id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.652 Rolnummer: A. 193192/XIV-31250 Zaak: Arrest 207652 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 05:11 Fiche Arrest nr 207.652 van 24 september 2010 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 207.652 van 24 september 2010 in de zaak A. 193.192/XIV-31.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. CAMERLYNCK, kantoor houdende te 8900 IEPER, Cartonstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Migratie- en Asielbeleid, thans de staatssecretaris voor Migratie- en Asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 29 juni 2009 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 27.874 van 27 mei 2009 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 4751 van 16 juli 2009 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 4 maart 2010 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 april 2010; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-31.250-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. LANDUYT, die loco advocaat H. CAMERLYNCK verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij zich op 21 juni 2005 een vierde maal vluchteling verklaart; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 6 december 2007 een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus neemt; dat het beroep van de verzoekende partij tegen deze laatste beslissing met een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen van 11 april 2008 wordt verworpen; 1.
- Overwegende dat de verzoekende partij op 18 april 2008 een aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9 ter van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), indient; dat de minister van Migratie- en Asielbeleid op 11 februari 2009 de aanvraag niet-ontvankelijk verklaart; Overwegende dat de verzoekende partij op 2 april 2009 tegen die beslissing een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantekent; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van 27 mei 2009 de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring verwerpt; dat dit het bestreden arrest is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending van artikel 9 bis, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij aanvoert dat de voorwaarde van het beschikken over een identiteitsdocument niet van toepassing is op de vreemdeling wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 11 april 2008 een arrest over de asielaanvraag van 10 mei 2005 heeft gewezen, dat het arrest op 15 april 2008 werd betekend en dus pas op 15 mei 2008 definitief werd, dat de aanvraag om machtiging tot verblijf is ingediend op 18 april 2008 en derhalve voordat het voornoemde arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen definitief werd, dat het niet relevant is of een cassatieberoep al dan niet schorsende XIV-31.250-2/4 werking heeft, dat een jurisdictionele uitspraak pas definitief is wanneer zij kracht van gewijsde heeft, dit is wanneer de termijn om cassatieberoep in te stellen verstreken is of wanneer het cassatieberoep verworpen is en dat de aanvraag om machtiging tot verblijf dus ontvankelijk was; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt en toevoegt dat de verwerende partij ten onrechte naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 11 april 2008 verwijst, dat het arrest van 11 april 2008 immers de asielprocedure betreft terwijl het bestreden arrest de “regularisatieprocedure” betreft en dat het niet instellen van cassatieberoep tegen het arrest van 11 april 2008 daarom irrelevant voor de huidige procedure is; 2.
- Overwegende dat artikel 9 bis, § 1, tweede lid, van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op aanvragen om machtiging tot verblijf “in buitengewone omstandigheden” en dienaangaande bepaalt: “De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op: - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen die beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop het beroep niet toelaatbaar wordt verklaard; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste document te verwerven in België, op geldige wijze aantoont.”; Overwegende dat, zoals in het bestreden arrest wordt vermeld, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een arrest van 11 april 2008 de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 december 2007, houdende verwerping van de vierde asielaanvraag van de verzoekende partij, heeft bevestigd; dat de verzoekende partij tegen het arrest van 11 april 2008 geen cassatieberoep bij de Raad van State heeft ingesteld; dat de asielaanvraag van de verzoekende partij dus “definitief werd afgewezen” in de zin van artikel 9 bis, § 1, tweede lid van de Vreemdelingenwet, zodat de verzoekende partij zich niet dienstig op die uitzonderingsbepaling kan beroepen; dat het enige middel niet-ontvankelijk is, XIV-31.250-3/4 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig september tweeduizend en tien, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-31.250-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.652 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.