← België

Arrest 207684 - Onteigeningen - 28/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.684 Rolnummer: A. 196606/X-14563 Zaak: Arrest 207684 - Onteigeningen - 28/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-06 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-30 05:11 Fiche Arrest nr 207.684 van 28 september 2010 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 207.684 van 28 september 2010 in de zaak A. 196.606/X-14.

  1. In zake:
  2. Aime DE COCK
  3. Patricia VAN KERCKHOVE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Etienne De Prijcker kantoor houdend te 9220 HAMME Marktplein 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 AVELGEM Kasteelstraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  4. De vordering, ingesteld op 31 mei 2010, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 5 maart 2010 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur betreffende de onteigening van onroerende goederen op het grondgebied van de gemeente Hamme in het kader van en noodzakelijk voor de inrichting van het Bulbierbroek, onderdeel van het geactualiseerd Sigmaplan. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 september
  6. X-14.563-1/6 Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Etienne De Prijcker, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Eric Lancksweerdt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. De beide verzoekende partijen zijn eigenaar van een perceel dat is gelegen te Hamme en dat kadastraal bekend is onder sectie E, nr.
  9. De eerste verzoeker is ook eigenaar van de percelen die zijn gelegen te Hamme en die kadastraal bekend zijn onder sectie E, nrs. 90/a en 91/a. Deze percelen vallen onder het bestreden onteigeningsbesluit.
  10. Op 22 juli 2005 bekrachtigt de Vlaamse regering het “meest wenselijk alternatief” als uitgangspunt voor de concretisering en verdere uitwerking van het geactualiseerde Sigmaplan. Er worden een aantal prioritaire projecten vastgelegd die ten laatste in 2010 moeten starten. Daartoe behoort het project “Bulbierbroek”. Voor de uitwerking van de projecten op clusterniveau worden een aantal studies en processen gestart, waaronder een “ecosysteemvisie voor de vallei van de tijgebonden Durme”.
  11. Bovenstaande opties worden vastgelegd in een ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) dat op 24 april 2009 voorlopig wordt vastgesteld.
  12. In het raam van de procedure voor het opmaken van het GRUP dienen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. X-14.563-2/6
  13. Op 26 maart 2010 besluit de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het GRUP voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en de agrarische structuur, regio Waasland: gebieden van het geactualiseerd Sigmaplan “Durmevallei”.
  14. Bij het bestreden besluit van 5 maart 2010 van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur wordt beslist dat, onder andere, de voormelde percelen van de verzoekende partijen worden onteigend met het oog op de inrichting van het wetland Bulbierbroek. De bedoelde verwervingen worden daarin van algemeen nut verklaard en, gelet op dat algemeen nut, worden de bedoelde percelen onmiddellijk in bezit genomen zodat “de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden voorzien bij de wet van 26 juli 1962, inzonderheid het artikel 5, op deze verwervingen (zal) worden toegepast”. IV. Onderzoek van de vordering
  15. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  16. Wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, wordt vastgesteld dat luidens artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, het enig verzoekschrift “een uiteenzetting (bevat) van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan. De verzoekende partij mag zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dient integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit X-14.563-3/6 blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of dreigt te ondergaan. Het moet voor de Raad van State immers mogelijk zijn met voldoende precisie in te schatten of er al dan niet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voorhanden is, en het moet voor de verwerende partij mogelijk zijn zich tegen de door de verzoekende partij aangevoerde feiten en argumenten te verdedigen. De verzoekende partij dient gegevens aan te voeren die enerzijds wijzen op de ernst van het nadeel dat zij ondergaat of kan ondergaan, hetgeen betekent dat zij aanduidingen zal moeten geven omtrent de aard en de omvang van het te verwachten nadeel, en anderzijds wijzen op de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel. Bij het beoordelen van deze schorsingsvoorwaarde kan alleen rekening worden gehouden met wat ter zake in het verzoekschrift wordt aangevoerd en met de bij dat verzoekschrift gevoegde stukken.
  17. De verzoekende partijen voeren als moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende aan: “Zoals verzoekers reeds stelden in hun geuite bezwaren, baseert verweerster zich in haar besluitvorming o.m. op het Decreet van 22 juli 2005 Verzoekers worden hun eigendomsrechten ontnomen en er wordt voor hen ook geen alternatief aangeboden zoals o.m. reeds gevraagd aan de betrokken diensten op 12 maart 2008 en 17/12/2008 Daar waar de onteigende (sic) overheid flankerende maatregelen voorzag voor landbouwers werden de rechten van verzoekers als eigenaars-gebruikers volledig miskend. De vraag van verzoekers om het bosperceel gelegen in het noordwesten van het projectgebied dat op het inrichtingsplan als te behouden bos werd beschreven te ruilen werd niet ingegaan (zie brief ANB dd 3 juni 2009 aan de raad van verzoekers)”.
  18. Het bestreden besluit heeft enkel de verklaring van openbaar nut van de verwerving van de betrokken gronden en de machtiging tot de onteigening met de mogelijke toepassing van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte tot voorwerp. De door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen vinden derhalve hun rechtstreekse oorzaak, niet in het aangevochten besluit, maar in de onteigening van de betrokken innemingen. De verzoekende partijen zullen evenwel pas uit hun eigendom worden ontzet wanneer de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De vrederechter kan die onteigening pas uitspreken en de provisionele vergoeding slechts bepalen nadat hij het aangevochten besluit zowel X-14.563-4/6 op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst. De verzoekende partijen zullen de wettigheidsbezwaren die zij nu aanvoeren, nog kunnen doen gelden voor de vrederechter. Deze zal er uitspraak over moeten doen en, indien zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het verlies van de eigendom door de verzoekende partijen alsnog afgewend kunnen worden. Zonder te moeten nagaan of de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor de verzoekende partijen, moet alleszins worden vastgesteld dat deze geen moeilijk te herstellen ernstig karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  19. Bovendien verduidelijken de verzoekende partijen op onvoldoende wijze welk moeilijk te herstellen ernstig nadeel de onteigening voor hen precies teweegbrengt.
  20. In zoverre de verzoekende partijen ter terechtzitting nog aanvoeren dat een onteigeningsplan, genomen vóór een GRUP, onwettig is, moet worden vastgesteld dat de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde schorsingsvoorwaarden, met name dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, twee van elkaar te onderscheiden voorwaarden zijn die elk afzonderlijk dienen te zijn vervuld. Eventuele onwettigheden waardoor het bestreden besluit zou zijn aangetast zijn geen nadelen die hun rechtstreekse oorzaak vinden in de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Zij kunnen dan ook niet dienstig worden ingeroepen.
  21. Uit het voorafgaande volgt dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. X-14.563-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig september 2010, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Astrid Truyens, griffier. De griffier De voorzitter Astrid Truyens Stephan De Taeye X-14.563-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.684 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.215.772 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.