id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.718 Rolnummer: A. 123250/V-1648 Zaak: Arrêt / Arrest 207718 - Fonction publique fédérale - Recrutement et carrière / Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-10-01 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-30 05:12 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 207.718 van 28 september 2010 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Vde KAMER nr. 207.718 van 28 september 2010 in de zaak A. 123.250/V-1648 In zake : Jean DEWIT wonend te Strombeek-Bever (Grimbergen) J. Van Elewijckstraat 92/5 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Buitenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alain Verriest en Patrik De Maeyer kantoor houdend te Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen : 1. Marie-Christine CARNIER wonend te Gent Sint-Lievenslaan 90 2. Claudine DEKAIS wonend te Sint-Pieters-Woluwe Blauw dreveken 6 3. Patrick DURAY wonend te Sint-Genesius-Rode Rozenlaan 9 --------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 juli 2002, strekt tot de nietigverklaring van de koninklijke besluiten van 29 maart 2002 waarbij Eugène Schoffers, Frédéric Régibot, Patrick Duray, Claudine Dekais, Paul Decuypere, Roland Axters, Marc Buys, Filip David, Maria Aerts, Herman Roloux, Tom Roose, Gino Vanhulle, Wim Van Praet, Ludo Verryken, Ann De Ridder en Marie-Christine Carnier worden bevorderd tot de graad van adviseur bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken. V-1648n-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De eerste tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 oktober 2002. Die tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. De tweede en derde tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 november 2002. Die tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur Marc Lefever heeft een verslag opgesteld. De verzoeker en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Kamervoorzitter Luc Hellin heeft verslag uitgebracht. De verzoeker, die persoonlijk verschijnt, advocaat Emmanuel Jacubowitz, die loco advocaten Alain Verriest en Patrik De Maeyer verschijnt voor de verwerende partij, de eerste tussenkomende partij, die persoonlijk verschijnt, advocaat Maya Tabet, die loco advocaat Monique Detry verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, en advocaat Benoît Cambier, die verschijnt voor de derde tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marc Lefever heeft een met dit arrest grotendeels eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. V-1648n-2/15 III. Regelmatigheid van de rechtspleging 3. Op 12 februari 2003 verzond Patrick Duray een memorie in tussenkomst. Deze is evenwel ingediend buiten de hiervoor gestelde termijn, zodat dit stuk uit de debatten wordt geweerd. IV. Feiten 4. Met een dienstorder van 20 juli 2001 worden zeventien verschillende betrekkingen van adviseur vacant verklaard. De verzoeker is kandidaat voor alle zeventien betrekkingen. De directieraad onderzoekt de kandidaturen voor die betrekkingen in zijn vergadering van 4 oktober 2001. Hij onderzoekt vooreerst de geschiktheid van de kandidaten in functie van de algemene criteria voor een betrekking van adviseur. De kandidatuur van de verzoeker wordt als volgt beoordeeld: “Jean DEWIT is 46 en licentiaat in de rechten. Hij heeft het tweetaligheids- attest. Hij begon zijn carrière bij de DGA en ging vervolgens over naar de DGC. Hier is hij reeds verscheidene jaren actief bij de directie noodhulp en juridische zaken. Twee en een half jaar heeft hij zijn werkzaamheden bij het departement onderbroken om de functie van gemeentesecretaris uit te oefenen. De heer DEWIT is een bekwaam jurist die belangstelling heeft voor zijn taak. Hij heeft een kritische ingesteldheid en interesseert zich voor vraagstukken buiten zijn eigenlijke beroepssfeer. Toch heeft hij de neiging zich in te laten met dossiers waarvoor hij niet beschikt over de nodige technische know-how, geen professioneel belang heeft en die niet onder zijn bevoegdheid ressorteren. Als gevolg hiervan verstrekt hij bijwijlen juridische adviezen die voor betwisting vatbaar zijn. Tot nog toe heeft hij niet de gelegenheid gehad om te bewijzen dat hij leiding kan geven. Hij is perfect tweetalig”. Hij wordt gerangschikt onder die kandidaten die het zeer goed doen in hun huidige functie maar die niet beantwoorden aan alle algemene criteria met de volgende motivering: “Van de heer Dewit is tot nog toe nooit gebleken dat hij een team kan leiden”. Daarna vergelijkt de directieraad de kandidaten per betrekking in functie van de voor de betrekking vereiste kwaliteiten. De verzoeker wordt voor geen enkele betrekking als eerste voorgedragen. V-1648n-3/15 Hij wordt van de rangschikking op de hoogte gebracht met een brief van 25 januari 2002. Op 6 februari 2002 tekent hij bezwaar aan. In zijn bezwaarschrift zet hij zijn grieven als volgt uiteen: “Dat bepaalde juridische standpunten die ik zou ingenomen hebben, ‘voor betwisting vatbaar zijn’. Terwijl het eigene van een juridische stelling juist is dat enkel een toetsing door de rechter toelaat haar te valideren, of niet. En dat diegene die een bepaald standpunt inneemt of wil verkondigen, liefst rekening houdt, wil hij zijn geloofwaardigheid bewaren, met de gangbare rechtspraak en de algemeen aanvaarde rechtsleer. Dat ik ‘tot nog toe ... niet de gelegenheid gehad (heb) om te bewijzen dat (
- ik)leiding kan geven’. De vraag kan gesteld worden hoe deze ‘vaststelling’ te rijmen valt met die andere vaststelling, enkel(
- e)regels voordien, dat ik tweeënhalf jaar het ambt heb uitgeoefend van gemeentesecretaris? Terwijl het specifieke van deze functie juist is, dat de gemeentesecretaris niet enkel aan het hoofd staat van het gemeentepersoneel, maar vooral dat hij er leiding aan geeft. Terloops wens ik eraan te herinneren dat het op uitdrukkelijk verzoek van het Departement is, dat ik uiteindelijk verzaakt heb aan deze functie, om opnieuw ter beschikking van het Departement te zijn. Tenslotte wens ik te laten opmerken nooit te zijn gevlucht voor enige verantwoordelijkheid, maar is het het Departement zelf, dat zonder mij daarin te kennen, enkele jaren geleden, om redenen die helemaal geen uitstaans hadden met mijn functioneren, mij de verantwoordelijkheid van de dienst heeft onttrokken waar ik twaalf jaar aan één stuk mijn beste krachten aan heb gewijd”. De directieraad onderzoekt in zijn vergadering van 6 maart 2002 de bezwaarschriften die door verscheidene kandidaten zijn ingediend. De bespreking van verzoekers bezwaarschrift wordt als volgt weergegeven in de notulen: “In zijn schijven verklaart de heer Dewit dat alleen een tribunaal bij machte is te oordelen over de juiste interpretatie van een tekst. Dit is volledig juist, maar het is niet minder juist dat indien een aantal elementen van de basisredenering niet gerespecteerd worden van meet af aan, er een grote kans bestaat dat het resultaat verkeerd is. Het blijkt nu dat de heer Dewit niet alle regelgeving en wettelijke bases gebruikt voor zijn juridische gedachtengang of nog dat hij tot besluiten komt die in sommige opzichten juistheid missen. In bepaalde domeinen houdt hij niet voldoende rekening met de evolutie van de jurisprudentie. V-1648n-4/15 De verklaringen wat betreft de manier waarop hij zijn taak van gemeentesecretaris heeft vervuld kunnen niet nagetrokken worden door deze Raad en dienen niet in overweging genomen te worden om de beoordeling, die deze Raad dient te maken van de professionele kwaliteiten van de heer Dewit binnen ons departement te herzien. Ten slotte dient ook benadrukt te worden dat het uit hoofde is van het verbod om twee verschillende administratieve loopbanen te cumuleren dat de heer Dewit uitgenodigd werd een keuze te maken en dat zijn keuze gevallen is op een terugkeer naar ons Departement. Dit bezwaarschrift heeft niet echt nieuwe elementen aan het licht gebracht”. De secretaris-generaal legt het benoemingsdossier aan de minister voor met een nota van 27 maart 2002. In deze nota legt hij uit dat voor één van de zeventien vacante betrekkingen de procedure nog niet is afgelopen en dat er bijgevolg op dat ogenblik slechts zestien benoemingen kunnen gebeuren. Hij geeft een gedetailleerd overzicht van de bezetting van de taalkaders door bij alle ingenomen betrekkingen van adviseur de naam van de adviseur te vermelden samen met zijn taalrol. Ook de laureaten van het taalexamen dat toegang verleent tot het tweetalig kader worden specifiek aangeduid als tweetaligen van de Franse of de Nederlandse taalrol. Vervolgens brengt hij ter kennis van de minister wie op dat ogenblik wegens loopbaanonderbreking, detachering, stageverlof of ziekteverlof afwezig is. Na opgave te hebben gedaan van de volledige toestand op taalgebied voor de graad van adviseur is hij van oordeel dat teneinde het taalevenwicht te herstellen er zes betrekkingen moeten worden toegewezen aan het Franse taalkader en tien aan het Nederlandse taalkader. Bij koninklijke besluiten van 29 maart 2002 worden zestien ambtenaren bevorderd tot de graad van adviseur. Zes bevorderingen gebeuren in het Franse taalkader, tien in het Nederlandse taalkader. Deze zestien besluiten, die bij wege van vermelding worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 mei 2002, vormen het voorwerp van het voorliggende beroep. V-1648n-5/15 V. Ontvankelijkheid van het beroep 1. Samenhang Standpunt van de partijen 5. De verwerende partij en de eerste tussenkomende partij werpen op dat er onvoldoende samenhang bestaat tussen de bestreden benoemingen opdat ze met één en hetzelfde verzoekschrift zouden kunnen worden bestreden. Volgens hen is de vordering maar ontvankelijk ten opzichte van het als eerste in het verzoekschrift vermelde besluit, zijnde de benoeming van Eugène Schoffers. Het gebrek aan samenhang blijkt volgens hen uit het feit dat oorspronkelijk 17 benoemingsbesluiten genomen hadden moeten worden maar dat er door omstandigheden slechts 16 werden genomen en de laatste bevordering later is geschied. 6. De verzoeker antwoordt daarop dat de betrekkingen met eenzelfde dienstorder vacant werden verklaard en dat de aldus gestarte procedure waarin de kandidaten niet alleen op hun intrinsieke kwaliteiten werden beoordeeld maar ook ten opzichte van elkaar werden afgewogen haar beslag kreeg door zestien benoemingsbesluiten die “en bloc” werden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Daarenboven zijn de aangevoerde middelen toepasselijk op eender hetwelk van die zestien besluiten en zullen ze leiden tot de vernietiging van alle zestien besluiten. Beoordeling 7. Verscheidene vorderingen kunnen slechts ontvankelijk als één enkele rechtszaak aanhangig worden gemaakt, indien de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd, meer bepaald indien de vorderingen, wat hun voorwerp of wat hun grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot één vordering een weerslag zullen hebben op de uitkomst van een andere. Wanneer verscheidene benoemingen met één en hetzelfde verzoekschrift worden bestreden is er slechts voldoende samenhang tussen die benoemingen indien deze zijn gebeurd op basis van eenzelfde benoemingsprocedure V-1648n-6/15 of indien de procedures volledig gelijktijdig zijn verlopen en het onderzoek van de beroepen geen afzonderlijke behandeling noch afzonderlijke debatten vereist. 8. Te dezen vordert de verzoeker de vernietiging van 16 koninklijke besluiten waarbij telkens een bevordering tot een graad van adviseur wordt toegekend en waarvoor de verzoeker telkens zijn kandidatuur heeft gesteld. Uit het administratief dossier blijkt dat met een enig dienstorder nr. 2001/20 van 20 juli 2001 de betrekkingen van adviseur waarvan de toekenningen door de verzoeker naderhand zijn aangevochten, vacant zijn verklaard. Bij datzelfde dienstorder is een taakomschrijving van elk van die betrekkingen gevoegd. Blijkens de agenda van de vergadering van de directieraad van het hoofdbestuur bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken van 4 oktober 2001 zijn algemene criteria vastgesteld, geldend voor al de openstaande betrekkingen van adviseur. Op 4 oktober 2001 zijn eerst alle kandidaturen beoordeeld op basis van die algemene criteria voor de functie van adviseur. Daarna zijn vergelijkingen gemaakt in functie van de geambieerde betrekking. Bij die vergelijkingen wordt soms intrinsiek verwezen naar andere betrekkingen waarvoor de kandidaten ook gepostuleerd hebben en waarvoor zij volgens de notulen van de directieraad blijkbaar over meer competenties zouden beschikken. Per vacante betrekking is daarna door de directieraad tot de stemming overgegaan. Alle gegadigden hebben met een schrijven van 25 januari 2002 kennis gekregen van de volledige uitslag van de stemmingen en van de notulen van de directieraad die betrekking hebben op de voormelde bevorderingsronde. Twaalf gegadigden, waaronder de verzoeker, hebben bezwaar aangetekend tegen hun evaluatie door de directieraad. Die bezwaren zijn gezamenlijk onderzocht tijdens een vergadering van 6 maart 2002, waarna de directieraad de rangschikkingen opgemaakt op 4 oktober 2001 integraal heeft bevestigd. V-1648n-7/15 Uit wat voorafgaat blijkt dat de procedures die geleid hebben tot de bestreden bevorderingen gelijktijdig zijn verlopen, en dit zowel wat betreft de vacantverklaring, het onderzoek van de kandidaturen en van de bezwaarschriften, als wat betreft de bevorderingsvoorstellen en de benoemingsbesluiten. Het gaat derhalve niet om los van elkaar staande bevorderingsprocedures, doch om procedures die elkaar in sterke mate hebben beïnvloed, ook voor het bepalen van de taalrol waaraan de betrekking moest worden toegewezen en dus ook voor de uiteindelijke keuze van de benoemden. Er bestaat bijgevolg een voldoende samenhang tussen alle door de verzoeker bestreden koninklijke besluiten. De exceptie wordt afgewezen. 2. De benoemingen gedaan op het Franse taalkader Uiteenzetting van de exceptie 9. De verwerende partij werpt op dat de verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van de bevordering van Eugène Schoffers en de andere Franstalige kandidaten, op grond dat de vernietiging hem geen rechtsherstel kan geven gelet op het taalevenwicht. In geval van vernietiging zullen die betrekkingen opnieuw moeten worden toegewezen aan het Franse taalkader. Beoordeling 10. Een verzoeker heeft geen belang bij de vernietiging van een bevordering die werd verleend aan een ambtenaar van de andere taalrol, indien die bevordering ingevolge de bezetting van de taalkaders diende toe te komen aan een ambtenaar van de andere taalrol dan die van de verzoeker. 11. Ter beoordeling van de exceptie dient uitgegaan te worden van de volgende bepalingen en beginselen. V-1648n-8/15 Volgens artikel 43, § 2, eerste lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, in de versie die gold op het ogenblik van de bestreden besluiten, worden de ambtenaren met een graad van rang 13 of hoger of met een graad die gelijkwaardig is, verdeeld over drie kaders: een Nederlands, een Frans en een tweetalig. Artikel 43, § 3, eerste en tweede lid, van de gecoördineerde wetten luidde op het ogenblik dat de bestreden besluiten werden genomen: “De Koning bepaalt, voor de duur van ten hoogste zes jaar, die kan worden verlengd zo geen wijziging optreedt, voor iedere centrale dienst, het percentage betrekkingen dat aan het Nederlands en aan het Frans kader dient toegewezen met inachtneming, op alle trappen van de hiërarchie, van het wezenlijk belang dat de Nederlandse en de Franse taalgebieden respectievelijk voor iedere dienst vertegenwoordigen. Nochtans, voor de graden van rang 13 en hoger en de graden die gelijkwaardig zijn, worden de betrekkingen, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke percentages verdeeld tussen de twee kaders. Het tweetalig kader omvat 20 % van de betrekkingen van de graden van rang 13 en hoger en van de graden die gelijkwaardig zijn. Die betrekkingen worden, op alle trappen van de hiërarchie, in gelijke mate verdeeld tussen de twee taalrollen.” Hieruit volgt dat de benoemende overheid verplicht is om bij voorrang te benoemen in het taalkader waarvan het aantal effectief ingenomen betrekkingen het verst verwijderd is van het wettelijk vastgestelde aantal betrekkingen. Bij een benoeming binnen de eerste trap van de hiërarchie dient zij bijgevolg een gelijke verhouding tussen beide taalrollen na te streven, en dit zowel tussen de eentalige kaders onderling als binnen het tweetalige kader; slechts wanneer aan dat vereiste is voldaan, heeft de overheid de vrije keuze tussen kandidaten van verschillende taalrollen. 12. Te dezen blijkt niet te worden betwist dat bij de bestreden bevorderingen de verhouding tussen de taalrollen globaal werd gerespecteerd. Bij de oproep tot de kandidaten is evenwel niet gespecifieerd voor welke taalrol een welbepaalde bevordering zou gelden. De omstandigheid alleen reeds dat kandidaten van de verschillende taalrollen kandidaat waren voor de verschillende functies, en dat bijvoorbeeld de verzoeker kandidaat was voor alle functies, leidt tot de vaststelling dat ook een kandidaat van de Nederlandse taalrol had kunnen bevorderd worden in de functies waartoe Eugène Schoffers en de andere Franstalige ambtenaren zijn bevorderd. V-1648n-9/15 De exceptie wordt verworpen. 3. Verlies aan belang 13. Onder meer ter terechtzitting is vastgesteld dat hangende het geding Claudine Dekais gepensioneerd is, Paul Decuypere overleden is, Roland Axters eervol ontslag heeft verkregen en Patrick Duray, Marc Buys en Ludo Verryken bevorderd zijn tot adviseur-generaal. . De bevordering van Patrick Duray bij koninklijk besluit van 13 april 2008 tot de graad van adviseur-generaal is niet definitief aangezien zij door de verzoeker aangevochten is voor de Raad van State. Deze zaak is gekend onder nr. A. 189.079/IX-5987. Tegen de bevordering van Marc Buys tot adviseur-generaal is eveneens een beroep ingesteld. Dit beroep is inmiddels verworpen bij arrest nr. 184.964 van 30 juni 2008. Die benoeming is dus definitief geworden. Tegen de bevordering van Ludo Verrycken tot adviseur-generaal is geen beroep ingesteld zodat ook deze bevordering definitief is geworden. Het belang van de verzoeker is wat de bestreden bevorderingen van Claudine Dekais, Paul Decuypere, Roland Axters, Marc Buys en Ludo Verrycken betreft, teloorgegaan aangezien de oorspronkelijk geambieerde betrekking opnieuw vrijgekomen is en de verzoeker hierdoor een nieuwe kans heeft gekregen of krijgt om in één van die betrekkingen te worden benoemd. Het beroep is bijgevolg niet meer ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de bevorderingen van Claudine Dekais, Paul Decuypere, Roland Axters, Marc Buys en Ludo Verrycken. V-1648n-10/15 VI. Onderzoek van de middelen Eerste middel, eerste onderdeel Standpunt van de partijen 14. In een eerste middel, eerste onderdeel, voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 17 en 39 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966. Hij zet hierbij uiteen dat de nota van 27 maart 2002 waarmee het bevorderingsdossier werd overgemaakt aan de Minister van Buitenlandse Zaken uitsluitend in het Frans was opgesteld, terwijl het meer was dan een loutere transmissienota en integendeel een oriënterende en beslissingsvoorbereidende toelichting verschafte in verband met de nodige opvulling van de taalkaders waarmee de minister rekening moest houden bij de keuze van de te benoemen kandidaten. Volgens hem volgt uit de bepalingen van de artikelen 17 en 39 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken dat die nota in de beide landstalen moest worden opgesteld. 15. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden besluiten slechts gesteund zijn op het gemotiveerd advies van de directieraad en dat de transmissienota van 27 maart 2002 dan ook geen document is dat op grond van artikel 17, § 1, B, 1/, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken in de taal van de ambtenaar van de dienst moest worden opgesteld. Die nota bevat geen elementen die een invloed zouden kunnen hebben op de oordeelsvorming over de inhoudelijke kwaliteiten van de kandidaten. Uit artikel 39, § 3, van de gecoördineerde wetten blijkt volgens de verwerende partij ook dat alleen onderrichtingen aan het personeel en formulieren en drukwerken voor de binnendienst in het Nederlands en in het Frans moeten worden gesteld. Er wordt daarentegen niet voorgeschreven in welke taal de hoogste ambtenaar van het Ministerie de nota moet stellen die hij richt aan de minister in het kader van het overhandigen van documenten ter finalisering van een bevorderingsprocedure. V-1648n-11/15 In haar laatste memorie stelt de verwerende partij, onder verwijzing naar het arrest nr. 66.117 van de Raad van State van 30 april 1997, luidens hetwelk de nietigheidssanctie zich (slechts) opdringt wanneer de begane onwettigheid geacht moet worden het genomen besluit inhoudelijk te hebben beïnvloed, dat de enige beslissing waarop de bedoelde nota een inhoudelijke invloed kan hebben gehad, de beslissing is geweest te weten hoeveel Nederlandstaligen en hoeveel Franstaligen konden worden benoemd. Buiten die berekening heeft, steeds volgens de verwerende partij, de “transmissienota” geen invloed kunnen hebben op de keuze van de te benoemen personen. De berekening gebeurde bovendien “op basis van een tabel die enkel namen bevat en opgedeeld is in tabellen”, en die gegevens zijn “dus niet in een ‘taal’ opgesteld (noch Nederlands, noch Frans)”. 16. De eerste tussenkomende partij is van mening dat de nota van 27 maart 2002 niet onder de toepassing van de taalwetgeving valt. Bovendien ziet zij niet in hoe verzoeker daardoor in zijn belangen zou zijn geschaad nu de Minister van Buitenlandse Zaken “als Franstalige perfect de inhoud van de begeleidende nota zal hebben begrepen”. Beoordeling 17. Uit artikel 39, § 1, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, dat onder meer verwijst naar artikel 17, § 1, B, 1/, van die wetten, vloeit voort dat in de centrale besturen in een aangelegenheid die betrekking heeft op een ambtenaar van een dergelijk bestuur, alle stukken, minstens alle essentiële stukken, van de procedure volledig, en zonder een beroep te doen op vertalers, moeten worden gesteld in de taal van de betrokkene. Indien, zoals in het voorliggende geval, de procedure leidt tot de benoeming van zowel Nederlandstalige als Franstalige ambtenaren, moet de procedure gevoerd worden in de twee talen. Indien een stuk evenwel niets anders inhoudt dan het louter overmaken van het dossier van de benoemingsprocedure en het geen inhoudelijke informatie betreffende de procedure bevat, kan het zowel in het Nederlands als in het Frans gesteld worden, omdat het als zodanig geen essentieel onderdeel van de procedure is. V-1648n-12/15 18. Met zijn uitsluitend in het Frans gestelde nota van 27 maart 2002 doet de secretaris-generaal van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken aan de Minister van Buitenlandse Zaken een proces-verbaal toekomen dat in de beide landstalen is gesteld en dat is goedgekeurd door de directieraad op 6 maart 2002. Volgens dat proces-verbaal worden de op 4 oktober 2001 gemaakte rangschikkingen voor de bevorderingen tot adviseur bevestigd. In de genoemde nota zet de secretaris-generaal ook uiteen dat voor één van de zeventien vacante betrekkingen de procedure nog niet is afgelopen en dat er bijgevolg op dat ogenblik slechts zestien benoemingen kunnen gebeuren. Hij geeft voorts een gedetailleerd overzicht van de toestand van de bezetting van de taalkaders op 1 maart 2002 door bij alle ingenomen betrekkingen van adviseur de naam van de adviseur te vermelden samen met de taalrol van de betrokken adviseur. Ook de laureaten van het taalexamen dat toegang verleent tot het tweetalig kader worden specifiek aangeduid als tweetaligen van de Franse of de Nederlandse taalrol. Vervolgens brengt hij ter kennis van de minister wie op dat ogenblik wegens loopbaanonderbreking, detachering, stageverlof of ziekteverlof afwezig is. Na opgave te hebben gedaan van de volledige toestand op taalgebied voor de graad van adviseur is hij van oordeel dat teneinde het taalevenwicht te herstellen er zes betrekkingen moeten worden toegewezen aan het Franse taalkader en tien aan het Nederlandse taalkader. De verwerende partij erkent in haar laatste memorie dat de nota van de secretaris-generaal van 27 maart 2002 een inhoudelijke invloed kan hebben gehad op het bepalen van het aantal betrekkingen waarvoor respectievelijk Nederlandstaligen en Franstaligen konden worden benoemd. De Raad van State stelt vast dat het administratief dossier geen enkel ander stuk bevat waaruit de precieze situatie inzake de actuele bezetting van de taalkaders blijkt. De nota van de secretaris-generaal van 27 maart 2002 blijkt aldus méér te zijn dan een louter formeel schrijven waarmee het dossier van de benoemingsprocedure aan de minister wordt overgemaakt. In de nota wordt integendeel een beschrijving gegeven van de feitelijke toestand op taalgebied, en uit die beschrijving wordt, ten behoeve van de minister, een duidelijke conclusie getrokken met betrekking tot de bevorderingen. Anders dan de verwerende partij aanvoert, bevat de nota overigens niet enkel namen en cijfers. Gelet op de inhoud van de nota, moet deze geacht worden het geheel van de benoemingen inhoudelijk te hebben beïnvloed. V-1648n-13/15 Nu de bedoelde nota uitsluitend in het Frans is gesteld, terwijl voor de betrokken bevorderingen zowel Nederlandstalige als Franstalige ambtenaren kandidaat waren, is artikel 39, § 1, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gelezen in samenhang met artikel 17, § 1, B, 1/, van die wetten, geschonden. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. BESLISSING 1. Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de bevorderingen van Claudine Dekais, Paul Decuypere, Roland Axters, Marc Buys en Ludo Verryken. 2. De Raad van State vernietigt de koninklijke besluiten van 29 maart 2002 waarbij Eugène Schoffers, Frédéric Régibot, Patrick Duray, Filip David, Maria Aerts, Herman Roloux, Tom Roose, Gino Vanhulle, Wim Van Praet, Ann De Ridder en Marie-Christine Carnier worden bevorderd tot de graad van adviseur bij de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken. 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten. 4. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op 175 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 375 euro, elk voor één derde. V-1648n-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 september 2010, door de Raad van State, Ve kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Luc Hellin, kamervoorzitter, Jacques Jaumotte, staatsraad, bijgestaan door Wim Geurts, griffier. De griffier De voorzitter Wim Geurts Paul Lemmens V-1648n-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.718 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div