← België

Arrest 207683 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 28/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.683 Rolnummer: A. 197750/XII-6351 Zaak: Arrest 207683 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 28/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 05:11 Fiche Arrest nr 207.683 van 28 september 2010 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 207.683 van 28 september 2010 in de zaak A. 197.750/XII-6351 In zake: Anthony OPHOFF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mark Ballon kantoor houdend te Antwerpen Britselei 39 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW ONZE-LIEVE-VROUWECOLLEGE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Verstraete kantoor houdend te Antwerpen Schermersstraat 30 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 21 september 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 september 2010 van het bevoegd gezag van het Onze-Lieve- Vrouwecollege te Antwerpen om de over Anthony Ophoff delibererende klassen- raad niet opnieuw samen te roepen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 september 2010, om 10.30 uur. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. XII-6351-1\11 Advocaat Martine Wendrickx, die loco advocaat Mark Ballon verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Rudi Lodefier, loco advocaat Jan Verstraete en lid van de raad van bestuur Robert Mennes, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2009-2010 ingeschreven als leerling van het tweede jaar van de derde graad, wetenschappen-wiskunde, aan het Onze-Lieve-Vrouwecollege te Antwerpen. 3.
  5. De over verzoeker delibererende klassenraad stelt aan het einde van het schooljaar vast dat verzoeker twee jaartekorten heeft, voor de vakken wiskunde (46%) en fysica (45,3%). De klassenraad stelt zijn beslissing over het slagen van verzoeker uit en beslist om hem bijkomende proeven op te leggen voor deze vakken. 3.
  6. Voor de bijkomende proeven behaalt verzoeker 52% voor fysica en 44,6% voor wiskunde. Volgens verzoeker werden die punten hem enkel mondeling meegedeeld. 3.
  7. Op 30 augustus 2010 beslist de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C te geven. Die beslissing wordt bij brief van dezelfde datum aan verzoeker meegedeeld door de directeur van het college. De directeur deelt in die brief ook mee dat volgende motivering aan de basis van de uitspraak van de klassenraad ligt: “zijn resultaten zijn vooral voor het vak wiskunde onvoldoende, hij mist door een gebrekkige studiemethode structuur in zijn studiewerk en heeft daarom het totaalpakket van de richting niet kunnen verwerken (belangrijk blanco-gedeelte op het proefwerk), hij heeft niet voldaan voor één of meerdere XII-6351-2\11 van de hoofdcomponenten van de studierichting, hij levert te weinig of niet de juiste studie-inspanningen (gezien de blanco’s op het proefwerk)”. Bij deze brief is een voorgedrukt formulier “Motivering C-attest Deliberatie augustus 2010” gevoegd, eveneens ondertekend door de directeur. De aangekruiste en verder ingevulde onderdelen geven aan dat de resultaten van verzoeker “vooral voor de vakken wiskunde onvoldoende” zijn, dat hij “door een gebrekkige studiemethode structuur mist in zijn studiewerk en daarom [...] het totaalpakket van de richting niet [heeft] kunnen verwerken (belangrijk blanco- gedeelte op het pw)”, dat hij “niet voldaan heeft voor één of meerdere van de hoofdcomponenten van de studierichting”, dat hij “te weinig of niet de juiste studie- inspanningen levert (gezien de blanco’s op het pw)” (de cursivering geeft de niet- voorgedrukte, maar met de hand ingevulde tekst weer). 3.
  8. Op 31 augustus 2010 vraagt verzoeker of de delibererende klassenraad zijn beslissing wil heroverwegen. De directeur antwoordt op 3 september 2010 “dat er geen bereidheid was bij de leden van de klassenraad om opnieuw samen te komen”. Vervolgens dient verzoeker een beroep in bij de beroepscommissie. In dit bezwaar argumenteert verzoeker dat de klassenraad hem bijzonder streng heeft beoordeeld zonder rekening te houden met de algemene evolutie en met de andere resultaten uit het rapport, dat het niet volstaat de proef wiskunde hiervan te isoleren, dat hij tijdens het schooljaar blijk gaf van een toegenomen inzet en betere prestaties. Hij merkt op dat de resultaten voor de bijkomende proeven hem slechts mondeling zijn meegedeeld, maar dat hij zijn tekort voor fysica heeft opgetrokken en dat voor wiskunde het klasgemiddelde 48,6% was. Ten onrechte heeft de klassenraad volgens hem “overdreven veel aandacht” besteed aan de ene onvoldoende voor wiskunde en is het niet slagen op die uitgestelde proef niet zonder meer voldoende als motief om een C-attest af te geven. Ook vestigt hij de aandacht van de beroepscommissie op de resultaten van een andere leerling van zijn klas die met een tekort voor wiskunde toch geslaagd is verklaard, wat hem een schending lijkt van het discriminatieverbod. Verzoeker merkt nog op dat de directeur zijn beslissing om de klassenraad opnieuw samen te roepen ten onrechte liet afhangen van de leerkrachten, dat de directeur zelf een beoordeling moet maken zonder af te gaan op signalen of bereidheid van de leden van de klassenraad zelf. Over de bijkomende proef stelt verzoeker dat hij een “black-out” had zodat zijn blanco op het laatste deel van het examen onterecht is beoordeeld. XII-6351-3\11 De beroepscommissie hoort verzoekers raadsman op 13 september
  9. 3.
  10. Op 15 september 2010 deelt het schoolbestuur aan verzoeker mee dat de delibererende klassenraad overeenkomstig het advies van de beroepscommis- sie niet opnieuw wordt samengeroepen. Het schoolbestuur geeft voor die -naar blijkt uit het administratief dossier op 14 september 2010 genomen- beslissing de volgende motivering: “De delibererende klassenraad heeft in zijn beraadslaging rekening gehouden met alle elementen uit het studiedossier van Anthony Ophoff, de motivatie van het C-attest werd duidelijk geformuleerd en gecommuniceerd aan Anthony Ophoff en zijn ouders in de brief van 30.08.
  11. De motivering van de interne beroepscommissie wordt overgenomen, te weten: - De klassenraad heeft, rekening houdende met de progressie van Anthony, bijkomende informatie willen hebben d.m.v. bijkomende proeven in wiskunde en fysica. Daarop heeft de delibererende klassenraad volgens algemeen coherente normen geoordeeld over het geheel van de resultaten, inclusief voormelde bijkomende proeven, en is tot het besluit gekomen dat Anthony niet voldaan heeft aan de vereisten van 6 WeWIa en heeft hem derhalve een C- attest toegekend. - Er zijn geen aanwijzingen van nieuwe relevante elementen die bij de vorige delibererende KR ongekend waren. Het niet beantwoorden van de vragen in de BP wiskunde kan verklaard worden door een onvoldoende beheersen van de leerstof en de daaruit voortkomende faalangst”. IV. De schorsingsvoorwaarden
  12. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Uiterst dringende noodzakelijkheid en moeilijk te herstellen nadeel
  13. Verwerende partij erkent terecht, gezien het dreigend verlies van een schooljaar, dat aan de eerste en derde schorsingsvoorwaarde is voldaan. Ook de Raad van State ziet in het dossier geen gegevens die tot een andere conclusie nopen. XII-6351-4\11 B. Ernst van de middelen Standpunt van de partijen
  14. Het eerste middel is genomen uit de schending van de motive- ringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de bestreden beslissing verwijst naar de motivatie van het C-attest die uit louter standaardformules bestaat. Het betreft een fiche waarop de klassenraad uit acht motieven één of meerdere kan aankruisen; deze motieven worden dan letterlijk overgenomen in het begeleidend schrijven aan de leerling in kwestie. Volgens verzoeker houden die standaardformu- les geen rekening met andere elementen zoals de studieprogressie, het aandeel van het tekort op het eindresultaat, het inhalen van het tekort voor fysica. De bewering dat verzoeker het “totaalpakket van de richting” niet zou hebben verwerkt wordt in verband gebracht met één tekort, namelijk voor wiskunde. Uit deze motivering blijkt volgens verzoeker dat een aantal essentiële beoordelingen nagelaten werd, waar- onder de studieprogressie, de waarde van het globale studieresultaat, de resultaten van de andere vakken en de mate van het -volgens verzoeker- “licht tekort”. Zonder met die elementen rekening te houden kan volgens verzoeker niet worden besloten dat hij het totaalpakket van de richting niet heeft kunnen verwerken. Ook in het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, evenals van artikel 5, §§ 5 en 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: het organisatiebesluit), omdat de delibererende klassenraad bijzonder streng en louter cijfermatig op één tekort heeft geoordeeld en niet op alle concrete gegevens van zijn dossier. Hij wijst, zoals hij het deed in zijn administratief beroep, op de progressieve evolutie, op zijn andere resultaten zowel voor de andere vakken als voor wiskunde en voor de resultaten op de bijkomende proef fysica. In het derde middel noemt verzoeker de formele-motiveringsplicht en artikel 5, § 6, van het organisatiebesluit geschonden omdat het schoolbestuur melding maakt van een omstandig advies van de beroepscommissie zonder dit mee te delen en omdat het dossier geen proces-verbaal en notulen bevat van de delibererende klassenraad van augustus 2010 zodat hij niet in staat is de motieven van die klassenraad na te gaan. Voorts maakt de beslissing gewag van “algemeen coherente normen” en “de vereisten van 6WeWIa” die nergens zijn toegelicht en XII-6351-5\11 evenmin voorkomen in het schoolreglement. Verzoeker laakt dat hij geen inzicht heeft gekregen in de criteria op grond waarvan hij werd beoordeeld. Het vierde middel is geput uit de schending van inzonderheid het verbod op discriminatie. Verzoeker wijst erop dat een medeleerling van zijn klas met twee tekorten voor wiskunde en fysica een A-attest (lees: diploma) heeft gekregen terwijl het discriminatieverbod inhoudt “dat ieder subject binnen eenzelfde categorie op gelijke wijze behandeld wordt”. Dit houdt volgens verzoeker ook een schending in van het redelijkheidsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht. Dit middel concretiserend noemt verzoeker de medeleerling V.M. die een diploma krijgt met tekorten voor Frans (47,3%) en chemie (42%) en leerling V.B. die het diploma krijgt -zonder bijkomende proeven- met tekorten voor wiskunde (48%) en fysica (47%). Vooral de beoordeling van deze laatste is volgens verzoeker niet te rijmen met de beoordeling over zijn prestaties, des te minder omdat hij zijn tekort voor fysica heeft opgehaald. Ook van leerling V.B. mag men zich dan afvragen of deze het totaalpakket van de richting heeft kunnen verwerken. Het vijfde middel tenslotte is geput uit de schending van artikel 6quater van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 en van de artikelen 5, § 1, 72 en 73 van het organisatiebesluit omdat enkel de delibererende klassenraad overeenkomstig die bepalingen autonoom oordeelt over het al dan niet slagen van de leerling. Verzoeker citeert andermaal de motieven van de bestreden beslissing zoals die hem zijn meegedeeld, en merkt op dat uit het C-attest blijkt dat de delibererende klassenraad zich op ándere motieven heeft gesteund. Van de motieven die hem nu worden meegedeeld heeft de klassenraad nooit gewag gemaakt. Deze argumenten geven dus enkel het standpunt weer van het schoolbestuur of de adviescommissie, doch niet van de delibererende klassenraad.
  15. In de nota met opmerkingen antwoordt verwerende partij bondig op de middelen, samen genomen. Zij wijst erop dat verzoeker ook het vijfde jaar reeds tot tweemaal toe heeft moeten doorlopen en dat zijn resultaat op de eind- examens weerom tekorten voor twee kapitale vakken vertoonde zodat hem hiervoor bijkomende proeven werden opgelegd. De motivering van de beslissing bestaat volgens haar voor een overgroot deel uit de door verzoeker afgelegde proeven zelve, waarbij niet uit het oog verloren mag worden dat verzoeker op de bijkomende proef wiskunde een nagenoeg blanco antwoordblad heeft afgegeven voor de deelcompo- nenten statistiek, kansrekening en combinatieleer. XII-6351-6\11 Beoordeling
  16. De Raad van State herinnert vooreerst aan enkele algemene principes welke voortvloeien uit de in de middelen aangevoerde regelgeving. De delibererende klassenraad is krachtens artikel 6quater van de schoolpactwet van 29 mei 1959 het enige orgaan dat bevoegd is om beslissingen te nemen inzake het al dan niet geslaagd zijn van de leerlingen. Hij dient daarbij te oordelen of de regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar of -zoals te dezen- een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een bepaald civiel effect impliceert. Uit de bepalingen van het organisatiebesluit waarvan verzoeker de schending aanvoert, mag worden afgeleid dat de delibererende klassenraad zich bij het nemen van zijn beslissing over het al dan niet geslaagd zijn van een leerling niet louter mag laten leiden door de resultaten van de examens als zodanig, maar rekening moet houden met alle concrete gegevens van het dossier van de leerling, waaronder voorzeker de resultaten van de examens, maar evenzeer ook de resultaten van het dagelijks werk, de evolutie van deze resultaten, de inzet van de leerling, de vaststellingen, beslissingen en aanbevelingen van de begeleidende klassenraad en de mate waarin de leerling daaraan is tegemoet gekomen. Wanneer de delibererende klassenraad oordeelt dat hij de leerling aan een bijkomende proef moet onderwerpen wordt de uitslag die de leerling behaalt op die bijkomende proef een aanvullend gegeven van het dossier. Het behaalde resultaat op de bijkomende proef is echter niet -noch in gunstige, noch in ongunstige zin- alléénbepalend. Het vormt slechts één element en een tekort ontslaat de delibererende klassenraad niet ervan om alsnog op basis van alle beschikbare gegevens over het al dan niet slagen van de leerling te delibereren. Het organisatiebesluit regelt in de artikelen 68 en volgende het recht van een leerling om een beslissing van de delibererende klassenraad waarmee hij zich niet kan verenigen te betwisten middels overleg en bezwaar bij een beroepscommissie. Op advies van die beroepscommissie beslist uiteindelijk het bevoegd gezag of er reden is om de delibererende klassenraad al dan niet opnieuw samen te roepen. XII-6351-7\11 Een leerling die gebruik maakt van zijn recht om een deliberatie- beslissing aan te vechten, mag verwachten dat in de loop van de administratieve beroepsprocedure een antwoord komt dat ervan doet blijken dat zijn bezwaren ernstig in overweging zijn genomen. Daarbij moet evenwel elk orgaan dat in het kader van deze procedure een opdracht krijgt toevertrouwd, erop letten zich aan de grenzen van die opdracht te houden, zoals die zijn getrokken bij de artikelen 72 en 73 van het organisatiebesluit: de beroepscommissie adviseert, het schoolbestuur beslist om de delibererende klassenraad al dan niet opnieuw samen te roepen en die klassenraad is als enig orgaan bevoegd om te oordelen over het slagen van de leerling in kwestie. De beroepscommissie en naderhand het schoolbestuur mogen niet de beslissing van de delibererende klassenraad overdoen. Als de grieven van de leerling relevant blijken en in de motivering van de delibererende klassenraad geen weerlegging kregen, staat er niets anders te doen dan (te adviseren om) deze klassenraad opnieuw samen te roepen.
  17. Net zo min als verzoeker beschikt de Raad van State over de notulen van de delibererende klassenraad -laat staan over een versie die voldoet aan de vormvereisten voorgeschreven bij artikel 5, § 6, van het organisatiebesluit. In het administratief dossier is wel een proces-verbaal overgelegd, maar dit stuk bevat dan weer geen enkele motivering. Aan de hand van de documenten waarop de Raad momenteel acht kan slaan, wordt dan ook aangenomen dat de door de delibererende klassenaad aangenomen motivering voor het C-attest -enkel- de aangekruiste vermeldingen zijn op het formulier vernoemd sub 3.
  18. Op het eerste gezicht wordt met verzoeker vastgesteld dat de beslissing van de delibererende klassenraad slechts stijlformules bevat die blindelings op tal van leerlingen toegepast kunnen worden zonder dat ermee is aangetoond dat ook met de concrete en individuele gegevens van die leerlingen rekening is gehouden, terwijl net de weinige met de hand toegevoegde vermeldingen over verzoeker (de vermelding van het ene vak wiskunde en van de “blanco’s” op de uitgestelde proef) bij hem wel de indruk moeten wekken dat de klassenraad, die wel “het totaalpakket van de richting” als niet verwerkt noemt, enkel oog heeft gehad voor de tekorten op één vak. Door de standaardformule dat hij niet heeft voldaan voor “één of meerdere van de hoofdcomponenten van de studierichting” lijkt het wel of de klassenraad ook het vak fysica nog als “niet voldaan” bestempelt; alleszins is het ongewijzigd laten van de woorden “één of meerdere” onzorgvuldig, en niet toegespitst op verzoekers reële situatie. Uit de motivatiefiche zoals die aan XII-6351-8\11 verzoeker is meegedeeld, verwerft hij geen inzicht in de criteria en de concrete afwegingen die voor de eindconclusie van het C-attest hebben meegespeeld, blijkt niet dat de delibererende klassenraad zijn tekort voor wiskunde heeft gerelateerd aan het resultaat voor fysica, de andere vakken, het geheel van de punten, de beweerde progressie en inzet en het beweerd “licht”, niet dramatisch karakter van het gebleven tekort. Evenmin is het zo spontaan en dus zonder behoefte aan enige bijkomende motivering duidelijk dat, in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, dit geheel van gegevens in het geheel niet kan opwegen tegen het tekort voor wiskunde. De beslissing van de delibererende klassenraad lijkt bijgevolg, in strijd met de aangevoerde bepalingen en beginselen, niet wettig gemotiveerd. Die vaststelling alleen reeds had het bevoegd gezag ertoe moeten brengen om de klassenraad opnieuw samen te roepen, zodat die weigering eveneens onwettig lijkt. Ten overvloede wordt hierna nog nader ingegaan op de eigen motivering van de bestreden beslissing.
  19. Aangezien het advies van de beroepscommissie aan verzoeker niet is meegedeeld, kan hij daarin niet het antwoord vinden dat hij zocht op de vraag of wel degelijk rekening is gehouden met zijn progressie tijdens het jaar, met de resultaten voor de andere vakken, met de betere prestatie voor fysica, met de gelijke toepassing van de beoordelingscriteria en de andere vragen en opmerkingen die hij in zijn bezwaarschrift heeft opgeworpen. Alhoewel een afschrift van het advies thans wel in het administratief dossier is overgelegd, mag de Raad van State er voor de beoordeling van de aangevoerde middelen om die reden vooralsnog geen rekening mee houden.
  20. De directeur deelt verzoeker dan de bestreden beslissing mee met een korte, hiervoor aangehaalde motivering. Wat de referentie aan de motivering van het C-attest op 30 augustus 2010 betreft, is hiervoor reeds voorlopig vastgesteld dat deze niet afdoende was. Voorts is erin te lezen dat de klassenraad rekening heeft gehouden met de progressie van verzoeker en “volgens algemeen coherente normen” geoordeeld “over het geheel van de resultaten”. Dit is, alweer, een zo vage formulering dat verzoeker met reden mag stellen, zo lijkt, nog steeds niet een antwoord te hebben gekregen op zijn concrete grieven.
  21. Ook wat het gelijkheidsbeginsel betreft, lijkt verzoeker voldoende concreet een grief aan de beroepscommissie te hebben voorgelegd opdat hij er een XII-6351-9\11 antwoord op mocht verwachten. De resultaten van de medeleerling lijken immers prima facie zo met de zijne overeen te stemmen, dat hij van verwerende partij mocht verwachten dat zij aantoont de deliberatiecriteria op beide leerlingen op gelijke wijze toegepast te hebben zodat enkel in de onderscheiden concrete dossiers de reden is terug te vinden dat hij bijkomende proeven moest afleggen en een C-attest kreeg, terwijl de andere leerling een diploma heeft verworven.
  22. In de nota met opmerkingen, en nog meer en concreter ter terechtzitting, gaat verwerende partij in op hetgeen voor de beroepscommissie zou zijn besproken en wat toen aan verzoekers raadsman werd uiteengezet. Er wordt ook ingegaan op de verschillen die zouden bestaan tussen verzoeker en de andere leerlingen waarmee hij zich vergelijkt en op de onverwerkte deelaspecten van het vak wiskunde. Dit is echter alles hetzij uitleg post factum hetzij verklaringen die niet op papier zijn gesteld op het ogenblik waarop het moest gebeuren, zodat de Raad van State er thans geen rekening mee mag houden.
  23. De middelen zijn in de besproken mate ernstig. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State beveelt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 september 2010 van het bevoegd gezag van het Onze-Lieve-Vrouwecollege te Antwerpen om de over Anthony Ophoff delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. XII-6351-10\11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 september 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6351-11\11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.683 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.577 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.