verzoekende partij in artikel 2 als volgt omschreven: “§1. De vereniging heeft tot doel het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen. §2. Deze doelstelling omvat - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van de biodiversiteit, natuur en natuurwaarden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van open ruimte, landschappen, monumenten, cultureel erfgoed, stedenschoon en dorpsgezichten; - een verantwoord en efficiënt gebruik van de natuurlijke rijkdommen, ruimte en energiebronnen. Dit impliceert productie- en consumptiepatronen die de beschikbare milieugebruiksruimte en de draagkracht van het ecosysteem respecteren; - het bereiken van een algemene basismilieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden; - het behoud, het herstel, de ontwikkeling en het beheer van het stedelijk leefmilieu en van een leefbare woonomgeving. Dit impliceert het beperken van alle vormen van milieuhinder, waaronder geluidshinder, verkeersoverlast, geurhinder, lichthinder,...; - het bereiken van een beleid gericht op de bescherming van de gezondheid van de mens; - het bereiken van een beleid dat berust op o.a. het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt; - het bereiken van een beleid dat gestoeld is op een volwaardige participatie van burgers en milieuverenigingen en dat de toegang tot het gerecht voor dezen garandeert; - het optreden in rechte voor de administratieve en gerechtelijke overheden, teneinde de toepassing van de doelstellingen sub par. 1 op het terrein te situeren binnen het werkgebied van de vereniging te verwezenlijken, onverminderd haar recht tot verhaal tegen administratieve besluiten van zelfs reglementaire aard. Bij deze actie kan zij alle nuttige of noodzakelijke vorderingen stellen, zoals staking en voorkoming van milieuschade, herstel in natura, schadevergoeding, bewarende maatregelen, enz”. X-12.979-12/16 9. Te dezen is de bestreden beslissing een vergunning voor het verkavelen van een perceel, gelegen in woongebied met landelijk karakter (gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei 1978), in twee loten met het oog op woningbouw. De verzoekende partij maakt niet concreet aannemelijk dat de draagwijdte van de bestreden vergunning de vereiste band van evenredigheid met haar materieel en territoriaal actieterrein bezit. Haar uitvoerig betoog in het verzoekschrift bevat hieromtrent geen concrete gegevens. Ook in haar memorie van wederantwoord toont zij niet aan dat de kwestieuze vergunning een impact heeft die het puur plaatselijke overstijgt en dat die vergunning een impact heeft op het hele of een substantieel deel van haar territoriaal werkingsveld. 10. De verzoekende partij beroept zich verder op het verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aårhus op 25 juni 1998 en bekrachtigd door België op 21 januari 2003. Meer bepaald verwijst zij naar de artikelen 2.5, 3.9 en 9.2 van dit verdrag. Artikel 2.5 van het voormelde verdrag luidt als volgt: “Wordt onder ‘het betrokken publiek’ verstaan het publiek dat gevolgen ondervindt, of waarschijnlijk ondervindt van, of belanghebbend is bij, milieubesluitvorming; voor de toepassing van deze omschrijving worden niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en voldoen aan de eisen van nationaal recht geacht belanghebbende te zijn”. Artikel 3.9 van het voornoemde verdrag bepaalt: “Binnen het toepassingsgebied van de relevante bepalingen van dit Verdrag heeft het publiek toegang tot informatie, heeft het de mogelijkheid van inspraak in besluitvorming en heeft het toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden zonder discriminatie op grond van staatsburgerschap, nationaliteit of woonplaats en, in het geval van een rechtspersoon, zonder discriminatie op grond van de plaats van de statutaire zetel of een feitelijk middelpunt van de activiteiten”. Artikel 9.2 van het betrokken verdrag bepaalt: “Elke Partij waarborgt, binnen het kader van haar nationale wetgeving, dat leden van het betrokken publiek a. die een voldoende belang hebben dan wel b. stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een Partij dit als voorwaarde stelt, toegang hebben tot een herzieningsprocedure voor een rechterlijke instantie en/of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan, om de materiële en formele rechtmatigheid te bestrijden van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen van artikel 6 en, wanneer het nationale X-12.979-13/16 recht hierin voorziet en onverminderd het navolgende derde lid, andere relevante bepalingen van dit Verdrag. Wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt wordt vastgesteld in overeenstemming met de eisen van nationaal recht en strokend met het doel aan het betrokken publiek binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag ruim toegang tot de rechter te verschaffen. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, gestelde eisen voldoende geacht in de zin van het voorgaande onderdeel a). Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande onderdeel b). De bepalingen van dit tweede lid sluiten niet de mogelijkheid uit van een herzieningsprocedure voor een bestuursrechtelijke instantie en laten onverlet de eis van het uitputten van de bestuursrechtelijke beroepsgang alvorens over te gaan tot rechterlijke herzieningsprocedures, wanneer die eis bestaat naar nationaal recht”. De vaststelling dat een niet-gouvernementele organisatie conform de bepalingen van het voormelde verdrag gebeurlijk geacht kan worden een voldoende belang te hebben, impliceert niet dat een dergelijke organisatie niet langer dient te voldoen aan de hoger gestelde voorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid om in rechte te treden. Die voorwaarden zijn niet in strijd met de bepalingen van het verdrag. 11. Ten slotte beroept de verzoekende partij zich op de richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, meer bepaald op de artikelen 12 en 13. Artikel 12 van deze richtlijn bepaalt: “Verzoeken om maatregelen 1. Natuurlijke of rechtspersonen die
  5. a)milieuschade lijden of dreigen te lijden dan wel
  6. b)een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, of, anderzijds,
  7. c)stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt, kunnen bij de bevoegde instantie opmerkingen indienen betreffende gevallen van milieuschade of onmiddellijke dreiging daarvan waarvan zij kennis hebben en kunnen de bevoegde instantie verzoeken maatregelen te treffen krachtens deze richtlijn. De lidstaten bepalen wat een voldoende belang en een inbreuk op een recht vormt. Hiertoe wordt het belang van elke niet-gouvernementele organisatie die milieubescherming bevordert en voldoet aan voorschriften van nationale wetgeving voldoende geacht in de zin van het voorgaande punt b. Dergelijke organisaties worden tevens geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van het voorgaande punt c. X-12.979-14/16 2. Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die met betrekking tot de milieuschade in kwestie worden voorgelegd. 3. Wanneer het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen en gegevens aannemelijk maken dat er milieuschade is, neemt de bevoegde instantie deze opmerkingen en dit verzoek om maatregelen in overweging. In dat geval biedt de bevoegde instantie de betrokken exploitant de gelegenheid zijn standpunt met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijbehorende opmerkingen kenbaar te maken. 4. De bevoegde instantie stelt zo spoedig mogelijk, en in elk geval overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het nationale recht, de in lid 1 bedoelde personen die opmerkingen bij haar hebben ingediend in kennis van haar besluit inzake het al dan niet nemen van maatregelen, en motiveert dat besluit. 5. De lidstaten kunnen besluiten de leden 1 en 4 niet toe te passen op gevallen van onmiddellijke dreiging van schade”. Artikel 13 van de richtlijn luidt als volgt: “Beroepsprocedures 1. De personen als bedoeld in artikel 12, lid 1, hebben toegang tot een procedure voor een rechtbank of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is de besluiten, het handelen of het verzuim van de krachtens deze richtlijn bevoegde instantie aan de procedurele en materieelrechtelijke voorschriften te toetsen. 2. Deze richtlijn laat alle nationale wettelijke bepalingen tot regeling van de toegang tot de rechter en die volgens welke alle administratieve beroepsprocedures moeten zijn gevolgd alvorens een gerechtelijke procedure kan worden ingeleid, onverlet”. De hoger bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarden met betrekking tot de vereiste hoedanigheid strijden niet met de bepalingen van de genoemde richtlijn. 12. De verwijzingen in de laatste memorie naar de artikelen 7bis en 23 van de Grondwet en het stand-still-principe doen aan deze conclusie geen afbreuk en betreffen de grond van de zaak. De excepties zijn gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. X-12.979-15/16 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 250 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Roger Stevens, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Jeroen Van Nieuwenhove, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Roger Stevens X-12.979-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.592 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.