← België

Arrest 207720 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 28/09/2010

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 september 2010 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.720 Rolnummer: A. 197764/XII-6354 Zaak: Arrest 207720 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 28/09/2010 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-09-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 05:12 Fiche Arrest nr 207.720 van 28 september 2010 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Bevolen Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 207.720 van 28 september 2010 in de zaak A. 197.764/XII-6354 In zake: Charlotte JANSSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annelies Verlinden kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 106 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door Scholengroep 1 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Stommels kantoor houdend te Antwerpen Amerikalei 220 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 24 september 2010, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “

(1)De beslissing van verwerende partij houdende de toekenning van een C-attest aan [Charlotte Janssens], genomen op 30 augustus 2010 maar gedateerd op 30 juni 2010;
(2)De beslissing van verwerende partij dd. 3 september 2010 houdende de bevestiging van de toekenning van het C-attest;
(3)De beslissing van verwerende partij dd. 13 september 2010 om de delibererende klassenraad van dé Kunsthumaniora niet opnieuw samen te roepen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-6354-1\20 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 september 2010. Staatsraad Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaten Annelies Verlinden en Jackie Joosen, die verschijnen voor verzoekster en advocaat Jan Fransen, die loco advocaat Marc Stommels verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Diane Mareen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2009-2010 ingeschreven in het tweede jaar van de derde graad toegepaste beeldende kunsten (KSO) in dé!Kunsthumaniora te Antwerpen, onderwijsinstelling die deel uitmaakt van de scholengroep 1 van het Gemeenschapsonderwijs. 3.2. Op het kerstrapport heeft verzoekster tekorten voor Nederlands en Engels. Om medische redenen is verzoekster in 2010 regelmatig afwezig tijdens de lessen, worden haar op het rapport voor dagelijks werk voor meerdere vakken mede om die reden geen punten toegekend en neemt zij ook niet deel aan alle examens tijdens de tweede examenperiode. Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad om verzoekster bijkomende proeven op te leggen voor de vakken Nederlands, Frans, Engels, wiskunde en fysica. Voor deze proeven behaalt verzoekster de volgende resultaten: Nederlands 31% Frans 39% Engels 48% XII-6354-2\20 wiskunde 46% fysica 76%. Op 30 augustus 2010 beslist de delibererende klassenraad om verzoekster een oriënteringsattest C toe te kennen. Hij motiveert aldus : “Te groot aantal onvoldoendes over het gehele schooljaar. Verspreiding onvoldoendes zowel over de Algemene Vakken als over de Kunstvakken. Verspreiding onvoldoendes zowel over het Dagelijks Werk als over de Examens. Onvoldoende op beide examens voor Engels en Nederlands. Onvoldoende over de hele lijn voor Nederlands. Onvoldoende voor hoofdvak(ken) in AV en KV. Onvoldoende voor het specifieke gedeelte. Neerwaartse evolutie: de leerling eindigt na het afleggen van de uitgestelde proeven met nog te veel onvoldoen- des nl. 5 op Examen 2”. Op 2 september 2010 dient verzoekster een uitvoerig gemotiveerd bezwaar in bij de delibererende klassenraad. Zij heeft immers vernomen dat de klassenraad al opnieuw samengeroepen wordt op 3 september 2010. Zij merkt op dat zij eerst het recht heeft op overleg met de voorzitter en op inzage in haar dossier. Zij heeft ook bezwaar tegen de datering van de beslissing op 30 juni, terwijl ze is genomen op 30 augustus. Zij doet gelden dat de begeleiding en de communicatie door de school gebreken vertoont. Met betrekking tot de motivering van de beslissing wijst zij er op dat met het globale resultaat rekening moet worden gehouden; zij is van mening dat de klassenraad enkel oog had voor de resultaten van de bijkomende proeven. Het is haar niet duidelijk of en hoe ook de resultaten van dagelijks werk en examens tijdens het jaar bij de beslissing hebben meegespeeld. Zij wijst concreet de vakken aan waarvoor zij als dagelijks werk goede cijfers behaalde, of ook nog minder goede cijfers kon ophalen. Volgens verzoekster is het cijfer 31% voor de bijkomende proef Nederlands niet correct en moet dit 44% zijn. Verzoekster stelt nog dat de school op de hoogte is van de ernst van haar medische problematiek en dat zij nooit ongewettigd afwezig was; de klassenraad moet hiermee volgens haar rekening houden. 3.3. Op 3 september 2010 beslist de delibererende klassenraad om het C-attest te handhaven. Hij motiveert zijn beslissing aldus : “Motivatie: 1. Rekening houdend met het globale rapport en gelet op het feit dat: - de eindbeslissing werd uitgesteld en de leerling dusdanig de mogelijkheid heeft gekregen om voor een aantal vakken (Nederlands, Frans, Engels, XII-6354-3\20 wiskunde en fysica) bijkomende proeven af te leggen en alzo de jaarresultaten op te krikken, - het aantal bijkomende proeven, met het oog op de haalbaarheid voor de leerling, beperkt werd, - op de bijkomende proeven voor 4 (Nederlands, Frans, Engels en wiskunde) van de 5 vakken alsnog onvoldoende werd gehaald, - het totaal aantal onvoldoendes op het (in afspraak minder uitgebreide) jaarrapport groot is (l3), - de onvoldoendes werden gehaald voornamelijk op de algemene vakken (Nederlands, Engels, Frans, wiskunde, fysica, aardrijkskunde, kunstgeschiede- nis) en ook op het hoofdvak van het specifiek gedeelte (toegepaste beeldende vorming) - de onvoldoendes werden gehaald zowel op dagelijks werk als op de examens, - er vakken zijn waarbij onvoldoende werd gehaald op beide examens (Nederlands, Engels) - er vakken zijn waarbij over het gehele schooljaar (omzeggens) geen voldoende werd gehaald (Nederlands), - het schooljaar, ondanks de uitgestelde proeven en de vrijstelling van een aantal proeven, wordt beëindigd met 5 onvoldoendes, - de leerling intens werd opgevolgd en begeleid op de school, zowel door de leerkrachten (zowel algemene vakken als kunstvakken) als door de leerlingen- begeleiding, - er voortdurend werd gecommuniceerd door de school, zowel door de leerkrachten (zowel algemene vakken als kunstvakken) als door de leerlingen- begeleiding en de directie. 2. overwegende dat:
  1. a)De leerling niet meer in aanmerking komt voor een uitgestelde beslissing: de delibererende klassenraad beschikt over meer dan voldoende informatie om een eindbeslissing te kunnen nemen en de leerling heeft reeds een uitgestelde beslissing verkregen.
  2. b)De leerling niet in aanmerking komt voor een A- attest: de leerling heeft niet in die mate het leerjaar beëindigd dat zij het diploma SO kan behalen.
  3. c)De leerling niet met vrucht is geslaagd voor het 2ste leerjaar van de 3de graad Toegepaste Beeldende Kunst. 3. Beslist de delibererende klassenraad aan de leerling het C- attest toe te kennen Wij verwijzen naar het schoolreglement, waarin de procedure is opgenomen. 2. MET BETREKKING TOT: - DE ONREGELMATIGHEID VAN DE GENOMEN EINDBESLISSING, - HET NIET IN OVEREENSTEMMING ZIJN MET DE PROCEDURE VOORZIEN IN HET SCHOOLREGLEMENT. Besluit: 1. Gelet op het feit dat: 1. de eindbeslissing werd genomen op de delibererende klassenraad van 30 augustus (en niet 27 augustus). 2. de eindbeslissing werd gedateerd op 30 juni 2010 omdat dit reglementair zo bepaald is : alle eindbeslissingen van een schooljaar, ook de uitgestelde, worden gedateerd op 30 juni van dat schooljaar. Mevr. Katrien Legrand, adjunct- directeur en afgevaardigde van de voorzitter van de delibererende klassenraad heeft dit tijdens het gesprek met de ouders op 2 september reeds uitvoerig uitgelegd. 3. de communicatie van de eindbeslissing: - ouders/leerling konden op 30 augustus vanaf 14.00 uur de school telefonisch contacteren om zo vlug mogelijk op de hoogte te zijn. - ouders/leerling konden vanaf 30 augustus vanaf 14.00 uur ook het rapport komen afhalen op de school (zoals ook alle andere leerlingen op 29 en 30 juni). XII-6354-4\20 Moeder/Charlotte is het rapport komen afhalen op 1 september. - Charlotte (meerderjarige leerling) werd per smart (in antwoord op haar vraag per smart) op de hoogte gebracht van de eindbeslissing door de adjunct- directeur op: 30 augustus (mét uitnodiging voor een gesprek, indien gewenst). - tijdens het overleg met de ouders (2 september) werd een dubbel van het gehele rapport nogmaals aan de ouders bezorgd en besproken. 4. overleg met de voorzitter van de delibererende klassenraad of zijn afgevaar- digde: - de pedagogisch directeur en afgevaardigde van de voorzitter van de delibere- rende klassenraad, Mevr. Katrien Legrand, heeft de ouders/leerling 3 maal te woord gestaan: - telefonisch (moeder) op 31 augustus, - mondeling gesprek op school (moeder + leerling) op 1 september - mondeling gesprek op school (beide ouders + leerling) op 2 september - de voorzitter van de delibererende klassenraad, directeur Betty Braem, heeft de ouders (moeder) telefonisch te woord gestaan op 1 september. Bijgevolg: overeenkomstig de klachtenprocedure: - werden de ouders wel degelijk uitgenodigd voor een gesprek (op 30 augustus), - werden de ouders wel degelijk binnen de gestelde termijn van 3 dagen (1 én 2 september) gehoord door de afgevaardigde van de voorzitter van de delibererende klassenraad. 5. indienen van het bezwaarschrift: tijdens het gesprek van 2 september (+ 3de dag van de procedure) werd aan de ouders gezegd dat zij een eventueel schriftelijk bezwaar ook mochten aantekenen per mail om zeker binnen de reglementair gestelde timing te blijven. Betrokken mail werd ontvangen op 2 september 21.06 uur. 6. bijeenroepen van de delibererende klassenraad: tijdens het telefonisch gesprek met de directeur, mevr. Betty Braem (dd. 1 september) heeft de moeder haar bekommernis geuit over de timing. De directeur, voorzitter van de delibererende klassenraad, heeft de moeder gerustgesteld met de melding dat indien er een bezwaarschrift zou ingediend worden en wanneer het bezwaar binnen de termijn de voorzitter zou bereiken, de delibererende klassenraad (indien het bezwaar ontvankelijk zou verklaard worden door de voorzitter) nog binnen de gestelde termijn zou kunnen opnieuw bijeenkomen (bvb. vrijdag 3 september), zodat zij ten spoedigste op de hoogte zouden kunnen gesteld worden van de beslissing. Dit betekende zeker geen voorafname op de beslissing, maar een praktische organisatie in het belang van de leerling/ouder. Bijgevolg: de beslissing om de delibererende klassenraad opnieuw bijeen te roepen werd wel degelijk genomen: - nadat de ouders werden uitgenodigd voor een gesprek, - nadat de ouders het gesprek met de afgevaardigde van de voorzitter van de klassenraad hadden gehad, - nadat de mail van de ouders waarin zij een bezwaar indienden werd ontvangen. 2.Werd: 1. de eindbeslissing wel regelmatig genomen, 2. werd de beroepsprocedure voorzien in het schoolreglement wel gevolgd”. 3.4. Op 8 september 2010 tekent verzoekster beroep aan bij de beroepscommissie. Zoals verzoekster het zelf schrijft in dat bezwaarschrift, herneemt zij “integraal het standpunt uiteengezet in voormeld schrijven van 2 september 2010”. In het bezwaarschrift wordt ook uiteengezet dat, volgens haar, XII-6354-5\20 de beslissing van 3 september 2010 evenmin rekening houdt met haar reeds eerder geformuleerde bezwaren. Op 13 september 2010 hoort de beroepscommissie verzoekster, bijgestaan door haar ouders en een raadsman. 3.5. Op 13 september 2010 deelt de algemeen directeur van de scholengroep 1 Antwerpen van het Gemeenschapsonderwijs aan verzoekster mee, overwegende dat de beroepscommissie “in zitting van 13/09/2010 [...] eenparig [adviseert] om de klassenraad in zijn delibererende functie niet opnieuw samen te roepen”, dat hij “de argumenten die geleid hebben tot het advies van de beroeps- commissie te gronde onderzocht [heeft] en [hij] treedt deze bij”; “de delibererende klassenraad zal dus niet opnieuw worden samengeroepen”. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4. De Raad van State bevestigt ook voor deze zaak de redengeving die hij heeft ontwikkeld, onder meer in de arresten nr. 103.155, Labaere, van 5 februari 2002, en nr. 126.481, Verlende, van 16 december 2003, dat de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: organisatie- besluit) een beroep binnen de school organiseren tegen beslissingen van de delibererende klassenraad, dat de beslissing waarmee de desbetreffende procedure wordt afgesloten, de eindbeslissing is, vatbaar voor beroep voor de Raad van State en dat die eindbeslissing kan zijn, ofwel de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” van de delibererende klassenraad (artikel 74 van het organisatiebesluit), ofwel de beslissing van het schoolbestuur dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit). De eindbeslissing in deze zaak is de weigering van de algemeen directeur om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. De vordering is niet ontvankelijk wat het eerste en het tweede voorwerp betreft. De onwettigheden die verzoekster aan de beslissing van de delibererende klassenraad aanwrijft kunnen echter wel in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de wettigheid van de eindbeslissing. Immers, XII-6354-6\20 wanneer de delibererende klassenraad bij de tweede bestreden beslissing -die in de plaats is gekomen van de eerste bestreden beslissing- onwettig heeft gehandeld, moest zulks voor het bevoegd gezag een reden zijn om die klassenraad opnieuw te doen samenkomen. V. De schorsingsvoorwaarden 5. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoor- den en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. A. Uiterst dringende noodzakelijkheid en moeilijk te herstellen ernstig nadeel 6. Verzoekster wijst op het dreigend verlies van een schooljaar, meer bepaald wil zij haar hogere studies ten spoedigste kunnen aanvatten. Zij verwijst naar de vaste rechtspraak van de Raad van State die het verlies -of dreigend verlies- van een schooljaar als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel erkent. Zij voert voorts aan dat een vordering volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zal komen omdat bij een gewone schorsing het nieuwe schooljaar reeds te ver gevorderd zal zijn. 7. Verzoekster mag zich wat de hier besproken schorsingsvoorwaar- den betreft terecht op de vaste rechtspraak van de Raad van State beroepen, wat overigens verwerende partij ook niet betwist. Het dreigend verlies van een schooljaar maakt voor de betrokken leerling een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. Een vordering ingesteld volgens de gewone schorsingsprocedure zal te laat komen om het dreigend verlies van een schooljaar te keren. B. Ernst van de middelen 8. In het inleidend verzoekschrift voert verzoekster drie middelen aan. XII-6354-7\20 Eerste middel Uiteenzetting van het middel 9. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de formele- motiveringsplicht, de materiële-motiveringsplicht, artikel 5, § 5, van het organisatie- besluit en het schoolreglement 2009-2010. 10. In de toelichting bij het middel neemt verzoekster vooreerst de klassenraadbeslissing van 30 augustus 2010 op de korrel. In het kader van het georganiseerd administratief beroep heeft de over verzoekster delibererende klassenraad evenwel op 3 september 2010 een nieuwe beslissing genomen. Het eerste doel van de administratieve beroepsprocedure bestaat er in dat reeds zonder een beroep op de rechter mogelijke euvels, inzonderheid op het vlak van de motivering, kunnen worden rechtgezet. De beslissing van 3 september 2010 heeft daarom de eerstgenoemde beslissing vervangen, zodat eventuele tekortkomingen aan die eerstgenoemde beslissing geen aanleiding meer kunnen geven tot de gevraagde schorsing. Hierna wordt er dan ook aan die grieven geen aandacht meer besteed. 11. Met betrekking tot de beslissing van 3 september 2010 “herneemt [verzoekster] ten aanzien van deze beslissing alle bezwaren zoals uiteengezet tegenover de eerste bestreden beslissing”. Volgens haar vereist het ingrijpende karakter van een C-attest een extensieve motivering. Zij wijst op haar goede punten tijdens het jaar en vindt het weinig consistent om daarmee geen rekening te houden in de eindbeslissing. Het ontbreekt in die beslissing ook aan duidelijkheid over de toekenning van de punten. Verzoekster betoogt : “Verwerende partij voegt in deze tweede bestreden beslissing amper iets toe aan haar motivering. Uw Raad zal vaststellen dat verwerende partij ook in het kader van deze beslissing, ondanks de verplichting in het Schoolreglement 2009-2010, nalaat te verwijzen naar de medische achtergrond van verzoekende partij om aan te tonen dat er rekening mee werd gehouden tijdens de beraadsla- ging en het nemen van de beslissing. Tevens geldt dat de toekenning van de punten zelf niet werd gemotiveerd. Opnieuw blijft verzoekende partij in het ongewisse omtrent de wijze waarop zij werd beoordeeld en de punten werden toegekend en de wijze waarop de punten globaal werden beoordeeld. Verwerende partij beperkt zich tot het opsommen van het aantal -beweerde- onvoldoendes, maar geeft geen globale beoordeling van de prestaties van verzoekende partij gedurende het gehele schooljaar. De beslissing van verwerende partij komt dan ook als willekeurig voor en is niet gebaseerd op het voorliggende dossier van verzoekende partij. XII-6354-8\20 Dit treft des te meer nu volgens rechtspraak van Uw Raad moet vaststaan op basis van de motivering dat de grieven die verzoekende partij in het kader van de beroepsprocedure formuleert, in overweging zijn genomen in de beoordeling en dat minstens een uitdrukkelijke repliek volgt op de vragen die voor verzoekende partij van wezenlijk belang blijken te zijn op grond van het ingediende bezwaar en beroep. In casu ontbreekt een dergelijk uitdrukkelijke repliek. Bovendien beweert verwerende partij in haar beslissing dd. 3 september 2010 dat er voor het vak Nederlands nooit een voldoende werd gehaald. Dit terwijl er voor dit vak voor DW2 een 5/10 werd behaald en uit het Schoolreglement 2009-2010 volgt dat een onvoldoende noodzakelijk minder dan een 5/10 bedraagt. Aldus blijkt dat de beslissing dd. 3 september 2010 niet alleen niet afdoende overeenkomstig de materiële en formele motiveringsplicht werd gemotiveerd, maar dat ze ook niet volledig correct werd gemotiveerd. Tevens dient te worden opgemerkt dat verwerende partij onderstreept in haar beslissing dd. 3 september 2010 dat verzoekende partij onvoldoendes behaalde voor voornamelijk algemene vakken. Dit gaat opnieuw voorbij aan de hoger vermelde voldoendes die werden behaald voor deze vakken.” 12. De beslissing van 13 september 2010 verwijst enkel naar een advies van de beroepscommissie, dat in het geheel niet gemotiveerd is, aldus verzoekster. Er komt bijgevolg andermaal niet de minste weerlegging van haar bezwaren. Aldus is het nog steeds onmogelijk voor verzoekster om na te gaan of de toekenning van een C-attest gebeurde op basis van een rechtmatig rekening houden met alle gegevens van het dossier en of deze beslissing effectief steunt op afdoende juridische en feitelijke overwegingen. Nergens in de beslissing van 13 september 2010 blijkt dat bezwaren geformuleerd door verzoekster in de beoordeling van verwerende partij werden betrokken. 13. Verwerende partij verwijst ter terechtzitting naar stuk 19 van het administratief dossier, te weten het omstandig advies van de beroepscommissie. Volgens verwerende partij heeft verzoekster geen belang (meer) bij het derde middelonderdeel, omdat zij nu toch de inhoud van het advies kent en er ter terechtzitting niet op heeft gerepliceerd. Beoordeling 14. De beslissing van de delibererende klassenraad van 3 september 2010, zoals ze hiervoor sub 3.3. is aangehaald, kan niet anders dan formeel gemotiveerd genoemd worden. 15. De delibererende klassenraad heeft op 3 september 2010 geen louter bevestigende beslissing genomen maar hij heeft, na kennisname van de daags XII-6354-9\20 voordien neergeschreven bezwaren van verzoekster, gepoogd deze te beantwoorden en te weerleggen. Zeker in het kader van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid past het dan niet om gewoon, wat die nieuwe motivering betreft, “alle bezwaren zoals uiteengezet tegenover de eerste bestreden beslissing” te hernemen als toelichting bij het middel. Het valt aan verzoekster toe om concreet en precies aan te tonen welke van haar grieven met betrekking tot de éérst gegeven motivering niet of onvoldoende zijn ontmoet in de nieuwe argumenta- tie van de klassenraad. Dat werk doet de rechter niet in haar plaats. Verzoekster is laatstejaarsleerling. Zij streeft na een diploma secundair onderwijs te behalen. Om haar met het oog daarop geslaagd te kunnen verklaren, moet de delibererende klassenraad ervan overtuigd zijn dat verzoekster haar jaar met vrucht heeft beëindigd, wat luidens artikel 38, 3/, van het organisatie- besluit betekent dat zij “in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht [haar] studies voort te zetten in het hoger onderwijs”. Uit de beslissing van de delibererende klassenraad leert de Raad prima facie dat deze het C-attest in de eerste plaats steunt op de tekorten op de bijkomende proeven voor Nederlands, Frans, Engels en wiskunde. Het is echter niet zo dat de klassenraad deze resultaten niet zou hebben gerelateerd aan de doorheen het schooljaar behaalde resultaten voor dagelijks werk en proefwerken. Integendeel verwijst de delibererende klassenraad in zijn motivering ook nog naar de onvoldoen- des die werden gehaald voornamelijk op de algemene vakken (Nederlands, Engels, Frans, wiskunde, fysica, aardrijkskunde, kunstgeschiedenis) en ook op het hoofdvak van het specifiek gedeelte (toegepaste beeldende vorming), zowel voor dagelijks werk als voor examens. Dat verzoekster voor Nederlands dan toch één keer 5/10 behaalde, wordt door de klassenraad niet tegengesproken waar deze stelt dat verzoekster “over het gehele schooljaar (omzeggens) geen voldoende” behaalde voor dit vak. Of zij voor de bijkomende proef Nederlands nu 31% dan wel 44% moest krijgen in het midden latend, lijkt dit de vaststelling dat verzoekster ook voor die proef een “onvoldoende” heeft niet te ondergraven. Op het eerste gezicht kunnen de opgesomde tekorten overtuigen om aan te tonen dat verzoekster niet heeft voldaan voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar. Dan valt het veeleer aan de leerling toe concreet aan te geven welke formeel onvermeld gebleven gegevens zij daartegenover in de balans wil leggen om de klassenraad toch tot een XII-6354-10\20 diplomering te doen besluiten. Dat zij voor dagelijks werk ook wel voldoendes had, weegt prima facie niet op tegen de hoeveelheid en de hoegrootheid van de tekorten. Verzoekster mag voorts van de klassenraad niet verwachten dat hij in zijn beslissing “de wijze waarop [verzoekster] werd beoordeeld en de punten werden toegekend” uiteenzet. Voor examens die zijn gebaseerd op kennisvragen - verzoekster argumenteert niet dat het te dezen anderssoortige examens waren- volstaan in beginsel de gegeven punten zelf als motivering. Die kan verzoekster terugvinden op haar rapport en ze moeten niet uitdrukkelijk worden herhaald in de beslissing. De motiveringsplicht verplicht de klassenraad ook niet tot het uitschrij- ven van de motieven van de motieven of, met andere woorden, tot het toelichten of verantwoorden van de examenquoteringen die elke leerkracht afzonderlijk aan verzoekster heeft toegekend. De medische toestand van verzoekster is de klassenraad niet ontgaan, zo lijkt, ook al heeft hij daaraan niet de door verzoekster verhoopte gevolgen gegeven. De klassenraad merkt immers op dat hij door het ontbreken van cijfergegevens aan verzoekster bijkomende proeven heeft toegestaan. De klassen- raad hoeft dan niet te specificeren, zo lijkt, wat elkeen al weet: namelijk dat het ontbreken van die cijfers precies als oorzaak heeft de door medische redenen verantwoorde afwezigheid van verzoekster. Ook laat de klassenraad verstaan met die achtergrond rekening te hebben gehouden door verzoekster vrij te stellen van een aantal bijkomende proeven voor vakken waarop zij ook tekorten liet optekenen en door rekening te houden met het “in afspraak minder uitgebreide” jaarrapport. Nogmaals lijkt de klassenraad te reageren op de vraag om met verzoeksters toestand rekening te houden waar hij schrijft dat “[de] leerling niet meer in aanmerking komt voor een uitgestelde beslissing”. In de procedure voor de Raad van State komt verzoekster er overigens niet toe in haar stukken ook maar iets te expliciteren over haar medische problematiek. Zij ontzegt de Raad dan ook de mogelijkheid om in te schatten welk belang verzoekster erbij kan hebben om van de klassenraad over die problematiek nog méér te mogen vernemen. Immers, zoals de klassenraad het opmerkt, heeft verzoekster reeds gedaan gekregen dat de beslissing werd uitgesteld en dat bijkomende proeven werden toegestaan. In beginsel moet de klassenraad vervolgens en uiterlijk op 15 september van het daaropvolgende schooljaar een beslissing nemen. De klassenraad oordeelt dan ook op het eerste gezicht terecht dat hij thans XII-6354-11\20 over alle nodige gegevens daartoe beschikt. Indien verzoekster meende dat haar medische toestand zo uitzonderlijk was dat er nogmaals uitstel voor nog bijkomende proeven moest worden toegestaan -daargelaten of dit reglementair nog mogelijk was- of dat die proeven een aan haar medische toestand aangepaste vorm moesten krijgen, dan viel het haar toe daarover meer detail te verschaffen, eerst aan de klassenraad, vervolgens aan de beroepscommissie en uiteindelijk aan de Raad van State. Zij heeft dat echter niet gedaan, zo lijkt, en blijft enkel op algemene wijze refereren aan haar medische toestand, zonder meer. Zelfs al liggen niet-betwiste medische redenen ten grondslag aan haar resultaat, dan nog blijft derhalve de vaststelling dat dat resultaat onvoldoende lijkt om te kunnen slagen. 16. In de huidige stand van de procedure neemt de Raad van State dan ook aan dat de klassenraad in het bezit zijnde van alle noodzakelijke informatie over verzoekster, op grond van de verschillende tekorten zoals aangegeven in de bestreden beslissing, vermocht vast te stellen dat verzoekster het jaar niet met vrucht heeft beëindigd. Verzoekster toont niet aan dat de klassenraad daarbij in strijd met artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit het concrete dossier van de leerling heeft veronachtzaamd. Verzoekster brengt vooralsnog ook geen gegeven bij dat de motivering van de beslissing doet wankelen. Het middelonderdeel is niet ernstig. 17 De eindbeslissing van 13 september 2010 is louter gemotiveerd door een verwijzing naar een op zichzelf nietszeggend advies van de beroepscom- missie en is zelf dan ook nietszeggend. Het advies van de beroepscommissie is aan verzoekster niet afzonderlijk meegedeeld zodat zij, wat de motivering ervan betreft, ervan moet uitgaan dat die inderdaad beperkt is tot hetgeen in de eindbeslissing is geciteerd. 18. Uit artikel 6quater, tweede lid, van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 -en uit artikel 5, § 1, van het organisatiebesluit- blijkt dat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn, nu die bepaling hem aanwijst “als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn”. Het organisa- tiebesluit kent inzake de bekrachtiging van de studies geen bevoegdheid toe aan het schoolbestuur zelf. Het schoolbestuur krijgt in artikel 73 -en in artikel 70- van het organisatiebesluit enkel de bevoegdheid om te beoordelen of er redenen zijn om de XII-6354-12\20 delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen, zonder zich met de inhoud van de te nemen beslissing te mogen mengen. Het schoolbestuur, daaromtrent geadviseerd door de beroepscom- missie, diende te beoordelen of verzoekster in haar bezwaarschrift grieven, vragen of opmerkingen naar voor brengt die in de beslissing van de klassenraad nog geen afdoende antwoord hebben gekregen of die wijzen op elementen waarmee de klassenraad niet, of niet correct, rekening heeft gehouden. Indien die vraag een bevestigend antwoord krijgt, moest het schoolbestuur vervolgens nagaan of die onbeantwoord gebleven grieven van aard waren dat ze, mochten ze gegrond zijn, mogelijk tot een voor de leerling beter resultaat zouden kunnen leiden. Aangezien het niet aan het schoolbestuur toevalt om over het geslaagd zijn van de leerling te beslissen, impliceert een bevestigend antwoord op die tweevoudige vraagstelling dat noodzakelijk de delibererende klassenraad opnieuw moest worden samengeroepen. 19. Verwerende partij betoogt ter terechtzitting dat verzoekster er geen belang bij heeft om op dit middelonderdeel te zegevieren, aangezien uit het advies van de beroepscommissie -dat weliswaar niet aan verzoekster is meegedeeld- blijkt dat er toch geen reden is om de klassenraad opnieuw samen te roepen. Of dat inderdaad zo is, moet de Raad thans niet beoordelen; immers, de formele motiveringsplicht vergt een uitdrukkelijk gemotiveerd antwoord vanwege het schoolbestuur en dat is er prima facie niet gekomen. Alleen bij een uitdrukkelijk veruitwendigen van de motieven kan verzoekster nuttig oordelen of het zin heeft er in rechte tegen op te treden. Daarenboven beschikt het schoolbe- stuur, in tegenstelling tot de Raad van State, ook over de mogelijkheid tot opportuniteitsbeoordeling. De Raad van State stelt echter in de huidige stand van de procedure vast dat de algemeen directeur zijn overtuiging waarom de klassenraad niet meer moet worden samengeroepen, niet uitwerkt in een uitgeschreven motivering in de kennisgeving van de bestreden beslissing. Ook de referentie aan het advies van de beroepscommissie verandert niets aan die vaststelling, aangezien voormeld advies aan verzoekster niet is bezorgd. Vergeefs brengt verwerende partij daartegen in dat verzoekster de betrokken motieven waarbij de directeur zich aansloot, te weten is gekomen binnen XII-6354-13\20 de procedure voor de Raad van State. Die omstandigheid kan niet goedmaken dat verzoekster, in strijd met het oogmerk van de formele-motiveringsverplichting, zich over het instellen van de vordering moest beraden en ze heeft moeten instellen zonder kennis te hebben van de motieven. 20. Betrokken op de beslissing van de algemeen directeur is het middel ernstig. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 21. Het tweede middel wordt afgeleid uit een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur doordat “(
  4. i)de verwerende partij in het kader van de kennisgevingen en de communicatie ten aanzien van verzoekende partij onzorgvuldig handelde en (
  5. ii)de verwerende partij is overgegaan tot een bewuste foutieve datering van de beslissing die werd genomen op 30 augustus 2010”. Verzoekster stelt nooit enige schriftelijke communicatie met betrekking tot haar evaluatie te hebben ontvangen, noch met betrekking tot de permanente evaluatie tijdens het schooljaar zelf, noch met betrekking tot de beslissing genomen op 30 augustus 2010. Voor de tussentijdse rapporten werd verwezen naar Smartschool, voor oudercontacten kreeg zij nooit schriftelijke uitnodigingen, van de rapporten kreeg zij geen ondertekend exemplaar. Op 30 augustus 2010 was de school telefonisch onbereikbaar. De school nam nochtans niet zelf het initiatief om haar te verwittigen. De datering op 30 juni 2010 van de bestreden beslissing genomen op 30 augustus 2010 geeft ook blijk van het onzorgvuldig handelen van verwerende partij. Nergens in de beslissing van 3 september 2010 staat toegelicht wat moet worden begrepen onder de “reglementaire” verplichting daartoe. Bespreking 22. De beslissing om aan verzoekster een C-attest te geven steunt wezenlijk op de door verzoekster doorheen het schooljaar behaalde tekorten en XII-6354-14\20 wegens niet afgelegde toetsen en examens ontbrekende punten, die zij niet heeft kunnen ophalen op de bijkomende proeven. De oorzaak hiervan is, zoals verzoekster het zelf schrijft, in eerste orde te zoeken in haar medische toestand. Verzoekster is als eerste bekend met die toestand en met het gevolg ervan op haar aanwezigheden in de school, haar deelname aan de examens en haar tekorten. De Raad van State ziet niet dadelijk wat verzoekster van de school op het vlak van communicatie tijdens het jaar dan zou verwachten. De loutere opwerping dat verzoekster geen ondertekende rapporten kreeg volstaat niet om aan de op die rapporten weergegeven punten (of ontbrekende punten) te doen twijfelen. Hoe dan ook zijn dit grieven die niet tot de gevraagde schorsing kunnen leiden. Zoals de Raad van State reeds meermals heeft opgemerkt, is immers één zaak of een leerling bewezen heeft de van haar verlangde kennis en kunde te bezitten, een andere, als zij die kennis en kunde niét blijkt te bezitten, wie daarvoor de schuld draagt. Verzoeksters bezwaren over gebrekkige begeleiding of communi- catie tijdens het schooljaar kunnen mogelijk betekenen dat de school mede schuld heeft aan haar tekorten, de Raad ziet evenwel op het eerste gezicht niet hoe ze van verzoekster een geslaagde vermogen te maken. Deze grief toont immers niet aan dat de tekorten ten onrechte als ongunstig of ontbrekend werden beschouwd. Wat dan weer de beroepsprocedure betreft, heeft verzoekster maar belang bij een antwoord op een grief, indien dit antwoord kan bijdragen tot een gunstiger beoordeling. Verzoekster zet niet uiteen hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding en de communicatie tijdens het schooljaar er toe moet leiden het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is geleverd. Tegen een beweerd gebrekkige begeleiding lijkt tijdig gereageerd te moeten worden, en dat is niet nadat de prestatie is geleverd. In zoverre is het middelonderdeel niet ernstig, zelfs al heeft de verwerende partij inderdaad nergens uitdrukkelijk gesteld dat hierop bij gebrek aan relevantie niet geantwoord diende te worden. 23. Wat er ook is van de wijze waarop verzoekster kennis heeft gekregen van de beslissing van 30 augustus 2010, dit heeft haar op het eerste gezicht niet verhinderd om haar bezwaren in de loop van de beroepsprocedure kenbaar te maken. Het middelonderdeel kan dan ook geen schorsing verantwoorden. XII-6354-15\20 24. Wat de datering van de beslissingen van de delibererende klassenraad op 30 juni 2010 betreft, stelt de Raad van State vast dat verwerende partij hiermee uitvoering geeft aan volgende instructie uit de omzendbrief SO64 (Structuur en organisatie van het voltijds secundair onderwijs) : “8.2.5. Proces-verbaal van de beslissingen van de delibererende klassenraad. 8.2.5.1. De beslissingen van de delibererende klassenraad dienen vastgelegd in een proces-verbaal. Elk proces-verbaal, waarop uitsluitend regelmatige leerlingen mogen voorkomen, wordt gedateerd op 30 juni en in één exemplaar opgemaakt. [...] In de praktijk vertaalt het voorgaande zich in enerzijds de opmaak van een proces-verbaal houdende die leerlingen waarvoor per 30 juni effectief een (positieve of negatieve) beslissing werd getroffen, en anderzijds desgeval- lend de opmaak van een proces-verbaal houdende die leerlingen waarvoor een (positieve of negatieve) beslissing plaatsgrijpt in de periode na 30 juni. Om duidelijkheidsreden, zal op het proces-verbaal bevattende de na 30 juni genomen beslissingen, aan het opschrift het woord ‘addendum’ worden toegevoegd. [...] De beslissingen van de delibererende klassenraad kunnen door de betrokken personen dan wel door de inrichtende macht zelf worden betwist. Dit kan ertoe leiden dat de delibererende klassenraad opnieuw dient samen te komen om te oordelen of hij zijn oorspronkelijke beslissing al dan niet handhaaft. Zo de beslissing wordt gewijzigd, dan dient : 1° op het initieel proces-verbaal al de gegevens met betrekking tot de desbetreffende leerling door middel van een volle lijn te worden geschrapt en daarachter de formule ‘zie addendum’ te worden vermeld; 2° de uiteindelijke beslissing vastgelegd bij een proces-verbaal - addendum. Afhankelijk van het tijdstip, kunnen de leerlingen waarvoor na betwisting de delibererende klassenraad een andere beslissing heeft genomen (in de praktijk mogelijk tot 15 september) én de leerlingen die het voorwerp van een langer besluitvormingsproces hebben uitgemaakt (mogelijk tot de eerste dag van het daaropvolgend schooljaar), al dan niet worden vermeld op ‘eenzelfde’ proces-verbaal - addendum !” De Raad van State kan bijgevolg, anders dan verzoekster, in die datering geen onzorgvuldigheid bespeuren en ziet voorts ook niet welk nadeel verzoekster heeft geleden nu haar enkel is meegedeeld dat deze datering “zo moest” en “reglementair” is voorgeschreven, zonder precisering van de desbetreffende omzendbrief. Mocht dit al een onzorgvuldigheid zijn, dan toont ze alleszins niet aan dat de beslissing over het niet slagen van verzoekster zelf onzorgvuldig tot stand is gekomen. Ook dit middelonderdeel is niet ernstig te noemen. XII-6354-16\20 25. Uit wat voorafgaat volgt dat het tweede middel in geen van zijn onderdelen ernstig is. Derde middel Uiteenzetting van het middel 26. Het derde middel wordt afgeleid uit een schending van het algemeen rechtsbeginsel patere legem quem ipse fecisti omdat verwerende partij de regels die zij zelf heeft vastgesteld in het kader van haar schoolreglement 2009-2010 niet heeft nageleefd en dit zowel met betrekking tot het verloop van de beroepspro- cedure, de communicatie van de evaluatie van verzoekster als met betrekking tot het rekening houden met de medische achtergrond van verzoekster bij het nemen van haar beslissingen. 27. Een eerste middelonderdeel heeft betrekking op de communicatie tijdens het schooljaar en de kennisgeving van de eerste bestreden beslissing. Verzoekster herhaalt grotendeels wat zij daarover schreef bij het tweede middel. 28. In het tweede middelonderdeel argumenteert verzoekster dat de school op grond van het schoolreglement 2009-2010 verplicht is om rekening te houden met haar medische achtergrond in het kader van de beraadslagingen van de delibererende klassenraad. Ondanks de opmerkingen hieromtrent in haar formeel bezwaar van 2 september 2010 en haar beroep van 8 september 2010, bewaart verwerende partij het stilzwijgen omtrent deze kwestie. 29. In een derde middelonderdeel zet verzoekster uiteen dat de beroepsprocedure zoals uiteengezet in het schoolreglement 2009-2010 niet werd gevolgd door verwerende partij. Op geen enkel ogenblik werd een schriftelijke uitnodiging verzonden voor een persoonlijk gesprek met de voorzitter van de delibererende klassenraad (of zijn afgevaardigde). Ondanks het feit dat het formeel bezwaar van verzoekster slechts werd ingediend op 2 september 2010 om 21.06u vernam zij reeds vóór het indienen van dit bezwaar, van de voorzitter van de delibererende klassenraad dat er al een beslissing was genomen om de klassenraad opnieuw samen te roepen. Dit verloop staat haaks op de bepalingen van het schoolreglement 2009-2010. In de beslissing van 3 september 2010 wordt volgehouden dat het schoolreglement 2009-2010 voor wat betreft het verloop van XII-6354-17\20 de beroepsprocedure wel werd gerespecteerd. Hieromtrent onderstreept verzoekster dat de mondelinge en telefonische contacten die plaatsvonden met verwerende partij vóór het indienen van het formeel bezwaar op 2 september 2010 niet plaatsvonden in het kader van het recht van overleg. Slechts door het indienen van het formeel bezwaar op 2 september 2010 maakte zij gebruik van haar recht op overleg met de voorzitter van de delibererende klassenraad of zijn afgevaardigde, tijdens hetwelk het dossier moest kunnen worden ingekeken en kennis moest worden genomen van de elementen die aanleiding gaven tot de toekenning van het C-attest. Beoordeling 30. Het eerste middelonderdeel valt samen met het eerste onderdeel van het tweede middel en is om de redenen daar uiteengezet niet ernstig. 31. Ook het tweede middelonderdeel voegt niets toe aan hetgeen reeds aan bod is gekomen in het eerste en het tweede middel en is, bijgevolg, niet ernstig. 32. Luidens artikel 68, eerste lid, van het organisatiebesluit mag verzoekster “het recht doen gelden op overleg met de afgevaardigde van de inrichtende macht of de voorzitter van de delibererende klassenraad of zijn afgevaardigde”. Dit recht op overleg is aan geen bijzondere vormvereisten onderworpen, zodat dit overleg ook telefonisch of per e-mail kan gebeuren. Luidens artikel 69 van het organisatiebesluit mag de voorzitter van de klassenraad “na dergelijk overleg” - dus ook na een informeel, zelfs telefonisch of mondeling contact- de delibererende klassenraad “zo spoedig mogelijk opnieuw doen bijeenkomen”. Overigens verleent artikel 70 van het organisatiebesluit aan het schoolbestuur de mogelijkheid om ook los van elke betwisting steeds de delibereren- de klassenraad opnieuw te doen samenkomen, teneinde een door het bevoegd gezag zelf omstreden beslissing te heroverwegen. De door verzoekster beschreven gebeurtenissen lijken bijgevolg met de voormelde bepalingen van het organisatiebesluit niet in strijd te komen. 33. Verzoekster verwijst evenwel naar het schoolreglement, dat volgens haar in een strakkere procedure voorziet en voor het overleg een vooraf- gaande uitnodiging vanwege de voorzitter zou vereisen. De voorzitter zou door het XII-6354-18\20 verloop der gebeurtenissen geen kennis hebben genomen van haar bezwaarschrift, dat eigenlijk voor hem was bestemd. 34. Hoe dan ook evenwel heeft verzoekster op 1 en 2 september 2010 meermaals contact gehad met verwerende partij om haar grieven kenbaar te maken. Dat de voorzitter zelf van haar uitgeschreven argumenten geen kennis nam tijdens die overlegmomenten, lijkt in de concrete omstandigheden zonder belang. De voorzitter valt het immers enkel toe, indien zij er niet in slaagt de leerling te overtuigen dat de beslissing correct is tot stand gekomen, te oordelen of er reden is om de klassenraad al dan niet opnieuw samen te roepen. In zoverre heeft het verloop van het overleg aan verzoekster geen nadeel bezorgd, aangezien die nieuwe samenkomst er effectief is gekomen. Verzoekster is in staat gebleken om verweren- de partij ervan te overtuigen de klassenraad op korte termijn opnieuw samen te roepen en zij is in staat gebleken om vooraf nog haar grieven schriftelijk aan de leden van de klassenraad over te maken. Verzoekster merkt terecht op dat dit eerste overleg ook de gelegenheid biedt om haar dossier in te kijken. Nergens evenwel beweert zij dat die inzage niét is gebeurd. Integendeel steunt zij in het verzoekschrift, om de berekening van haar cijfer voor de bijkomende proef Nederlands aan te vechten, op de inzage van die bijkomende proef. Mogelijk is die inzage er op een ander ogenblik gekomen en mogelijk heeft verzoekster geen volledige inzage in haar dossier gekregen. Verzoekster heeft evenwel in het bezwaar voor de beroepscommissie niet beweerd -en komt er ook in de huidige procedure niet toe te beweren- dat zij in haar rechten van verdediging is geschaad door haar dossier niet of niet volledig te hebben kunnen inkijken. In de huidige stand van de procedure bewijst verzoekster dus niet dat zij door het verloop van het overleg enig nadeel heeft ondervonden. 35. Het derde middelonderdeel is evenmin ernstig, wat doet besluiten dat ook het derde middel in geen van zijn onderdelen ernstig is. 36. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-6354-19\20 BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijk- heid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de algemeen directeur van de scholengroep 1 van het Gemeenschapsonderwijs van 13 september 2010 om de over Charlotte Janssens delibererende klassenraad van dé !Kunsthumaniora niet opnieuw samen te roepen. 2. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 september 2010, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren XII-6354-20\20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.720 Gerelateerde publicatie(
  6. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.570 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.