← België

Arrest 207681 - Overheidsopdrachten - 28/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.681 Rolnummer: A. 197578/XII-6326 Zaak: Arrest 207681 - Overheidsopdrachten - 28/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-29 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 05:11 Fiche Arrest nr 207.681 van 28 september 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 207.681 van 28 september 2010 in de zaak A. 197.578/XII-6326 In zake: de CVBA DE MEUTER & CORSTJENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENTELIJK AUTONOOM PARKEERBEDRIJF ANTWERPEN (GAPA) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Eric Van Hooydonk kantoor houdend te Antwerpen Emiel Banningstraat 21-23 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: de GERECHTSDEURWAARDERS MARC BEERTEN - MARTINE VERGAUWEN - WILLY MERTENS - ROGER VANDENHENDE - JAN DE BELDER [...] samen met de middelenvennootschap BDMV GERECHTSDEURWAARDERS ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Joost Bosquet kantoor houdend te Antwerpen Jan van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 september 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het Gemeentelijk Autonoom Parkeerbedrijf Antwerpen van 18 augustus 2010, waarvan kennis gegeven bij aangetekend schrijven van de Afgevaardigd Bestuurder van 23 augustus 2010, houdende de toewijzing van de opdracht tot het aanstellen van een gerechtsdeurwaarderskantoor voor het innen van parkeerretributies aan gerechtsdeurwaarderskantoor BDMV Beerten - Vergauwen - Mertens - Vandenhende - De Belder [...], Balansstraat 117 te 2018 Antwerpen”. XII-6326-1\35 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 september 2010, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Butenaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bjorn Cloots, die loco advocaat Eric Van Hooydonk verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Luc Vermeire heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verwerende partij schrijft een onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking voor aanneming van diensten uit met als voorwerp het aanstellen van een gerechtsdeurwaarderskantoor voor het innen van parkeerretributies. De aankondiging van deze opdracht wordt op 15 december 2009 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op 16 december 2009 in het Bulletin der Aanbestedingen. 3.
  5. Het bestek omschrijft de opdracht als volgt: “
  6. De opdracht 1.1 Parkeerbedrijf Antwerpen [...] XII-6326-2\35 Het parkeerbedrijf schrijft jaarlijks ongeveer 230.000 retributiebonnen uit. Ongeveer 30% hiervan kan niet door het parkeerbedrijf zelf worden geïnd en wordt aan de gerechtsdeurwaarder overgemaakt. 1.2 Opdracht Binnen het parkeerbedrijf wordt de betaling van de retributies strikt opgevolgd tot en met de derde aanmaning. Hierbij worden volgende termijnen gehanteerd: - eerste aanmaning: 20 dagen na uitschrijven retributie (zonder bijkomende kosten) - tweede aanmaning: 40 dagen na uitschrijven retributie (met administratiekost van 5,5 EUR) - derde aangetekende aanmaning: 50 dagen na uitschrijven retributie (zonder bijkomende kosten) Indien de retributie na de derde aangetekende aanmaning nog onbetaald blijft, wordt het dossier aan de gerechtsdeurwaarder overgemaakt voor uitvoering van dwangbevel of invordering via de bevoegde rechtbank. Er dient een onderscheid te worden gemaakt naargelang de te volgen procedure: Dwangbevel Voor de retributies die vaststaand en opeisbaar zijn, zal een dwangbevel worden opgemaakt door de financieel beheerder. Nadat het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen, wordt het aan de gerechtsdeurwaarder overgemaakt voor verdere invordering. Invordering via de rechtbank De retributies waarbij betwisting blijft bestaan en die niet vaststaand en opeisbaar zijn, worden voorgelegd aan de bevoegde rechtbank. De opdrachtnemer zal de dossiers eerst nog in der minne proberen te regelen. Bij gebreke aan regeling in de minnelijke fase worden de dossiers doorgestuurd aan de raadslieden van het parkeerbedrijf, welke na veroordeling voor de rechtbank terug aan de gerechtsdeurwaarder worden overgemaakt voor gedwongen uitvoering op basis van de uitvoerbare titel. Er wordt naar gestreefd maximaal op geautomatiseerde manier te werken, waarbij zoveel mogelijk gegevensuitwisseling mogelijk is tussen het softwaresysteem van GAPA en dat van de dienstverlener. GAPA heeft hierbij minstens de mogelijkheid de stand van zaken per retributiebon, per nummerplaat en per schuldenaar te consulteren en op te volgen. De dienstverlener dient ook de buitenlandse dossiers op te volgen. Momenteel ontsnappen veel buitenlandse niet-betalers volledig aan elke vorm van opvolging. Wanneer de niet-betalers gekend zijn, dienen ook zij voorwerp uit te maken van de inningsprocedure”. XII-6326-3\35 Voor de keuze van de onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking verwijst het bestek in artikel 2.5 naar artikel 17, § 3, 4/, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Dit artikel 2.5 vermeldt verder nog het volgende: “Voor juridische dienstverlening mag immers steeds een beroep worden gedaan op de onderhandelingsprocedure, omdat deze dienstverlening zodanig is dat de specificaties niet met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden bepaald”. De gunningscriteria worden als volgt bepaald (art. 2.8): “De opdracht zal worden gegund aan de inschrijver die de economisch voordeligste regelmatige offerte heeft ingediend. De ingediende offertes zullen worden beoordeeld aan de hand van de volgende criteria, waarop in totaal 110 punten zijn te verdienen, als volgt verdeeld: 1/ Prijs : 10 punten Ongeacht de wettelijk vastgelegde tarieven dient de inschrijver zoveel mogelijk een kostenbesparende werkwijze toe te passen (dossiers bundelen, werkwijze bij minder solvabele debiteuren, ... ) De offertes zullen worden vergeleken op basis van de totaalprijs voor 100 dossiers met een gemiddeld dossierverloop. De offerte die financieel het meeste voordelig is, zal de hoogste score behalen op dit criterium, aan de andere offertes worden pro rata punten toegekend. 2/ Rapportering en informatieverstrekking: 15 punten Hierbij wordt rekening gehouden met de wijze en frequentie van rapporteren, gebruiksgemak, duidelijkheid en transparantie van de afrekeningen, ... 3/ Netto incasso resultaten: 10 punten De kandidaat legt hiervoor de cijfergegevens betreffende de incassoresultaten van eerdere vergelijkbare opdrachten voor. De offerte met de beste netto incasso-resultaten zal de hoogste score behalen op dit criterium, aan de andere offertes worden pro rata punten toegekend. 4/ Tijdsbestek van inning: 15 punten Capaciteit en snelheid verwerking dossiers Opgave van het volledige te volgen traject + doorlooptijden (aanmaningen, dagvaarding, betekening, beslag, ... ) 5/ Kwaliteit van de dienstverlening: 20 punten Voorkomen onnodige kosten te maken voor insolvabele schuldenaren, zoveel mogelijk kostenbesparend naar de schuldenaar toe,... XII-6326-4\35 6/ Kwaliteit en compatibiliteit van het informaticasysteem: 20 punten Het voorstel met de meeste mogelijkheden naar automatisering en gegevensuitwisseling tussen de softwaresystemen van de dienstverlener en parkeerbedrijf zal het beste scoren. Er wordt eveneens rekening gehouden met de bereidheid van de kandidaten om investeringen te doen om hun softwaresysteem af te stemmen op dat van het parkeerbedrijf (zowel de aanpassingen aan het systeem van het gerechtsdeurwaarderskantoor als de aanpassingen aan het systeem van het parkeerbedrijf). 7/ Kwaliteit van het voorstel van de overeenkomst: 10 punten Elke inschrijver dient een voorstel van overeenkomst in te dienen. Het parkeerbedrijf beoordeelt op basis van de kwaliteit (volledigheid, duidelijkheid, evenwichtigheid, juridische kwaliteit, coherentie, ... ) 8/ Opvolging buitenlanders: 10 punten Plan van aanpak”. Inzake de gunning bepaalt het bestek nog (art. 2.10): “Nadat de onderhandelingen zijn afgesloten, zullen de definitieve versies van de offertes worden getoetst aan de gunningscriteria. De opdrachtgever gunt de opdracht aan de inschrijver die het best scoort op basis van de vermelde gunningscriteria. De opdracht zal tot stand komen op grond van een overeenkomst ondertekend door de partijen. Zoals eerder uiteengezet dienen de kandidaten een ontwerp van overeenkomst toe te voegen aan hun offerte”. Volgens artikel 3.4 van het bestek zal deze overeenkomst worden gesloten voor een minimumperiode van 4 jaar, telkens met één jaar verlengbaar tot maximum 10 jaar. De overeenkomst gaat in op datum van ondertekening. 3.
  7. De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag tot deelname is 6 januari
  8. Twaalf gerechtsdeurwaarderskantoren dienen een aanvraag tot deelname in. Daaronder zijn verzoekende partij en het uiteindelijk gekozen gerechtsdeurwaarderskantoor Beerten - Vergauwen - Mertens - Vandenhende - De Belder, huidige tussenkomende partij. 3.
  9. Zeven kandidaten, waaronder verzoekende partij en tussenkomende partij, worden uitgenodigd om uiterlijk op 22 februari 2010 een offerte in te dienen. XII-6326-5\35 3.
  10. Bij e-mail van 17 februari 2010 vraagt verzoekende partij een aantal bijkomende inlichtingen aan verwerende partij. Deze vragen betreffen onder meer de prijs en meer bepaald de betekenis van de bestekbepaling “ongeacht de wettelijk vastgelegde tarieven dient de inschrijver zoveel mogelijk een kostenbesparende werkwijze toe te passen” en of dit betekent dat bovenop en naast de toepassing van de wettelijke tarieven zoals bepaald in het koninklijk besluit van 30 november 1976 andere kosten en erelonen in rekening mogen worden gebracht of dat enkel de wettelijke tarieven dienen gehanteerd. Op 18 februari 2010 antwoordt verwerende partij als volgt op de vraag betreffende de prijs: “De kandidaten dienen uiteraard de wettelijke tarieven te respecteren. We willen wel dat de dienstverlener een werkwijze hanteert die zoveel mogelijk kostenbesparend is zowel voor het parkeerbedrijf als de klant bv. geen hoge kosten maken indien men op voorhand al weet dat dit niets gaat opleveren”. 3.
  11. Er worden uiteindelijk zes offertes ingediend, onder meer door verzoekende partij en tussenkomende partij. 3.
  12. In de loop van de maanden april, mei en juni 2010 stelt verwerende partij in meerdere e-mails vragen om verduidelijking aan verzoekende partij en de andere inschrijvers. 3.
  13. Er wordt een gunningsverslag opgesteld. Dit verslag komt tot de volgende eindrangschikking van de offertes: De Leroy Mertens Brackeva Beerten De Neef & Greeve Meuter prijs 10 pnt 1,01 10 1,03 1,13 10 9,9 rapportering 15 pnt 12 11 11 10 12 13 netto-incasso 10 pnt 7,7 7,8 9,3 8,6 10 9,9 tijdsbestek van inning 15 pnt 8 9 9 6 14 12 kwaliteit 20 pnt 10 13 11 8 17 14 ICT 20 pnt 17,5 13,5 17,5 14 18 16 voorstel overeenkomst 10 pnt 5 8 7 6 8,5 9 buitenlanders 10 pnt 4 6 6 6 7 7 XII-6326-6\35 TOTAAL 110 punten 65,21 78,3 71,83 59,73 96,5 90,8 Er wordt dan ook voorgesteld de opdracht toe te wijzen aan tussenkomende partij. 3.
  14. De raad van bestuur van verwerende partij beslist op 18 augustus 2010 om de opdracht toe te wijzen aan tussenkomende partij. Dit is de thans bestreden beslissing, die onder meer als volgt luidt: “Motivering - aan alle kandidaten werden bijkomende vragen gesteld ter verduidelijking van de offerte - de offertes van de kandidaten werden op basis van de gunningscriteria beoordeeld (zie gunningsverslag) - het ontwerp van gunningsverslag werd voorgelegd aan Inspectie Financiën Inspectie Financiën heeft op 9 juni de dossiers van alle kandidaten ingekeken en haar opmerkingen geformuleerd in een verslag van 15 juni. Het gunningsverslag werd aangepast aan de opmerkingen van Inspectie Financiën - dit leverde uiteindelijk volgende beoordeling op: B Prijs: De kantoren Leroy en Beerten dienen de beste offerte in qua prijs. Beide kantoren vertrouwen op de grondigheid van hun solvabiliteitscontrole en zullen geen kosten aanrekenen aan het Parkeerbedrijf indien de klant toch insolvabel blijkt te zijn. Deze kantoren behaalden op dit punt de maximumscore, aan de overige kandidaten werden pro rata punten toegekend. Volgende scores werden behaald: 1,01/10 door De Neef - 10/10 door Leroy - 1,03/10 door Mertens&Greeve - 1,13/10 door Brackeva - 10/10 door Beerten en 9,9/10 door De Meuter. B Rapportering en informatieverstrekking: Het kantoor De Meuter biedt de meest ruime mogelijkheden naar rapportering. Alle kantoren zijn bereid kosteloos rapportering op maat van gapa aan te bieden. Op dit criterium werden volgende punten toegekend: 12/15 voor De Neef -11/15 voor Leroy - 11/15 voor Mertens&Greeve - 10/15 voor Brackeva -12/15 voor Beerten en 13/15 voor De Meuter. B Netto incasso resultaten: kantoren Beerten en De Meuter leggen de beste netto incasso resultaten voor. Beerten behaalde de hoogste score op dit criterium, aan de andere kandidaten werden pro rata punten toegekend. Dit resulteerde in een score van 7,7/10 voor De Neef - 7,8/10 voor Leroy - 9,3/10 voor Mertens&Greeve - 8,6/10 voor Brackeva - 10/10 voor Beerten en 9,9/10 voor De Meuter B Tijdsbestek van inning: de offerte van kantoor Beerten scoort het beste op dit criterium. De doorloopprocedure die door dit kantoor wordt voorgesteld biedt de meest evenwichtige balans tussen een nauwgezette opvolging en de belangen van de klant: het dossier wordt kort opgevolgd, XII-6326-7\35 maar voorziet voldoende mogelijkheden aan de klant om te regelen of verweer te voeren. De kandidaten behaalden volgende scores: De Neef: 8/15 - Leroy: 9/15 - Mertens&Greeve: 9/15 - Brackeva: 6/15 - Beerten: 14/15 en De Meuter: 12/15 B Kwaliteit van de dienstverlening: De offerte van kantoor Beerten scoort het hoogst op dit criterium. Zij stellen ruime kostenbesparende initiatieven voor en doorlopen een uitgebreid solvabiliteitsonderzoek alvorens tot invordering over te gaan. Ook kantoor De Meuter stelt gelijkaardige initiatieven voor, maar kiest duidelijk voor een meer agressieve aanpak, wat niet overeenstemt met de filosofie van het Parkeerbedrijf. De scores op dit criterium bedragen: 10/20 voor De Neef -13/20 voor Leroy - 11/20 voor Mertens&Greeve - 8/20 voor Brackeva -17/20 voor Beerten en 14/20 voor De Meuter. B Kwaliteit en compatibiliteit van het informaticasysteem:Op dit punt scoren de kantoren De Neef en Beerten het hoogst. Uit de beschrijving van de hardware en software blijkt dat deze voldoende moeten zijn om de capaciteit van de dossiers van het parkeerbedrijf te verwerken en ruime mogelijkheden bieden naar automatisering en gegevensuitwisseling. Met uitzondering van kantoor De Meuter geven alle kantoren aan bereid te zijn investeringen te doen om hun softwaresysteem af te stemmen op dat van het Parkeerbedrijf. Volgende scores werden behaald: 17,5/20 door De Neef - 13,5/20 door Leroy -17,5/20 door Mertens&Greeve - 14/20 door Brackeva - 18/20 door Beerten en 16/20 door De Meuter B Kwaliteit van het voorstel van overeenkomst: Kantoren De Meuter en Beerten scoren het best op dit criterium. De door hen voorgelegde overeenkomst zijn het meest volledig en evenwichtig opgesteld. Volgende scores werden toegekend: 5/10 voor De Neef - 8/10 voor Leroy - 7/10 voor Mertens&Greeve - 6/10 voor Brackeva - 8,5/10 voor Beerten en 9/10 voor De Meuter. B Opvolging buitenlanders: de meeste inschrijvers stellen weinig concrete acties voor op dit vlak. De beste werden voorstellen gedaan door kantoren De Meuter en Beerten. Kantoor De Meuter stelt initiatieven voor om identificatie te bekomen voor 3 nationaliteiten: Fransen, Polen en Duitsers. Kantoor Beerten stelt onder meer zeer goede voorwaarden voor de invordering in Nederland (no cure no pay, kosteloze aanmaning). Volgende scores werden behaald: 4/10 door De Neef - 6/10 door Leroy - 6/10 door Mertens & Greeve - 6/10 door Brackeva - 7/10 door Beerten en 7/10 door De Meuter B Dit brengt de totaalscores op 65,21/110 voor De Neef - 78,3/110 voor Leroy - 71,83/110 voor Mertens&Greeve - 59,73/110 voor Brackeva - 96,5/110 voor Beerten en 90,8/110 voor De Meuter - het directiecomité behandelde dit punt op 16 juni 2010 - in de zitting van de raad van bestuur van 25 juni 2010 werd dit punt verdaagd. Er werd door het college een bijkomende opdracht gegeven aan Inspectie Financiën/Interne Audit omwille van geruchten die zouden circuleren onder de kandidaten betreffende dit dossier. Alvorens de opdracht te gunnen dienden alle geselecteerde kandidaten uitgenodigd te worden voor een gesprek om hen de gelegenheid te geven eventuele bezwaren betreffende dit kenbaar te maken. Deze opdracht werd ondertussen afgerond en uit de bevindingen van Inspectie XII-6326-8\35 Financiën/Interne Audit dient geconcludeerd te worden dat de procedure correct werd gevolgd en dat er geen objectieve redenen bestaan die de gunning conform het gunningsverslag in de weg staan - het dossier wordt nu opnieuw geagendeerd en het Parkeerbedrijf stelt voor de opdracht te gunnen aan de eerstgerangschikte kandidaat, kantoor Beerten Voorstel op basis van het gunningsverslag wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan gerechtsdeurwaarderskantoor Beerten Besluit Met eenparigheid van stemmen Enig artikel: De opdracht voor het innen van parkeerretributies te gunnen aan gerechtsdeurwaarder Beerten conform de voorwaarden gesteld in de offerte. Actiepunten Contact opnemen met kantoor Beerten om de gunning te finaliseren in een overeenkomst”. 3.
  15. Met een aangetekende brief van 23 augustus 2010 deelt verwerende partij aan verzoekende partij mee dat werd beslist de opdracht te gunnen aan tussenkomende partij. Er wordt geen melding gemaakt van een wachtperiode. 3.
  16. Met een brief van dezelfde datum deelt verwerende partij aan tussenkomende partij mee dat de opdracht aan haar werd toegewezen en dat contact zal worden opgenomen voor het maken van praktische afspraken. IV. Tussenkomst
  17. Met een op 10 september 2010 ter post aangetekend verzoekschrift vragen de Gerechtsdeurwaarders Marc Beerten - Martine Vergauwen - Willy Mertens - Roger Vandenhende - Jan De Belder samen met de middelenvennootschap BDMV Gerechtsdeurwaarders Antwerpen om in het geding te mogen tussenkomen. Zij blijken voordeel te halen uit de bestreden beslissing en hebben er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Dienvolgens moet hun verzoek worden ingewilligd. V. De schorsingsvoorwaarden XII-6326-9\35
  18. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. VI. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
  19. Verzoekende partij formuleert in het verzoekschrift vijf middelen. Deze middelen worden uiteengezet over 22 bladzijden en bevatten onderdelen, diverse grieven en voorts berekeningen en rekenkundige extrapolaties. De spoedprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid noopt echter tot een snelle toetsing. Dienvolgens wordt het hiernavolgend onderzoek beperkt tot de voor de hand liggende grieven. A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  20. In het eerste middel voert verzoekende partij de schending aan van “de artikelen 516 en 866 Gerechtelijk Wetboek, van het Koninklijk Besluit van 30 november 1976 tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen alsook van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’” Zij betoogt daartoe dat de regels die het ambt en de tarieven regelen van de gerechtsdeurwaarder in zijn hoedanigheid van openbaar en ministerieel ambtenaar de openbare orde raken en dat verwerende partij door de invorderingsopdracht toe te kennen aan een inschrijver die deze bepalingen schendt, regels van openbare orde schendt, en dat de gunning alsook enige overeenkomst die daaruit zou voortvloeien absoluut nietig is. In de toelichting van het middel voert verzoekende partij vervolgens aan dat het voormelde koninklijk besluit van 30 november 1976 in artikel 2 bepaalt dat het de gerechtsdeurwaarders verboden is “aan hun kliënten XII-6326-10\35 gedeeltelijke of volledige kwijtschelding te geven van hun rechten, kosten of uitschotten”, dat kosten die niet betaald worden door de overtreder in de regel ten laste dienen te worden gelegd van de opdrachtgever, dat het een gerechtsdeurwaarder aldus verboden is te werken volgens het principe van “no cure, no pay” en dat artikel 866 van het Gerechtelijk Wetboek hierbij als enige uitzondering bepaalt “De proceshandelingen en akten die nietig zijn of nodeloze kosten veroorzaken door toedoen van een ministerieel ambtenaar, komen te zijnen laste”. Daarnaast verwijst zij in dit verband naar artikel 5 van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument, dat bepaalt “Het is verboden aan de consument enige vergoeding te vragen, anders dan de overeengekomen bedragen in de onderliggende overeenkomst in geval van niet-naleving van de contractuele verbintenissen”. Zij stelt dat dit artikel van toepassing is wanneer de debiteur een consument is en er nog geen uitvoerbare titel is aangeleverd en dat de gerechtsdeurwaarder bijgevolg verplicht is de kosten aan te rekenen aan de tegenpartij wanneer een uitvoerbare titel hem werd aangeleverd of wanneer er nog geen uitvoerbare titel is en de tegenpartij geen consument is, en dat, indien deze kosten niet kunnen worden ingevorderd, hij ze dient aan te rekenen aan de opdrachtgever. Voor de invorderingsopdracht van verwerende partij betekent dit volgens verzoekende partij concreet dat in de dossiers waarbij een dwangbevel wordt aangeleverd (90% van de dossiers) kosten zullen moeten worden aangerekend vanaf de eerste ingebrekestelling, dat ook in dossiers waarbij een vonnis moet worden verkregen bij de bevoegde rechter kosten moeten worden aangerekend bij het verzenden van een ingebrekestelling aan ondernemingen en handelaars (tot 10% van de dossiers) en dat na de betekening van het dwangbevel of de akte van dagvaarding in alle dossiers kosten moeten worden aangerekend. Inzake de offerte van tussenkomende partij wordt in het beoordelingsverslag vastgesteld dat procedurekosten die niet ingevorderd kunnen worden ten laste blijven van de gerechtsdeurwaarder omdat het solvabiliteitsonderzoek onder zijn verantwoordelijkheid gebeurt. De offerte van tussenkomende partij en van de derde gerangschikte inschrijver krijgen voorts 10 op 10 voor het criterium prijs “omdat aan het parkeerbedrijf geen kosten worden aangerekend” (blz. 3 en 4). XII-6326-11\35 Aangezien tussenkomende partij blijkens het gunningsverslag (blz. 12) in de offerte stelt “na betalingstermijn van 14 dagen wordt solvabiliteitsonderzoek opgestart vanaf dag 15”, is het voor haar volgens verzoekende partij onmogelijk om de niet-invorderbaarheid te voorzien van de kosten die zij verplicht moet aanrekenen in 90 % van de dossiers en moet zij minstens een deel van de kosten doorrekenen aan verwerende partij. Om de insolvabiliteit van de overtreder te kunnen voorzien en artikel 866 van het Gerechtelijk Wetboek te kunnen inroepen, is immers vereist dat de gerechtsdeurwaarder een voorafgaand solvabiliteitsonderzoek doet en uit het beoordelingsverslag blijkt dat niet alle kosten op de overtreder verhaald kunnen worden nu in het gunningsverslag wordt vermeld dat 5 % van de dossiers niet invorderbaar is wegens insolvabiliteit. Het is ook mathematisch en feitelijk onmogelijk om vooraf met 100 % zekerheid alle mogelijke gevallen van insolvabiliteit te voorzien. Daarnaast merkt verzoekende partij op dat ook andere omstandigheden kunnen leiden tot de niet-invorderbaarheid van de kosten zoals het verzoek van de schuldeiser om de invorderingsprocedure te beëindigen of de gegrondheid van het verweer van de overtreder, gronden die in tegenstelling tot insolvabiliteit niet kunnen worden voorzien en waarbij de gerechtsdeurwaarder verplicht is de kosten ten laste te leggen van verwerende partij. Verzoekende partij besluit dat in de offerte van de tussenkomende partij en van de derde gerangschikte inschrijver geen kosten worden aangerekend zelfs al blijkt achteraf dat deze kosten op onvoorzienbare wijze niet kunnen verhaald worden op de overtreder terwijl de aangehaalde regelgeving, die van openbare orde is, zich tegen een dergelijk systeem van “no cure - no pay” verzet zodat deze offertes manifest nietig zijn wegens schending van wettelijke bepalingen van openbare orde. Verwerende partij heeft aldus eveneens haar eigen besteksbepalingen, die de nadruk leggen op de naleving van de toepasselijke reglementering en het openbare -dienst- karakter van de dienstverlening en een verbod op miskenning van de toepasselijke regelgeving inhouden, manifest miskend door de opdracht te gunnen aan een inschrijver wiens offerte strijdig is met regelgeving van openbare orde. Beoordeling 8.
  21. Artikel 516 Ger. W. bevat de omschrijving van het monopolie en de taken van de gerechtsdeurwaarder en betreft niet de aanrekening van kosten. Het XII-6326-12\35 lijkt niet dat verzoekende partij opwerpt dat hieraan op zich door de bestreden beslissing afbreuk werd gedaan. In de mate dat in dit middel de schending wordt aangevoerd van artikel 516 Ger. W. lijkt het dan ook niet ontvankelijk. 8.
  22. Verzoekende partij lijkt aanstoot te nemen aan het feit dat in het gunningsverslag tussenkomende partij een score van 10 op 10 wordt toegekend voor het gunningscriterium “prijs” aangezien “aan het parkeerbedrijf geen kosten worden aangerekend”. 8.
  23. In de mate dat verzoekende partij die score betwist voor de derde gerangschikte inschrijver, lijkt zij hierbij geen belang te hebben nu deze inschrijver na haar werd gerangschikt. 8.
  24. Wat de offerte van de tussenkomende partij betreft, wordt daarin gesteld, onder “vereffening van kosten” (in een passage die tussenkomende partij zelf citeert in haar verzoekschrift en die dus niet meer als vertrouwelijk kan worden aangemerkt), onder meer: “Indien om één of andere reden de inning van de schuldvordering in zowel de minnelijke fase als bij de uitvoeringsfase niet met een positief resultaat kan worden afgesloten, garandeert de inschrijver - rekening houdende met de bepalingen van artikel 866 Ger.W. - het dossier zonder kosten af te sluiten, vermits het solvabiliteitsonderzoek en de daarop gesteunde opstart van de invorderingsprocedure op zijn verantwoordelijkheid gebeurt. Indien daarentegen de aanbestedende overheid zelf eigenhandig beslist om in een dossier bepaalde uitvoeringsmaatregelen te ondernemen, zullen de eventueel daaruit voortvloeiende niet te recuperen kosten steeds ten haren laste blijven.” Aldus lijkt het sluiten van een dossier zonder kosten wanneer dit zonder positief resultaat wordt gesloten, dus het niet doorrekenen van de niet invorderbare kosten aan de verwerende partij, een toepassing te kunnen zijn van artikel 866 Ger. W. Verzoekende partij zelf acht zulks mogelijk in bepaalde gevallen. Ook in de mate verzoekende partij aanvoert dat ook andere soms niet te voorziene gebeurtenissen dan insolvabiliteit tot niet-invorderbaarheid van de kosten kunnen leiden en dat de gerechtsdeurwaarder verplicht is deze kosten ten laste te leggen van de verwerende partij, lijkt de kritiek in dit middel hoogstens relevant te kunnen zijn voor dergelijke kosten, daargelaten de vaststelling dat XII-6326-13\35 tussenkomende partij in haar offerte zelf bepaalde uitzonderingen opneemt. Zo wordt uitdrukkelijk bepaald dat, wanneer verwerende partij eigenhandig beslist om in een dossier bepaalde uitvoeringsmaatregelen te nemen, de eventueel daaruit voortvloeiende niet te recupereren kosten steeds te haren laste blijven. Dergelijke grief van verzoekende partij, die veronderstelt dat bepaald wordt voor welke kosten, in functie van het moment van het solvabiliteitsonderzoek of het al dan niet voorzienbaar karakter van de niet- invorderbaarheid, al dan niet voorgesteld mag worden dat deze, indien niet invorderbaar bij de schuldenaar, niet aan de verwerende partij zullen worden aangerekend, lijkt zich niet meer te lenen tot het prima facie onderzoek waartoe het onderzoek van de Raad van State in het kader van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid beperkt is. Bovendien verwacht verzoekende partij blijkbaar dat de Raad hier ook nog artikel 5 van de wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument, bij betrekt, wet die onder minnelijke invordering van schulden iedere handeling of praktijk verstaat die tot doel heeft de schuldenaar ertoe aan te zetten een onbetaalde schuld te betalen, buiten iedere invordering op grond van een uitvoerbare titel om. Tegelijk dient met tussenkomende partij te worden vastgesteld dat verzoekende partij blijkens het gunningsverslag zelf voorstelt dat in geval van onvermogen van de klant de kostenstaat gesteund zal zijn op de wettelijke tarieven en beperkt tot een maximum van 1 % van het totale toevertrouwde bedrag. Aldus gaat zij er, zo lijkt het, zelf van uit dat bij onvermogen niet noodzakelijk alle kosten worden doorgerekend. In de redenering van verzoekende partij dat elke gehele of gedeeltelijke kwijtschelding onwettig is, zou dan de vraag kunnen rijzen of dit dan niet omgekeerd ook moet gelden voor het ten onrechte aanrekenen van kosten en, indien de lezing van het koninklijk besluit van 30 november 1976 zoals verdedigd door verzoekende partij wordt gevolgd alsook de stelling dat de offerte van tussenkomende partij daarom nietig is, of dit dan ook niet tot de nietigheid van de offerte van verzoekende partij zou leiden in welk geval verzoekende partij geen belang lijkt te hebben bij een schorsing op grond van dit middel. Deze vaststellingen volstaan om het middel niet als ernstig aan te merken. XII-6326-14\35 XII-6326-15\35 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  25. In het tweede middel roept verzoekende partij de schending in van “het gelijkheids- en transparantiebeginsel zoals vervat in het Belgisch bestuursrecht (cf. art. 10 en 11 van de Grondwet), van de verplichting om beslissingen te funderen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven (materiële motiveringsplicht), van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid benevens het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie, het transparantiebeginsel, het proportionaliteits- beginsel en het redelijkheidbeginsel, alsook van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’”. Beoordeling 10.1.
  26. In het eerste onderdeel voert verzoekende partij volgens het opschrift aan dat “de bestreden beslissing gesteund is op gunningscriteria die niet werden opgenomen in het bestek”. Uit het gunningsverslag blijkt immers dat verwerende partij het gunningscriterium “Prijs”, zoals bepaald in het bestek, na het indienen van de offertes heeft gewijzigd door niet te vergelijken “op basis van de totaalprijs van 100 dossiers met een gemiddeld dossierverloop” zoals aangekondigd. Het is echter verboden de gunningscriteria te wijzigen in de loop van de gunningsprocedure nu dit afbreuk doet aan de gelijkheid der inschrijvers. 10.1.
  27. Het beoordelingsverslag vermeldt bij het gunningscriterium “Prijs”: “Voorafgaande opmerking bij de beoordeling Op basis van de inhoud van de offertes blijkt het totaal onmogelijk te zijn deze te vergelijken op basis van de totaalprijs voor 100 dossiers met een gemiddeld dossierverloop. Een van de belangrijkste elementen om de kosten te beperken is immers een grondige solvabiliteitscontrole. Het is echter onmogelijk om op basis van de offertes uit te maken wanneer een deurwaarder zal beslissen het dossier verder te zetten of net stop te zetten. Er werden wel pro rata punten toegekend aan de verschillende kandidaten op basis van de prijzen die zij voorstellen. Er werd hierbij van uitgegaan dat 10% van de dossiers de dagvaardingsprocedure zal volgen en 5% van de dossiers niet invorderbaar is wegens insolvabiliteit met een gemiddelde kost van 50 euro per dossier”. XII-6326-16\35 Aldus lijkt de prijs te zijn beoordeeld, maar rijst enkel de vraag of de aangekondigde beoordelingsmethode gewijzigd is in deze zin dat voor de vergelijking niet gewerkt wordt met 100 dossiers met een “gemiddeld dossierverloop”, nu dit niet bepaald zou kunnen worden, maar op grond van een assumptie dat van de 100 dossiers 10 % de dagvaardingsprocedure volgen en 5 % niet invorderbaar zal zijn wegens insolvabiliteit. Te dezen lijkt het niet dat van een wijziging van de aangekondigde beoordelingsmethode sprake is, nu blijkbaar nog steeds vergeleken wordt aan de hand van 100 dossiers met de assumptie dat 10% de dagvaardingsprocedure zullen volgen en 5 % niet invorderbaar zullen zijn wegens insolvabiliteit, wat ook in zekere zin als een “gemiddelde” benadering lijkt te kunnen worden aangemerkt. Overigens betwist verzoekende partij het motief van de bestreden beslissing niet, dat de aangekondigde methode om het gunningscriterium prijs te beoordelen door de inhoud van de offertes onmogelijk toegepast kan worden. Bij de andere beoordelingsmethodiek geeft verzoekende partij voorts nergens concreet aan om welke redenen die methodiek inhoudelijk niet rechtmatig zou zijn. Ten overvloede worden nog vastgesteld dat verzoekende partij op dit criterium 9,9 op 10 scoort, hetzij slechts 0,1 punt minder dan tussenkomende partij en dat zij ook niet concreet aantoont hoe de aangekondigde beoordelingsmethode haar in geval van onveranderde toepassing voordeel zou hebben opgeleverd in de zin dat de toepassing van de in het bestek aangekondigde methode zou inhouden dat de rangschikking op dit criterium of de eindrangschikking zou wijzigen, zodat haar belang bij het onderdeel twijfelachtig is. 10.2.
  28. In een tweede onderdeel stelt verzoekende partij in essentie dat bij de beoordeling van dit gunningscriterium “prijs” bij de offerte van tussenkomende partij ten onrechte geen rekening werd gehouden met alle onderdelen van de voorgestelde prijs en meer bepaald niet met de kostprijs voor de inning van retributies in het buitenland met uitzondering van Nederland of dat deze op zijn minst niet bepaalbaar zijn zodat de offerte om die reden zelfs had moeten worden geweerd. Het gunningsverslag stelt immers bij het achtste gunningscriterium, “opvolging buitenlanders” voor tussenkomende partij immers “voor andere landen afspraken maken met Parkeerbedrijf mbt kostprijs”. XII-6326-17\35 Verwerende partij geeft aldus een blanco cheque voor wat betreft de vergoeding aan eerste gerangschikte inschrijver inzake de invordering van parkeerretributies in het buitenland en houdt met deze onbekende kost geen rekening bij de evaluatie van het gunningscriterium “Prijs” terwijl de prijs die elke inschrijver aan verwerende partij aanrekent voor de invordering van parkeerretributies in het buitenland dient te worden opgenomen in het finale voorstel inzake het gunningscriterium “Prijs” des te meer omdat het aandeel van de buitenlandse dossiers in het geheel van de invorderingsopdracht aanzienlijk is aangezien minstens 10% van de geschatte 230.000 retributiebonnen die verwerende partij jaarlijks uitschrijft buitenlandse nummerplaten zijn, ongeveer 30% of 69.000 van de totaal uitgeschreven retributies niet worden geïnd en voor buitenlandse retributies enkel voor Nederland (8,800 retributies) actie wordt ondernomen, waardoor van de ca 59.000 jaarlijks niet-ingevorderde retributies er minstens 15.550 of 22,54% buitenlandse nummerplaten betreft. Verzoekende partij concludeert dat de offerte van de eerst gerangschikte inschrijver onvolledig is, minstens werden de kosten voor het innen van parkeerretributies in het buitenland voor wat betreft deze kandidaat niet opgenomen in de beoordeling van het gunningscriterium “Prijs”. 10.2.
  29. Uit de stukken blijkt dat voor bepaalde landen, zoals Nederland, Frankrijk en Luxemburg de offerte wel gegevens bevat, volgens de nota zelfs een gedetailleerde regeling ook inzake kostprijs. Alhoewel dit laatste bij nazicht van de offerte zelf lijkt te moeten worden genuanceerd nu in het kader van de opvolging buitenlandse dossiers weinig concreets wordt gezegd over de kostprijs van de invordering in het buitenland, -het meest concreet is de verwijzing naar het feit dat tussenkomende partij in Nederland een akkoord heeft om de inning in eerste instantie te laten verlopen via een systeem no cure no pay-, wordt in de huidige stand van het geding niet met de vereiste prima facie ernst aangetoond dat het bestuur een offerte diende te weren, zoals blijkbaar wordt aangevoerd, omdat niet voor alle mogelijke landen een prijs bepaald zou zijn wat betreft invordering. Vastgesteld kan trouwens worden dat verzoekende partij zelf bij prijs buitenlandse dossiers vermeldt dat de tarifering die door de verschillende buitenlandse partners wordt gehanteerd niet eenduidig is en ook geen concrete prijs voorstelt; er wordt enkel vermeld zoals voor binnenlandse dossiers dat nooit meer dan 1 % van het in te vorderen bedrag zal worden aangerekend. XII-6326-18\35 De beoordeling van het betrokken criterium steunt blijkens het bestek op een vergelijking van de totaalprijs van 100 dossiers. Er wordt niet aangetoond dat de mogelijke impact van buitenlandse invorderingen daarin dan niet voldoende, via het gemiddelde, vervat kan zijn te meer nu het aantal parkeerretributies ten aanzien van buitenlandse nummerplaten blijkbaar ongeveer 10 % bedraagt zodat de prijs grotendeels lijkt bepaald door binnenlandse invorderingen. Minstens wordt niet aangetoond dat, indien dit niet zo zou zijn, de impact op de scores van die aard zou zijn dat dit de eindrangschikking wijzigt wat betreft verzoekende en tussenkomende partij. Deze vaststellingen volstaan om dit onderdeel in de huidige stand van het geding te verwerpen. 10.3.
  30. In het derde onderdeel roept verzoekende partij in dat verwerende partij via het gunningscriterium “netto incasso resultaten” de offertes in feite beoordeelt op grond van een selectiecriterium. Het bestek verwijst voor wat betreft gunningscriterium 3 naar “netto incasso resultaten: 10 punten: De kandidaat legt hiervoor de cijfergegevens betreffende de incassoresultaten van eerdere vergelijkbare opdrachten voor. De offerte met de beste incasso-resultaten zal de hoogste score behalen op dit criterium aan de andere offertes worden pro rata punten toegekend” en hanteert aldus referenties inzake vorige opdrachten als gunningscriterium terwijl dit de selectie betreft. Dit derde gunningscriterium dat betrekking heeft op ervaring in soortgelijke opdrachten maakt de gehele procedure onwettig daar het geen gunnings- maar een selectiecriterium is. 10.3.
  31. De wetgever heeft in de overheidsopdrachtenreglementering, in navolging van rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een onderscheid willen maken tussen, eensdeels, selectiecriteria, die de kandidaten of inschrijvers betreffen, onder meer inzake hun bekwaamheid en, anderdeels, gunningscriteria, die de intrinsieke waarde van de offerte betreffen (zie de memorie van toelichting bij artikel 16 van de wet van 24 december 1993, Parl. St. Senaat, 1992-93, nr. 656/1,25). 10.3.
  32. Ervaring en referenties betreffen doorgaans niet de intrinsieke waarde van de offerte, maar de geschiktheid van de inschrijvers en zijn dienvolgens XII-6326-19\35 in principe geen gunningscriterium. Het is echter niet uit te sluiten dat ervaring en referenties een gunningscriterium kunnen uitmaken indien daardoor de intrinsieke kwaliteit van de offertes in het licht van de specificiteit van de opdracht kan worden aangetoond op differentiërende wijze, zoals het in een opdracht voor de aanneming van diensten het geval kan zijn. Het moet dan worden verwacht dat een verwerende partij zulks aantoont of dat het duidelijk uit dossierstukken zoals het bestek blijkt. Te dezen wordt in het hier betwiste gunningscriterium “netto incasso resultaten” de cijfergegevens betreffende de incassoresultaten van eerder vergelijkbare opdrachten vergeleken. De inschrijver met de beste incasso resultaten krijgt de hoogste score. Dit gegeven lijkt niet zonder meer samen te vallen met de in het kader van de technische bekwaamheid, als selectiecriterium, in artikel 2.6 van het bestek gevraagde “lijst van referenties mbt gelijkaardige diensten die werden uitgevoerd tijdens de laatste drie jaar: bij het selecteren van de kandidaten zal de voorkeur worden gegeven aan degene die reeds invorderingen van parkeergelden of retributies hebben gedaan ofwel invorderingen voor andere publieke overheden”. Deze vaststellingen volstaan om het derde onderdeel en dienvolgens het middel niet ernstig te bevinden. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  33. In het derde middel roept verzoekende partij de schending in van “de verplichting om beslissingen te funderen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven (materiële motiveringsplicht) en het redelijkheidsbeginsel”. Zij acht deze rechtsnormen geschonden omdat verwerende partij in de bestreden beslissing doorheen de beoordeling van de verschillende gunningscriteria een subjectieve invulling aan de offerte van verzoekende partij geeft en nalaat de volledige offerte van verzoekende partij objectief te beoordelen. Hierbij heeft zij ook manifeste tegenstrijdigheden tussen de offertes van de verschillende inschrijvers niet nader onderzocht. XII-6326-20\35 Beoordeling Kwaliteit van de dienstverlening 12.
  34. Inzake het gunningscriterium “kwaliteit van de dienstverlening” betwist verzoekende partij vooreerst de opmerking“er worden zoveel teamleden voor het Parkeerbedrijf voorgesteld dat wordt gevreesd dat de samenwerking hierdoor zeer omslachtig kan worden”. Volgens verzoekende partij gaat verwerende partij aldus voorbij aan het feit dat zij in haar offerte vermeldt dat voor elk project binnen het kantoor een projectbeheerder wordt aangesteld die de rol van centraal aanspreekpunt vervult, die de verschillende diensten overkoepelt met het oog op een gestroomlijnde uitvoering van de invorderingsopdracht en die de communicatie met GAPA verzorgt inzake het toevertrouwde geheel aan dossiers en de verschillende deelaspecten van de opdracht (blz. 226 van de offerte). De voorsteling van de eindverantwoordelijken van elke dienst binnen het kantoor in haar offerte (blz. 235 - 249) geeft voorts aan dat volgens verzoekende partijen zij over de nodige organisatie en draagkracht beschikt om de diverse aspecten van de opdracht, die door verwerende partij zelf als belangrijk worden aangemerkt in het bestek, ten volle uit te voeren. Verwerende partij onderlijnt trouwens zelf in het gunningsverslag de meerwaarde van de “bijzondere cel binnen kantoor die zich alleen bezig houdt met buitenlandse dossiers”. 12.
  35. In de huidige stand van het geding moet worden vastgesteld dat verzoekende partij niet de in het gunningsverslag impliciet vervatte vaststelling betwist dat een groot aantal personen in dienst van verzoekende partij voor de opdracht zullen worden ingeschakeld - verwerende partij verwijst in de nota naar samenwerking met 24 gerechtsdeurwaarderskantoren (blz. 223 van de offerte). Er wordt niet prima facie aangetoond dat geen redelijk of zorgvuldig bestuur kan vrezen dat de samenwerking hierdoor omslachtig wordt, zelfs wanneer er voor elk project een projectbeheerder wordt aangesteld die als centraal aanspreekpunt optreedt. Dit belet immers niet dat er binnen de groep een groot aantal personen en diensten bij de uitvoering van de opdracht betrokken zullen zijn, hetgeen bij de uitvoering tot een verscheidenheid van contacten kan leiden en XII-6326-21\35 dus tot een omslachtigere samenwerking. Het feit dat er voor elke dienst binnen het kantoor een eindverantwoordelijke is, lijkt het tegendeel niet aan te tonen. In de mate dat verzoekende partij hieruit afleidt dat dit aantoont dat zij over de nodige organisatie en daadkracht beschikt om de diverse aspecten van de opdracht uit te voeren, lijkt dit door verwerende partij niet alleen niet te worden ontkend maar blijkt niet prima facie hoe dit de vrees ontkracht dat de samenwerking omslachtig kan zijn. In de mate verzoekende partij voorts in haar verzoekschrift stelt dat de evaluatie van de complexiteit van de communicatie en samenwerking tussen opdrachtgever en dienstverlener een feitelijke evaluatie is die pas ten gronde kan worden beoordeeld wanneer een samenwerking tot stand is gebracht en dat assumpties en veronderstellingen niet beantwoorden aan de vereiste van een objectieve evaluatie van de offertes van de verschillende inschrijvers, gaat zij eraan voorbij dat het eigen is aan de beoordeling van gunningscriteria dat daarbij een oordeel wordt uitgesproken over wat wordt voorgesteld; zij toont evenmin aan dat de hier door verwerende partij geuite vrees de perken van de redelijkheid te buiten gaat. 12.
  36. Vervolgens stelt verzoekende partij dat verwerende partij in het kader van de beoordeling van hetzelfde gunningscriterium het gebruik van het woord “agressievere houding” ten onrechte beschouwt als een mogelijke aanwijzing voor de mentaliteit van het gerechtsdeurwaarderskantoor die geenszins zou stroken met de filosofie van het parkeerbedrijf. 12.
  37. In de huidige stand van het geding blijkt dat verzoekende partij in haar offerte zelf verwijst naar het gebruik van telefoon als “een communicatievorm met een hogere intrusiegraad die een onmiddellijke interactie toelaat. Door de hogere intrusiegraad wordt een agressievere houding aangenomen dan met een geschreven brief” en SMS als een vorm van communicatie die uitgestelde interactie toelaat en een hoge intrusiegraad heeft, “gebruikt wanneer ten aanzien van de klant na eerdere contacten een agressievere houding dient genomen te worden zonder dat de uitwisseling van bijkomende informatie onmiddellijk tot stand moet komen”. Verwerende partij wil blijkens het gunningsverslag niet geassocieerd worden met een “agressieve aanpak”. Alhoewel verwerende partij hier XII-6326-22\35 misschien streng oordeelt, is niet prima facie tegengesproken dat zij kan vrezen dat verwijzingen in een offerte naar een agressieve houding tekenend kan zijn voor een mentaliteit die niet strookt met haar filosofie, zelfs wanneer elders in de offerte andere klantvriendelijke en drempelverlagende initiatieven worden voorgesteld. Evenmin lijkt dat volledig aan die initiatieven werd voorbijgegaan. Integendeel stelt verzoekende partij zelf dat een groot deel van deze initiatieven ook als dusdanig worden erkend in het gunningsverslag. Verzoekende partij merkt in dit verband nog op dat het feit dat haar filosofie en mentaliteit niet kan worden verzoend met een agressieve houding ten aanzien van debiteuren ook blijkt uit haar werkwijze bij openbare verkopen en waaromtrent zij in de offerte uitdrukkelijk stelt dat overgaan tot openbare verkoop niet in lijn ligt met haar visie van maatschappelijke verantwoordelijkheid en dat daarom enkel openbaar verkocht zal worden wanneer er sprake is van manifeste en aanhoudende onwil of wanneer het GAPA daar uitdrukkelijk om vraagt, overleg dat voor haar niet in het gunningsverslag wordt vermeld terwijl dit voor tussenkomende partij als pluspunt werd aangenomen. Dit is volgens verzoekende partij des te opmerkelijker nu zij minder openbare verkopen registreert dan de tussenkomende partij. Het aantal openbare verkopen lijkt echter geen afbreuk te doen aan de verwijzingen in de offerte van verzoekende partij naar communicatievormen die zij zelf als agressief of agressiever omschrijft. Met verzoekende partij kan worden vastgesteld dat bij tussenkomende partij het overleg alvorens na betekening van het vonnis verdere stappen naar uitvoering worden genomen als een positief punt wordt beschouwd in het beoordelingsverslag. Dit gegeven betreft echter de beoordeling van het gunningscriterium “tijdsbestek en inning”. Deze kritiek lijkt dan ook niet relevant voor de beoordeling van het gunningscriterium “kwaliteit van de dienstverlening” dat hier aan de orde is. Ten slotte benadrukt zij in dit kader dat uit het bestek en de website van verwerende partij geenszins is op te maken welke “mentaliteit” verwerende partij doorheen haar invorderingsprocedure wenst te hanteren, reden waarom zij in haar offerte vermeldt dat het voor en tijdens de uitvoering van de opdracht haar ambitie is “om zich de doelstellingen en de filosofie van de XII-6326-23\35 opdrachtgever eigen te maken” en dat zij bij haar aanvraag tot deelname meerdere brieven voegde waarin verscheidene verantwoordelijken van andere invorderings- opdrachten die aan verzoekende partij werden gegund nadruk leggen op haar maatschappelijk verantwoorde werkwijze. Dat verzoekende partij geenszins een “agressieve” houding heeft ten aanzien van debiteuren zou gebleken zijn uit een eenvoudige navraag bij de door verwerende partij opgevraagde contactpersonen. Ook dit gegeven lijkt geen afbreuk te doen aan de verwijzingen in de offerte van verzoekende partij naar communicatievormen die zij zelf als agressief of agressiever omschrijft en die voor verwerende partij een reden zijn om te vrezen dat dit wijst op een mentaliteit die niet verenigbaar is met haar filosofie. Verzoekende partij toont ook niet aan waarom verwerende partij die bekend zou hebben moeten maken. In ieder geval wordt voorts niet aangetoond dat deze kritiek alleen, indien ernstig, tot gevolg zou hebben dat de aan verzoekende partij toegekende score 14/20 strijdig zou zijn met het motiverings- en het redelijkheidsbeginsel temeer nu deze in het gunningsverslag ook op andere vaststellingen steunt. Kwaliteit en compatibiliteit van het informaticasysteem 13.
  38. Inzake het gunningscriterium “kwaliteit en compatibiliteit van het informaticasysteem” waar rekening werd gehouden met de bereidheid van de kandidaten om investeringen te doen om hun software systeem af te stemmen op dat van het parkeerbedrijf, betwist verzoekende partij de beoordeling dat zij “[niet] geeft te kennen bereid te zijn om investeringen te doen”. Zij betoogt dat deze evaluatie niet is gesteund op materiële elementen nu de eerste zin van het hoofdstuk gewijd aan dit gunningscriterium in haar offerte (blz. 314) luidt: “We investeren onophoudelijk in informaticasystemen om het beheer en de afhandeling van dossiers te versnellen en te vergemakkelijken”. 13.
  39. Hiermee is weliswaar gewezen op de continue algemene investeringen die gedaan worden, maar niet uitdrukkelijk dat men bereid is specifieke investeringen te doen om het softwaresysteem af te stemmen op dat van XII-6326-24\35 het parkeerbedrijf, zoals hier aan de orde. Deze passage alleen toont dan ook niet de schending aan van de in het middel vermelde beginselen. 13.
  40. Verzoekende partij citeert vervolgens de volgende passage in het hoofdstuk van haar offerte dat betrekking heeft op de voorbereiding van de invorderingsopdracht (blz. 269): “De dienst ICT-Services die belast is met de ICT-ondersteuning wordt eveneens voorbereid op de nieuwe opdracht. Samen met hen wordt besproken hoe in het informatica-systeem voor dossierbeheer de dossiers ontvangen en aangemaakt worden, welke aanpassingen eventueel dienen gemaakt te worden in het informatica-systeem, welke parameters dienen aangepast te worden... Al deze aanpassingen maken het voorwerp uit van uitgebreide en gedetailleerde test-scenario's en validaties. Na de analyse van de opdracht en de eerste softwarematige aanpassingen, worden de eerste testen uitgevoerd volgens de vooraf bepaalde test-scenario's. Na een interne validatie worden de resultaten van deze testen aan het GAPA voorgelegd voor validatie. Indien het GAPA dit wenst of nodig acht, worden nog verdere aanpassingen doorgevoerd. Van zodra validatie is bekomen vanwege het GAPA, kan overgegaan worden tot het aanmaken van de dossiers in de productie-omgeving”. 13.
  41. In de mate verzoekende partij in dit verband opmerkt dat haar offerte in het deel over de prijs duidelijk vermeldt dat de kosten van de ondersteuning op ICT-vlak ten laste van de verzoekende partij zullen vallen en dat deze integraal deel uitmaken van haar offerte, lijkt dit niets te zeggen over de bereidheid investeringen te doen om haar software systeem specifiek af te stemmen op dat van verwerende partij. 13.
  42. Verzoekende partij werpt tenslotte in dit verband nog op dat verwerende partij zichzelf tegenspreekt in het gunningsverslag door enerzijds aan te geven dat “GAPA mag beroep doen op ICT-ondersteuning” van verzoekende partij en anderzijds desondanks voor het gunningscriterium “kwaliteit en compatibiliteit van het informaticasysteem” te oordelen dat verzoekende partij “niet bereid is te investeren in zijn informatica-systeem”. De eerste opmerking is één van de beschrijvende punten vermeld onder het gunningscriterium “kwaliteit van de dienstverlening”. Er wordt echter daarmee niet prima facie verduidelijkt hoe dit iets zegt over de bereidheid van verzoekende partij investeringen te doen om haar software aan te passen aan deze van verwerende partij, waar het hier om gaat. 13.
  43. Er wordt ten slotte niet aangetoond dat de kritiek van de verzoekende partij, indien ernstig, tot gevolg heeft dat verzoekende partij meer punten zou moeten krijgen dan tussenkomende partij, die 18/20 krijgt, zodat zelfs XII-6326-25\35 een verhoogd puntental niet meteen lijkt te kunnen leiden tot een wijziging van de eindrangschikking. Verzoekende partij gaat bovendien niet in op de andere vaststellingen in dit verband gedaan bij haar en tussenkomende partij en die voor deze laatste soms iets positiever lijken. Opvolging buitenlanders 14.
  44. Wat betreft het gunningscriterium “Opvolging buitenlanders” biedt verzoekende partij naar eigen zeggen concreet uitgewerkte initiatieven aan voor onder meer Nederland, Polen, Frankrijk en Duitsland, in tegenstelling tot andere inschrijvers die geen concrete initiatieven aanbieden of voorgestelde initiatieven niet concreet uitwerken, en geeft het gunningsverslag de indruk dat voor Duitsland een bijkomende kost zal worden aangerekend (“..., voor Duitsland kunnen de gegevens tegen betaling worden opgevraagd”), terwijl haar offerte uitdrukkelijk vermeldt “Dankzij de geboden prijsgarantie valt deze kost evenwel niet ten laste van de opdrachtgever” en bij het gunningscriterium “Prijs”: “Voor elk van de landen binnen en buiten Europa waar verkeersretributies moeten geïnd worden, zal in functie van het aantal betrokken dossiers door de inschrijver een specifieke invorderingsprocedure gehanteerd worden. De tarifering die hiervoor door de verschillende partners in het buitenland wordt gehanteerd, is niet eenduidig. Dankzij de sterk kostenbesparende werkwijze die de inschrijver hanteert in de minnelijke invorderingsfase en zijn partners hanteren in de gerechtelijke invorderingfase, kan ook hier de garantie worden gegeven dat het totaal bedrag aan negatieve gerechtskosten nooit meer zal bedragen dan 1% van het totaal toevertrouwde in te vorderen bedrag ...”. Zij meent dat het hier gaat om een onmiskenbaar pluspunt dat niet wordt vermeld in het gunningsverslag. 14.
  45. In de mate dat verzoekende partij aanvoert dat zij als enige uitgewerkte voorstellen voor opvolging buitenlanders voorstelde voor onder meer Nederland, Polen, Frankrijk en Duitsland, blijkt uit het gunningsverslag dat ook tussenkomende partij ter zake voorstellen deed voor Nederland, Frankrijk en Luxemburg zodat de kritiek op dat punt in ieder geval wat betreft tussenkomende partij feitelijke grondslag lijkt te missen. Minstens toont verzoekende partij niet prima facie aan waarom het eventuele verschil in landen tot een andere dan een gelijke puntentoekenning voor hen (nu beide 7 op 10) zou moeten leiden. XII-6326-26\35 In de mate dat zij verwijst naar de prijsgarantie, dient te worden vastgesteld dat verzoekende partij eerder in het tweede middel vragen stelde bij het al dan niet opnemen van de prijs buitenlandse invorderingen in het eerste gunningscriterium van de prijs. Bezwaarlijk lijkt zij te kunnen verwachten dat dit element beoordeeld wordt zowel in het eerste als in het achtste gunningscriterium. Dit alles volstaat in de huidige stand van het geding om dit onderdeel te verwerpen. Netto incasso resultaten 15.
  46. Wat betreft het gunningscriterium “netto incasso resultaten” betwist verzoekende partij het gebruik van het wiskundig gemiddelde (som van de netto incasso resultaten gedeeld door het aantal netto incasso resultaten) voor de berekening van het finale netto incasso resultaat van elke inschrijver omdat aldus de omvang van elke (deel)portefeuille niet in rekening wordt gebracht en een kleinere (deel)portefeuille proportioneel evenveel “gewicht” heeft als een (deel)portefeuille die in omvang een veelvoud in dossiers betreft. Een correcte berekening van het gemiddeld netto incasso percentage van de verschillende (deel)portefeuilles waarbij rekening wordt gehouden met de omvang van elke (deel)portefeuille vereist het gebruik van een gewogen gemiddelde. Haar netto incasso resultaat op grond van een gewogen gemiddelde is 90,69% en houdt, onder voorbehoud van de herberekende netto incasso resultaten van de andere inschrijvers, in dat tussenkomende partij hier niet meer het maximum der punten zou behalen. Bijgevolg werd dit gunningscriterium minstens onzorgvuldig beoordeeld. 15.
  47. Beoordeling van het middelonderdeel zou een minutieus onderzoek vereisen van de meegedeelde netto incasso resultaten want het steunt op wiskundige berekeningen. Zulks lijkt zich niet te lenen tot een prima facie onderzoek in het kader van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Aan de inschrijvers werd gevraagd incasso resultaten voor te leggen van vergelijkbare opdrachten. Verzoekende partij toont niet met de vereiste prima facie ernst aan dat de berekende score, op grond van een gemiddelde van de meegedeelde resultaten zonder nog een bijkomende weging door te voeren, strijdig XII-6326-27\35 zou zijn met de in het middel geschonden geachte beginselen; wat meegedeeld is, lijkt immers vergelijkbaar. Deze vaststelling volstaat in de huidige stand van het geding om dit middelonderdeel te verwerpen daargelaten de vaststelling dat verzoekende partij ook niet aantoont dat de door haar verdedigde methode, in de vergelijking tussen haar en tussenkomende partij tot gevolg zou hebben dat zij in de eindrangschikking vóór tussenkomende partij zou komen. Tijdsbestek van inning 16.
  48. Ten slotte betwist verzoekende partij dat bij de beoordeling van het gunningscriterium “tijdsbestek van inning” het gunningsverslag, bij haar, zoals bij tussenkomende partij, vermeldt: “Indien geen invorderingsmogelijkheden bestaan in een dossier, wordt het dossier 10 jaar in schuldbewaking gezet, zodat het dossier nog terug kan worden geactiveerd indien de klant na verloop van tijd toch solvabel blijkt te zijn”, terwijl deze lange termijn niet strookt met de filosofie van verzoekende partij van een klantvriendelijke en maatschappelijk verantwoorde invordering en terwijl verzoekende partij in de gedetailleerde uiteenzetting van de gehanteerde werkwijze inzake schuldbewaking of in andere delen van haar offerte bovendien nergens melding maakt van enige maximumtermijn voor schuldbewaking. 16.
  49. Verwerende partij erkent in de nota dat het hier gaat om een materiële vergissing. 16.
  50. Vastgesteld kan worden dat deze zin is opgenomen in het gunningsverslag, niet, zoals verzoekende partij stelt, bij de beoordeling van het hier aan de orde gestelde gunningscriterium “tijdsbestek van inning” maar bij het gunningscriterium “prijs”. Er is prima facie dan ook geen reden om aan te nemen dat die vaststelling de beoordeling van het gunningscriterium “tijdsbestek van inning” beïnvloed heeft. 16.
  51. Vervolgens betwist verzoekende partij de vaststelling in het gunningsverslag dat bij verzoekende partij “vanaf dag 32 wordt overgegaan tot betekening van het dwangbevel, onmiddellijk gevolgd door een afrekening. Het verdere verloop van de dwangbevelprocedure wordt echter niet beschreven”. Zij XII-6326-28\35 voert aan dat de uitvoeringsprocedure na de betekening van het dwangbevel en de uitvoeringsprocedure na de betekening van het bevel tot betalen volgend op de betekening van het vonnis identiek zijn en dat zij dit als dusdanig heeft toegelicht in haar offerte. De schematische voorstelling van deze fase van de procedure in haar offerte (blz. 218) geeft immers duidelijk aan dat de beschreven procedure geldt voor zowel de procedure op dagvaarding als de procedure op dwangschrift, en ook binnen het gunningscriterium “Kostenbesparende werkwijze” vermeldt verzoekende partij in haar offerte (blz. 100) met betrekking tot de procedure die volgt op het verlopen van de termijnen voor verzet tegen een dwangbevel of een vonnis bij verstek en voor beroep tegen een vonnis op tegenspraak “De inschrijver zal in principe 15 dagen na de betekening van het dwangbevel of het verlopen van de beroeps- of verzetstermijn overgaan tot beslag op de goederen van de klant”. 16.
  52. Wanneer verzoekende partij een offerte indient van honderden bladzijden met volgens de inhoudstafel een afzonderlijke bespreking van elk gunningscriterium kan het prima facie bezwaarlijk aan verwerende partij verweten worden dat zij voor de beoordeling van het gunningscriterium “tijdsbestek van inning”, volgens de inhoudstafel aan de orde op blz. 162 - 220 van de offerte, voorbij zou zijn gegaan aan een zin opgenomen op blz. 100, in het deel dat het gunningscriterium prijs en kostenbesparende werkwijze betreft. Voorts zegt deze zin van verzoekende partij prima facie enkel iets over de termijn waarna zal worden overgegaan tot beslag en dus niets over de rest van het verloop van de dwangbevelprocedure. Er wordt dan ook niet aangetoond dat gelet op deze zin verzoekende partij redelijkerwijze enkel een hogere score kon krijgen dan de door haar behaalde 12 op 15 of zelfs een score hoger dan deze van tussenkomende partij (14 op 15). 16.
  53. De door verzoekende partij ingeroepen schematische voorstelling maakt wel deel uit van het hoofdstuk over het tijdsbestek van inning en lijkt inderdaad ook gegevens te bevatten over het verdere tijdsverloop van de dwangbevelprocedure na de betekening van het dwangbevel en de afrekening, nu verwezen wordt naar een procedure dagvaarding en een procedure dwangschrift, met een beschrijving soms onder beide kolommen en soms afzonderlijk voor elke kolom en met twee tijdslijnen, de ene voor de kolom procedure dagvaarding en de XII-6326-29\35 andere na de kolom procedure dwangschrift, termijnen die na de klaarmaking en verzending afrekening hetzelfde zijn. Verzoekende partij toont echter niet prima facie aan waarom dit tot gevolg zou hebben dat zij op dit criterium hoger zou moeten scoren dan tussenkomende partij en dit in het licht van de globale beoordeling van dit criterium voor beide inschrijvers. Zo is er bij tussenkomende partij de vaststelling dat beide procedures een mooie balans bieden tussen een nauwgezette opvolging en de belangen van de klant, hetgeen bij verzoekende partij niet wordt gezegd ook niet voor de dagvaardingsprocedure. Daar wordt zelfs opgemerkt dat deze minder tussenstappen aan de klant biedt om alsnog tot betaling over te gaan en bijkomende kosten zoals van de betekening te vermijden. Bij haar ontbreekt ook de vaststelling, zoals bij tussenkomende partij, dat het positief is dat het tijdsbestek van de procedure zal worden aangepast indien de schuldenaar met financiële problemen kampt. Deze vaststellingen betwist verzoekende partij niet en lijken op zichzelf al de betere score van tussenkomende partij te kunnen rechtvaardigen. 16.
  54. Verzoekende partij wijst voorts op de volgende passage in haar offerte: “het beschreven invorderingstraject is een mogelijk voorstel en kan in het kader van de gunningsfase worden aangepast aan de specifieke wensen van opdrachtgever. De inschrijver engageert zich ten aanzien van de opdrachtgever dat elk dossier het kortst mogelijke traject zal doorlopen aan de meest voordelige prijs en binnen het vooraf bepaald sociale kader” en meent dat ook uit deze beoordeling een onzorgvuldige lezing van haar offerte blijkt. Op het eerste gezicht lijkt het hier te gaan om een aantal algemeenheden die niet tot een andere conclusie moeten leiden. Prima facie lijkt ook niet aan verwerende partij te kunnen worden verweten dat zij dit gunningscriterium in eerste instantie toetste aan hetgeen concreet werd voorgesteld.
  55. Het derde middel is bijgevolg niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel XII-6326-30\35
  56. In een vierde middel roept verzoekende partij de schending in van “het gelijkheids- en transparantiebeginsel zoals vervat in bet Belgisch bestuursrecht (cf. art. 10 en 11 van de Grondwet), van de verplichting om beslissingen te funderen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven (materiële motiveringsplicht), van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid benevens het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie, alsook van bet beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti”, dit omdat de bestreden beslissing is gesteund op elementen die niet als gunningscriterium werden opgenomen in het bestek en die bovendien discriminatoir zijn. Er wordt daartoe verwezen naar de positieve beoordeling van tussenkomende partij voor het gunningscriterium “Kwaliteit van de dienstverlening” op grond van onder meer de volgende overwegingen: - “Structuur van kantoor is al aangepast aan wensen GAPA”, - “vertrouwd met betaalgedrag” - “onmiddellijk operationeel” - “specifieke databank GAPA debiteurs : 67.917 relaties”. Deze elementen werden niet in het bestek opgenomen als beoordelingsgronden voor het gunningscriterium “Kwaliteit van de dienstverlening” en daarom alleen al is de bestreden beslissing onwettig. Bovendien wordt op basis van een dergelijke beoordeling een voordeel toegekend aan een inschrijver die reeds in het verleden de opdracht heeft uitgevoerd voor de aanbestedende overheid hetgeen een schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaakt en reden waarom de Raad van State voordien reeds gunningscriteria die bestaan uit “goede antecedenten” of “waarborgen met betrekking tot de continuiteit” niet aanvaard heeft als geldige en wettige gunningscriteria. Beoordeling
  57. Alhoewel de bekritiseerde citaten inderdaad worden vermeld in het gunningsverslag bij de beoordeling van de offerte van de tussenkomende partij in het kader van de beoordeling van het gunningscriterium “kwaliteit van de dienstverlening”, naast een hele reeks andere elementen, lijkt de toekenning van de score van 17/20 in feite te steunen op de volgende finale motivering: XII-6326-31\35 “Het kantoor stelt verschillende initiatieven voor waarmee de kosten voor de schuldenaar kunnen worden beperkt : dwangbevel niet betekenen als een afbetalingsplan werd opgesteld voor de klant, voorafgaande aanmaning voor betekening dwangbevel, samenvoegen dossiers, beperken kwijtingsrecht, beslag zonder slotenmaker en politie, kosteloze ingebrekestellingen voor klanten met financiële problemen. Pluspunten op vlak van solvabiliteitscontrole zijn dat het kantoor over ruim gestoffeerde solvabiliteitsverslagen beschikt, de relevantie van de gegevens in de solvabiliteitsdatabank (o.m. invordering van penale boeten) en dat het betaalgedrag van gekende klanten zal worden bestudeerd. Andere pluspunten zijn de ontwikkelingen om de klant toe te laten hun dossiers online te consulteren en te betalen en dat het kantoor de administratie betreffende de advocatenkantoren op zich neemt”. Hierin wordt aldus niet uitdrukkelijk verwezen naar het feit dat de structuur van het kantoor al is aangepast aan de wensen van GAPA, het vertrouwd zijn met betaalgedrag, het onmiddellijk operationeel zijn en het beschikken over een specifieke databank GAPA debiteurs, zodat dit geen determinerende motieven lijken te zijn voor de toegekende score. De kritiek in dit middel betreft dan ook overtollige motieven. Evenmin lijkt het dat de toegekende score niet verantwoord kan zijn zonder die elementen, indien er toch rekening zou mee gehouden zijn. Het middel wordt niet aanvaard als ernstig middel. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  58. In het vijfde en laatste middel roept verzoekende partij de schending in van “artikel 17, §3 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, van de verplichting om beslissingen te funderen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven (materiële motiveringsplicht)”, dit omdat de verwerende partij een beroep heeft gedaan op een onderhandelingsprocedure zonder te beschikken over een geldige reden om deze gunningswijze te kiezen. Deze meent zich te kunnen beroepen op artikel 17, § 3, 4/, volgens hetwelk een onderhandelingsprocedure voor wat betreft diensten mogelijk is indien de aard van de dienst zodanig is dat de specificaties van de opdracht niet kunnen worden bepaald met voldoende nauwkeurigheid om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van aanbesteding of offerteaanvraag. De facto zijn echter nooit onderhandelingen gevoerd zodat de beweerde noodzaak voor het hanteren van een uitzonderingsprocedure, zoals een onderhandelingsprocedure, niet gerechtvaardigd XII-6326-32\35 was. Indien verwerende partij bij de aanvang van de gunningsprocedure nog zou kunnen hebben voorgehouden dat de aard van de dienst dermate specifiek was dat er enkel een beroep kon worden gedaan op een onderhandelingsprocedure is aldus tijdens de duur van de procedure gebleken dat dit in realiteit niet het geval was. De verzoekende partij betoogt nog dat het feit dat zij de kans heeft gehad om deel te nemen aan de gunningsprocedure, geen beroep heeft ingesteld bij de aanvang van de gunningsprocedure en daadwerkelijk heeft gekandideerd, de gunningsprocedure niet wettig maakt en haar evenmin haar belang bij het middel ontneemt, middel dat overigens te maken heeft met de openbare orde. Beoordeling 21.
  59. Het bestek verwijst in artikel 2.5 naar artikel 17, § 3, 4/ van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten. Deze bepaling luidt als volgt: “§
  60. De overheidsopdracht mag volgens de onderhandelingsprocedure gegund worden met naleving van de bekendmakingsregels bepaald door de Koning wanneer: [...] 4/ in het geval van een overheidsopdracht voor aanneming van diensten: - de aard van de dienst zodanig is dat de specificaties van de opdracht niet kunnen bepaald worden met voldoende nauwkeurigheid om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van aanbesteding of offerteaanvraag”. 21.
  61. Vastgesteld kan worden dat verzoekende partij in de toelichting van het middel zelf schrijft: “indien verweerster bij de aanvang van de gunningsprocedure nog zou kunnen voorgehouden hebben dat de aard van de dienst dermate specifiek was dat er enkel beroep gedaan kon worden op een onderhandelingsprocedure is tijdens de duur van de procedure gebleken dat dit in realiteit niet het geval was”, en dat zij uit het feit dat in feite geen onderhandelingen werden gevoerd afleidt dat de beweerde noodzaak voor de onderhandelings- procedure niet bestond. Aldus toont zij niet aan dat verwerende partij, bij de aanvang van de procedure, niet van oordeel kon zijn dat de aard van deze aanneming van diensten zodanig was dat de specificaties van de opdracht niet konden worden bepaald met voldoende nauwkeurigheid om de toewijzing toe te laten volgens de procedure van XII-6326-33\35 aanbesteding of offerteaanvraag. Integendeel erkent zij veeleer dat verwerende partij dit standpunt mocht innemen. Verzoekende partij toont voorts niet aan waarom artikel 17, § 3, wel daadwerkelijke onderhandelingen vereist, minstens niet waarom uit de afwezigheid daarvan blijkt dat verwerende partij ten onrechte van oordeel was dat niet vooraf voldoende nauwkeurige specificaties voor de opdracht van diensten bepaald konden worden om een toewijzing middels aanbesteding of offerte-aanvraag mogelijk te maken. 21.
  62. Het vijfde en laatste middel is bijgevolg niet ernstig. VII. Besluit
  63. Nu geen van de middelen ernstig is bevonden, is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief moeten zijn vervuld wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
  64. Het verzoek van de Gerechtsdeurwaarders Marc Beerten - Martine Vergauwen - Willy Mertens - Roger Vandenhende - Jan De Belder samen met de middelenvennootschap BDMV Gerechtsdeurwaarders Antwerpen tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  65. De Raad van State verwerpt de vordering.
  66. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 750 euro, elk voor een zesde. XII-6326-34\35 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 september 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Dierk Verbiest XII-6326-35\35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.681 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2014:ARR.229.188 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.