← België

Arrest 207661 - Gerechtsdeurwaarders - 27/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.661 Rolnummer: A. 189646/IX-6067 Zaak: Arrest 207661 - Gerechtsdeurwaarders - 27/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-05 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 05:11 Fiche Arrest nr 207.661 van 27 september 2010 Justitie - Gerechtsdeurwaarders Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 207.661 van 27 september 2010 in de zaak A. 189.646/IX-6067 In zake : Dominique COURBOIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Joost Bosquet kantoor houdend te Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Ann PIRLOT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bob Delbaere kantoor houdend te Antwerpen Generaal Van Merlenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 10 september 2008, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 7 juli 2008 waarbij Ann Pirlot benoemd wordt tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. IX-6067-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 189.417 van 13 januari 2009 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. De verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 4 maart
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 september
  4. Kamervoorzitter André Vandendriessche heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Karolien Bulkmans, die loco advocaten Peter Flamey en Joost Bosquet verschijnt voor de verzoeker, advocaat Emmanuel Jacubowitz, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Bob Delbaere, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. IX-6067-2/15 III. Feiten 3.
  6. Met een bericht in het Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2007 wordt een betrekking van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen vacant verklaard. 3.
  7. Voor deze betrekking stellen zich vierenveertig personen kandidaat, onder wie de verzoeker en de tussenkomende partij. 3.
  8. Overeenkomstig artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek vraagt de minister van Justitie het advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, van de procureur des Konings te Antwerpen en van de raad van de arrondissementskamer van de gerechtsdeurwaarders van Antwerpen. Zowel de procureur des Konings als de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen geven over beide kandidaten een gunstig advies. 3.
  9. De raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van Antwerpen (hierna: de arrondissementskamer) geeft voor beide kandidaten een “uitmuntend advies met de bijzondere vermelding dat hij/zij gedurende 15 jaar als kandidaat-gerechtsdeurwaarder werkzaam is geweest in het arrondissement Antwerpen”. Het advies voor de tussenkomende partij luidt als volgt: “Mevrouw PIRLOT, die het ambt van gerechtsdeurwaarder in het arrondis- sement Antwerpen ambieert, voldoet aan de wettelijke benoemingsvoorwaarden en heeft overlegging gedaan van de wettelijk vereiste bescheiden. Die stukken maken deel uit van het dossier dat door bemiddeling van de voorzitter van de nationale kamer van gerechtsdeurwaarders aan de minister van Justitie wordt bezorgd. Mevrouw Ann PIRLOT is, volgens de inlichtingen waarover de raad beschikt, deeltijds verbonden aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het arrondissement Antwerpen. Zij heeft een zeer ruime beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen en is bij de Antwerpse raad voldoende en gunstig bekend. Verder heeft de raad zijn advies gebaseerd op de objectieve elementen die blijken uit de voorgelegde bundel. Bij een anciënniteit van minstens 7 jaar verleent de raad een ‘uitmuntend advies’, bij een anciënniteit van 4 tot en met 6 jaar een ‘zeer gunstig advies’, en bij een anciënniteit van minder dan 4 jaar een ‘gunstig advies’. Daarbij heeft de raad rekening gehouden met de objectief gemeten anciënniteit sinds het ogenblik waarop de kandidaat aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet, i.c. IX-6067-3/15 25 januari
  10. Aangezien de raad veel belang hecht aan de continue verbondenheid aan een gerechtsdeurwaarderskantoor enerzijds en ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder anderzijds, in welk gerechtelijk arrondissement ook, heeft hij de anciënniteit slechts in aanmerking genomen voor de onmiddellijk aan de kandidatuur voorafgaande periode waarin de kandidaat zonder noemenswaardige onderbreking verbonden was aan één of meerdere gerechtsdeurwaarderskantoren, en voor zover de betrokkene tijdens die periode ook voldoende ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder heeft opgedaan. Volgens dat systeem kwam de raad voor mevrouw Ann PIRLOT op een anciënniteit van 15 jaar. Als de sollicitant substantiële beroepservaring in Antwerpen heeft, wordt die aan het advies toegevoegd in de vorm van een bijzondere vermelding. Er zijn de raad geen tuchtstraffen tegen de betrokken sollicitante bekend.” Het advies voor de verzoeker luidt als volgt: “De heer COURBOIN, die het ambt van gerechtsdeurwaarder in het arrondissement Antwerpen ambieert, voldoet aan de wettelijke benoemings- voorwaarden en heeft overlegging gedaan van de wettelijk vereiste bescheiden. Die stukken maken deel uit van het dossier dat door bemiddeling van de voorzitter van de nationale kamer van gerechtsdeurwaarders aan de minister van Justitie wordt bezorgd. De heer Dominique COURBOIN is, volgens de inlichtingen waarover de raad beschikt, verbonden aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het arrondissement Antwerpen. Hij heeft een zeer ruime beroepservaring in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen en is bij de Antwerpse raad voldoende en gunstig bekend. Verder heeft de raad zijn advies gebaseerd op de eventueel beschikbare adviezen van de syndici van andere arrondissementskamers, waarvoor verwezen kan worden naar de in het dossier opgenomen technische fiche, en op de objectieve elementen die blijken uit de voorgelegde bundel. Bij een anciënniteit van minstens 7 jaar verleent de raad een ‘uitmuntend advies’, bij een anciënniteit van 4 tot en met 6 jaar een ‘zeer gunstig advies’, en bij een anciënniteit van minder dan 4 jaar een ‘gunstig advies’. Daarbij heeft de raad rekening gehouden met de objectief gemeten anciënniteit sinds het ogenblik waarop de kandidaat aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet, i.c. 25 januari
  11. Aangezien de raad veel belang hecht aan de continue verbondenheid aan een gerechtsdeurwaarderskantoor enerzijds en ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder anderzijds, in welk gerechtelijk arrondissement ook, heeft hij de anciënniteit slechts in aanmerking genomen voor de onmiddellijk aan de kandidatuur voorafgaande periode waarin de kandidaat zonder noemenswaardige onderbreking verbonden was aan één of meerdere gerechtsdeurwaarderskantoren, en voor zover de betrokkene tijdens die periode ook voldoende ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder heeft opgedaan. Volgens dat systeem kwam de raad voor de heer Dominique COURBOIN op een anciënniteit van 15 jaar. Als de sollicitant substantiële beroepservaring in Antwerpen heeft, wordt die aan het advies toegevoegd in de vorm van een bijzondere vermelding. Er zijn de raad geen tuchtstraffen tegen de betrokken sollicitant bekend.” IX-6067-4/15 3.
  12. Bij koninklijk besluit van 7 juli 2008 wordt de tussenkomende partij benoemd tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juli
  13. Bij ministerieel besluit van 7 juli 2008 is bepaald dat het kantoor van de tussenkomende partij gevestigd wordt in de stad Antwerpen. IV. Onderzoek van het enig middel Standpunt van de partijen
  14. De verzoeker voert als enig middel de schending aan van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het materiële motiverings-, het zorgvuldigheids-, redelijkheids- en vertrouwensbeginsel. Volgens de verzoeker zijn de kandidaturen niet grondig en nauwkeurig met elkaar vergeleken, inzonderheid waar het bestreden besluit de voorkeur van de tussenk- omende partij steunt op de vaststelling dat zij een globale ervaring heeft van 21 jaar omdat zij haar stage begon in 1986, dat zij die ervaring geheel binnen het arrondissement Antwerpen heeft opgedaan en dat zij gedurende 15 jaar, dit is langer dan alle andere kandidaten, als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder opgetreden is. Hij stelt dat bij de berekening van de anciënniteit over het hoofd gezien is dat de tussenkomende partij slechts na zes jaar het getuigschrift van kandidaat-gerechts- deurwaarder behaald heeft terwijl hijzelf dat getuigschrift behaalde na vier jaar en zijn stage bovendien wegens het vervullen van zijn dienstplicht geschorst werd. Voorts is ook geen rekening gehouden met het feit dat de tussenkomende partij “haar ambt slechts deeltijds heeft ingevuld en niet voltijds zoals (hij)” en dat zij aanzienlijk minder plaatsvervangingen kan aantonen. Tenslotte had de benoemende overheid ook rekening moeten houden met de ervaring die in andere arrondissemen- ten werd verworven.
  15. De verwerende partij antwoordt dat zowel de verzoeker als de tussenkomende partij voldoen aan de voorwaarde van een effectieve gehomologeer- de stage van twee volle jaren zoals bepaald in artikel 510 van het Gerechtelijk Wetboek. De verzoeker brengt geen bewijs voor van de negatieve invulling van de IX-6067-5/15 stage door de tussenkomende partij; er is ook nooit een negatief advies over haar uitgebracht. Beide kandidaten hebben hun getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeur- waarder op dezelfde datum behaald zodat op dit vlak tussen hen geen onderscheid kan worden gemaakt. De tussenkomende partij kan aanspraak maken op een grotere ervaring binnen het arrondissement Antwerpen, aangezien zij uitsluitend aldaar haar ervaring heeft opgedaan en zij is gedurende de langste periode opgetreden als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, met name meer dan 15 jaar. De omstandig- heid dat de tussenkomende partij deeltijds gewerkt heeft -verantwoord door de opvoeding van de kinderen- is door de arrondissementskamer wel degelijk in rekening gebracht, maar dat deeltijds werk kan geen invloed hebben op de vaststelling van de anciënniteit die berekend wordt op grond van de jaren van de beroepsuitoefening. De opmerking over het aantal plaatsvervangingen die de tussenkomende partij verricht zou hebben is een blote bewering en bovendien speelt het kwalitatief karakter van de plaatsvervangingen een veel belangrijkere rol dan het kwantitatief karakter. Bij het criterium “totale beroepservaring” is er ook rekening gehouden met de ervaring die kandidaten in andere arrondissementen hebben opgedaan; de exclusieve ervaring in het Antwerpse is een pluspunt.
  16. De tussenkomende partij stelt dat zij 21 maanden vóór de verzoeker haar werkzaamheden en stage op een gerechtsdeurwaarderskantoor heeft aangevat. Het administratief dossier bevat geen gegevens over de invulling van de stage van de verzoeker, noch over dat van de tussenkomende partij; er blijkt met name niet dat de stage van de verzoeker “positief en correct” zou zijn en de stage van de tussenkomende partij “negatief en te lang”. Er is geen onderscheid in graad bij het behalen van het getuigschrift: beiden behaalden dit met voldoening. Zij heeft gedurende een gedeelte van haar carrière deeltijds gewerkt omdat zij instond voor de opvoeding van de kinderen, maar dit betekent niet dat zij gedurende die periode minder anciënniteit of minder beroepservaring zou hebben opgedaan. Het argument met betrekking tot de plaatsvervangingen is irrelevant. Bovendien is de activiteit die zij op het kantoor ontwikkeld heeft veel gedifferentieerder, creatiever en rijker aan ervaringsopbouw. De tussenkomende partij verrichtte veel binnenwerk net omdat zij vooral een bijzondere meerwaarde betekende voor het kantoor en werd ingeschakeld voor moeilijke dossiers.
  17. De verzoeker repliceert dat, rekening houdend met de gelijke beoordeling die de arrondissementskamer aan zijn kandidatuur en die van de tussenkomende partij gegeven heeft, de verwerende partij de relevante feitelijke en IX-6067-6/15 juridische elementen moet kunnen aanwijzen die haar toelaten de kandidatuur van de tussenkomende partij hoger in te schatten. Hij stelt dat, wat de in aanmerking genomen ervaring betreft, enkel de ervaring opgedaan na het behalen van het attest van kandidaat-gerechtsdeurwaarder relevant en objectief is en dat het tegenstrijdig is uit een langere duur van een stage een grotere relevante beroepservaring af te leiden. De verwerende partij moet bewijzen dat zij bij de afweging van de kandidaturen rekening gehouden heeft met de deeltijdse tewerkstelling van de tussenkomende partij gedurende haar stage, want dit had een weerslag op haar beroepservaring en haar verdiensten; de uitleg die in de onderhavige procedure wordt gegeven volstaat daarvoor niet. Hij stelt ook dat de verwerende partij niet ontkent dat hij in de laatste 15 jaar meer plaatsvervangingen heeft gedaan dan de tussenkomende partij en dat de verwijzing naar de ervaring, exclusief in het arrondissement Antwerpen, bij gebrek aan bijzondere verantwoording, een kennelijk onredelijk en discriminatoir criterium van onderscheid vormt omdat het, in zoverre het niet méér vereist dan een relevante ervaring in het arrondissement, geen enkele bijdrage levert voor de beoordeling van de verdiensten als gerechtsdeurwaarder.
  18. In zijn laatste memorie gaat de verzoeker nog zeer uitvoerig in op zijn eerder ontwikkelde stelling. Hij herhaalt dat in het benoemingsbesluit de redenen moeten worden aangegeven die het bestuur er specifiek toe hebben aangezet om onder de kandidaten die door de arrondissementskamer op gelijke hoogte gerangschikt zijn, een bepaalde kandidaat te verkiezen. De teleurgestelde kandidaat moet kunnen uitmaken op grond van welke objectieve, redelijke en pertinente criteria die voorkeur gebaseerd is en hij moet de concrete beoordeling van die criteria kunnen achterhalen. De Raad van State heeft ter zake weliswaar geen directe toetsingsbevoegdheid, maar hij kan wel nagaan of de gehanteerde criteria objectief en pertinent zijn om de door de arrondissementskamer op gelijke hoogte geklasseer- de kandidaten van elkaar te onderscheiden, of deze criteria correct toegepast werden en of zij relevant zijn met betrekking tot de functie die begeven wordt. De verzoeker herinnert eraan dat het bestreden besluit drie criteria vermeldt die in het kader van de “doorselectie” van de gelijkwaardige kandidaten aanleiding gegeven hebben tot de benoeming van de tussenkomende partij, maar volgens hem zijn geen van deze criteria draagkrachtig en zijn zij ook niet correct toegepast in de onderhavige benoemingsprocedure. Het criterium van de “globale ervaring” is volgens de verzoeker in redelijkheid niet te begrijpen: de arrondissementskamer heeft geoordeeld dat de IX-6067-7/15 verzoeker en de tussenkomende partij eenzelfde anciënniteit -15 jaar- hadden en nu wordt daar plots de duur van de stage bij gerekend zodat de tussenkomende partij een voorsprong behaalt omdat zij er twee jaar langer dan de verzoeker -zij zes jaar, hij vier jaar- over gedaan heeft om het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeur- waarder te verkrijgen. Terecht had de arrondissementskamer de anciënniteit gerekend vanaf het behalen van het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder omdat dat attest het bewijs van de beroepsbekwaamheid inhoudt en het criterium van de anciënniteit er precies toe strekt de beroepservaring te bewijzen; aannemen dat de duur van de stage mede de beroepservaring kan bewijzen ontneemt aan het criterium van de anciënniteit zijn pertinentie. Wat dat betreft is de motivering van het bestreden besluit ook intern tegenstrijdig omdat het criterium van de anciënni- teit, aanvankelijk -door de arrondissementskamer- begrepen in de zin van relevante ervaring, bij de doorselectie plots een andere inhoud gekregen heeft door er de “globale anciënniteit” onder te begrijpen. Het is ook kennelijk onredelijk om de tussenkomende partij het voordeel te geven van een stage die langer heeft geduurd dan de wettelijk voorgeschreven twee jaar, omdat dit precies aantoont dat de tussenkomende partij meer tijd nodig gehad heeft om het getuigschrift van beroepsbekwaamheid te verwerven en dit niet zozeer een voordeel, maar veeleer een nadeel vormt dat in het voordeel van de verzoeker moet spelen. De verwijzing naar de globale ervaring kan om nog een andere reden geen deugdelijk motief zijn voor de benoeming van de tussenkomende partij: er is immers rekening gehouden met de globale ervaring van de tussenkomende partij maar daarbij is geen rekening gehouden met het feit dat zij haar beroepsactiviteit “voor een substantieel deel als deeltijds heeft uitgeoefend” terwijl de verzoeker steeds voltijds gewerkt heeft, zodat het gelijkheidsbeginsel miskend is. Ook dat gegeven, dat evident een rechtstreekse impact heeft op de opgedane ervaring en bekwaamheid, maakt dat het vergelijkings- criterium van de anciënniteit niet meer pertinent en objectief gehanteerd wordt in functie van de te begeven betrekking. In ieder geval blijkt daaruit dat de verzoeker, die altijd voltijds gewerkt heeft, grotere aanspraken op de benoeming kon doen gelden. Wat het criterium van de plaatsvervanging betreft merkt de verzoeker op dat hij nooit erkend heeft en ook nu nog betwist dat de tussenkomende partij gedurende een langere periode plaatsvervangingen gedaan heeft. Hij heeft integendeel aangetoond dat hij sinds het behalen van het attest van kandidaat- gerechtsdeurwaarder meer plaatsvervangingen heeft gedaan dan de tussenkomende partij en dat verschaft hem grotere aanspraken op de benoeming. Het desbetreffend IX-6067-8/15 motief steunt derhalve op elementen die in feite en in rechte niet correct zijn, aangezien het onmogelijk is om plaatsvervangingen te doen alvorens men het attest van kandidaat-gerechtsdeurwaarder verkregen heeft. Wat betreft de verwijzing naar de ervaring in het arrondissement, stelt de verzoeker dat de arrondissementskamer de kandidaten reeds op dat criterium beoordeeld heeft, wat betekent dat de benoemende overheid er nog slechts gebruik kon van maken wanneer zij specifiek de meerwaarde van die ervaring zou verduidelijken. Hij wijst erop dat in het verleden de ervaring in andere arrondisse- menten als een voordeel aangemerkt werd. Bovendien is deze ervaring in dit geval gekoppeld aan de tewerkstelling in een deurwaarderskantoor uit het arrondissement Antwerpen en werd geen rekening gehouden met de opdrachten uitgevoerd in dat arrondissement. Beoordeling
  19. De benoeming van een gerechtsdeurwaarder is een benoeming naar keuze, die formeel gemotiveerd moet zijn overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bekeken vanuit het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel betrokken op de benoeming tot openbare ambten, op grond waarvan de overheid de verplichting heeft om de betrekkingen toe te wijzen aan de meest geschikte kandidaat, betekent dit dat het benoemingsbesluit moet aanduiden waarom een bepaalde kandidaat wordt benoemd, in die zin dat de teleurgestelde kandidaten op grond van het benoemingsbesluit moeten kunnen uitmaken op grond van welke criteria de voorkeur aan een bepaald kandidaat gegeven is zodanig dat zij de objectiviteit, de pertinentie en de redelijk- heid van die criteria en de correcte toepassing ervan kunnen nagaan en desgewenst betwisten in functie van de aanspraken die zijzelf menen te kunnen doen gelden.
  20. Het gemotiveerd advies van de arrondissementskamer, van de procureur des Konings en van de procureur-generaal bij het hof van beroep van Antwerpen, voorgeschreven door artikel 512, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, vormt voor de benoemende overheid een belangrijk gegeven om de verdiensten en de bekwaamheden van de kandidaten te beoordelen. Te dezen wordt vastgesteld dat de arrondissementskamer de verzoeker en de tussenkomende partij niet onderling vergeleken heeft maar dat zij IX-6067-9/15 beide kandidaturen afzonderlijk beoordeeld heeft om uiteindelijk tot een identiek advies te komen. Aldus is eerst voor beiden vastgesteld dat zij voldoen aan “de wettelijke benoemingsvoorwaarden”. Voorts is voor de tussenkomende partij vastgesteld dat zij “deeltijds verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het arrondissement Antwerpen” en dat zij in dat arrondissement “een zeer ruime beroepservaring heeft”; voor de verzoeker wordt vermeld dat hij “verbonden is aan een gerechtsdeurwaarderskantoor in het arrondissement Antwerpen” en dat hij in dat arrondissement “een zeer ruime beroepservaring heeft”. Wat de anciënniteit betreft heeft de arrondissementskamer voor beiden op identieke wijze rekening gehouden met het “ogenblik waarop de kandidaat aan alle benoemingsvoorwaarden voldoet” en dit is voor beiden 25 januari 1992, de datum waarop zij het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder behaald hebben en waarna zij beiden -15 jaar- “zonder noemenswaardige onderbreking verbonden (waren) aan een of meerdere gerechtsdeurwaarderskantoren en (...) voldoende ervaring als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder hebben opgedaan”. De arrondissementskamer heeft vervolgens de beide kandidaten tot voordeel aangerekend dat zij “substantiële beroepservaring” hebben in Antwerpen. De procureur des Konings -bijgevallen door de procureur- generaal- merkt in zijn advies over de tussenkomende partij op dat zij sinds 1 november 1986 op een gerechtsdeurwaarderskantoor in Antwerpen werkt, daar haar stage van twee jaar volbracht heeft en daar nog steeds aan het werk is; hij stelt ook dat zij sinds het behalen van haar getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaar- der op 6 februari 1992 “probleemloos in vervangingen voor verschillende gerechts- deurwaarders” heeft voorzien en dat zij over een beroepservaring van 14 jaar beschikt. Over de verzoeker stellen de gerechtelijke overheden dat hij vanaf augustus 1988 stage liep in het kantoor van zijn vader te Antwerpen, dat die stage onderbroken werd door de legerdienst en dat zij gehomologeerd werd op 29 juli 1992, waarna hij in dat kantoor is blijven werken en zijn vader en andere gerechts- deurwaarders vervangen heeft, zodat hij over een beroepservaring van 15 jaar als kandidaat-gerechtsdeurwaarder beschikt. Volgens de adviesorganen komen de verzoeker en de tussen- komende partij aldus op gelijke wijze in aanmerking voor de benoeming.
  21. Het bestreden besluit heeft de voorkeur aan de tussenkomende partij gegeven op grond van de volgende overwegingen: IX-6067-10/15 “Overwegende dat mevr. Pirlot Ann als beste gerangschikt wordt op basis van volgende criteria : - mevr. Pirlot Ann telt een globale ervaring van meer dan eenentwintig jaar, vermits zij haar stage begonnen is bij gerechtsdeurwaarder Royer op 3 november 1986; - zij heeft deze ervaring verworven uitsluitend binnen het gerechtelijk arrondissement Antwerpen en de stad Antwerpen; - bovendien is deze kandidaat gedurende de langste periode opgetreden als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, namelijk gedurende meer dan vijftien jaar; Overwegende dat zij zeer vertrouwd is met het arrondissement Antwerpen omdat zij er reeds eenentwintig jaar werkt en er diverse plaatsvervangingen heeft gedaan en er bovendien haar stage heeft gelopen; Overwegende dat zeven kandidaten waaronder mevr. Pirlot een ‘uitmuntend advies met bijzondere vermelding’ hebben gekregen van de arrondissementska- mer der gerechtsdeurwaarders van Antwerpen; dat mevr. Pirlot zich onder- scheidt van deze kandidaten door haar grotere globale anciënniteit en grotere beroepservaring in het arrondissement Antwerpen; Overwegende dat de adviezen van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen en de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen gunstig zijn; Overwegende dat de mevr. Pirlot Ann aan alle wettelijke benoemingsvoor- waarden voldoet; Overwegende dat op grond van anciënniteit, ervaring en streekgebonden- heid in het arrondissement Antwerpen mevr. Pirlot als de meest geschikte kandidate dient te worden weerhouden voor het ambt van gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen.”
  22. Anders dan in de adviezen, waarin rekening gehouden is met de opgedane beroepservaring vanaf het verkrijgen van het getuigschrift van kandidaat- gerechtsdeurwaarder, wordt nu rekening gehouden met de “globale ervaring” of de “globale anciënniteit” van de tussenkomende partij, door met name de duur van haar stage mee in rekening te brengen. En op dat punt bezit de tussenkomende partij dan objectief een voorsprong op de verzoeker, aangezien haar stage aangevangen is op 3 november 1986 en deze van de verzoeker op 1 augustus
  23. Afgaande op de vaststelling dat de verwerende partij met de adviezen waarover zij beschikte, voor gelijkwaardige kandidaten stond, kon zij een nieuw selectiecriterium aanhouden om haar uiteindelijke keuze te maken. Waar in de adviezen de beroepservaring gerekend werd vanaf het ogenblik dat de betrokke- nen de diplomavereiste voor de uitoefening van het beroep vervulden -voor beide partijen is dit 25 januari 1992, de dag waarop zij het getuigschrift van kandidaat- gerechtsdeurwaarder behaalden-, heeft de verwerende partij nu bij de doorgedreven IX-6067-11/15 vergelijking acht geslagen op de ervaring gedurende de stage om aldus te spreken van een globale ervaring. Aangenomen dat de stagiairs, hoewel zij de diplomaver- eisten voor het ambt nog niet vervullen en strikt juridisch derhalve ook geen eigenlijke beroepservaring kunnen verwerven, tijdens hun stage op een gerechts- deurwaarderskantoor toch bepaalde ervaringen kunnen opdoen die nuttig zijn voor de latere beroepsuitoefening, is dergelijk criterium objectief en pertinent. Het is, als bijkomend onderscheidingscriterium, ook niet onredelijk.
  24. De verzoeker betwist in feite de onjuiste toepassing van het criterium in het onderhavig geval, enerzijds doordat de langere duur van de stage van de tussenkomende partij haar eerder als een minpunt zou moeten aangerekend worden en anderzijds doordat de tussenkomende partij haar betrekking slechts deeltijds uitgeoefend heeft.
  25. De stage die de verzoeker en de tussenkomende partij moesten doorlopen was door de wet -artikel 510, 5/ Ger.Wb., zoals toentertijd van toepassing- vastgesteld op “twee volle jaren zonder onderbreking”. Dat een stage langer loopt bewijst op zich de mindere geschiktheid van de stagiair niet en de tussenkomende partij stelt terecht dat er geen enkel negatief gegeven betreffende haar stageverloop voorligt.
  26. De verzoeker verwijst ook naar het deeltijds vervullen van het ambt door de tussenkomende partij. Die bemerking is wel relevant, aangezien, in de logica van het systeem en behoudens uitzonderlijke omstandigheden die moeten aangetoond worden, deeltijds werk onmogelijk evenveel anciënniteit, begrepen in de zin van beroepservaring, kan opleveren als een voltijdse tewerkstelling. In dat geval zou dan de loutere verwijzing naar de periode waarin beroepservaring werd opgedaan geen echt vergelijkingspunt kunnen zijn om de opgedane ervaring van de tussenkomende partij en de verzoeker te vergelijken, wat dan tot de conclusie moet leiden dat het motief waarop het bestreden besluit steunt geen deugdelijke grondslag heeft.
  27. De tussenkomende partij betwist niet dat zij deeltijds gewerkt heeft. Uit geen enkel stuk van het dossier blijkt ook enig gegeven dat toelaat dat deeltijds werken te duiden, noch kwantitatief -met name de graad van de deeltijdse tewerkstelling- noch kwalitatief -de inhoud van de opdracht, nu de tussenkomende partij niet de gehele tijd op het kantoor aanwezig was-. Anders gesteld, het dossier IX-6067-12/15 van de zaak laat niet toe, met het oog op het beoordelen van de ervaring van de kandidaten, het deeltijds werken van de tussenkomende partij te vergelijken met de voltijdse opdracht van de verzoeker. In dat kader kan de loutere verwijzing naar de langere tewerkstelling van de tussenkomende partij dan ook geen deugdelijk criterium zijn om te stellen dat zij getuigt van een grotere ervaring. De verwerende partij heeft, bij het onderzoek van de kandidaturen, geen aandacht geschonken aan dit aspect van het dossier; zij heeft enkel oog gehad voor de duur van de stage en de voorkeur gegeven aan de tussenkomende partij, er aldus ten onrechte vanuit gaande dat die langere duur volstond om tot een grotere beroepservaring te besluiten. Bij nader toezicht treft datzelfde verwijt ook het advies van de arrondissementskamer, dat de verwerende partij impliciet in haar beoordeling heeft betrokken door de gelijkwaardige beoordeling van de kandidaten in die adviezen te aanvaarden als het platform voor haar eigen beoordeling. Ook de arrondissementskamer blijkt immers voor haar advies niet onderzocht te hebben of de tussenkomende partij, ondanks haar deeltijdse tewerkstelling als kandidaat- gerechtsdeurwaarder, wel geacht kon worden dezelfde of evenveel beroepservaring te hebben opgedaan als de verzoeker. In die omstandigheden kan de verwijzing naar de globale ervaring van de tussenkomende partij en die louter te koppelen aan de langere periode waarin zij op een gerechtsdeurwaarderskantoor gewerkt heeft, geen deugdelijke grondslag vormen voor haar voorrang.
  28. Het tweede element waarop de voorkeur voor de tussenkomende partij steunt, is dat zij haar ervaring “uitsluitend binnen het gerechtelijk arrondisse- ment Antwerpen en de stad Antwerpen” verworven heeft. Deze expliciete overweging kan niet anders begrepen worden dan dat haar uitsluitende tewerkstel- ling in Antwerpen haar als een voordeel wordt aangerekend en dat zij daarom voorgaat op kandidaten die ook in andere arrondissementen gewerkt hebben, zoals de verzoeker.
  29. Het beoordelingscriterium van de beroepservaring in het arrondissement waar de vacature zich voordoet, is een objectief criterium dat bij de beoordeling van de kandidaten betrokken kan worden. De specifieke vereisten voor de uitoefening van het beroep in een bepaald arrondissement -kennis van procedures die in een bepaald arrondissement meer dan elders toegepast worden; kennis van de IX-6067-13/15 plaatselijke reglementen en onderrichtingen; gebruiken in de omgang met collega’s en de gerechtelijke instanties- rechtvaardigen immers dat het criterium een rol speelt bij de beoordeling, als onderdeel van de beoordeling van de algemene beroepsbe- kwaamheid. Laat het bestuur dit criterium evenwel zonder meer primeren op de criteria die in het algemeen de bekwaamheid van de kandidaten voor een deurwaar- dersambt moeten bewijzen, dan schiet het zijn doel voorbij en bestaat geen objectieve verantwoording meer voor het onderscheidingscriterium.
  30. Te dezen heeft de arrondissementskamer over de verzoeker, net als over de tussenkomende partij, geoordeeld dat hij “substantiële beroepservaring in Antwerpen” heeft. Zij heeft beiden daarvoor op dezelfde wijze een “bijzondere vermelding” gegeven. De verwerende partij wijkt daarvan nu af door aan de tussenkomende partij als voordeel aan te rekenen dat zij haar ervaring exclusief in het arrondissement en in de stad Antwerpen opgedaan heeft, zonder daarbij aan te tonen waarom die exclusieve tewerkstelling dan toch nog een meerwaarde vormt ten overstaan van de kandidaten die, zoals de verzoeker, aldaar ook “substantiële beroepservaring” hebben. Het motief kan de voorkeur van de tussenkomende partij op de verzoeker niet verantwoorden.
  31. Het derde element waarop de voorkeur voor de tussenkomende partij steunt is het gegeven dat de tussenkomende partij “gedurende de langste periode opgetreden is als plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder”.
  32. Geen stuk van het dossier laat evenwel die conclusie toe: het staat buiten betwisting dat plaatsvervanging slechts mag gebeuren door een kandidaat- gerechtsdeurwaarder die alle voorwaarden om in het ambt benoemd te worden vervult en de verzoeker en de tussenkomende partij hebben het getuigschrift van kandidaat-gerechtsdeurwaarder behaald op 25 januari 1992; daarmee in overeen- stemming is de vermelding, door de tussenkomende partij in haar curriculum vitae, dat zij “regelmatige vervangingen” heeft gedaan “vanaf 1992 tot heden” zonder verdere specificatie, evenals de vermelding, door de verzoeker in zijn curriculum, dat hij “verscheidene” plaatsvervangingen heeft gedaan “vanaf 1992”. Het betreffend motief vindt aldus geen grondslag in het dossier. IX-6067-14/15
  33. De motieven die in het bestreden besluit worden aangevoerd om de voorkeur voor de tussenkomende partij te verantwoorden, hebben geen deugdelijke grondslag. Het middel is gegrond. BESLISSING
  34. De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 7 juli 2008 waarbij Ann Pirlot benoemd wordt tot gerechtsdeurwaarder in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen.
  35. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  36. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 350 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 125 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 27 september 2010, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: André Vandendriessche, kamervoorzitter, Daniël Moons, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters André Vandendriessche IX-6067-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.661 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.417 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.